ECLI:NL:RBNHO:2026:7703

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
HAA 24/7291, HAA 24/7296, HAA 24/7452 en HAA 24/7214
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 3:11 AwbArt. 6:22 AwbArt. 13 Bekendmakingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning voor hondendagopvang in Heemskerk

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van meerdere eisers tegen de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk voor het realiseren van een hondendagopvang/hotel op een locatie in Heemskerk.

Eisers voerden diverse beroepsgronden aan, waaronder onzorgvuldige besluitvorming, strijd met het bestemmingsplan, onvoldoende participatie, geluidsoverlast, risico op Neospora-besmetting en het ontbreken van maatwerkvoorschriften. De rechtbank heeft deze gronden uitgebreid beoordeeld.

De rechtbank oordeelt dat de vergunningverlening niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De procedure is zorgvuldig verlopen, ondanks enkele formele tekortkomingen die niet tot belangenverlies hebben geleid. Het geluidsonderzoek is deskundig beoordeeld en voldoet aan de normen. De bezwaren over archeologische waarden, participatie en gezondheidsrisico's zijn onvoldoende onderbouwd of niet relevant voor de belangen van eisers.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het college de vergunning terecht heeft verleend. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Holland op 23 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de hondendagopvang wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 24/7291, HAA 24/7296, HAA 24/7452 en HAA 24/7214
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen
1. [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] , uit Uitgeest,
2. [naam 6] en [naam 7] , uit Uitgeest,
3. [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] en [naam 12] , uit Uitgeest,
4. [naam 13] en [naam 14] , uit Uitgeest,
5. Stichting Aircraft Recovery Group 1940-1945 h.o.d.n. Luchtoorlogmuseum Fort Veldhuis, uit Heemskerk,
6. buurtcomité Bus(ch) en Dam, uit Assendelft,
hierna als groep aan te duiden als eisers I
(gemachtigde: mr. A. Glijnis),

7.IJTG Logistics B.V., uit Beverwijk,

hierna aan te duiden als eiser II
(gemachtigde: mr. A. Glijnis),
8. [naam 14] , [naam 15] en Maatschap [naam 15] en [naam 16] . en [naam 17] , uit Heemskerk,
hierna als groep aan te duiden als eisers III
(gemachtigde: mr. K. van Driel),

9.[naam 18]

10. [naam 19]

11. [naam 20]

12. [naam 21]

13 [naam 22]

14. [naam 23]

15. [naam 24]

16. [naam 25]

17. [naam 26]

hierna als groep aan te duiden als eisers IV
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk, het college
(gemachtigde: mr. M. van der Fluit).
Als
derde-partijneemt aan de zaak deel: [naam 27] h.o.d.n. [naam bedrijf] uit Uitgeest, hierna (mede) aan te duiden als vergunninghoudster
(gemachtigde: mr. S. Smit).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over de verlening van de omgevingsvergunning voor het realiseren van een hondendagopvang/hotel op de [adres] in Heemskerk aan vergunninghoudster. Eisers zijn het niet eens met de verlening van de vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vergunningverlening door het college.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het college heeft de omgevingsvergunning mogen verlenen op de grond dat geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.3.
Onder 2 staat het procesverloop en de van belang zijnde feiten in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.4.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop en de feiten
2.1.
De rechtbank stelt in het licht van de totstandkoming van het besluit van
30 september 2024 de volgende niet in geschil zijnde feiten en het procesverloop vast die zij tot uitgangspunt heeft genomen.
2.2.
Op 18 september 2023 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning ten behoeve van het realiseren van een hondendagopvang/hotel (hierna: hondenopvang) aan de [adres] in Heemskerk.
2.3.
Op grond van het bestemmingsplan ‘Heemskerk Buitengebied 2015’ gelden op het perceel de bestemmingen ‘Horeca’ en ‘Verkeer’ en de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 4’ en ‘Waarde-Cultuurhistorie’. Het uitoefenen van hondenopvang past niet binnen deze bestemmingen. De verleende omgevingsvergunning ziet op de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Bij gebreke van een andere afwijkingsbevoegdheid is de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en sub a, onder 3, van de Wabo. De activiteit mag dus niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening en er moet sprake zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing.
2.4.
Er zijn zienswijzen ingediend. Deze hebben geleid tot aanpassing van de ruimtelijke onderbouwing waarna de omgevingsvergunning is verleend voor het realiseren van een hondenopvang.
2.5.
De vergunning bevat een aantal voorschriften. Zo mag maximaal één hond tegelijkertijd per veld aanwezig zijn tussen 9.00 uur en 15.00 uur. Daarnaast mogen er maximaal 40 honden per dag aanwezig zijn. Ook moeten ramen en deuren tijdens de bedrijfsvoering gesloten blijven en dient te worden gekozen voor isolatiemateriaal dat is afgestemd op de juiste frequentie.
2.6.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.7.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 2] , [naam 1] , [naam 6] en [naam 7] , de gemachtigde van eisers I en eiser II, [naam 14] , [naam 15] , de gemachtigde van eiser III, [naam 28] MSc (geluidsdeskundige), [naam 29] (LLB) (casemanager gemeente), [naam 30] (casemanager gemeente), [naam 31] (Omgevingsdienst IJmond), de gemachtigde van het college, [naam 27] , [naam 32] en de gemachtigde van vergunninghoudster.
Overgangsrecht
3. De rechtbank stelt voorop dat het bestreden besluit is gebaseerd op de Wabo, die in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is vervallen. Omdat de omgevingsvergunning vóór 1 januari 2024 is aangevraagd, zijn op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet de regels uit de Wabo nog wel op het bestreden besluit van toepassing.
Beoordeling goede procesorde
4.1.
Vergunninghoudster heeft bezwaar gemaakt tegen de processtukken die eisers I en II op 26 maart 2026 per e-mail (op voorhand) hebben ingediend. Weliswaar zijn deze stukken tijdig ingediend, maar gelet op het tijdstip van indiening (11 dagen voor de zitting) en de omvang van de stukken meent zij dat sprake is van strijd met een goede procesorde en vraagt zij om een deel van de stukken buiten beschouwing te laten.
4.2.
De rechtbank deelt dit standpunt niet. De stukken zijn tijdig ingediend. De omvang en inhoud van de stukken acht de rechtbank niet zodanig dat hierdoor strijd met een goede procesorde ontstaat. De rechtbank staat de stukken dan ook toe.
De beroepsgronden en de beoordeling daarvan
Zorgvuldige besluitvorming
5.1.
Deze beroepsgrond is aangevoerd door eisers I t/m III. Eisers betogen dat de bekendmaking in het Gemeenteblad van 3 mei 2024 niet op juiste wijze heeft plaatsgevonden. Het besluit van 30 september 2024 is in eerste instantie evenmin op juiste wijze gepubliceerd. Eisers stellen dat ook de publicatie van het definitieve besluit van
15 november 2024 niet op juiste wijze heeft plaats gevonden. Het besluit is ook niet op de juiste wijze en door de juiste persoon ondertekend. Het besluit is derhalve niet bevoegd genomen.
5.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat in de bekendmaking duidelijk werd aangegeven dat de stukken in te zien waren bij het gemeentehuis. Ook stond vermeld dat mondeling zienswijzen konden worden ingediend. Het college heeft de stukken ook digitaal verstrekt aan degenen die daarom vroegen. De gemeente heeft geen drempels opgeworpen. De stukken zijn na de raadsvergadering voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. Later ingediende zienswijzen zijn ook meegenomen in de nota beantwoording zienswijzen. Ten aanzien van de vraag of sprake is van rechtsgeldige ondertekening heeft het college ter zitting van de rechtbank aangevoerd dat bij mandaatregeling van 2020 een mandaat is verstrekt aan de vergunningverlener Wabo (Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk houdende regels omtrent mandaten (Regeling mandaten 2020)). De heer [naam 30] is vergunningverlener Wabo.
5.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Het ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken dienen krachtens artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in samenhang met artikel 13, eerste lid, van de Bekendmakingswet ter inzage te worden gelegd op elektronische wijze en op een door het bestuursorgaan aan te wijzen locatie. Het besluit is in strijd genomen met deze bepalingen, nu in de kennisgeving niet vermeld is dat de stukken ook digitaal konden worden ingezien. Daarmee voldoet de kennisgeving niet aan artikel 3:11 van Pro de Awb en artikel 13 van Pro de Bekendmakingswet. Daarnaast is de bekendmaking pas op 3 mei 2024 in het Gemeenteblad gepubliceerd, terwijl de stukken al op 25 april 2024 ter inzage lagen gedurende een termijn van zes weken. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van zienswijzen de facto vijf weken is geweest. Echter, niet is gebleken dat eisers in hun belangen zijn geschaad door deze omissies. Eisers hebben zienswijzen kunnen indienen, hebben dat ook gedaan en de zienswijzen zijn door het college betrokken bij de besluitvorming. Het college heeft dit ook schriftelijk bevestigd bij de beantwoording van de zienwijzen. De rechtbank zal het gebrek dan ook passeren met toepassing van het bepaalde in artikel 6:22 van Pro de Awb. Verder staat vast dat de heer [naam 30] vergunningverlener Wabo is. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een juiste mandaatverlening en ondertekening. De beroepsgrond faalt.
Participatie
6.1.
Eisers I en II betogen dat op grond van de Nota participatie 2022-2026 participatie verplicht was. Participatie heeft in dit geval niet plaats gevonden en (dus) is sprake van onzorgvuldige besluitvorming.
6.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat de aanvraag onder de Wabo valt en dat participatie dus niet verplicht is. Verder zijn er geen regels over participatie. Voor het college is de zienswijzeprocedure het formele traject voor participatie. Het besluit is daarom niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
6.3.
De rechtbank volgt het college hierin. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Geluidsnormen en ruimtelijke ordening
7.1.
Eisers III betogen dat de vestiging van een hondenopvang, dat direct grenst aan de gronden van het agrarische bedrijf van eisers III, kan zorgen voor geluidsoverlast voor het vee. Geblaf van honden kan leiden tot stress bij koeien. Daarnaast betogen eisers III dat strijd met een goede ruimtelijke ordening niet kan worden vastgesteld door uitsluitend te onderzoeken of aan de geluidsnormen wordt voldaan uit het Activiteitenbesluit. Ook dient te worden gekeken of het woon- en leefklimaat van eisers aanvaardbaar blijft. Daarnaast is onvoldoende feitelijk onderzocht wat de representatieve bedrijfssituatie is. Onduidelijk is wat op de overige velden mag gebeuren naast de ‘modelvelden’. Onduidelijk is hoe omgegaan moet worden met een volle bezetting van de hondenvelden en het uitlaten in kleine groepjes van de honden waardoor meer dan maximaal 3 honden tegelijk buiten zijn. Hier zijn geen voorschriften voor gegeven. Hierdoor is sprake van onzorgvuldige besluitvorming.
7.2.
Eisers I en II betogen dat sprake is van overschrijding van de geluidsnormen. Eisers betogen dat het akoestisch rapport dat onderdeel uitmaakt van de Ruimtelijke onderbouwing onjuist is.
7.3.
Het college stelt het volgende. Het college heeft de rapporten die de vergunninghoudster ten grondslag heeft gelegd aan het geluidsonderzoek, laten controleren door de omgevingsdienst IJmond (hierna: ODIJ). ODIJ concludeert dat, na enige aanpassingen en herberekeningen, in de rapporten van vergunninghoudster is uitgegaan van juiste rekenmethodes en beoordelingscriteria.
7.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Vergunninghoudster heeft als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing een geluidsonderzoek laten uitvoeren door het bedrijf Valersi. Het college heeft vervolgens ODIJ gevraagd om het rapport en bijbehorend addendum van Valersi te beoordelen en daarover aan het college te adviseren. Na de beoordeling door ODIJ heeft Valersi een aantal herberekeningen gemaakt die zijn verwerkt in een addendum. Daaruit blijkt dat geen of minimale overschrijding van de geluidsrichtlijnen plaatsvindt op punten waar zich geen gebouwen voordoen. Uit het onderzoek van Valersi volgt verder dat op de dichtstbijzijnde gevel voldaan wordt aan de maximale geluidsniveaus. Met andere woorden, er is geen sprake van een te hoog geluidsniveau op de gevels van gevoelige gebouwen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en uitkomsten van de onderzoeken, die concludent en goed onderbouwd zijn, waarbij voor de rechtbank zwaar meeweegt dat ODIJ, als onafhankelijk deskundige, het onderzoek van Valersi in positieve zin heeft beoordeeld. Het college heeft (mede) op basis hiervan in redelijkheid kunnen besluiten dat het bouwplan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
7.5.
Voor zover eisers betogen dat bij de berekening van de geluidsniveaus geen rekening is gehouden met allerlei mogelijkheden die vergunninghoudster aan activiteiten kan verrichten, overweegt de rechtbank dat de mogelijkheden van vergunninghoudster zijn opgenomen in de vergunning. Andere mogelijkheden dan in de vergunning genoemd, heeft vergunninghoudster niet. In deze procedure ligt slechts de vraag voor of het college op goede gronden heeft kunnen beslissen om een omgevingsvergunning te verlenen. Het beoogde gebruik, als verwoord in de vergunningverlening dient daarbij als uitgangspunt te worden genomen en dat heeft het college gedaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Bestemmingsplan en archeologische en cultuurhistorische waarden
8.1.
Eisers I en II betogen dat de locatie binnen de verboden kring van Fort Veldhuis ligt. Volgens eisers had een archeologisch rapport moeten worden overgelegd en er is ook niet aan de Monumentencommissie advies gevraagd. Het argument dat de te plaatsen hekwerken vergunningsvrij zijn gaat niet op omdat artikel 34 van Pro het bestemmingsplan ziet op alle bouwwerkzaamheden en dus niet alleen op de vergunningplichtige werkzaamheden. Eisers betogen verder dat alleen bedrijven die vallen in milieucategorie 2 in het buitengebied van Heemskerk worden toegestaan. Een hondenopvang valt in milieucategorie 3.2 en is dus meerdere treden zwaarder dan hetgeen passend is in het buitengebied.
8.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van vergunningplichtige bouw- of aanlegwerkzaamheden in de zin van artikel 33 en Pro 34 van het bestemmingsplan. Bovendien betreft het project het hergebruiken van al bestaande bebouwingen en voegt het dus geen bebouwing toe die niet al is toegestaan. Verder betreft de aanvraag het wijzigen van de bestemming “Horeca” naar de bestemming “Maatschappelijk”. De door eisers aangevoerde argumenten zijn dan ook niet relevant. Daarnaast is het college van mening dat de bestemming “Maatschappelijk” passend is voor een hondenopvang met bedrijfswoning. Volgens landelijke standaarden valt dit, door het educatieve karakter en de trainingsdoeleinden, onder maatschappelijke bestemming.
8.3.
De rechtbank volgt het college hierin en ziet geen aanleiding eisers te volgen in hun standpunt. De beroepsgrond faalt.
Neospora
9.1.
Eisers III betogen dat dat het college onvoldoende aandacht heeft besteed aan het risico op Neospora besmetting. De hondenvelden bevinden zich nabij sloten. Hierdoor kunnen uitwerpselen in de sloot belanden en via het water bij het vee terecht komen.
9.2.
Het college betwist het standpunt van eisers III nu de honden niet op het terrein komen waar koeien grazen en derhalve geen of slechts een klein risico bestaat aangezien hun uitwerpselen niet in contact komen met de weide.
9.3.
De rechtbank kan het college hierin volgen, temeer nu eisers III in het geheel niet hebben onderbouwd hoe groot de kans op besmetting is in onderhavige situatie waarbij de honden en koeien op van elkaar gescheiden velden staan. Slechts een verwijzing naar algemene informatie die gaat over Neospora besmetting volstaat niet om een dergelijk standpunt te onderbouwen. De beroepsgrond faalt.
Geen deugdelijke maatwerkvoorschriften
10.1.
Eisers I t/m III betogen dat geen omgevingsvergunning verleend had mogen worden onder de gegeven omstandigheden. Het besluit bevat onvoldoende maatwerkvoorschriften waardoor een goede ruimtelijke ordening, althans voldoende bescherming van het woon- en leefklimaat niet geborgd is.
10.2.
De rechtbank overweegt dat uit de omgevingsvergunning, de daarin opgenomen voorschriften en de van toepassing zijnde wet- en regelgeving blijkt wat is toegestaan en wat niet. Indien overtreding plaatsvindt kan hiertegen worden opgetreden via handhavingsmogelijkheden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Overige beroepsgronden
11.1.
Eisers I en II voeren nog aan dat sprake is van gezondheidsrisico’s. De rechtbank overweegt dat voor zover een beroep wordt gedaan op de gezondheid van één van de eisers en dat die gezondheid onvoldoende is meegewogen bij de vergunningverlening, de gezondheidssituatie niet nader onderbouwd is in deze beroepsprocedure. De rechtbank passeert dit argument wegens onvoldoende onderbouwing.
11.2.
Ten aanzien van de door eisers I en II aangevoerde gronden over het dierenwelzijn geldt dat deze strekken ter bescherming van de belangen van dieren en niet van de belangen van eisers. Ditzelfde geldt voor de door dezelfde eisers aangevoerde gronden over de flora en fauna. De Wet bodembescherming beoogt evenmin de belangen van omwonenden in dit geval te beschermen, maar strekken tot bescherming van de kwaliteit van de bodem en om te kunnen beoordelen of de locatie geschikt is voor de nieuwe functie. De betreffende beroepsgronden kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
12. De beroepen zijn ongegrond. Het college heeft op goede gronden de vergunning kunnen verlenen. De rechtbank heeft toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 6:22 van Pro de Awb. Voor vergoeding van het griffierecht of in aanmerking komende proceskosten ziet de rechtbank evenwel geen aanleiding. Het onder rechtsoverweging 5.3 geconstateerde gebrek is zuiver van formele aard en heeft op geen enkele relevante wijze de inhoudelijke beoordeling van het beroep van eisers beïnvloed.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. de Vries, voorzitter, mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en
mr. M. Jurgens, leden, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.