Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:7135

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
378687 / HA RK 26-122
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 515 SvArt. 348 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter-commissaris wegens ontbreken vooringenomenheid

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter-commissaris die in de hoofdzaak het verzoek tot het horen van een getuige had afgewezen. Verzoeker stelde dat de rechter in haar motivering een waardeoordeel had gegeven over zijn verklaring, wat de schijn van vooringenomenheid zou wekken.

De wrakingskamer overwoog dat de afwijzing van een verzoek tot het horen van een getuige een tussenbeslissing betreft en dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een dergelijke beslissing geen grond kan vormen voor wraking. Ook de motivering van de beslissing, hoezeer deze een waardering van bewijsmiddelen bevat, leidt niet tot een vermoeden van partijdigheid.

De wrakingskamer concludeerde dat noch uit de beslissing noch uit de motivering een aanwijzing voor vooringenomenheid blijkt. De door verzoeker aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om de onpartijdigheid van de rechter in twijfel te trekken. Het wrakingsverzoek is daarom kennelijk ongegrond en wordt afgewezen.

De rechtbank beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris wordt afgewezen wegens ontbreken van vooringenomenheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: 378687 HA RK 26-122
Beslissing van 9 juni 2026
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker] ,
[geboortedatum] te [geboorteplaats] (Libanon)
inschrijvingsadres in de basisregistratie personen:
[adres] ,
verzoeker,
raadsman mr. S.D. Polat, advocaat te Amsterdam.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. H.E. van Harten,rechter-commissaris
hierna te noemen: de rechter.

1.Procesverloop

1.1
Verzoeker heeft op 3 juni 2026 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Kabinet RC, aanhangige zaak met als parketnummer 15/196153-23, hierna te noemen: de hoofdzaak.
1.2
De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.
1.3
De wrakingskamer doet het verzoek op grond van artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 5, tweede lid, aanhef en ander a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank buiten zitting af, omdat het kennelijk ongegrond is.

2.Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek – samengevat – het volgende aangevoerd. Het verzoek tot het horen van [getuige] heeft de rechter afgewezen met de motivering dat in het licht van de verklaringen en de onderzochte stukken van verzoeker het belang van het horen onvoldoende is gemotiveerd.
Volgens verzoeker zit de schijn van vooringenomenheid in het feit dat de rechter in haar motivering een waardeoordeel geeft over de door verzoeker gegeven (concrete en verifieerbare) verklaring over zijn herinnering over de aankoop van horloges 10 jaar eerder. Door de verklaring van verzoeker aldus als ongeloofwaardig terzijde te schuiven geeft de rechter in feite een inhoudelijk oordeel en dat wekt de schijn van vooringenomenheid. De rechter diende slechts te beoordelen of het horen van de getuige relevant kán zijn voor de vragen ex artikel 348/350 Sv. Door dit te miskennen heeft de rechter niet alleen de kans aan de verdediging ontzegd om de verklaring van verzoeker en daarmee haar verweer over de herkomst van de horloges door het horen van de eigenaar van een juweliersshop te onderbouwen, maar met de in de motivering gebezigde bewoordingen heeft de rechter dit verweer ook al beoordeeld en dat geeft blijk van vooringenomenheid.

3.Het standpunt van de rechter

De rechter heeft aangegeven dat in de (motivering van de) afwijzing van het verzoek tot horen van de getuige geen aanwijzing kan worden gevonden voor een inhoudelijk oordeel of (de schijn van) vooringenomenheid.

4.De beoordeling

4.1
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (de subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (de objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.
4.2
De beslissing van de rechter om in de hoofdzaak het verzoek tot het horen van een getuige af te wijzen, is een tussenbeslissing.
4.3
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig geen grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het enkele feit dat de rechter een voor een partij negatieve (proces)beslissing neemt, levert geen grond voor wraking op. Dat is vaste rechtspraak sinds het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413). Indien verzoeker het met zo’n beslissing niet eens is, kan hij dat met een eventueel in te stellen rechtsmiddel ter toetsing voorleggen aan de rechter die er dan over beslist. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van een (tussen)beslissing zoals onderhavige afwijzing van een verzoek een getuige te horen. Dat gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er evenzeer tegen dat de voor de beslissing gegeven motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van rechter die haar heeft gegeven.
4.3
Het wrakingsverzoek is naar de kern gebaseerd op de stelling dat de rechter in haar motivering een waardeoordeel zou hebben gegeven over de verklaringen van de verzoeker. Anders dan verzoeker aanvoert, blijkt uit de rechterlijke tussenbeslissing – want dat is de afwijzing de getuige te horen – niet van vooringenomenheid, ook niet uit de wijze waarop die beslissing is gemotiveerd.
4.5
Dat de motivering onjuist zou zijn of naar de stelling van verzoeker een waardering van bewijsmiddelen bevat, brengt niet mee dat sprake is van partijdigheid. Dat zo’n motivering volgens verzoeker ten onrechte vooruitloopt op de bewijswaardering, is ook geen grond voor wraking. Uit de in de motivering gebezigde bewoordingen blijkt – naar objectieve maatstaven gemeten - geen vooringenomenheid of partijdigheid. Dat blijkt ook niet uit de door verzoeker aangehaalde passage waarin de rechter bij de afwijzing van het verzoek betrekt dat het haar in het licht van de verklaring van de verdachte bevreemdt dat verzoeker in eerste instantie niet meer wist waar hij de horloges had gekocht.
4.6
De onderhavige procesbeslissing impliceert dus niet dat de rechter een vooringenomenheid koestert, noch dat een vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is.
4.7
De feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, leveren geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking.
4.8
De slotsom is dat het verzoek kennelijk ongegrond is.

5.Beslissing

De rechtbank
5.1
wijst het verzoek tot wraking van de rechter af,
5.2
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de officier van justitie in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,
5.3
beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, mr. M.A.J. Berkers en mr. C.S. Schoorl, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. L.P. van Os, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.