ECLI:NL:RBNHO:2026:706

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
C/15/372402 FT RK 25/958
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 onder b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw

Schuldenares verzocht toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp). De rechtbank beoordeelde of zij voldeed aan de wettelijke eisen, waaronder de eis van te goeder trouw zijn bij het ontstaan van de vordering en het onbetaald laten daarvan.

De rechtbank constateerde dat schuldenares een schuld van € 85.768,20 had aan de erven van een betrokkene, vastgesteld bij vonnis van 28 mei 2025. Deze schuld was ontstaan door schenkingen die door misbruik van omstandigheden tot stand waren gekomen, aangezien de betrokkene destijds leed aan Alzheimer dementie. Schuldenares had verklaard de gelden grotendeels te hebben weggegeven aan familie, vrienden en zichzelf, zonder onderbouwing.

De rechtbank oordeelde dat schuldenares niet te goeder trouw was, zowel bij het ontstaan van de vordering als bij het onbetaald laten van de schuld. Dit is in strijd met artikel 288 lid 2 onder Pro b Faillissementswet, dat vereist dat de schuldenaar in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek te goeder trouw is geweest. Ook het niet aflossen van de schuld ondanks een geringe afloscapaciteit versterkte dit oordeel.

Daarom werd het verzoek tot toelating tot de wsnp afgewezen. Schuldenares kan een nieuw verzoek indienen na een periode van twee tot drie jaar waarin zij aantoonbaar spaart en aflost, en gedetailleerd inzicht geeft in de besteding van de gelden en haar inspanningen om terugvordering bij vrienden en familie.

Uitkomst: De rechtbank weigert toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw zijn bij het ontstaan en het onbetaald laten van de schuld.

Uitspraak

VONNIS WEIGERING TOELATING WSNP

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
zittingsplaats: Haarlem
afdeling: Handel, Kanton en Insolventie
zaaknummer: C/15/372402 FT RK 25/958
naam rechter: mr. M.P. de Valk
uitspraakdatum: 5 februari 2026
in de zaak van: [schuldenares] (hierna: schuldenares)
geboren op: [geboortedatum] 1978 te [plaats 1]
wonende te: [plaats 2]
schuldhulpverlener: gemeente [plaats 1]

1.Samenvatting

Schuldenares heeft toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp) verzocht. De rechtbank moet beoordelen of schuldenares voldoet aan de wettelijke eisen die daarvoor gelden.

2.Beslissing van de rechtbank

De rechtbank laat schuldenares niet toe tot de wsnp.

3.Gevolgen voor schuldenares

  • De wsnp wordt niet op schuldenares van toepassing verklaard.
  • De schuldeisers kunnen schuldenares nog steeds tot betaling dwingen.

4.Redenen voor deze beslissing

  • Schuldenares heeft een zeer forse schuld van € 85.768,20 aan de erven van de heer [betrokkene]. Deze schuld is vastgesteld bij vonnis van 28 mei 2025. De rechtbank heeft in genoemd vonnis overwogen dat de schenkingen die door [betrokkene] in de periode van november 2021 tot en met april 2022 zijn gedaan aan schuldenares door misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen. Dit misbruik bestond daaruit dat schuldenares van [betrokkene] een bedrag van circa € 66.000,- in ontvangst heeft genomen, terwijl [betrokkene] gediagnosticeerd was met Alzheimer dementie. Tegen het vonnis van de rechtbank is geen hoger beroep ingesteld. Ter zitting heeft schuldenares verklaard dat zij deze gelden niet meer onder zich heeft. Zo zou zij deze gelden hebben weggegeven aan familie, vrienden en deels aan zichzelf. De rechtbank is van oordeel dat schuldenares, door zo te handelen, niet te goeder trouw is geweest, zowel ten aanzien van het ontstaan van de vordering als ten aanzien van het onbetaald laten van deze schuld.
  • Artikel 288, tweede lid onder b van de Faillissementswet (Fw) bepaalt onder meer dat wsnp alleen kan worden toegewezen indien vast staat dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan van de vordering in de drie jaar voorafgaand aan de dag dat waarop het verzoek is ingediend te goeder trouw is geweest. Omdat de vordering van de erven door schuldenares betwist werd, acht de rechtbank het redelijk om bij de toepassing van artikel 288, tweede lid onder b Fw voor wat betreft de ontstaansdatum van de vordering aansluiting te zoeken bij de datum van het vonnis van de rechtbank, te weten 28 mei 2025. Dat betekent dat de in dat artikellid genoemde drie-jaarstermijn is gaan lopen vanaf laatstgenoemde datum.
  • Artikel 288, tweede lid onder b Fw bepaalt voorts dat het niet te goeder trouw onbetaald laten van een vordering toelating tot de wsnp in de weg kan staan. De rechtbank overweegt in ter zake dat het binnen kort tijdsbestek uitgeven dan wel weggeven van grote geldbedragen zonder zich daarbij de belangen van (de erven van) [betrokkene] aan te trekken, zonder meer verwijtbaar is.
  • Blijkens de vtlb-berekening d.d. 21 november 2025 kan schuldenares € 49,- maandelijks aflossen op haar schulden. Tot heden is niet gebleken dat schuldenares hiermee schulden heeft afgelost. Ook op dit punt is schuldenares niet te goeder trouw bij het onbetaald laten van haar schulden.
  • Al deze omstandigheden staan toelating tot de wsnp in de weg. Het verzoek zal derhalve worden afgewezen. Schuldenares kan een nieuw wsnp-verzoek indienen als zij gedurende langere tijd, de rechtbank denkt daarbij aan een periode van twee tot drie jaar, maximaal heeft gespaard en afgedragen ten behoeve van haar schuldeisers. Bovendien mag van schuldenares worden verlangd dat zij gedetailleerd en onderbouwd aangeeft aan wie zij welke bedragen heeft gegeven, én waar zij zelf het restant aan heeft besteed. Bij de rechtbank bestaat namelijk enige twijfel over de stelling van schuldenares dat al het geld weg is. Het gaat immers om een fors geldbedrag en er is verder geen enkele onderbouwing gegeven van de beweerdelijke uitgaven. Van schuldenares mag verder worden verlangd dat zij aantoonbaar haar uiterste best doet om de aan vrienden en familie weggegeven bedragen ten behoeve van de erven terug te krijgen.

5.Stukken waarop dit vonnis is gebaseerd

  • verzoekschrift van schuldenaar met bijlagen;
  • proces-verbaal van de zitting van 27 januari 2026.

6.Mogelijkheden om dit vonnis aan te vechten

Deze uitspraak kan binnen acht dagen na de uitspraakdatum worden aangevochten bij het gerechtshof Amsterdam. Dit kan alleen met behulp van een advocaat.
De griffier De rechter