ECLI:NL:RBNHO:2026:7636

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
HAA 26/2802
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 7:11 AwbArt. 8:81 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bijzondere bijstand voor parkeer- en reiskosten ziekenhuisbezoek

Verzoekster heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor reis- en parkeerkosten om haar zoon te kunnen bijstaan tijdens zijn chemobehandelingen en operatie. Het college wees de aanvraag aanvankelijk af, maar herzag dit deels en kende een vergoeding toe voor openbaar vervoer en later een kilometervergoeding voor autokosten.

Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, stellende dat zij vanwege medische beperkingen niet met het openbaar vervoer kan reizen en dat de toegekende vergoeding onvoldoende is. Het college nam tijdens de procedure een aanvullend besluit waarin het een lagere kilometervergoeding toekende en parkeerkosten alleen vergoedt na overleg van betaalbewijzen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het college terecht aanvullende bewijsstukken vraagt voor parkeerkosten en dat de gehanteerde kilometervergoeding niet onredelijk laag is. De stelling van verzoekster dat sprake is van reformatio in peius wordt verworpen. De voorlopige voorziening wordt afgewezen, maar het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, maar het college moet griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/2802

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wormerland

(gemachtigden: N. Westra en L. Jorissen).

Procesverloop

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor reis- en parkeerkosten om haar zoon bij te staan tijdens zijn behandeltraject in het ziekenhuis.
1.1.
Bij besluit van 7 april 2026 heeft het college de aanvraag van verzoekster afgewezen, omdat zij volgens het college volledig is voorzien in de kosten.
1.2.
Met het herziene besluit van 11 mei 2026 heeft het college de aanvraag van verzoekster gedeeltelijk toegewezen en een bedrag van € 763.70 aan verzoekster toegekend voor de kosten van openbaar vervoer. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Met het herziene besluit van 17 juni 2026 heeft het college vastgesteld dat verzoekster in aanmerking komt voor reizen met de auto. Aan verzoekster wordt een bedrag van € 610,89 toegekend voor de kilometervergoeding. Daarnaast geeft het college aan nog een besluit te nemen over de parkeerkosten.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Feiten waar de voorzieningenrechter van uit gaat
2. Verzoekster heeft op 24 februari 2026 een aanvraag gedaan voor bijzondere bijstand voor reis- en parkeerkosten. Haar zoon heeft chemobehandeling van 14 kuren en een operatie nodig. Verzoekster wil haar zoon bij zijn behandelingen bijstaan en bezoeken in het ziekenhuis.
2.1.
Bij brief van 2 maart 2026 heeft het college verzoekster om aanvullende gegevens gevraagd. Verzoekster heeft aanvullende informatie geleverd, waaronder een behandelplan van haar zoon van 11 maart 2026.
2.2.
Bij brief van 19 maart 2026 heeft het college aan verzoekster laten weten dat de Pw uitgaat van de goedkoopste reismogelijkheid. Dat zijn in dit geval de ov-kosten. Daarnaast heeft het college aangegeven dat uit het behandelplan niet blijkt van opnames. Verzoekster wordt in de gelegenheid gesteld om voor 1 april aanvullende bewijsstukken in te dienen.
2.3.
Bij besluit van 7 april 2026 heeft het college de aanvraag van verzoekster afgewezen, omdat zij volledig is voorzien in de kosten. Het college overweegt dat uit het door verzoekster overgelegde behandelplan blijkt dat de zoon van verzoekster gedurende 13 weken een poliklinische behandeling ondergaat. Het college overweegt dat daarbij in de regel niet in het ziekenhuis geslapen hoeft te worden. De reiskosten van- en naar het ziekenhuis van haar zoon worden vergoed vanuit zijn zorgverzekeraar. De zoon heeft daarbij gekozen voor eigen vervoer. Verzoekster kan met haar zoon meereizen naar het ziekenhuis om hem bij te staan.
2.4.
Op 12 april 2026 heeft verzoekster een aanvullend behandelplan overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van periodes waarin haar zoon opgenomen wordt.
2.5.
Op 11 mei 2026 heeft het college het besluit van 7 april 2026 herzien. In het nieuwe besluit wordt aan verzoekster € 763,70 toegekend. Het college is daarbij uitgegaan van de goedkoopste reismogelijkheid en heeft de reiskosten berekend op basis van het openbaar vervoer. Voor de overige kosten blijft het college bij het standpunt dat deze kosten vergoed worden door de zorgverzekering van de zoon van verzoekster. Tegen dit besluit heeft verzoekster op 21 mei bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft verzoekster de rechtbank op 25 mei 2026 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
2.6.
In het verzoekschrift heeft verzoekster onder meer uiteengezet dat zij vanwege haar medische beperkingen niet in staat is met het openbaar vervoer te reizen. De toegekende vergoeding volstaat daarom volgens verzoekster niet.
2.7.
Verzoekster heeft naar aanleiding van contact met de gemeente een kopie van inritkaarten overgelegd. Met de e-mail van 17 juni 2026 heeft het college aangegeven dat uit de inritkaarten niet blijkt welke kosten verzoekster heeft gemaakt. Verzoekster wordt dan ook verzocht om bonnen te overleggen waaruit blijkt welk bedrag zij heeft betaald. Ook heeft het college nog een aantal vragen over inritkaarten voor de periode februari 2026 en over parkeren op de [locatie] . Verzoekster wordt om een nadere toelichting gevraagd.
2.8.
Eveneens op 17 juni 2026 heeft het college het besluit van 11 mei 2026 herzien. In het nieuwe besluit stelt het college vast dat verzoekster op basis van het door haar ingestuurd behandelplan 84x van- en naar het [naam ziekenhuis 1] reist en 14x van- en naar het [naam ziekenhuis 2] . In totaal wordt voor deze reizen een kilometervergoeding toegekend van € 610,89. Voorts stelt het college dat verzoekster in het bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart, waarmee zij gratis kan parkeren op de locatie [naam ziekenhuis 1] . Vanaf heden ontvangt verzoekster dan ook geen vergoeding meer voor parkeren op de locatie [naam ziekenhuis 1] . Voor locatie [naam ziekenhuis 2] kan verzoekster een 7-dagenkaart nemen voor het bedrag van € 30,-, dat door het college zal worden vergoed. Verzoekster heeft enkele inritkaarten gestuurd over de periode voorafgaand aan 17 juni 2026. Om de parkeerkosten over deze periode te vergoeden heeft het college nog meer informatie nodig. Na ontvangst van deze informatie zal een besluit worden genomen ten aanzien van de reeds gemaakte parkeerkosten.
Aanvullend besluit
3. De voorzieningenrechter overweegt dat het wijzigingsbesluit van 17 juni 2026 is aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent dat het bezwaarschrift van verzoekster wordt geacht tevens te zijn gericht tegen dit besluit en daarom wordt betrokken bij deze procedure.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Gelet op de situatie van verzoekster, zoals ook blijkt uit het hiervoor weergegeven feitenverloop, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang gegeven.
Wat vindt verzoekster?
5. Verzoekster heeft bij schrijven van 18 juni 2026 gereageerd op het besluit van 17 juni 2026. Zoals zij ook ter zitting desgevraagd heeft bevestigd kan zij zich er niet mee verenigen dat zij volgens het college vanaf de datum van dit nieuwe besluit niet meer in aanmerking komt voor vergoeding van door haar gemaakte parkeerkosten voor de locatie [naam ziekenhuis 1] . Zij stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat zij – anders dan door het college wordt aangenomen – niet gratis kan parkeren bij het [naam ziekenhuis 1] , omdat er maar een beperkt aantal invalidenparkeerplaatsen zijn, die bijna altijd bezet zijn. Verzoekster is verder van mening dat ook de kilometervergoeding te laag is.
Bestaat er aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen?
6. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
De parkeerkosten
6.1.
Ter zitting is duidelijk geworden dat het college de door verzoekster (tot op heden) gemaakte parkeerkosten wil vergoeden zodra verzoekster met betaalbewijzen heeft aangetoond welke kosten zij daadwerkelijk heeft gemaakt. Alleen de inritkaarten die verzoekster tot nu toe heeft overgelegd zijn daarvoor volgens het college onvoldoende. De voorzieningenrechter acht dit niet onredelijk omdat met de inritkaarten niet kan worden vastgesteld wat voor verzoekster nu precies de kosten zijn geweest. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat van verzoekster als aanvraagster van bijzondere bijstand, mag worden verwacht dat zij voor het college controleerbaar maakt welke parkeerkosten zij heeft gemaakt. Het college heeft daarbij tevens ter zitting aangegeven dat zodra verzoekster de betaalbewijzen heeft overgelegd direct een beoordeling van de parkeerkosten kan worden gemaakt. Hiervoor hoeft de bezwaarfase niet te worden afgewacht.
De kilometervergoeding
6.2.
Bij het besluit van 17 juni 2026 is aan verzoekster als vergoeding voor de reiskosten een bedrag vastgesteld van in totaal € 610,89. Anders dan in het eerdere besluit van 11 mei 2026 is er daarbij vanuit gegaan dat verzoekster om medische redenen niet in staat is om met het openbaar vervoer te reizen en daarom gebruik moet maken van haar eigen auto. Verzoekster ontvangt hiervoor een kilometervergoeding van € 0,23 per uur. Verzoekster vindt het bedrag te laag en is van mening dat uit gegaan moet worden van een kilometervergoeding van € 0,25. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
6.3.
Vooropgesteld wordt dat een bestuursorgaan niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om, ter bepaling van de omvang van de noodzakelijke kosten, onderscheidenlijk de vergoedingen in het kader van de bijzondere bijstandsverlening, uit te gaan van forfaitaire bedragen of richtlijnen. Met inachtneming hiervan ziet de voorzieningenrechter op zichzelf onvoldoende aanleiding om de door het college gehanteerde kilometervergoeding als onredelijk laag te kwalificeren.
6.4.
Ten aanzien van de stelling van verzoekster dat geen maatwerk is geleverd en dat de kilometervergoeding in haar geval niet toereikend is voor de te maken noodzakelijke extra kosten is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit aspect nader kan en moet worden onderzocht in het kader van de aanhangige bezwaarprocedure. De op dit moment voorhanden informatie biedt de voorzieningenrechter te weinig houvast om reeds nu bij wijze van een voorlopige voorziening en vooruitlopend op de nadere besluitvorming door het college, een – van het besluit van 17 juni 2026 afwijkend – hoger bedrag aan vergoeding voor reiskosten vast te stellen.
6.5.
Vast staat tenslotte dat in het nieuwe besluit van 17 juni 2026 een lager bedrag aan reiskosten is vergoed dan in het eerder genomen besluit van 11 mei 2026. Verzoekster is van mening dat het college hiermee handelt in strijd met het beginsel van reformatio in peius. De voorzieningenrechter volgt verzoekster hierin niet. Het verbod van reformatio in peius houdt in dat een burger door het instellen van bezwaar of beroep er niet slechter voor mag komen te staan dan het geval was voordat hij aan de procedure begon. Maar dit betekent niet dat een genomen besluit niet gewijzigd mag worden. Op grond van artikel 7:11 van Pro de Awb vindt in bezwaar een heroverweging van het besluit plaats waarbij de motivering van het besluit aangevuld kan worden. Dat geldt ook voor de grondslag van een besluit. [1] Er is in die situatie geen sprake van reformatio in peius.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Omdat het college – naar aanleiding van het bezwaar- en verzoekschrift van verzoekster – op 17 juni 2026 een aanvullend besluit heeft genomen, moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Ook dient het college de reiskosten van verzoekster te vergoeden van in totaal € 17,13.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt het college tot betaling van € 17,13 aan proceskosten aan verzoekster;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,00 aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2587.