ECLI:NL:RBNHO:2026:7634

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
HAA 26/2496
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 17 PwArt. 53a PwArt. 54 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening opheffing opschorting bijstandsuitkering wegens overschrijding maximale termijn

Het college van burgemeester en wethouders van Haarlem heeft op 22 april 2026 de bijstandsuitkering van verzoeker opgeschort omdat verzoeker niet alle gevraagde niet-geanonimiseerde bankafschriften had overgelegd. Verzoeker had slechts geanonimiseerde afschriften ingediend en niet binnen de gestelde termijn de volledige gegevens aangeleverd.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het college op grond van artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet bevoegd was de uitkering op te schorten vanwege onvoldoende medewerking van verzoeker. Het opvragen van bankafschriften over de afgelopen drie maanden wordt niet als een onevenredige inbreuk op de privacy beschouwd.

Echter is de maximale opschortingstermijn van acht weken overschreden. De rechtbank wijst daarom het verzoek van verzoeker toe en bepaalt dat de opschorting per 17 juni 2026 wordt opgeheven. Dit betekent niet dat verzoeker recht heeft op bijstand over de opschortingsperiode. Verzoeker is vrijgesteld van griffierecht en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De opschorting van de bijstandsuitkering wordt opgeheven per 17 juni 2026 wegens overschrijding van de maximale opschortingstermijn.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/2496

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem

(gemachtigde: R.C.F. de Vos).

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 22 april 2026 heeft het college de uitkering van verzoeker op grond van de Participatiewet (Pw) opgeschort. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Feiten waar de voorzieningenrechter van uit gaat
2. Op 12 maart 2026 heeft het college verzoeker gevraagd om afschriften van zijn bank- en spaarrekeningafschriften van de afgelopen drie maanden, om vast te kunnen stellen of verzoeker nog recht heeft op een bijstandsuitkering.
2.1.
Op 19 maart 2026 heeft verzoeker geanonimiseerde bankafschriften overgelegd. Na een gesprek op 26 maart 2026 is verzoeker op 8 april 2026 in de gelegenheid gesteld om niet-geanonimiseerde bankafschriften te overleggen voor 22 april 2026. Verzoeker heeft deze gegevens niet geleverd.
2.2.
Bij besluit van 22 april 2026 heeft het college de uitkering van verzoeker opgeschort. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
Op 8 juni 2026 heeft verzoeker zijn verzoekschrift aangevuld en de rechtbank verzocht een ordemaatregel te treffen. Op 10 juni 2026 heeft de rechtbank het verzoek om een ordemaatregel afgewezen.
2.4.
Op 11 juni 2026 heeft de hoorzitting in bezwaar plaatsgevonden. Voorafgaand aan deze hoorzitting heeft verzoeker aanvullende bankafschriften overgelegd, waarbij de bijschrijvingen en saldi niet langer geanonimiseerd zijn. Delen van de afschriften zijn nog wel geanonimiseerd.
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Verzoeker ontvangt op dit moment geen bijstandsuitkering. Gelet op de aard van de bijstandsuitkering, die is bedoeld als minimumbestaansvoorziening, acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat verzoeker door de opschorting niet in zijn levensonderhoud kan voorzien. Hiermee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang gegeven.
Wat vindt verzoeker?
4. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij heeft geleverd waar het college om gevraagd heeft. De bijschrijvingen en de saldi zijn zichtbaar gemaakt. Voor het overige stelt verzoeker zich op het standpunt dat de gevraagde gegevens niet van belang zijn voor de beoordeling van het college.
Kan het verzoek worden toegewezen?
5. Op grond van artikel 17, eerste lid van de Pw doet de betrokkene op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
5.1.
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Pw is de betrokkene verplicht gevolg te geven aan een verzoek tot medewerking aan het bestuursorgaan, tenzij deze medewerking redelijkerwijs niet nodig is voor de vaststelling van het recht op bijstand of redelijkerwijs niet van betrokkene gevergd kan worden.
5.2.
Op grond van artikel 53a van de Pw, is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de bijstand. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan steeds en spontaan worden uitgeoefend. Daartoe is geen daaraan voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist. Het college bepaalt daarbij welke gegevens door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd.
5.3.
Op grond van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt, danwel anderszins onvoldoende medewerking heeft verleend en hem dit te verwijten valt, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft.
5.4.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college in het kader van een onderzoek als bedoeld in artikel 53a van de Pw gevraagd heeft om de niet-geanonimiseerde bankafschriften van verzoeker. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker de volledig niet-geanonimiseerde bankafschriften (tot op heden) niet heeft overgelegd. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat het college de bijstandsuitkering op grond van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw mocht opschorten. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat, gelet op vaste rechtspraak [1] , het opvragen van bankafschriften over de afgelopen drie maanden geen onevenredige inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van verzoeker. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat ook de uitgaven van verzoeker onderdeel kunnen uitmaken van de beoordeling van het recht op bijstand. Zo heeft het college ter zitting toegelicht dat dit onder andere van belang kan zijn bij het vaststellen van de verblijfplaats van verzoeker. De voorzieningenrechter acht dit niet onredelijk.
5.5.
Gelet op het voorgaande staat vast dat verzoeker niet alle gevraagde gegevens heeft overgelegd. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Pw. Het college was daarom bevoegd de bijstandsuitkering op te schorten per 22 april 2026.
5.6.
Het voorgaande neemt evenwel niet weg dat de maximale termijn waarmee het recht op bijstand mocht worden opgeschort, is overschreden. Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Pw kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten. In dit geval is de uitkering opgeschort per 22 april 2026. De rechtbank stelt vast dat de achtwekentermijn op 17 juni 2026 is verstreken. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het college de opschorting van verzoekers bijstandsuitkering met ingang van 17 juni 2026 opheft.
5.7.
Wel merkt de voorzieningenrechter op dat het opheffen van de opschorting niets zegt over of verzoeker al dan niet recht heeft op bijstand over de periode dat de uitkering opgeschort is geweest.
5.8.
Omdat verzoeker vrijgesteld is van het betalen van het griffierecht, hoeft het college dit niet te vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat het college de opschorting van verzoekers bijstandsuitkering met ingang van 17 juni 2026 opheft.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:807.