ECLI:NL:RBNHO:2026:7635

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
15/112427-25 en 15/390243-24 (tul)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38z SrArt. 46 SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijk veroorzaken explosie en brand in appartementencomplex

Op 10 april 2025 vond in een appartementencomplex te Heerhugowaard een explosie en brand plaats veroorzaakt door een vuurwerk-brandstof-combinatie (VBC) bestaande uit een jerrycan met benzine en daaraan bevestigd zwaar vuurwerk (cobra's). De verdachte was aanwezig in het appartement en heeft de VBC meerdere keren vastgehouden en met een aansteker in aanraking gebracht, wat leidde tot de ontbranding. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het veroorzaken van de explosie en brand, waarbij levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners en gevaar voor goederen voorzienbaar waren.

Daarnaast is bewezen verklaard dat de verdachte de VBC voorhanden had en voorbereidingshandelingen heeft getroffen in de periode van 8 tot en met 10 april 2025 met het oog op het plegen van een explosie en/of brand. De rechtbank wijst de verweren van de verdediging af en verklaart de verdachte strafbaar voor de ten laste gelegde feiten.

De rechtbank legt een gevangenisstraf van drie jaar op, zonder voorwaardelijk deel, en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr. De vorderingen van 27 benadeelde partijen tot materiële en immateriële schadevergoeding worden (deels) toegewezen, met een schadevergoedingsmaatregel om inning te waarborgen. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf wordt afgewezen vanwege de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en maatregel artikel 38z Sr, met toewijzing van schadevergoedingen aan 27 benadeelden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaatsen Alkmaar en Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/112427-25 en 15/390243-24 (tul) (P)
Uitspraakdatum: 25 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 juli 2025 (Haarlem), 6 oktober 2025 (Alkmaar), 15 december 2025 (Alkmaar), 9 maart 2026 (Alkmaar), 2 juni 2026 (Alkmaar) en 11 juni 2026 (Alkmaar, sluiting onderzoek) in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres 1],
nu gedetineerd in het Justitieel Complex Schiphol.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. S.P. Visser, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. J.S. Dallinga, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Kort gezegd wordt de verdachte ervan beschuldigd dat:
Feit 1:
hij alleen of samen met anderen, op 10 april 2025 in een woning in het appartementencomplex aan de [adres 2] in Heerhugowaard een explosie en/of brand heeft veroorzaakt, door een vuurwerk-brandstof-combinatie (VBC) met vuur in aanraking te brengen. Door de brand en/of de explosie zou gevaar voor goederen en/of personen zijn ontstaan. Primair wordt de verdachte verweten dat hij de brand en/of explosie opzettelijk heeft veroorzaakt en subsidiair dat hij hieraan schuld heeft gehad.
Feit 2:
hij op 10 april 2025 in Heerhugowaard, alleen of samen met anderen, een VBC voorhanden heeft gehad.
Feit 3:
hij in de periode van 8 april 2025 tot en met 10 april 2025 in Nederland voorbereidingshandelingen heeft getroffen om een explosie en/of brand te veroorzaken.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht.

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om van de zaak kennis te nemen, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.De standpunten

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot de bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van alle tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman bepleit dat er geen bewijs is dat het de verdachte is geweest die de vuurwerk-brandstof-combinatie, bestaande uit een jerrycan met benzine met daaraan cobra’s bevestigd (hierna steeds te noemen: de VBC), met vuur in aanraking heeft gebracht. Daarnaast heeft de verdachte ook niet nauw en bewust met een ander of anderen samengewerkt, zodat hij ook niet als medepleger kan worden aangemerkt. Verder is er geen sprake van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op het veroorzaken van een explosie en/of brandstichting. Ten slotte is er geen bewijs dat er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Nu de verdachte niet degene is geweest die vuur bij de VBC heeft gehouden, moet eveneens vrijspraak voor feit 1 subsidiair volgen.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte zich niet bewust was van de VBC en dat hij hierover geen feitelijke macht had.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman betoogd dat, gelet op de tenlastegelegde periode, onduidelijk is op welk specifiek misdrijf de tenlastelegging ziet, waar de explosie of brandstichting zou moeten plaatsvinden en er - bij een bewezenverklaring - sprake is van eendaadse samenloop met feit 1. De enkele berichten in de telefoon van de verdachte zijn bovendien onvoldoende voor een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen.

4.Het oordeel van de rechtbank

4.1
Inleiding
Op grond van de inhoud van het dossier en de behandeling op de zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 10 april 2025 heeft in het appartementencomplex aan de [adres 2] in Heerhugowaard een explosie en brand plaatsgevonden. Uit forensisch onderzoek blijkt dat de explosie en de brand zijn ontstaan in het appartement op [huisnummer 1], doordat een VBC in aanraking is gekomen met vuur.
De VBC bestond uit een jerrycan met (motor)benzine waaraan twee cobra’s waren vastgemaakt. De verdachte was samen met vier anderen ([medeverdachte], [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]) in het appartement op [huisnummer 1] aanwezig toen de VBC ontbrandde.
De verdachte erkent dat hij op de bewuste avond de VBC op enig moment in handen heeft gehad en dat hij hiermee, in zijn woorden, heeft
gekloot,maar ontkent dat hij degene is geweest die de VBC heeft doen ontbranden.
De rechtbank zal hierna motiveren welke handelingen de verdachte naar haar oordeel heeft verricht, hoe deze handelingen juridisch moeten worden geduid en welke conclusies daaraan moeten worden verbonden voor de vraag of er sprake is van bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten.
4.2
Feit 1
De handelingen van de verdachte
De verdachte wordt verweten dat hij de explosie en brand heeft veroorzaakt door de VBC in aanraking te brengen met vuur. De eerste vraag die dan ook aan de rechtbank voorligt, is of de VBC is ontbrand door toedoen van de verdachte. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
Allereerst heeft de rechtbank gekeken naar wat de andere personen die aanwezig waren in de woning hebben verklaard over het doen ontbranden van de VBC. [betrokkene 3] en [betrokkene 1] wijzen de verdachte aan als degene die de VBC heeft doen ontbranden. Zij verklaren, samengevat, dat de verdachte de VBC (meerdere keren) uit de kast heeft gepakt en hier vervolgens mee aan het
klotenwas. Het
klotenbestond uit het openmaken van de jerrycan, een beetje benzine uit de jerrycan gieten over de broek van [medeverdachte] en meerdere keren (de vlam van) een aansteker bij de VBC houden. Op het moment dat de VBC ontbrandde, was het volgens deze personen de verdachte die de VBC en de aansteker in zijn handen had.
De verdachte heeft verklaard dat hij inderdaad met de VBC aan het
klotenwas, maar dat hij op het toilet zat op het moment dat de VBC daadwerkelijk werd aangestoken. Dit is weliswaar bevestigd door [medeverdachte] tijdens zijn eerste verhoor bij de politie, maar [medeverdachte] is kort daarna, namelijk aan het einde van zijn tweede verhoor (de rechtbank begrijpt op 12 april 2025) op die verklaring teruggekomen. Hij heeft vervolgens aangegeven dat het is gegaan zoals [betrokkene 1] en [betrokkene 3] hebben verklaard; dat hij de verdachte niet wilde naaien, dat hij anders een probleem heeft en hem, de verdachte, daarom in eerste instantie in bescherming heeft genomen. [medeverdachte] heeft verklaard dat op het moment dat het gebeurde en de jerrycan in de fik vloog, de verdachte degene was die hij met de aansteker zag. De rechtbank heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen te twijfelen en wordt in dit oordeel gesterkt door het filmpje dat is aangetroffen op de telefoon van [betrokkene 1].
Op dit filmpje is te zien dat de verdachte op de bank zit en een zwarte jerrycan vasthoudt. In het handvat van de jerrycan is een ingetapet object met een groene lont bevestigd.
De rechtbank begrijpt, mede op basis van de verklaring van de verdachte, dat het hier gaat om twee aan elkaar vastgemaakte cobra’s. Verder is te zien dat de verdachte een aansteker pakt, de aansteker gebruikt waardoor er een vlam ontstaat en deze bij de jerrycan houdt, die hij in de andere hand vast heeft. Het filmpje waarop deze handelingen van de verdachte zijn te zien, is door [betrokkene 1] met zijn telefoon gemaakt. De politie heeft de opname onderzocht en met forensische software vastgesteld dat het filmpje is gemaakt op 10 april 2025 om 20:10 uur en door [betrokkene 1] is verzonden om 20:11 uur. De rechtbank neemt deze bevindingen van de politie over en ziet geen reden om aan dit onderzoek en de juistheid van deze vaststellingen van de politie te twijfelen. In dit verband is verder van belang om op te merken dat de eerste melding van de explosie bij de politie binnenkwam om 20:12 uur.
Nu de andere aanwezigen de verdachte aanwijzen als degene die de VBC in zijn handen had toen deze in brand vloog en er een filmpje is, waarop te is zien dat de verdachte heel kort voor de explosie een aansteker met open vuur bij de VBC houdt, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het de verdachte is geweest die de VBC heeft doen ontbranden en daarmee de explosie en brand heeft veroorzaakt. De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van de verdachte dat hij op het toilet zat, omdat zijn verklaring wordt weersproken door de bewijsmiddelen.
Opzet
De volgende vraag die aan de rechtbank voorligt, is of de verdachte de explosie en brand opzettelijk heeft veroorzaakt. De rechtbank is van oordeel dat er geen bewijs is dat de verdachte de doelgerichte intentie had om de VBC in het appartementencomplex te laten ontbranden en daarmee een explosie en brand te veroorzaken. Daarom is van zogenoemd vol opzet dan ook geen sprake.
Opzet kan alsnog worden bewezen, indien sprake is van voorwaardelijk opzet. Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is vereist dat het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans op, in dit geval, een explosie en brand in het leven heeft geroepen en de verdachte de kans op dit gevolg ook bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze gedraging is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden, reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Uit de bewijsmiddelen en uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat de verdachte in de avond van 10 april 2025 in de woning meerdere keren de daar aanwezige VBC in handen heeft gehad en de vlam van een aansteker steeds dicht bij (de lont van) de VBC heeft gebracht. De VBC bestond uit twee cobra’s - zwaar explosief en illegaal vuurwerk - die waren vastgemaakt aan een jerrycan met (motor)benzine. Ook heeft de verdachte op enig moment voorafgaand aan de explosie wat benzine uit de jerrycan gegoten. Door (vervolgens) bij deze zeer brandbare en explosieve combinatie een aansteker met open vuur te houden, heeft de verdachte een zeer risicovolle situatie in het leven geroepen die de kans in zich draagt dat de combinatie ontbrandt en een explosie en brand veroorzaakt. Het gaat om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is, waarvan een ieder zich bewust is en waarvan de verdachte zich dus ook bewust was. De verdachte heeft in dit verband ook verklaard dat hij weet dat benzine brandbaar is en het
heel domwas om met de VBC te
kloten.Deze wetenschap en dit
klotenimpliceert naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de VBC door anderen meerdere keren is weggezet, maar steeds weer werd teruggepakt door de verdachte, terwijl op het filmpje te horen is dat onder meer tegen de verdachte wordt gezegd dat hij moet stoppen (
“Ey klaar [verdachte]”). Dit draagt bij aan het oordeel van de rechtbank dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat door zijn handelen de explosie en brand zou ontstaan, op de koop heeft toegenomen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het veroorzaken van de explosie en de brand. Van een contra-indicatie die tot een andere conclusie zou moeten leiden, is de rechtbank niet gebleken.
Levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gevaar voor goederen
De laatste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of door de explosie en brand ook levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of gevaar voor goederen te vrezen was. Voor de beantwoording van deze vraag is het van belang dat dit gevaar ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte opzettelijk een explosie en brand heeft veroorzaakt in een woning waar meerdere mensen aanwezig waren. Daarnaast was deze woning gelegen in een appartementencomplex en vonden de explosie en brand plaats in de avond op een moment dat veel bewoners thuis waren. Door onder deze omstandigheden een VBC te laten ontbranden, met een explosie en brand tot gevolg, is naar het oordeel van de rechtbank voorzienbaar dat personen in en in de directe omgeving van het appartementencomplex zwaar lichamelijk of zelfs dodelijk letsel oplopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat de kracht van een dergelijke ontploffing en brand, al dan niet door rondvliegend puin, ernstig letsel met mogelijk fatale gevolgen kan veroorzaken. Dit wordt ook bevestigd door het forensisch onderzoek van de politie, waaruit onder meer blijkt dat door de explosie diverse buitengevels van woningen waren weggeblazen. Delen van het puin zijn op de straat terechtgekomen. Binnenwanden waren omgevallen of dermate beschadigd dat er vrij zicht was ontstaan van appartement [huisnummers]. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat het gevaar voor goederen eveneens voorzienbaar was en dat dit gevaar zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt.
Conclusie ten aanzien van feit 1
Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de bewezenverklaring van feit 1 primair. Wel zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat het veroorzaken van de explosie en brand in nauwe en bewuste samenwerking is gegaan met een of meer van de andere in de woning aanwezige personen.
4.3
Feit 2
Uit de hiervoor bij feit 1 opgenomen vaststellingen volgt dat in het appartement aan de [adres 3] een VBC aanwezig was. Een VBC is een zelfgemaakt explosief dat kan worden beschouwd als een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing. Het is een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie 2, onder 7 van de Wet Wapens en Munitie. Het voorhanden hebben van een dergelijk wapen is strafbaar gesteld in diezelfde wet. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat zowel de bewustheid van de aanwezigheid van het wapen als de beschikkingsmacht over dat wapen gelden als vereisten voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben daarvan.
De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat aan de vereisten voor een bewezenverklaring van voorhanden hebben is voldaan. In het appartement waar de verdachte aanwezig was en al enige dagen verbleef, was ook de VBC aanwezig. De verdachte heeft ook verklaard dat hij wist dat in de jerrycan benzine zat en dat de twee cobra’s die op de jerrycan vastgemaakt zaten, dezelfde cobra’s betroffen als die hij twee dagen eerder in de woning had gezien. Deze VBC heeft de verdachte op 10 april 2025 meermalen uit de kast gepakt en enige tijd vastgehouden. Het staat voor de rechtbank dan ook vast dat de verdachte zich bewust was van de VBC. Nu de verdachte de VBC zelf uit de kast heeft gepakt en hier vervolgens nog de handelingen mee heeft verricht zoals besproken onder 4.2, staat voor de rechtbank ook vast dat de verdachte over de VBC kon beschikken en hier een zekere mate van zeggenschap over had.
Conclusie ten aanzien van feit 2
De rechtbank komt tot de conclusie dat de verdachte de VBC voorhanden heeft gehad en dat dit samen met anderen was. De verdachte bevond zich in de avond van 10 april 2025 samen met vier andere jongens in de woning van één van hen. Die andere jongens hadden weet van de aanwezigheid van de VBC en zagen dat de verdachte daarmee aan het
klotenwas. Bovendien volgt uit hun verklaringen dat één of meerdere van hen die VBC ook zelf in handen hebben gehad. Op grond van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van medeplegen.
4.4
Feit 3
Naast het voorhanden hebben van de VBC op 10 april 2025, wordt de verdachte ook verweten dat hij deze VBC in de periode van 8 tot en met 10 april 2025 voorhanden had ter voorbereiding van het veroorzaken van een brand en/of explosie. Voor de rechtbank is, anders dan door de raadsman betoogd, helder dat dit verwijt ziet op voorbereidingshandelingen om een explosie en/of brand te veroorzaken op een andere locatie dan de [adres 2], aangezien het niet de bedoeling is geweest de VBC in de woning aan te steken.
De rechtbank moet beoordelen of de voorbereidingsmiddelen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kennelijk zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf als bedoeld in artikel 46 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). In deze beoordeling moet worden betrokken het gebruik dat van de middelen wordt gemaakt als ook het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had. De voorwerpen kunnen ook in hun gezamenlijkheid worden beoordeeld op hun bestemming. Het gaat erom of de voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had.
Zoals onder 4.3 is overwogen, heeft de verdachte de VBC op 10 april 2025 voorhanden gehad. Een VBC is naar zijn aard geschikt om een explosie en/of brand mee teweeg brengen, wat in deze zaak des te meer duidelijk is geworden. Ook de afzonderlijke onderdelen van de VBC, te weten meerdere cobra’s enerzijds en een jerrycan (motor)benzine anderzijds, zijn naar hun aard daartoe geschikt. Beide onderdelen waren in ieder geval vanaf 8 april 2025 in de woning aanwezig waar de verdachte verbleef.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte de VBC ook voorhanden gehad om te gebruiken én met het doel op enig moment een explosie en/of brand te veroorzaken. De rechtbank baseert dit oordeel op de (spraak)berichten die zijn aangetroffen in de telefoon van de verdachte. Zo stuurt de verdachte op 8 april 2025 een bericht aan [betrokkene 4] dat er wat aan staat te komen. Daarna stuurt de verdachte een afbeelding van twee aan elkaar vastgemaakte cobra’s. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat deze afbeelding is gemaakt in de woning aan de [adres 3] en dat de cobra’s op deze afbeelding, dezelfde cobra’s zijn als de cobra’s die op 10 april 2025 aan de jerrycan benzine waren bevestigd en daarmee dus onderdeel uitmaakten van de VBC. Op 9 april 2025 voert de verdachte via Snapchat een gesprek met
[snapchatnaam].Uit deze (spraak)berichten leidt de rechtbank af dat er kennelijk sprake is van een conflict. Het gaat onder meer over het geven van een osso (de rechtbank begrijpt: woning) waarbij [snapchatnaam] tegen de verdachte zegt:
jij hebt een bom, ik heb een bom, zodra jij het plaatst plaats ik het ook.De verdachte reageert hierop door te zeggen dat [snapchatnaam] maar af moet wachten en later in het gesprek zegt de verdachte nog dat hij
gas gaat geven. Gelet op de context van dit gesprek met [snapchatnaam], begrijpt de rechtbank deze laatste opmerking van de verdachte zo, dat de verdachte daadwerkelijk van plan was om een explosie en/of brand te veroorzaken. De rechtbank wordt in deze overtuiging gesterkt door wat de verdachte op 8 april 2025 naar [betrokkene 4] stuurt en door de verklaring van [betrokkene 3], namelijk dat de verdachte van plan was een huis te laten exploderen. In dit verband betrekt de rechtbank ook dat de verdachte op 9 april 2025 in zijn telefoon zoekt naar welke benzine het meest brandbaar is. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien maken, dat het niet anders kan dan dat de verdachte het doel had om opzettelijk een explosie en/of brand te veroorzaken en dat hij hiervoor voorbereidingen trof door een VBC voorhanden te hebben. Aan die conclusie draagt bij dat de verdachte voor bovenstaande feiten en omstandigheden geen aannemelijke, ontzenuwende verklaring heeft gegeven.
Conclusie feit 3
Het vorenstaande maakt dat de rechtbank ook de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen in de periode van 8 tot en met 10 april 2025 wettig en overtuigend bewezen acht. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd is van eendaadse samenloop met het onder feit 1 tenlastegelegde geen sprake, aangezien uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de handelingen van de verdachte erop gericht waren om met de VBC op 10 april 2025 een explosie of brand te veroorzaken in de woning aan de [adres 2] waar hij op dat moment zelf aanwezig was.
4.5
Samenvattende conclusie feit 1 tot en met 3
Op grond van voorgaande motiveringen en de bewijsmiddelen zoals opgenomen in bijlage 2 bij dit vonnis, komt de rechtbank tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De door de raadsman gevoerde verweren vinden weerlegging in wat hiervoor is besproken en in de bewijsmiddelen.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft op de zitting het voorwaardelijk verzoek gedaan om, bij een bewezen verklaring van feit 1 (primair dan wel subsidiair), nader onderzoek aan de telefoon van [betrokkene 1] te laten verrichten, om meer duidelijkheid te verkrijgen over het tijdstip waarop het bewuste filmpje is gemaakt en de reden dat in twee processen-verbaal twee verschillende tijdstippen worden genoemd. Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring komt en (de beschrijving van) het filmpje gebruikt voor het bewijs, is aan de voorwaarden van het verzoek voldaan. De rechtbank overweegt ten aanzien van het verzoek als volgt.
Gelet op het stadium in het proces waarop het verzoek wordt gedaan, is het noodzaakscriterium van toepassing. Voor verzoeken die betrekking hebben op de toevoeging van (aanvullende) stukken aan het dossier geldt volgens artikel 315 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) als maatstaf of de noodzaak van het verzochte is gebleken.
Nog daargelaten dat het verzoek in een zeer laat stadium wordt gedaan, ziet de rechtbank geen noodzaak tot het doen van nader onderzoek. In het dossier bevinden zich twee processen-verbaal waarin een verschillend tijdstip wordt genoemd van het versturen van het hiervoor onder 4.2 beschreven filmpje waarop onder meer de verdachte is te zien met de VBC in zijn handen. In het proces-verbaal van 11 april 2025 (pagina 525 e.v.) staat dat het filmpje om 19:54 uur is verstuurd. Uit dit proces-verbaal leidt de rechtbank af dat een verbalisant de telefoon heeft geopend, de applicatie Snapchat heeft bekeken en visueel in de applicatie heeft vastgesteld dat het filmpje om 19:54 zou zijn verstuurd. Dit betrof een handmatig onderzoek. Op dit handmatige onderzoek is een onderzoek gevolgd waarbij gebruik is gemaakt van forensische analyse software voor digitale sporen waarmee de inhoud van de telefoon meer gedetailleerd is onderzocht en geanalyseerd. Dit nadere onderzoek heeft ertoe geleid dat de politie in het proces-verbaal van 23 mei 2025 (pagina 527 e.v.) heeft geconcludeerd dat het betreffende filmpje om 20:10 uur met de telefoon van [betrokkene 1] is gemaakt en om 20:11 uur middels de applicatie Snapchat is verzonden aan de gesprekspartner.
Nu de politie in dit proces-verbaal helder en onderbouwd uiteen heeft gezet op welke wijze het onderzoek heeft plaatsgevonden en welke conclusies daaruit ten aanzien van de tijdstippen kunnen worden getrokken, heeft de rechtbank geen enkele reden om daaraan te twijfelen. De rechtbank ziet dan ook geen noodzaak om nader onderzoek te doen laten verrichten en wijst het verzoek van de raadsman af.
4.6
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1 primair:hij op 10 april 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, opzettelijk een explosie teweeg heeft gebracht en brand heeft gesticht in een woning aan de [adres 3], gelegen in een appartementencomplex, door een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), bestaande uit een jerrycan met benzine, met daaraan bevestigd meerdere cobra's, met open vuur in aanraking te brengen, als gevolg waarvan een ontploffing is ontstaan en brand is uitgebroken, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woningen gelegen in voornoemd appartementencomplex en/of de inboedel van deze woningen, en
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de in dat appartementencomplex aanwezige personen en/of een ieder in de (directe) omgeving van dat appartementencomplex, te duchten was.
Feit 2:hij, op 10 april 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een Vuurwerk Brandstof Combinatie, bestaande uit een jerrycan met benzine, met daaraan bevestigd meerdere cobra's, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad.
Feit 3:hij, in de periode van 8 april 2025 tot en met 10 april 2025 in Nederland, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten een explosie teweeg brengen en/of brandstichting als bedoeld in art. 157 Wetboek Pro van Strafrecht, opzettelijk voorwerpen en stoffen, bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad, te weten:
- een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), bestaande uit een jerrycan met benzine, met daaraan bevestigd een of meerdere cobra's.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1 primair: opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Feit 2: medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7º.
Feit 3: voorbereiden van een misdrijf als bedoeld in artikel 157 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

6.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.De sancties

7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast vordert de officier van justitie de oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht, rekening houdend met de jonge leeftijd van de verdachte en zijn persoon, te volstaan met een straf die de duur van de voorlopige hechtenis niet overstijgt. De rechtbank zou daarnaast reclasseringstoezicht aan de verdachte kunnen opleggen. Verder heeft de raadsman verzocht om aan de verdachte geen maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen, omdat het doel van de maatregel de raadsman onduidelijk is.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk veroorzaken van een explosie en brand, het voorhanden hebben van een wapen, te weten een VBC, en het voorbereiden van een explosie en/of brand. Dit betreffen zeer ernstige feiten en met name de explosie en brand in het appartementencomplex in Heerhugowaard heeft heel veel impact gehad. De bewoners die op het moment van de explosie en brand thuis waren, hebben hun huis halsoverkop moeten ontvluchten om zichzelf in veiligheid te brengen. De materiële schade aan het appartementencomplex was enorm en sommige bewoners zijn hun huis en al hun bezittingen kwijtgeraakt. Bewoners hebben huisdieren moeten achterlaten en niet alle bewoners hebben hun huisdieren levend teruggevonden. De impact van het feit op de levens van de bewoners van het appartementencomplex is dan ook zeer groot geweest. In de aanwezige stukken in het dossier en de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen hebben bewoners treffend en invoelbaar onder woorden gebracht hoe deze explosie en brand hun levens ingrijpend heeft veranderd en hoe zij de gevolgen daarvan nog iedere dag voelen. De rechtbank begrijpt dat het geen gerichte actie van de verdachte is geweest om in dit appartementencomplex een explosie en brand te veroorzaken. Het is de rechtbank dan ook duidelijk dat de verdachte deze enorme gevolgen voor de bewoners niet heeft gewild en dat gaat om een actie die vreselijk uit de hand is gelopen. Dat neemt niet weg dat de gevolgen enorm zijn geweest en dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Daar komt bij dat de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen nu hij erbij blijft dat hij niet degene is geweest die de explosie en brand heeft veroorzaakt.
Verder weegt de rechtbank mee dat de verdachte zich in de dagen voorafgaand aan de explosie en brand in het appartementencomplex, kennelijk bezighield met het treffen van voorbereidingen om elders een explosie en/of brand te veroorzaken. Het plegen van aanslagen met geïmproviseerde explosieven is een actueel maatschappelijk probleem en veroorzaakt gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving. Het potentieel gevaar dat uitgaat van het voorhanden hebben van dergelijke explosieven, wordt door deze zaak nog maar eens onderstreept.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 30 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte op 11 maart 2025 is veroordeeld voor het overtreden van de Wet Wapens en Munitie. Aan de verdachte is toen onder meer een voorwaardelijke straf opgelegd en de verdachte liep in een proeftijd ten tijde van het plegen van de feiten die in dit vonnis aan de orde zijn. De rechtbank weegt het strafblad van de verdachte in zijn nadeel mee en rekent het de verdachte aan dat hij zich vrijwel direct na zijn vorige veroordeling, opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.
De rechtbank heeft ook gekeken naar wat de verdachte heeft verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden, naar de rapporten van de reclassering van 4 maart 2025, 14 april 2025 en 12 mei 2026 en het rapport van de psycholoog van 5 januari 2026. In deze rapporten uiten de reclassering en de psycholoog hun zorgen over de verdachte. De psycholoog komt tot de conclusie dat de verdachte kampt met een autismespectrumstoornis en een stoornis in cannabisgebruik. Daarnaast is sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling die wordt gekenmerkt door een ontoereikende emotieregulatie, agressieregulatie en impulscontrole met antisociale kenmerken. Naast de risico’s in het psychosociaal functioneren, ziet de reclassering ook risico’s in het gebrek aan een zinvolle dagbesteding, het gebrek aan huisvesting, het negatieve sociale netwerk van de verdachte en zijn pro criminele houding. Zowel de reclassering als de psycholoog schatten het recidiverisico en het risico op gewelddadig gedrag in als hoog. Om dit risico te beperken adviseert de psycholoog om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht op te leggen. De verdachte heeft bij de psycholoog laten weten dat hij hier afwijzend tegenover staat. De reclassering adviseert anders. Ondanks de grote zorgen en het hoge risico op recidive adviseren zij om aan de verdachte geen bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering ziet geen mogelijkheden voor begeleiding en toezicht, omdat eerdere trajecten zijn mislukt en de verdachte niet ontvankelijk is voor hulp.
De rechtbank deelt de zorgen van de reclassering en de psycholoog en zal dit meewegen bij het bepalen van de sancties.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezen verklaarde feiten en met name de explosie en brand in het appartementencomplex zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur rechtvaardigt. De rechtbank erkent dat detentie hoogstwaarschijnlijk een grote invloed heeft en nog zal hebben op het leven van de (jonge) verdachte, maar dit doet niet af aan de op de rechtbank rustende taak om een straf op te leggen die passend is bij de ernst en gevolgen van de gepleegde strafbare feiten.
De rechtbank houdt rekening met het gegeven dat dit geen gerichte actie van de verdachte was, zijn persoonlijke omstandigheden en zijn jonge leeftijd. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, gecombineerd met reclasseringstoezicht, zoals voorgesteld door de raadsman, acht de rechtbank echter niet passend. Ook de leeftijd van de verdachte of zijn persoonlijke omstandigheden wegen voor de rechtbank onvoldoende op tegen de ernst van de feiten om met een dergelijke sanctie te kunnen volstaan. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar passend en geboden is.
De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om te bepalen dat een deel van deze gevangenisstraf voorwaardelijk zal worden opgelegd. De verdachte heeft op de zitting weliswaar toegezegd zich te willen houden aan reclasseringstoezicht en bijzondere voorwaarden, maar bij de rechtbank bestaat, net als bij de reclassering, twijfel over de (intrinsieke) motivatie van de verdachte. De rechtbank weegt ook mee dat de verdachte in maart 2025 is veroordeeld tot een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden en dat hem hiermee een kans is geboden. De verdachte heeft deze kans niet aangegrepen, maar koos ervoor om zich vrijwel direct opnieuw in te laten met het begaan van strafbare feiten. De rechtbank ziet nu geen aanleiding om de verdachte opnieuw een kans te bieden.
Maatregel ex artikel 38z Sr
Wel baart de aard van de strafbare gedragingen in combinatie met de persoon(lijkheidsproblematiek) van de verdachte, zijn jonge leeftijd en zijn ontkennende houding de rechtbank ernstig zorgen. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het vanuit veiligheidsoogpunt niet verantwoord is de verdachte na detentie zonder enig toezicht terug te laten keren in de maatschappij. Niet valt te overzien of, en zo ja in hoeverre, de toekomstige detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling voldoende waarborgen geven om eventuele toekomstige risico’s te ondervangen. De rechtbank zal daarom de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel, en indien nodig onder welke voorwaarden, zal in de laatste fase van de detentie van de verdachte en voorwaardelijke invrijheidsstelling plaatsvinden. Een risicotaxatie van het dan aanwezige recidivegevaar en de noodzaak van behandeling en begeleiding dient in het kader van die beoordeling plaats te vinden.
Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z lid 1 Sr is voldaan, nu de maatregel wordt opgelegd ter bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen, terwijl de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van personen.
Samenvattend oordeel
Samenvattend zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opleggen, als bedoeld in artikel 38z Sr.
De tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro.
8. De vordering tot tenuitvoerlegging
8.1
De vordering
Bij vonnis van 11 maart 2025 in de zaak met parketnummer 15/390243-24 heeft de politierechter van deze rechtbank de verdachte veroordeeld voor het overtreden van de Wet Wapens en Munitie tot onder meer een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder algemene en bijzondere voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 26 maart 2025 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
8.2
De standpunten
De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer wordt gelegd.
De raadsman heeft bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, omdat de tenuitvoerlegging, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de lange duur van de voorlopige hechtenis, geen doel meer dient.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering moet worden afgewezen. Nu aan de verdachte een langdurige gevangenisstraf wordt opgelegd, acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf niet opportuun.

9.De vorderingen van de benadeelde partijen

9.1
De vorderingen
In deze strafzaak hebben 28 personen zich als benadeelde partij gevoegd en zij vorderen een schadevergoeding van de verdachte. De schade zou in alle gevallen zijn geleden als gevolg van het onder 1 (primair) tenlastegelegde feit en de vorderingen omvatten materiële en immateriële schadeposten.
Het betreffen de volgende vorderingen:
Benadeelde partij:
Immateriële schade:
Materiële schade:
Totaal:
[benadeelde 1]
€ 6.000,00
€ 8.580,10
€ 14.580,10
[benadeelde 2]
€ 4.000,00
€ 1.444,81
€ 5.444,81
[benadeelde 3]
€ 6.000,00
€ 8.023,00
€ 14.023,00
[benadeelde 4]
€ 6.000,00
€ 376,05
€ 6.376,05
[benadeelde 5]
€ 6.000,00
€ 250,00
€ 6.250,00
[benadeelde 6]
€ 4.000,00
€ 10.576,03
€ 14.576,03
[benadeelde 7]
€ 4.000,00
€ 8.023,00
€ 12.023,00
[benadeelde 8]
€ 6.000,00
€ 350,00
€ 6.350,00
[benadeelde 9]
€ 6.000,00
€ 350,00
€ 6.350,00
[benadeelde 10]
€ 8.000,00
€ 619,93
€ 8.619,93
[benadeelde 11]
€ 8.000,00
€ 8.472,21
€ 16.472,21
[benadeelde 12]
€ 6.000,00
€ 250,00
€ 6.250,00
[benadeelde 13]
€ 8.000,00
€ 8.789,00
€ 16.789,00
[benadeelde 14]
€ 8.000,00
€ 18.096,00
€ 26.096,00
[benadeelde 15]
€ 8.000,00
€ 2.985,75
€ 10.985,75
[benadeelde 16]
€ 15.000,00
€ 45.800,00
€ 60.800,00
[benadeelde 17]
€ 6.000,00
€ 8.628,67
€ 14.628,67
[benadeelde 18]
€ 4.000,00
€ 10.198,70
€ 14.198,70
[benadeelde 19]
€ 4.000,00
€ 1.244,33
€ 5.244,33
[benadeelde 20]
€ 6.000,00
€ 929,30
€ 6.929,30
[benadeelde 21]
€ 8.000,00
€ 12.242,14
€ 20.242,14
[benadeelde 22]
€ 6.000,00
€ 8.023,00
€ 14.023,00
[benadeelde 23]
€ 6.000,00
€ 735,00
€ 6.735,00
[benadeelde 24]
€ 6.000,00
€ 1.046,56
€ 7.046,56
[benadeelde 25]
€ 6.000,00
€ 11.979,38
€ 17.979,38
[benadeelde 26]
€ 6.000,00
€ 15.553,13
€ 21.553,13
[benadeelde 27]
€ 8.000,00
€ 8.669,77
€ 16.669,77
[benadeelde 28]
€ 8.000,00
€ 9.278,65
€ 17.278,65
De benadeelde partij [benadeelde 16] werd bijgestaan door mr. B. Roodveldt, advocaat te Zaandam. Haar vordering omvat immateriële en materiële schade, waarbij de gevorderde materiële schade bestaat uit een vergoeding voor de verwoeste inboedel en opgelopen studievertraging.
De andere benadeelde partijen werden bijgestaan door D.L. de Groot en S. Alberts, beide werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland. De vorderingen van deze benadeelde partijen omvatten eveneens materiële en immateriële schade, waarbij de materiële schadeposten vrijwel steeds dezelfde zijn.
Bij de gevorderde materiële schade heeft Slachtofferhulp Nederland ervoor gekozen een forfaitair (vastgesteld) bedrag te vorderen ter vergoeding van in de woning achtergebleven levensmiddelen, de kosten van aanschaf van noodzakelijke toiletartikelen en kleding en de kosten van verhuizing. Enkele benadeelde partijen vragen daarnaast nog om de vergoeding van andere materiële kosten.
Alle benadeelde partijen verzoeken tot slot om toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.2
De standpunten
De officier van justitie acht de vorderingen van alle benadeelde partijen voldoende onderbouwd en daarom voor toewijzing vatbaar, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Bij een viertal vorderingen ([benadeelde 19], [benadeelde 24], [benadeelde 14] en [benadeelde 20]) vindt de officier van justitie dat ten aanzien van een enkel (ondergeschikt) onderdeel niet-ontvankelijkheid of afwijzing moet volgen. Voor zover van belang zal de rechtbank daarop bij de bespreking van die betreffende vorderingen hierna ingaan.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en heeft daarom gevraagd de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen.
Bij wijze van subsidiair standpunt heeft de raadsman ook inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vorderingen. De rechtbank zal deze verweren telkens kort bespreken bij haar oordeel over de afzonderlijke vorderingen.
9.3
De ontvankelijkheid van de benadeelde partijen
Op grond van artikel 361, derde lid, Sv kan de rechter bepalen dat de vordering van de benadeelde partij geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk is, indien de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dit criterium beoogt, zo volgt uit de wetgeschiedenis, te bewerkstelligen dat de strafrechter zoveel als mogelijk inhoudelijk over de vordering van de benadeelde partij beslist. Ook de Hoge Raad heeft in het overzichtsarrest (ECLI:NL:HR:2019:793) overwogen dat, mede gelet op het grote belang dat benadeelde partijen hebben om op eenvoudige wijze schadeloos gesteld te worden voor de schade die zij door een strafbaar feit hebben geleden, voorkomen dient te worden dat de strafrechter vaker dan nodig gebruikmaakt van zijn bevoegdheid een benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Dit betekent dat de hoogte van de vordering of het aantal vorderingen dat is ingediend, niet zonder meer een onevenredige belasting oplevert. Ook in het geval dat de omvang van de schade zonder nader onderzoek of bewijslevering niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, heeft de strafrechter te bezien of het mogelijk is die omvang te schatten.
In onderhavige zaak stelt de rechtbank vast dat het weliswaar om veel vorderingen gaat, maar dat die vorderingen wat betreft het aantal daarin opgenomen schadeposten niet heel omvangrijk en ook verder overzichtelijk van aard zijn; iedere vordering bevat min of meer dezelfde schadeposten en er is, op een enkele uitzondering na, gekozen voor gecategoriseerde en of forfaitaire bedragen. Daarnaast is van belang dat de vorderingen op verzoek van de rechtbank ruim voor de inhoudelijke behandeling van de zaak zijn ingediend (5 mei 2026) en dat er, voorafgaand aan die inhoudelijke behandeling, een schriftelijke ronde is gelast waarbij de verdediging en het Openbaar Ministerie op de vorderingen hebben kunnen reageren. De verdediging heeft van die gelegenheid ook gebruik gemaakt, zo blijkt uit het schriftelijk standpunt van de verdediging waarin naast enkele algemene standpunten over de materiële en immateriële schadeposten, ook per vordering gemotiveerd verweer is gevoerd of vorderingen op specifieke onderdelen zijn betwist. Ook op de zitting hebben de raadsvrouw en de gemachtigden van de benadeelden partijen enerzijds en de verdediging anderzijds nogmaals over en weer op de nog naar voren gebrachte argumenten kunnen reageren. Daarmee is de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid geweest verweer tegen de vorderingen te kunnen voeren.
De rechtbank gaat dus voorbij aan het niet-ontvankelijkheidsverweer.
9.4
Het recht op schade vergoeding
De rechtbank heeft geoordeeld dat bewezen is dat de verdachte het feit (feit 1 primair) waarop de vorderingen van de benadeelde partijen zijn gebaseerd, heeft gepleegd. Dit betekent dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de betreffende benadeelde partijen en dat hij verplicht is de daarmee rechtstreeks verband houdende schade van de benadeelde partijen te vergoeden. Waar hierna over het bewezen verklaarde feit wordt gesproken, wordt bedoeld het onder 1 primair bewezen verklaarde feit.
9.5
Algemene overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de materiële schade
Kosten levensmiddelen
Door meerdere benadeelde partijen is een bedrag gevorderd ter vergoeding van verloren gegane levensmiddelen, aangezien ten gevolge van rook- en waterschade de in de betreffende woning aanwezige levensmiddelen (zowel in de koelkast als daarbuiten) niet meer bruikbaar waren. Wanneer deze schade door een benadeelde partij wordt gevorderd, is die geschat op € 100,00.
De vordering tot vergoeding van deze materiële schadepost is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en door de raadsman van de verdachte niet betwist.
Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. Het gevorderde (geschatte) bedrag komt de rechtbank ook redelijk voor. Voor zover deze kosten worden gevorderd zal de rechtbank deze post dan ook toewijzen.
Noodzakelijke kosten toiletartikelen en kleding
Door meerdere benadeelde partijen is een bedrag gevorderd ter vergoeding van de kosten die zij hebben gemaakt voor de aanschaf van noodzakelijke toiletartikelen en vervangende kleding. Na de explosie en brand waren de betreffende benadeelde partijen genoodzaakt hun woning te verlaten en mochten zij daar (tijdelijk) niet meer terugkeren, omdat het appartementencomplex onveilig werd verklaard. Het gaat om uitgaven die naar hun aard noodzakelijk en onvermijdelijk zijn. Wanneer deze schade wordt gevorderd, is de hoogte daarvan bepaald op € 250,00. Hierbij is door de betreffende benadeelde partijen aansluiting gezocht bij de maximale vergoeding zoals gehanteerd door reisverzekeraars bij het zoek- of kwijtraken van bagage. Alleen de benadeelde partijen [benadeelde 11] en [benadeelde 25] hebben een hoger bedrag gevorderd.
Door de raadsman van de verdachte is deze schade, voor zover de hoogte daarvan is beperkt tot het forfaitaire bedrag van € 250,00, niet betwist. De vordering tot vergoeding van deze materiële schadepost is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank ook redelijk voor. Voor zover deze kosten worden gevorderd en door de raadsman van de verdachte niet worden betwist, zal de rechtbank dit deel van de vordering dan ook toewijzen.
De rechtbank zal de vorderingen van de benadeelden [benadeelde 11] en [benadeelde 25], voor zover hun vorderingen op dit onderdeel het bedrag van € 250,00 overschrijden, hieronder bespreken bij het oordeel over hun afzonderlijke vorderingen.
Verhuiskosten
Door meerdere benadeelde partijen wordt een bedrag gevorderd dat ziet op verhuiskosten.
Na de explosie en brand op 10 april 2025 konden de benadeelde partijen gedurende minimaal drie maanden niet terugkeren naar hun huurwoning in verband met herstelwerkzaamheden aan het appartementencomplex. Voor enkele benadeelde partijen geldt dat zij niet binnen afzienbare termijn konden terugkeren naar hun woning en zijn verhuisd naar door de woningbouwvereniging aangeboden vervangende woonruimte. Voor andere benadeelde partijen geldt dat zij in verband met mentale klachten of opgelopen trauma veroorzaakt door de explosie en brand niet meer naar hun woning in het appartementencomplex wilden terugkeren of na een korte periode van terugkeer veelal met hulp van de woningbouwvereniging zijn verhuisd naar een andere huurwoning. De verhuizing heeft kosten met zich meegebracht. Het gaat om verhuiskosten en kosten van verf, vloer- en raambekleding. Wanneer deze schade door een benadeelde partij wordt gevorderd, zijn de kosten bepaald op € 7.673,00. Voor de hoogte van deze schadepost is aansluiting gezocht bij de forfaitaire verhuiskostenvergoeding uit artikel 7:220, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit betreft een bedrag dat is vastgesteld in de regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie.
De raadsman heeft deze schadepost betwist. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestaan van schade als gevolg van een (gedwongen) verhuizing niet aannemelijk is geworden, dat het verband tussen de schade en het feit ontbreekt en dat de omvang van de schade niet is onderbouwd, zodat ook de hoogte wordt betwist.
De rechtbank stelt allereerst vast dat alle benadeelde partijen die verhuiskosten hebben gevorderd, ook daadwerkelijk zijn verhuisd en daarvan bewijsstukken hebben ingebracht, onder meer in de vorm van huurovereenkomsten en of stukken van de woningbouwvereniging. Uit de onderbouwing volgt verder dat de verhuizing noodzakelijk was vanwege de schade aan de woning of verband hield met de mentale toestand van de benadeelde als gevolg van de explosie en de brand. In dat laatste geval is door de betreffende bewoner in overleg met de woningbouwvereniging gezocht naar alternatieve, vervangende woonruimte. Zowel de schade aan de woning als de mentale klachten van diverse bewoners zijn een direct gevolg van de explosie en brand. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen de geleden schade en het feit.
De hoogte van de gevorderde verhuiskosten is door de benadeelde partijen niet met nadere stukken onderbouwd. Wel neemt de rechtbank aan dat de benadeelde partijen verhuiskosten hebben gemaakt in verband met de explosie en brand. Vaststaat immers dat de benadeelde partijen die deze schadepost vorderen (op termijn) daadwerkelijk zijn verhuisd. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid en schat de verhuiskosten op een bedrag van € 7.673,00, zijnde de gevorderde forfaitaire verhuiskostenvergoeding uit artikel 7:220, vijfde lid, BW. Hoewel de forfaitaire verhuiskostenvergoeding zijn grondslag vindt in de contractuele relatie tussen een huurder en verhuurder, is het bedrag gebaseerd op de in het normale geval aan een verhuizing te relateren kosten, zoals die van verplaatsing van inboedel, stoffering van een woning, schilderwerk en aansluiting op nutsvoorzieningen.
Dit zijn geen andere kosten dan de kosten die de benadeelde partijen stellen dat zij in redelijkheid in verband met de verhuizing hebben moeten maken. De rechtbank gaat ervan uit dat de benadeelde partijen onder bovengenoemde omstandigheden (verhuizen door materiële schade of mentale klachten) deze kosten hebben gemaakt en de rechtbank zal dit bedrag dan ook, indien gevorderd, telkens toewijzen.
9.6
Algemene overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de immateriële schade
De grondslag van immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is vergoeding van immateriële schade mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vorderingen van de benadeelde partijen in alle gevallen op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van dit geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Door een deel van de benadeelde partijen zijn voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door de bewezenverklaarde feiten geestelijk letsel hebben opgelopen, zodat zij om die reden recht hebben op immateriële schadevergoeding.
Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ ook volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en (de aard en ernst van) de nadelige gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. In onderhavige zaak is sprake geweest van een zeer heftige explosie en brand in de avond, waarbij een aantal woningen volledig is verwoest en vele andere woningen in het appartementencomplex aanzienlijke brand- en of waterschade hebben opgelopen. Vaststaat dat de benadeelde partijen die ten tijde van de explosie en brand thuis waren hun woningen vanwege de gevaarzettende en levensbedreigende situatie halsoverkop hebben moeten verlaten. Voor alle benadeelde partijen geldt dat zij gedurende een aantal maanden niet naar hun woning konden terugkeren. Diverse benadeelde partijen zijn hun bezittingen geheel of gedeeltelijk kwijtgeraakt, van andere benadeelde partijen zijn spullen beschadigd geraakt en één benadeelde partij is tevens haar huisdier verloren. Gelet op deze feiten en omstandigheden is sprake van een dusdanig grove inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partijen, dat de rechtbank vindt dat de in dit verband gestelde nadelige gevolgen daarvan zo voor hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, waardoor bij de benadeelde partijen immateriële schade is veroorzaakt. Dit betekent dat de benadeelde partijen bij wie geen geestelijk letsel is of kan worden vastgesteld, eveneens aanspraak kunnen maken op vergoeding van immateriële schade.
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank aan elke benadeelde partij een bedrag aan immateriële schade zal toekennen. Zij zal telkens per benadeelde partij (kort) benoemen op basis van welk van de hiervoor genoemde gevallen smartengeld wordt toegekend.
De hoogte van de immateriële schade
Voor het bepalen van de hoogte van de toe te wijzen schadevergoedingen heeft de rechtbank gekeken naar de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, waaronder het aan de verdachte te maken verwijt, als ook de aard en ernst van de concrete gevolgen daarvan voor de betreffende benadeelde partij. Allereerst is voor de rechtbank van belang dat geen sprake is geweest van een doelgerichte actie van de verdachte waarbij hij het had voorzien op één of meerdere benadeelde partijen.
Daarnaast heeft de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de aan een benadeelde partij toe te wijzen immateriële schade de volgende factoren in aanmerking genomen:
  • De omstandigheid dat de benadeelde partij thuis was ten tijde van de explosie en brand.
  • De mate van gevaarzetting voor de benadeelde partij.
  • De omvang van de schade aan de woning en inboedel.
  • De mate van (onderbouwd) psychisch letsel.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken worden toegewezen en de
Rotterdamse Schaal, een binnen de rechtspraak ontwikkelde ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. In die schaal heeft de rechtbank gekeken naar de in 19.3 (bedreigende situaties door opzettelijke ontploffing) onder a en b genoemde bandbreedtes. De hiervoor genoemde relevante factoren voor de omvang van het smartengeld, brengen de rechtbank tot een indeling in de drie categorieën, waarbij de impact van het bewezen verklaarde feit in ernst oploopt en waarbij de volgende bedragen billijk worden geacht:
  • Categorie 1 (ernstig): € 1.000,00.
  • Categorie 2 (ernstiger): € 2.500,00.
  • Categorie 3 (meest ernstig): € 5.000,00.
De rechtbank baseert de toekenning van de immateriële schade steeds op een van deze categorieën. Zij zal telkens per benadeelde partij motiveren van welke categorie sprake is.
De rechtbank hanteert een andere categorisering dan door het merendeel van de benadeelde partijen, vertegenwoordigd door Slachtofferhulp Nederland, is voorgesteld, aangezien de leidende factoren bij die indeling, te weten al dan niet thuis en al dan niet onderbouwd psychisch letsel) onvoldoende differentiatie naar de ernst van de gevolgen per benadeelde partij mogelijk maken.
9.7
Het oordeel van de rechtbank – afzonderlijke overwegingen per benadeelde
9.7.1
[benadeelde 1]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding, verhuiskosten en schade aan het fornuis van in totaal € 8.580,10. Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5 wijst de rechtbank de gevraagde vergoeding voor de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding en verhuiskosten toe.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van het fornuis eveneens toe. De vordering tot vergoeding van deze schadepost is voldoende onderbouwd en door (de raadsman van) de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot deze post daarom geheel toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert immateriële schade van € 6.000,00 op grond van de aard en de ernst van de normschending en heeft gemotiveerd aangevoerd dat sprake is van een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zó voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon en verwijst hiervoor naar wat zij onder 9.6 heeft overwogen. Daarmee heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van immateriële schade.
Nu de benadeelde partij thuis was ten tijde van de explosie en brand en alle eigendommen uit de woning onbruikbaar zijn geworden of onherstelbaar beschadigd, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 2.500,00 billijk (categorie 2). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.2
[benadeelde 2]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding en schade aan de inboedel van in totaal € 1.444,81.
Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5 wijst de rechtbank de gevraagde vergoeding voor de levensmiddelen en noodzakelijke toiletartikelen en kleding toe. De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de inboedel eveneens toe. De vordering tot vergoeding van deze schadepost is voldoende onderbouwd en door (de raadsman van) de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot deze post daarom geheel toe tot een bedrag van
€ 844,81. Anders dan in de vordering staat opgenomen, komt de rechtbank bij optelling van alle schadeposten tot een totaalbedrag van € 1.194,81 aan materiële schade. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen en het meer gevorderde afwijzen.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert immateriële schade van € 4.000,00 op grond van de aard en de ernst van de normschending en heeft gemotiveerd aangevoerd dat sprake is van een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zó voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon en verwijst hiervoor naar wat zij onder 9.6 heeft overwogen. Daarmee heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van immateriële schade.
Nu de benadeelde partij niet thuis was ten tijde van de brand en explosie, maar wel zijn woning tijdelijk heeft moeten verlaten en er een deel van zijn bezittingen verloren is gegaan, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 1.000,00 billijk (categorie 1). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.3
[benadeelde 3]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding en verhuiskosten van in totaal
€ 8.023,00. Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van de materiële schade geheel toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert immateriële schade van € 6.000,00 op grond van de aard en de ernst van de normschending en heeft gemotiveerd aangevoerd dat sprake is van een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zó voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon en verwijst hiervoor naar wat zij onder 9.6 heeft overwogen. Daarmee heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van immateriële schade.
Uit de vordering leidt de rechtbank af dat de benadeelde partij thuis was tijdens de explosie en de brand en bij het vluchten uit de woning is geconfronteerd met rookontwikkeling en vuur.
De benadeelde partij heeft vervolgens zijn woning ook (tijdelijk) moeten verlaten. Gelet hierop acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 2.500,00 billijk (categorie 2). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.4
[benadeelde 4]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor noodzakelijke toiletartikelen en kleding een vergoeding van gemaakte taxikosten van in totaal € 376,05.
Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de gevraagde vergoeding voor de noodzakelijke toiletartikelen en kleding toe.
De rechtbank wijst de gevorderde taxikosten eveneens toe. Door de raadsman is aangevoerd dat deze kosten onvoldoende verband houden met het bewezen verklaarde feit, maar de rechtbank volgt de raadsman hierin niet. Namens de benadeelde partij is toegelicht dat hij een taxi heeft gebruikt om op twee momenten noodzakelijke spullen op te halen uit zijn woning, die op dat moment niet bewoonbaar was, omdat hij geen ander vervoer tot zijn beschikking had en slecht ter been is. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade tot het gevorderde bedrag heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. Daarmee houden deze kosten ook rechtstreeks verband met het feit en tevens is de schadepost voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot deze post daarom geheel toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert immateriële schade op grond van de aard en de ernst van de normschending en heeft gemotiveerd aangevoerd dat sprake is van een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zó voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon en verwijst hiervoor naar wat zij onder 9.6 heeft overwogen. Daarmee heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van immateriële schade.
Nu de benadeelde partij thuis was ten tijde van de explosie en brand en de woning enige tijd heeft moeten verlaten, maar de rechtbank op grond van de vordering en het dossier de mate van schade aan de woning niet kan vaststellen, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 1.000,00 billijk (categorie 1). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.5
[benadeelde 5]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert materiële schade van € 250,00, bestaande uit een vergoeding voor noodzakelijke toiletartikelen en kleding. Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5 wijst de rechtbank de gevraagde vergoeding voor de noodzakelijke toiletartikelen en kleding toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert immateriële schade van in totaal € 6.000,00 op grond van de aard en de ernst van de normschending en heeft gemotiveerd aangevoerd dat sprake is van een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zó voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon en verwijst hiervoor naar wat zij onder 9.6 heeft overwogen. Daarmee heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van immateriële schade.
Nu de benadeelde partij thuis was ten tijde van de explosie en brand en de woning enige tijd heeft moeten verlaten, maar de rechtbank op grond van de vordering en het dossier de mate van schade aan de woning niet kan vaststellen en daaruit niet volgt dat sprake is van (onderbouwd) psychisch letsel, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van
€ 1.000,00 billijk (categorie 1). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.6
[benadeelde 6]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding, verhuiskosten en schade aan de inboedel van in totaal € 10.576,03. Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5 wijst de rechtbank de gevraagde vergoeding voor de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding en de verhuiskosten toe.
De raadsman heeft de schade aan de inboedel betwist en naar voren gebracht dat een deel van de overgelegde facturen waarmee de vordering is onderbouwd op naam van een ander dan de benadeelde partij staat. De vordering moet daarom op dit onderdeel worden afgewezen.
De rechtbank volgt de raadsman niet in dit standpunt en wijst de vordering ten aanzien van de schade aan de inboedel eveneens toe. De vordering tot vergoeding van deze schadepost is voldoende onderbouwd en namens de benadeelde partij is ter zitting toegelicht dat de goederen op de facturen met een andere naam, cadeau zijn gedaan door de moeder van de benadeelde toen hij op zichzelf ging wonen. Nu deze beschadigde of verloren gegane goederen door de benadeelde partij moeten worden vervangen is de rechtbank van oordeel dat het gaat om schade die de benadeelde partij lijdt en die voor vergoeding in aanmerking komt. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot deze schadepost daarom geheel toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert immateriële schade van € 4.000,00 op grond van de aard en de ernst van de normschending en heeft gemotiveerd aangevoerd dat sprake is van een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zó voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon en verwijst hiervoor naar wat zij onder 9.6 heeft overwogen. Daarmee heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van immateriële schade.
De benadeelde partij was niet thuis ten tijde van de explosie en brand, maar uit de vordering en uit het dossier leidt de rechtbank af dat de woning met alle bezittingen van de benadeelde partij zich recht boven de woning op [huisnummer 1] bevond en ernstige schade heeft opgelopen. Daarom acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 2.500,00 billijk (categorie 2). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.7
[benadeelde 7]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding en verhuiskosten ten bedrage van
€ 8.023,00. Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van de materiële schade geheel toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert immateriële schade van € 4.000,00 op grond van de aard en de ernst van de normschending en heeft gemotiveerd aangevoerd dat sprake is van een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zó voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon en verwijst hiervoor naar wat zij onder 9.6 heeft overwogen. Daarmee heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van immateriële schade.
Nu de benadeelde partij niet thuis was ten tijde van de brand en explosie, maar wel zijn woning enige tijd heeft moeten verlaten, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 1.000,00 billijk (categorie 1). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.8
[benadeelde 8]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de levensmiddelen en noodzakelijke toiletartikelen en kleding ten bedrage van € 350,00. Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van de materiële schade geheel toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert immateriële schade van € 6.000,00 op grond van het psychisch letsel wat zij als gevolg van het bewezen verklaarde feit heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft bij haar vordering een brief van haar psycholoog overgelegd, waaruit blijkt dat zij als gevolg van het feit is gediagnosticeerd met PTSS en hiervoor behandeld wordt met onder meer EMDR-therapie. Gelet op deze onderbouwing en op hetgeen de rechtbank onder 9.6 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van geestelijk letsel en de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Nu de benadeelde partij niet thuis was ten tijde van de brand en explosie, maar wel haar woning enige tijd heeft moeten verlaten en als gevolg van het feit aanzienlijk (onderbouwd) psychisch letsel heeft opgelopen, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 2.500,00 billijk (categorie 2). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.9
[benadeelde 9]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de levensmiddelen en noodzakelijke toiletartikelen en kleding van in totaal € 350,00. Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van de materiële schade geheel toe.
De benadeelde partij vormt een huishouden, samen met een andere benadeelde partij die deze kosten ook gevorderd heeft. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze kosten niet ook door deze benadeelde kunnen worden gevorderd, omdat het de rechtbank redelijk voorkomt dat deze kosten bij een tweepersoonshuishouden ook twee keer gemaakt worden.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert immateriële schade van € 6.000,00 op grond van de aard en de ernst van de normschending en heeft gemotiveerd aangevoerd dat sprake is van een ernstige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zó voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon en verwijst hiervoor naar wat zij onder 9.6 heeft overwogen. Daarmee heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van immateriële schade.
Nu de benadeelde partij thuis was ten tijde van de explosie en brand en alle eigendommen uit haar woning onbruikbaar zijn geworden en zijn afgevoerd, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 2.500,00 billijk (categorie 2). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.10
[benadeelde 10]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de noodzakelijke toiletartikelen en kleding en het eigen risico van in totaal € 619,93. Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van de noodzakelijk toiletartikelen en kleding toe.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van het eigen risico zorgverzekering eveneens toe. De vordering tot vergoeding van deze schadepost is voldoende onderbouwd en door (de raadsman van) de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de materiële schade dan ook geheel toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert immateriële schade van € 8.000,00 op grond van het psychisch letsel wat zij als gevolg van het bewezen verklaarde feit heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft bij haar vordering een brief van een behandelend psycholoog overgelegd, waaruit blijkt dat zij na het bewezen verklaarde feit last heeft van paniekaanvallen, angstklachten en slaapproblemen en vermoedelijk kampt met PTSS. De benadeelde partij wordt hiervoor behandeld met onder meer EMDR-therapie. Gelet op het bestaan van geestelijk letsel en op wat de rechtbank onder 9.6 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
De benadeelde partij was thuis ten tijde van de brand en explosie en werd in haar woning geconfronteerd met rookontwikkeling. Zij moest hierdoor met spoed haar woning verlaten en kwam er nadien achter dat haar inboedel verloren is gegaan en dat haar kat de brand niet heeft overleefd. Als gevolg van het feit kampt de benadeelde partij met aanzienlijke psychische problemen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 5.000,00 billijk (categorie 3). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.11
[benadeelde 11]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert materiële schade van in totaal € 8.472,21, bestaande uit een vergoeding voor de noodzakelijke toiletartikelen en kleding, verhuiskosten en het eigen risico. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 443,21 voor de noodzakelijke kosten voor toiletartikelen en kleding, in plaats van het forfaitaire bedrag van € 250,00.
Door de raadsman is aangevoerd dat het niet valt in te zien waarom aan de benadeelde partij meer moet worden toegekend dan het - door andere benadeelde partijen gevorderde - forfaitaire bedrag.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de kosten voor kleding en toiletartikelen toe. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade tot het gevorderde bedrag daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. Daarmee houden deze kosten ook rechtstreeks verband met het feit. Tevens is de schadepost met facturen onderbouwd en komt de hoogte van het gevorderde bedrag de rechtbank ook niet onredelijk voor. De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot deze post daarom geheel toe.
Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank ook de vordering ten aanzien van de verhuiskosten toe.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van het eigen risico zorgverzekering eveneens toe. De vordering tot vergoeding van deze schadepost is voldoende onderbouwd en door (de raadsman van) de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de materiële schade dan ook geheel toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert immateriële schade van € 8.000,00 op grond van het psychisch letsel wat zij als gevolg van het bewezen verklaarde feit heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft bij haar vordering een brief van een behandelend psycholoog overgelegd, waaruit blijkt dat zij als gevolg van het bewezen verklaarde feit kampte met PTSS en hiervoor is behandeld met EMDR-therapie. Gelet op deze onderbouwing en op wat de rechtbank onder 9.6 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van geestelijk letsel en de benadeelde partij dus recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
De benadeelde partij was thuis ten tijde van de brand en explosie en als gevolg van het feit is haar complete inboedel verloren gegaan. Verder is er sprake van aanzienlijke psychische schade. Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van
€ 5.000,00 billijk (categorie 3). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.12
[benadeelde 12]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert materiële schade van € 250,00, bestaande uit een vergoeding voor de noodzakelijke toiletartikelen en kleding. Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van de materiële schade geheel toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert immateriële schade van € 6.000,00 op grond van het psychisch letsel wat zij als gevolg van het bewezen verklaarde feit heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft bij haar vordering een brief van een forensisch orthopedagoog overgelegd, waaruit blijkt dat zij reeds onder behandeling stond, maar dat het bewezen verklaarde feit ervoor heeft gezorgd dat de behandeling is gestagneerd. Daarnaast kampt zij met angstklachten, slaapproblemen, somberheidsklachten en motivatieproblemen. De benadeelde partij wordt hiervoor behandeld met onder meer EMDR-therapie. Gelet op deze onderbouwing en op wat de rechtbank onder 9.6 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van geestelijk letsel en de benadeelde partij dus recht heeft op vergoeding van immateriële schade. De omstandigheid dat de benadeelde partij eerder kampte met psychische klachten en daarmee een kwetsbare predispositie had, staat aan toerekening van immateriële schade niet in de weg. Nu de benadeelde partij niet thuis was ten tijde van de brand en explosie, maar wel haar woning enige tijd heeft moeten verlaten, de rechtbank niet kan vaststellen dat er sprake is van schade aan of verlies van bezittingen en de benadeelde partij kampt met psychisch letsel, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 2.500,00 billijk (categorie 2). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.13
[benadeelde 13]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert € 8.789,00 aan materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding, verhuiskosten, het eigen risico en een aanvullende verzekering.
Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding en verhuiskosten toe.
De raadsman heeft ten aanzien van de kosten van de aanvullende verzekering aangevoerd dat deze kosten in een te ver verwijderd verband staan met het feit, zodat de vordering op dit punt niet-ontvankelijk moet worden verklaard of worden afgewezen. De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. De benadeelde partij kampte met spanningsklachten in haar schouders als gevolg van het feit en heeft zich onder behandeling laten stellen van haar fysiotherapeut en een manueel therapeut. Uit de bij de vordering overgelegde brief van de fysiotherapeut blijkt dat de benadeelde partij voor de klachten ook in 2026 behandelingen heeft of zal moeten ondergaan. Voor de daarmee verband houdende kosten, heeft de benadeelde partij daarom voor het jaar 2026 een aanvullende zorgverzekering afgesloten. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten rechtstreeks verband houden met het bewezen verklaarde feit, de schadepost is met een bewijsstuk onderbouwd en de benadeelde heeft partij met het afsluiten van die verzekering schadebeperkend gehandeld. De rechtbank zal dit onderdeel van de vordering dan ook toewijzen.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van het eigen risico zorgverzekering eveneens toe. De vordering tot vergoeding van deze schadepost is voldoende onderbouwd en door (de raadsman van) de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de materiële schade dan ook geheel toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 8.000,00 aan immateriële schade op grond van het psychisch letsel wat zij als gevolg van het bewezen verklaarde feit heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft bij haar vordering een brief van de praktijkondersteuner van de huisarts overgelegd, waaruit blijkt dat zij als gevolg van het feit kampt met spanningsklachten, herbelevingen en vermoedelijk trauma- en stressor gerelateerde stoornissen. De benadeelde partij is doorverwezen naar de psycholoog en heeft daar een EMDR-behandeling gevolgd. Gelet op deze onderbouwing en op wat de rechtbank onder 9.6 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van geestelijk letsel en de benadeelde partij recht dus heeft op vergoeding van immateriële schade. Nu de benadeelde partij thuis was ten tijde van de brand en explosie, kampt met psychisch letsel, maar de rechtbank verder op grond van de vordering en het dossier niet kan vaststellen dat er sprake is van schade aan of verlies van bezittingen acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 2.500,00 billijk (categorie 2). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.14
[benadeelde 14]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 18.096,00 aan materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding, verhuiskosten, studievertraging en extra studiekosten. Als gevolg van het feit heeft de benadeelde partij vier vakken van zijn studie niet gehaald. Hierdoor loopt de benadeelde partij studievertraging op, zal hij later de arbeidsmarkt betreden en moet de benadeelde partij extra studiekosten maken.
De raadsman heeft verzocht de posten ten aanzien van de studievertraging en de studiekosten niet-ontvankelijk te verklaren of af te wijzen, omdat niet vast staat dat er daadwerkelijk studievertraging is opgetreden.
Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding en verhuiskosten toe.
Ten aanzien van de studievertraging en de studiekosten overweegt de rechtbank dat op grond van de inhoud van de vordering en de overgelegde stukken onduidelijk is of er daadwerkelijk studievertraging is opgetreden. De benadeelde partij stelt vakken uit het eerste jaar van zijn universitaire studie bestuurskunde niet te hebben gehaald, maar gelet op het feit dat vakken in een daarop volgend studiejaar alsnog kunnen worden (in)gehaald, is niet zonder meer duidelijk dat het niet halen van bepaalde vakken direct tot studievertraging leidt. Daarnaast heeft de benadeelde partij voor de hoogte van de vordering onder meer aansluiting gezocht bij de 'Letselschade Richtlijn Studievertraging', maar deze richtlijn is niet bedoeld voor studenten die studeren naast een fulltime baan zoals de benadeelde partij, waardoor de richtlijn niet zonder meer van toepassing is. De rechtbank is bij deze stand van zaken van oordeel dat op dit moment onvoldoende is onderbouwd of, en zo ja in welke omvang, de schade zich heeft verwezenlijkt en aan de verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom ten aanzien van de schadeposten studievertraging en extra studiekosten (1/3e deel van het jaarlijkse collegegeld) niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 8.000,00 aan immateriële schade op grond van het psychisch letsel wat hij als gevolg van het bewezen verklaarde feit heeft opgelopen. Ter onderbouwing heeft de benadeelde partij een brief van de huisarts overgelegd, waaruit blijkt dat de benadeelde partij kampt met stressklachten en hiervoor in december 2025 is doorverwezen naar de praktijkondersteuner. Hoewel deze brief doet vermoeden dat de benadeelde partij kampt met enig psychisch letsel, biedt dit stuk zonder nadere vaststellingen omtrent de aard en ernst van de klachten voor de rechtbank onvoldoende grond om het bestaan van (objectief vastgesteld) geestelijk letsel aan te nemen. Wel is sprake van een zodanig ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer dat de rechtbank van oordeel is dat de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zó voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank verwijst hiervoor ook naar wat zij onder 9.6 heeft overwogen. Daarmee heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van immateriële schade.
Nu de benadeelde partij thuis was ten tijde van de brand en explosie, maar de rechtbank op grond van de vordering en het dossier niet kan vaststellen dat de woning (veel) schade heeft opgelopen, of er sprake was van enige gevaarzetting voor de benadeelde partij en psychisch letsel onvoldoende kan worden vastgesteld, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 1.000,00 billijk (categorie 1). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.15
[benadeelde 15]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 2.985,75 aan materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de noodzakelijke toiletartikelen en kleding, inboedel en het eigen risico.
Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van de noodzakelijke toiletartikelen en kleding toe.
De raadsman heeft ten aanzien van de inboedel aangevoerd dat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd. De vordering moet daarom op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. De benadeelde partij heeft (voor zover mogelijk) de vordering onderbouwd met afschrijvingsbewijzen of prijsindicaties. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten rechtstreeks verband houden met het bewezen verklaarde feit en de gestelde schade is voldoende aannemelijk geworden. Uit de vordering van [benadeelde 22], met wie de benadeelde partij samenwoonde, volgt immers dat de woning van de benadeelde partij veel schade heeft opgelopen en vrijwel alle spullen onbruikbaar waren door bluswater, terwijl de vordering voornamelijk ziet op aangeschafte elektronica. De rechtbank zal dit onderdeel van de vordering dan ook toewijzen.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van het eigen risico zorgverzekering eveneens toe. De vordering tot vergoeding van deze schadepost is voldoende onderbouwd en door (de raadsman van) de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de materiële schade dan ook geheel toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 8.000,00 aan immateriële schade op grond van het psychisch letsel wat hij als gevolg van het bewezen verklaarde feit heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft bij zijn vordering een brief van de psycholoog overgelegd, waaruit blijkt dat hij als gevolg van het feit kampte met trauma-klachten, zich onder behandeling heeft gesteld en hiervoor EMDR-behandeling heeft gevolgd. Gelet op deze onderbouwing en op wat de rechtbank onder 9.6 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van geestelijk letsel en de benadeelde partij dus recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Nu de benadeelde partij thuis was ten tijde van de brand en explosie, de woning veel schade heeft opgelopen en hij kampt met psychisch letsel, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 5.000,00 billijk (categorie 3). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.16
[benadeelde 16]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 45.800,00 aan materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor haar verloren gegane inboedel en opgelopen studievertraging.
De benadeelde partij heeft voor de gevorderde kosten voor de inboedel gebruik gemaakt van de inboedelwaardemeter. De hoogte van dit onderdeel van de vordering is door de raadsman van de verdachte gemotiveerd betwist. De rechtbank overweegt dat de vordering van in totaal € 35.000,00 door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. Een verwijzing naar de inboedelwaardemeter met enkele parameters, zonder verdere onderliggende stukken, vindt de rechtbank in dit verband onvoldoende. Bovendien komt de rechtbank tot een ander (lager) bedrag wanneer zij de eerst op de zitting door de raadsvrouw genoemde parameters invoert in de inboedelwaardemeter. De rechtbank overweegt verder dat wel vast staat dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van de verdachte rechtstreekse schade heeft geleden. Uit de vordering en uit het dossier blijkt immers dat de woning en de inboedel van de benadeelde partij compleet is verwoest en verloren is gegaan. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en het toewijsbare bedrag voor de inboedelwaarde vaststellen op € 25.000,00. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.
Ten aanzien van de gevorderde kosten van studievertraging heeft de benadeelde partij aangevoerd dat zij door het feit zes maanden studievertraging heeft opgelopen bij haar opleiding tot apothekersassistente (MBO-niveau). Deze studievertraging is niet meer in te halen. Voor de hoogte van de vergoeding heeft de benadeelde partij aansluiting gezocht bij de Letselschade Richtlijn Studievertraging. De raadsman heeft dit onderdeel van de vordering betwist en zich op het standpunt gesteld dat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd.
De rechtbank volgt de raadsman niet en wijst de vordering ten aanzien van de studievertraging toe. De vordering tot vergoeding van deze schadepost is voldoende onderbouwd, omdat uit de overgelegde e-mail van 11 mei 2026 van het NTI blijkt dat de opleiding van de benadeelde partij daadwerkelijk met zes maanden is verlengd. Voor de bepaling van de omvang van de schade heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Letselschade Richtlijn Studievertraging. Hieruit volgt dat, in het geval van deze benadeelde partij, een bedrag van € 10.800,00 geïndiceerd is. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 15.000,00 aan immateriële schade op grond van het psychisch letsel wat zij als gevolg van het bewezen verklaarde feit heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft bij haar vordering brieven van de huisarts overgelegd, waaruit blijkt dat zij als gevolg van het feit is gediagnosticeerd met PTSS en hiervoor EMDR-behandeling heeft gevolgd. Gelet op deze onderbouwing en op wat de rechtbank onder 9.6 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van geestelijk letsel en de benadeelde partij dus recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
De benadeelde partij was niet thuis ten tijde van de brand en explosie, maar haar woning was direct gelegen naast [huisnummer 1], de woning waarin de explosie en brand plaatsvond. Door het feit is haar woning compleet verwoest en is de benadeelde partij al haar bezittingen kwijtgeraakt. Daarnaast kampt zij met aanzienlijk psychisch letsel waarvoor zij onder behandeling is gesteld. Daarom acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van
€ 5.000,00 billijk (categorie 3). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.17
[benadeelde 17]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 8.628,67 aan materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding, verhuiskosten en schade aan de inboedel.
Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding en verhuiskosten toe.
De schade aan de inboedel bestaat uit een vergoeding voor de schade aan het laminaat en aan de koelkast. De raadsman van de verdachte heeft de deze schadepost betwist en aangevoerd dat uit de onderbouwing bij de vordering onvoldoende blijkt dat een deel van de inboedel beschadigd is geraakt.
Gelet op de inhoud van het dossier, de bij de vordering overgelegde foto’s en de facturen/offertes van enkele nieuw aangeschafte goederen (waarbij afschrijving is toegepast), acht de rechtbank aannemelijk dat een deel van de inboedel verloren is gegaan. Met die facturen is de hoogte van de gevorderde schadeposten ook voldoende is onderbouwd. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de inboedel dan ook toewijzen.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 6.000,00 aan immateriële schade op grond van de aard en de ernst van de normschending en heeft gemotiveerd aangevoerd dat sprake is van een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zó voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon en verwijst hiervoor naar wat zij onder 9.6 heeft overwogen. Daarmee heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van immateriële schade.
De benadeelde partij was thuis ten tijde van de explosie en brand, maar uit de vordering en het dossier kan de rechtbank niet afleiden dat sprake was van een ernstige mate van gevaar voor de benadeelde partij, van aanzienlijke schade aan de woning waardoor de benadeelde veel bezittingen is kwijtgeraakt en evenmin van (onderbouwd) psychisch letsel. Daarom acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 1.000,00 billijk (categorie 1).
De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.18
[benadeelde 18]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 10.198,70 aan materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding, verhuiskosten en schade aan de inboedel.
Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding en verhuiskosten toe.
De raadsman heeft ten aanzien van de inboedel aangevoerd dat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd. De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. De benadeelde partij heeft de vordering onderbouwd met een aankoopbon. Uit de cashback-actie die staat vermeld op de bon, leidt de rechtbank af dat de goederen zijn aangekocht in 2025. De vordering ziet op nieuw aangeschafte elektronica nu de in woning aanwezige elektronische apparaten onherstelbaar beschadigd zijn geraakt. Gelet op de aard van het bewezen verklaarde feit komt dergelijke schade de rechtbank aannemelijk voor. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de kosten rechtstreeks verband houden met het feit en de schadepost is eveneens voldoende onderbouwd. De rechtbank zal dit onderdeel van de vordering dan ook toewijzen.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 4.000,00 aan immateriële schade op grond van de aard en de ernst van de normschending en heeft gemotiveerd aangevoerd dat sprake is van een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zó voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon en verwijst hiervoor naar wat zij onder 9.6 heeft overwogen. Daarmee heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van immateriële schade.
Nu de benadeelde partij niet thuis was ten tijde van de brand en explosie, de schade aan bezittingen beperkt is gebleven, er geen sprake is van onderbouwd geestelijk letsel, maar de benadeelde wel zijn woning enige tijd heeft moeten verlaten, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 1.000,00 billijk (categorie 1). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.19
[benadeelde 19]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.244,33 aan materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding, opgenomen verlofuren en gemiste onregelmatigheidstoeslag.
De benadeelde partij was bezig met het opknappen van een andere woning zodat hij binnenkort kon verhuizen. De benadeelde partij heeft na de explosie en brand verlof op zijn werk moeten opnemen om de nieuwe woning zo snel mogelijk bewoonbaar te maken. De benadeelde partij vordert een vergoeding voor de opgenomen verlofuren en de als gevolg hiervan gemiste onregelmatigheidstoeslag.
Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van de levensmiddelen en noodzakelijke toiletartikelen en kleding toe.
De rechtbank stelt voorop dat enkel schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit, voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de gemotiveerde betwisting, de opgenomen verlof uren en de gemiste onregelmatigheidstoeslag in een te ver verwijderd verband staan van het bewezen verklaarde feit. Er was reeds sprake was van een voorgenomen verhuizing en niet onaannemelijk is dat in verband daarmee sowieso verlofuren worden opgenomen. Er is dan ook geen sprake van rechtstreekse schade. De rechtbank bepaalt daarom dat dit deel van de vordering wordt afgewezen.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 4.000,00 aan immateriële schade op grond van de aard en de ernst van de normschending en heeft gemotiveerd aangevoerd dat sprake is van een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zó voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon en verwijst hiervoor naar wat zij onder 9.6 heeft overwogen. Daarmee heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van immateriële schade.
Nu de benadeelde partij niet thuis was ten tijde van de brand en explosie, maar zijn bezittingen is kwijtgeraakt (hij was bewoner van de woning onder [adres 3] waarin de explosie en brand plaatsvond) en zijn woning enige tijd heeft moeten verlaten, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 2.500,00 billijk (categorie 2). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.20
[benadeelde 20]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 929,39 aan materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de noodzakelijke toiletartikelen en kleding en opgenomen verlofuren. De benadeelde heeft tijd moeten besteden aan het regelen van praktische zaken, het opknappen van de woning en benadelingen bij de huisarts en de psycholoog. De benadeelde partij heeft hiervoor verlofuren opgenomen en vordert hiervoor een vergoeding. De raadsman van de verdachte heeft dit deel van de vordering betwist en zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van de noodzakelijke toiletartikelen en kleding toe.
Ten aanzien van de opgenomen verlofuren stelt de rechtbank voorop dat het verlies van vakantiedagen als een vorm van vermogensschade kan worden aangemerkt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat van rechtstreekse schade sprake is indien een benadeelde partij een vrije dag heeft moeten opnemen vanwege het strafbare feit. De benadeelde partij heeft voldoende onderbouwd dat daar in zijn geval sprake van is en de rechtbank stelt dan ook vast dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. Echter, het aantal opgenomen vrije dagen komt de rechtbank bovenmatig voor. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en het toewijsbare bedrag voor de verlofuren vaststellen op € 250,00. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 6.000,00 aan immateriële schade op grond van het psychisch letsel dat hij als gevolg van het bewezen verklaarde feit heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft bij zijn vordering een brief van de psycholoog overgelegd, waaruit blijkt dat hij als gevolg van het feit diverse klachten heeft ontwikkeld, vervolgens is gediagnosticeerd met een depressieve stoornis en hiervoor wordt behandeld. Gelet op deze onderbouwing en op hetgeen de rechtbank onder 9.6 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van geestelijk letsel en de benadeelde partij dus recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Nu de benadeelde partij niet thuis was ten tijde van de brand en explosie, de schade aan bezittingen beperkt is gebleven, maar zijn woning wel enige tijd heeft moeten verlaten en als gevolg van het feit psychische schade heeft opgelopen, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 2.500,00 billijk (categorie 2). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.21
[benadeelde 21]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 12.242,14 aan materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding, verhuiskosten, eigen risico zorgverzekering en schade aan de inboedel.
Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van levensmiddelen, noodzakelijk toiletartikelen en kleding en de verhuiskosten toe.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van het eigen risico zorgverzekering en de inboedel eveneens toe. De vordering tot vergoeding van deze schadepost is voldoende onderbouwd en door (de raadsman van) de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de materiële schade dan ook geheel toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 8.000,00 aan immateriële schade op grond van het psychisch letsel wat hij als gevolg van het bewezen verklaarde feit heeft opgelopen. Uit de vordering blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van het feit kampt met depressieve klachten. De benadeelde partij heeft bij zijn vordering een e-mail overgelegd, waaruit blijkt dat hij voor deze klachten onder behandeling is gesteld bij de GGZ en is aangemeld voor EMDR-therapie. Gelet op deze onderbouwing en op wat de rechtbank onder 9.6 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van geestelijk letsel en de benadeelde partij dus recht heeft op vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij woonde tegenover [adres 3] en was thuis ten tijde van de brand en explosie. De woning van benadeelde partij vulde zich razendsnel met rook en ook op de gang was sprake van rookontwikkeling. De benadeelde partij is door de brandweer uit huis gehaald. Als gevolg van het feit is de complete inboedel verloren gegaan en is sprake van psychisch letsel. Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 5.000,00 billijk (categorie 3). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.22
[benadeelde 22]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 8.023,00 aan materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding en verhuiskosten. Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van de materiële schade geheel toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 6.000,00 aan immateriële schade op grond van de aard en de ernst van de normschending en heeft gemotiveerd aangevoerd dat sprake is van een ernstige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zó voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon en verwijst hiervoor naar wat zij onder 9.6 heeft overwogen. Daarmee heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van immateriële schade.
Nu de benadeelde partij thuis was ten tijde van de explosie en brand en haar eigendommen grotendeels verloren zijn gegaan, maar geen sprake is van (onderbouwd) psychisch letsel, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 2.500,00 billijk (categorie 2). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.23
[benadeelde 23]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 735,00 aan materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding en het eigen risico zorgverzekering. Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van levensmiddelen en noodzakelijk toiletartikelen en kleding toe.
De raadsman van de verdachte heeft de vordering ten aanzien van het eigen risico zorgverzekering betwist en zich op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is dat de zorg die benadeelde partij geleverd heeft gekregen een relatie heeft met het handelen van de verdachte. De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. Uit de vordering en uit de stukken bij de vordering blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van het feit onder behandeling is gesteld bij NuevoCare. Uit bijlage 3 bij de vordering blijkt dat het betaalde eigen risico ziet op de zorg die is geleverd door NuevoCare. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat de kosten verband houden met het bewezen verklaarde feit en ook voldoende zijn onderbouwd. De rechtbank zal dit onderdeel van de vordering dan ook toewijzen.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 6.000,00 aan immateriële schade op grond van het psychisch letsel wat zij als gevolg van het bewezen verklaarde feit heeft opgelopen. Ter onderbouwing heeft de benadeelde partij een brief van de NuevoCare overgelegd, waaruit blijkt dat de benadeelde partij als gevolge van het feit kampt met stressklachten en hiervoor door de praktijkondersteuner van de huisarts is begeleid. De rechtbank is van oordeel dat de overgelegde brief en de gegeven algemene onderbouwing onvoldoende zijn om daarop te baseren dat sprake is van objectief vastgesteld geestelijk letsel. Wel is sprake van een zodanig ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer dat de rechtbank van oordeel is dat de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zó voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank verwijst hiervoor ook naar wat zij onder 9.6 heeft overwogen. Daarmee heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van immateriële schade.
De benadeelde partij was niet thuis ten tijde van de brand en explosie, maar heeft wel enige tijd haar woning moeten verlaten. Nu de rechtbank verder op basis van de bij de vordering gevoegde stukken kan vaststellen dat de woning (veel) schade heeft opgelopen en de benadeelde partij al haar spullen kwijt is, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 2.500,00 billijk (categorie 2). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.24
[benadeelde 24]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.046,56 aan materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de noodzakelijke toiletartikelen en kleding, verlofuren en gemaakte reiskosten naar de nieuwe woning.
Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van de noodzakelijk toiletartikelen en kleding toe.
De benadeelde partij heeft verlofuren ingezet om zo snel mogelijk over te kunnen naar de andere woning, waar zij los van de explosie en brand al naartoe zou verhuizen. Deze verlofuren heeft zij niet naar eigen keuze kunnen besteden en de benadeelde partij wil hiervoor een vergoeding. Ten aanzien van de verlofuren heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze kosten in een te ver verwijderd verband staan van het feit. De rechtbank stelt voorop dat enkel schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit, voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde vergoeding voor verlofuren in een te ver verwijderd verband staat van het bewezen verklaarde feit, aangezien reeds sprake was van een voorgenomen verhuizing en niet onaannemelijk is dat in verband daarmee sowieso verlofuren worden opgenomen. Er is dan ook geen sprake van rechtstreekse schade. De rechtbank bepaalt daarom dat dit deel van de vordering wordt afgewezen.
De benadeelde partij vordert tevens materiële schade wegens extra gemaakte reiskosten vanaf haar tijdelijke verblijfadres naar de nieuwe woning. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat deze post onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij heeft in haar vordering met het oog op de privacy het vertrekpunt en het eindpunt van de reis niet vermeld. Hierdoor valt de inhoud van de berekening van de reiskosten voor de rechtbank niet te verifiëren en is de rechtbank van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom ten aanzien van reiskosten niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 6.000,00 aan immateriële schade op grond van het psychisch letsel dat zij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit heeft opgelopen.
De benadeelde partij heeft bij haar vordering een brief van haar huisarts overgelegd, waaruit blijkt dat haar depressieve- en OCD-klachten als gevolg van het feit zijn teruggekeerd. De benadeelde partij wordt hiervoor behandeld met RTMS-therapie. Gelet op deze onderbouwing en op wat de rechtbank onder 9.6 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van geestelijk letsel en de benadeelde partij dus recht heeft op vergoeding van immateriële schade. De omstandigheid dat de benadeelde partij eerder kampte met psychische klachten en daarmee een kwetsbare predispositie had, staat aan toerekening van immateriële schade niet in de weg.
Nu de benadeelde partij niet thuis was ten tijde van de brand en explosie, maar haar bezittingen is kwijtgeraakt (zij was bewoner van de woning onder [adres 3] waarin de explosie en brand plaatsvond), haar woning enige tijd heeft moeten verlaten en kampt met onderbouwd psychisch letsel, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 5.000,00 billijk (categorie 3). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.25
[benadeelde 25]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 11.979,38 aan materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding, verhuiskosten en de inboedel. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 459,66 aan noodzakelijke kosten voor toiletartikelen en kleding. Door de raadsman is aangevoerd dat het niet valt in te zien waarom aan de benadeelde partij meer moet worden toegekend dan het door andere benadeelde partijen in deze zaak gevorderde forfaitaire bedrag van € 250,00.
Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van de levensmiddelen en de verhuiskosten toe.
De rechtbank wijst de gevorderde kosten voor kleding en toiletartikelen eveneens toe. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade tot het gevorderde bedrag daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. Daarmee houden deze kosten ook rechtstreeks verband met het feit. Tevens is de schadepost met bonnen onderbouwd en komt de hoogte van het gevorderde bedrag de rechtbank ook niet onredelijk voor. De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot deze post daarom geheel toe.
De raadsman betwist de gevorderde kosten wegens schade aan de inboedel. De rechtbank stelt vast dat op grond van het dossier en het door de benadeelde partij overgelegde overzicht met bijbehorende facturen van nieuw aangekochte spullen voldoende aannemelijk is dat haar inboedel door roet- en waterschade onherstelbaar beschadigd is geraakt. De rechtbank is van oordeel dat het gaat om kosten die rechtstreeks verband houden met het feit. De hoogte daarvan is voldoende onderbouwd en komt de rechtbank ook niet onredelijk voor. De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de materiële schade dan ook geheel toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert en bedrag van € 6.000,00 aan immateriële schade op grond van het psychisch letsel dat zij als gevolg van het bewezen verklaarde feit heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft bij haar vordering een brief van de huisarts overgelegd, waaruit blijkt dat zij als gevolg van het feit (opnieuw) is gediagnosticeerd met PTSS en hiervoor is doorverwezen naar de psycholoog voor een behandeling. Gelet op deze onderbouwing en op wat de rechtbank onder 9.6 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van geestelijk letsel en de benadeelde partij dus recht heeft op vergoeding van immateriële schade. De omstandigheid dat de benadeelde partij eerder kampte met psychische klachten en daarmee een kwetsbare predispositie had, staat aan toerekening van immateriële schade niet in de weg.
De benadeelde partij was niet thuis ten tijde van de brand en explosie, maar door de brand en explosie is haar gehele inboedel met onder meer spullen van haar overleden vader verloren gegaan. Daarnaast kampt zij met psychisch letsel en hiervoor is zij doorverwezen naar een psycholoog. Daarom acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 5.000,00 billijk (categorie 3). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.26
[benadeelde 26]
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 15.553,13 aan materiële schade en een bedrag van € 6.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij stelt in de vordering onder meer dat zij thuis was ten tijde van de explosie en brand en hierdoor psychische klachten heeft ontwikkeld. Daarnaast zouden de meeste spullen van de benadeelde partij door rook en waterschade onherstelbaar beschadigd zijn geraakt. De vordering van de benadeelde partij, bewoonster van [huisnummer 2], roept bij de rechtbank vragen op. Zo leest de rechtbank in het dossier op pagina 471 dat de benadeelde partij ten tijde van het feit op vakantie was en is op pagina 713 van het dossier vermeld dat binnen in de woning van de benadeelde partij geen noemenswaardige schade was. De benadeelde partij was op de terechtzitting niet aanwezig om vragen van de rechtbank te beantwoorden en ook haar gemachtigden konden over deze punten geen duidelijkheid verschaffen. Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat zij onvoldoende informatie heeft om de vordering inhoudelijk te kunnen beoordelen. Dat geldt zowel voor de materiële als immateriële schade. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog nader te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
9.7.27
[benadeelde 27]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 8.669,77 aan materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding, verhuiskosten en eigen risico (inboedelverzekering en zorgverzekering).
Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van levensmiddelen, noodzakelijk toiletartikelen en kleding en de verhuiskosten toe.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van het eigen risico zorgverzekering eveneens toe. De vordering tot vergoeding van deze schadepost is voldoende onderbouwd en door (de raadsman van) de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de materiële schade dan ook geheel toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 8.000,00 aan immateriële schade op grond van het psychisch letsel wat hij als gevolg van het bewezen verklaarde feit heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft bij zijn vordering een brief van de huisarts en psycholoog overgelegd, waaruit blijkt dat hij kampt met spanning, angst, nachtmerries, herbelevingen en (vermoedelijk) PTSS. De benadeelde partij is voor deze klachten onder behandeling van een psycholoog. Gelet op deze onderbouwing en op wat de rechtbank onder 9.6 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van geestelijk letsel en de benadeelde partij dus recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
De benadeelde partij woonde vlak naast [adres 3], was thuis ten tijde van de brand en explosie en heeft zijn woning moeten ontvluchten. Als gevolg van het feit is de inboedel van de benadeelde beschadigd geraakt en is sprake van psychisch letsel. Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 5.000,00 billijk (categorie 3). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.7.28
[benadeelde 28]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 9.278,65 aan materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor de levensmiddelen, noodzakelijke toiletartikelen en kleding, verhuiskosten, inboedel en dierenartskosten.
Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 9.5, wijst de rechtbank de vordering ten aanzien van levensmiddelen, noodzakelijk toiletartikelen en kleding en de verhuiskosten toe.
De benadeelde partij heeft haar kat levend uit de woning kunnen halen en heeft de kat laten controleren bij de dierenarts. De benadeelde partij vordert vergoeding van de daaraan verbonden kosten. De rechtbank wijst dit onderdeel van de vordering eveneens toe. De vordering tot vergoeding van deze schadepost is voldoende onderbouwd en door (de raadsman van) de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit.
De raadsman betwist de gevorderde kosten vanwege schade aan de inboedel nu die schade onvoldoende vaststaat. De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. De benadeelde partij heeft met stukken onderbouwd gesteld dat door roet- en waterschade een groot deel van haar inboedel onherstelbaar beschadigd is geraakt en, zo begrijpt de rechtbank, niet was verzekerd. Gelet op de inhoud van het dossier waaruit de aard en omvang van de schade aan meerdere appartementen volgt, is die schade ook voldoende aannemelijk. De hoogte van de vordering is onderbouwd met aankoopbonnen, waarbij rekening is gehouden met een afschrijvingspercentage. De hoogte komt de rechtbank ook niet onredelijk voor. De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de materiële schade dan ook geheel toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 8.000,00 aan immateriële schade op grond van het psychisch letsel dat zij als gevolg van het bewezen verklaarde feit heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft bij haar vordering een brief van een psycholoog overgelegd, waaruit blijkt dat zij als gevolg van het feit kampt met PTSS en daarvoor onder behandeling is van die psycholoog. Gelet op deze onderbouwing en op wat de rechtbank onder 9.6 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van geestelijk letsel en de benadeelde partij dus recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
De benadeelde partij was thuis ten tijde van de brand en explosie en is geconfronteerd met rookontwikkeling in haar woning en de gang. Zij heeft haar woning moeten ontvluchten en is ter controle overgebracht naar het ziekenhuis. Als gevolg van het feit is de inboedel van de benadeelde grotendeels onherstelbaar beschadigd geraakt. Tevens is sprake van (onderbouwd) psychisch letsel. Op grond hiervan acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 5.000,00 billijk (categorie 3). De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
9.8
Conclusies en samenvatting
De toe te wijzen bedragen
Samenvattend wijst de rechtbank de volgende bedragen toe:
Benadeelde partij:
Immateriële schade:
Materiële schade:
Totaal:
[benadeelde 1]
€ 2.500,00
€ 8.580,10
€ 11.080,10
[benadeelde 2]
€ 1.000,00
€ 1.194,81
€ 2.194,81
[benadeelde 3]
€ 2.500,00
€ 8.023,00
€ 10.523,00
[benadeelde 4]
€ 1.000,00
€ 376,05
€ 1.376,05
[benadeelde 5]
€ 1.000,00
€ 250,00
€ 1.250,00
[benadeelde 6]
€ 2.500,00
€ 10.576,03
€ 13.076,03
[benadeelde 7]
€ 1.000,00
€ 8.023,00
€ 9.023,00
[benadeelde 8]
€ 2.500,00
€ 350,00
€ 2.850,00
[benadeelde 9]
€ 2.500,00
€ 350,00
€ 2.850,00
[benadeelde 10]
€ 5.000,00
€ 619,93
€ 5.619,93
[benadeelde 11]
€ 5.000,00
€ 8.472,21
€ 13.472,21
[benadeelde 12]
€ 2.500,00
€ 250,00
€ 2.750,00
[benadeelde 13]
€ 2.500,00
€ 8.789,00
€ 11.289,00
[benadeelde 14]
€ 1.000,00
€ 8.023,00
€ 9.023,00
[benadeelde 15]
€ 5.000,00
€ 2.985,75
€ 7.985,75
[benadeelde 16]
€ 5.000,00
€ 35.800,00
€ 40.800,00
[benadeelde 17]
€ 1.000,00
€ 8.628,67
€ 9.628,67
[benadeelde 18]
€ 1.000,00
€ 10.198,70
€ 11.198,70
[benadeelde 19]
€ 2.500,00
€ 350,00
€ 2.850,00
[benadeelde 20]
€ 2.500,00
€ 500,00
€ 3.000,00
[benadeelde 21]
€ 5.000,00
€ 12.242,14
€ 17.242,14
[benadeelde 22]
€ 2.500,00
€ 8.023,00
€ 10.523,00
[benadeelde 23]
€ 2.500,00
€ 735,00
€ 3.235,00
[benadeelde 24]
€ 5.000,00
€ 250,00
€ 5.250,00
[benadeelde 25]
€ 5.000,00
€ 11.979,38
€ 16.979,38
[benadeelde 27]
€ 5.000,00
€ 8.669,77
€ 13.669,77
[benadeelde 28]
€ 5.000,00
€ 9.278,65
€ 14.278,65
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 26] niet-ontvankelijk is in haar vordering.
De wettelijke rente
De benadeelde partijen hebben de rechtbank verzocht de toe te wijzen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank zal die wettelijke rente toewijzen.
Voor de ingangsdatum van de wettelijke rente gaat de rechtbank met betrekking tot de immateriële schade telkens uit van 10 april 2025, de dag van de explosie en brand. Met betrekking tot de materiële posten heeft de rechtbank gezien dat de ingangsdatum waarop deze schade is geleden, voor alle benadeelde partijen en posten telkens verschilt. Gelet op de grote hoeveelheid vorderingen en het aantal schadeposten, ziet de rechtbank zich om praktische redenen genoodzaakt om één ingangsdatum te kiezen voor het laten ingaan van de wettelijke rente voor deze materiële schadeposten. In het voordeel van de verdachte kiest de rechtbank de datum van het vaststellen van de schade (de datum van het vonnis) als ingangsdatum van de wettelijke rente. De ingangsdatum van de wettelijke rente van de materiële schadeposten zal daarom voor alle benadeelde partijen worden vastgesteld op 25 juni 2026.
De schadevergoedingsmaatregel
Ten behoeve van de benadeelde partijen zal de rechtbank, als extra waarborg voor betaling aan hen, aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opleggen, zodat de benadeelde partijen de toegewezen bedragen niet zelf hoeven te innen. Dit betekent dat het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) de inning van de toegekende schadevergoeding zal verzorgen en dat bij het geheel of gedeeltelijk uitblijven van betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
Op grond van artikel 36f, vijfde lid Sr bepaalt de rechter bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro kan worden toegepast. De duur daarvan beloopt ten hoogste één jaar (365 dagen). Gelet op de hoogte van de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen zal de totale duur van de gijzeling dat maximum overstijgen. Om dit te voorkomen zal de rechtbank de gijzeling toepassen naar evenredigheid van de toegekende bedragen. De hoogte van de gijzeling per benadeelde partij is opgenomen in het dictum.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
- artikelen 36f, 38z, 46, 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
- artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.6 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
3 (drie) jaar.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van deze rechtbank in de zaak met parketnummer 15/390243-24 opgelegde voorwaardelijke straf.
De benadeelde partijen ter zake van feit 1 primair:
Wijst toede vorderingen tot schadevergoeding van de volgende
benadeelde partijentot de hieronder per benadeelde partij vermelde bedragen.
Benadeelde partij:
Immateriële schade:
Materiële schade:
Totaal:
[benadeelde 1]
€ 2.500,00
€ 8.580,10
€ 11.080,10
[benadeelde 2]
€ 1.000,00
€ 1.194,81
€ 2.194,81
[benadeelde 3]
€ 2.500,00
€ 8.023,00
€ 10.523,00
[benadeelde 4]
€ 1.000,00
€ 376,05
€ 1.376,05
[benadeelde 5]
€ 1.000,00
€ 250,00
€ 1.250,00
[benadeelde 6]
€ 2.500,00
€ 10.576,03
€ 13.076,03
[benadeelde 7]
€ 1.000,00
€ 8.023,00
€ 9.023,00
[benadeelde 8]
€ 2.500,00
€ 350,00
€ 2.850,00
[benadeelde 9]
€ 2.500,00
€ 350,00
€ 2.850,00
[benadeelde 10]
€ 5.000,00
€ 619,93
€ 5.619,93
[benadeelde 11]
€ 5.000,00
€ 8.472,21
€ 13.472,21
[benadeelde 12]
€ 2.500,00
€ 250,00
€ 2.750,00
[benadeelde 13]
€ 2.500,00
€ 8.789,00
€ 11.289,00
[benadeelde 14]
€ 1.000,00
€ 8.023,00
€ 9.023,00
[benadeelde 15]
€ 5.000,00
€ 2.985,75
€ 7.985,75
[benadeelde 16]
€ 5.000,00
€ 35.800,00
€ 40.800,00
[benadeelde 17]
€ 1.000,00
€ 8.628,67
€ 9.628,67
[benadeelde 18]
€ 1.000,00
€ 10.198,70
€ 11.198,70
[benadeelde 19]
€ 2.500,00
€ 350,00
€ 2.850,00
[benadeelde 20]
€ 2.500,00
€ 500,00
€ 3.000,00
[benadeelde 21]
€ 5.000,00
€ 12.242,14
€ 17.242,14
[benadeelde 22]
€ 2.500,00
€ 8.023,00
€ 10.523,00
[benadeelde 23]
€ 2.500,00
€ 735,00
€ 3.235,00
[benadeelde 24]
€ 5.000,00
€ 250,00
€ 5.250,00
[benadeelde 25]
€ 5.000,00
€ 11.979,38
€ 16.979,38
[benadeelde 27]
€ 5.000,00
€ 8.669,77
€ 13.669,77
[benadeelde 28]
€ 5.000,00
€ 9.278,65
€ 14.278,65
Veroordeelt de verdachte tot betaling aan voornoemde benadeelde partijen van de hiervoor toegewezen bedragen, vermeerderd met de
wettelijke rentevanaf
10 april 2025voor de immateriële schade en vanaf
25 juni 2026voor de materiële schade, tot de dag van volledige betaling;
Verklaart de voornoemde benadeelde partijen ten aanzien van de immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 14], [benadeelde 16] en [benadeelde 20], ten aanzien van de materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 24] ten aanzien van de reiskosten (€ 330,07) niet-ontvankelijk in de vordering.
Wijst af het gevorderde ten aanzien de verlofuren (€ 466,49) door de benadeelde partij [benadeelde 24].
Wijst af het meer of anders gevorderde ten aanzien van de materiële schade door de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 19].
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als
schadevergoedingsmaatregelten behoeve van de hieronder vermelde benadeelde partijen, de verplichting op tot betaling aan de Staat van de hierna per benadeelde partij vermelde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
10 april 2025voor de immateriële schade en vanaf
25 juni 2026voor de materiële schade, tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast tot het hieronder vermelde aantal dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Benadeelde partij:
Immateriële schade:
Materiële schade:
Totaal:
Gijzeling:
[benadeelde 1]
€ 2.500,00
€ 8.580,10
€ 11.080,10
16
[benadeelde 2]
€ 1.000,00
€ 1.194,81
€ 2.194,81
3
[benadeelde 3]
€ 2.500,00
€ 8.023,00
€ 10.523,00
15
[benadeelde 4]
€ 1.000,00
€ 376,05
€ 1.376,05
2
[benadeelde 5]
€ 1.000,00
€ 250,00
€ 1.250,00
2
[benadeelde 6]
€ 2.500,00
€ 10.576,03
€ 13.076,03
19
[benadeelde 7]
€ 1.000,00
€ 8.023,00
€ 9.023,00
13
[benadeelde 8]
€ 2.500,00
€ 350,00
€ 2.850,00
4
[benadeelde 9]
€ 2.500,00
€ 350,00
€ 2.850,00
4
[benadeelde 10]
€ 5.000,00
€ 619,93
€ 5.619,93
8
[benadeelde 11]
€ 5.000,00
€ 8.472,21
€ 13.472,21
19
[benadeelde 12]
€ 2.500,00
€ 250,00
€ 2.750,00
4
[benadeelde 13]
€ 2.500,00
€ 8.789,00
€ 11.289,00
16
[benadeelde 14]
€ 1.000,00
€ 8.023,00
€ 9.023,00
13
[benadeelde 15]
€ 5.000,00
€ 2.985,75
€ 7.985,75
12
[benadeelde 16]
€ 5.000,00
€ 35.800,00
€ 40.800,00
59
[benadeelde 17]
€ 1.000,00
€ 8.628,67
€ 9.628,67
14
[benadeelde 18]
€ 1.000,00
€ 10.198,70
€ 11.198,70
16
[benadeelde 19]
€ 2.500,00
€ 350,00
€ 2.850,00
4
[benadeelde 20]
€ 2.500,00
€ 500,00
€ 3.000,00
4
[benadeelde 21]
€ 5.000,00
€ 12.242,14
€ 17.242,14
25
[benadeelde 22]
€ 2.500,00
€ 8.023,00
€ 10.523,00
15
[benadeelde 23]
€ 2.500,00
€ 735,00
€ 3.235,00
5
[benadeelde 24]
€ 5.000,00
€ 250,00
€ 5.250,00
8
[benadeelde 25]
€ 5.000,00
€ 11.979,38
€ 16.979,38
24
[benadeelde 27]
€ 5.000,00
€ 8.669,77
€ 13.669,77
20
[benadeelde 28]
€ 5.000,00
€ 9.278,65
€ 14.278,65
21
Bepaalt dat betalingen aan een benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan een benadeelde partij.
Verklaart [benadeelde 26]
niet-ontvankelijkin de vordering
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.F. van Halderen, voorzitter,
mr. M. Hoendervoogt en mr. A. Buiskool, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Splunter,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 juni 2026.
Bijlage 1: de tenlastelegging
Feit 1 primair:hij, op of omstreeks 10 april 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een explosie teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht in een woning aan de [adres 3], gelegen in een appartementencomplex, door een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), bestaande uit een jerrycan met benzine, althans een brandbare en/of snel ontvlambare (vloei)stof, met daaraan bevestigd een of meerdere cobra's, althans zwaar vuurwerk, met open vuur in aanraking te brengen, als gevolg waarvan een ontploffing is ontstaan en/of (vervolgens) brand is uitgebroken, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en/of de woningen gelegen in voornoemd appartementencomplex en/of de inboedel van deze woningen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de in dat appartementencomplex aanwezige personen en/of een ieder in de (directe) omgeving van dat appartementencomplex, te duchten was;
Feit 1 subsidiair:hij, op of omstreeks 10 april 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend,
in een woning aan de [adres 3], gelegen in een appartementencomplex,
• een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), bestaande uit een jerrycan met benzine, althans een brandbare en/of snel ontvlambare (vloei)stof, met daaraan bevestigd een of meerdere cobra's, althans zwaar vuurwerk) ter hand heeft
genomen; en/of
• met de VBC te bewegen waardoor de brandbare en/of snel ontvlambare (vloei)stof aan de buitenzijde van de VBC is gekomen; en/of
• (daarop) open vuur (vanuit een aansteker) bij de VBC en/of de lont(en) van de VBC heeft gehouden;
waardoor het aan verdachtes en/of zijn mededaders schuld te wijten was dat er brand is ontstaan en/of een ontploffing teweeg is gebracht, terwijl daardoor
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en/of de woningen gelegen in voornoemd appartementencomplex en/of de inboedel van deze woningen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de in dat appartementencomplex aanwezige personen en/of een ieder in de (directe) omgeving van dat appartementencomplex, ontstond;
Feit 2:hij, op of omstreeks 10 april 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een Vuurwerk Brandstof Combinatie, bestaande uit een jerrycan met benzine, althans een brandbare en/of snel ontvlambare (vloei)stof, met daaraan bevestigd een of meerdere cobra's, althans zwaar vuurwerk zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;
Feit 3:hij, in of omstreeks de periode van 8 april 2025 tot en met 10 april 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, althans in Nederland, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten een explosie teweeg brengen en/of brandstichting (als bedoeld in art. 157 Wetboek Pro van Strafrecht), opzettelijk een of meer voorwerpen en/of stoffen, bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven, heeft vervaardigd, en/of voorhanden heeft gehad, te weten:
- een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), bestaande uit een jerrycan met benzine, althans een brandbare en/of snel ontvlambare (vloei)stof, met daaraan bevestigd een of meerdere cobra's, althans zwaar vuurwerk).
Bijlage 2: de bewijsmiddelen