Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6943

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
15/323306-23
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het tweemaal overdragen van explosieven en het voorhanden hebben van wapens en munitie

De rechtbank Noord-Holland heeft op 11 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het voorhanden hebben van twee vlindermessen, een brisantgranaat en dertig kogelpatronen, alsmede het meermalen overdragen van circa 3 kilo explosieven (semtex en/of C4) aan een medeverdachte.

De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze wapens en munitie in bezit had en dat hij de explosieven meermalen heeft overgedragen. De verdediging voerde verweren aan over de aard van de munitie en de interpretatie van WhatsApp-gesprekken, maar deze werden door de rechtbank verworpen op basis van deskundige vaststellingen en verklaringen.

Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, de gevaarzetting van explosieven, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder PTSS en het feit dat hij zijn leven op orde heeft. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn werd de taakstraf verminderd. De rechtbank legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden op met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 160 uren.

De verdachte werd vrijgesproken van wat hem meer of anders ten laste was gelegd dan bewezen verklaard. De strafbeschikking uit 2023 werd niet meegewogen ten nadele van verdachte. De rechtbank benadrukte het belang van zorgvuldigheid bij het bezit van wapens en munitie, zeker gezien de complexe regelgeving omtrent historische oorlogsspullen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vier maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 160 uren taakstraf wegens het voorhanden hebben van wapens en het meermalen overdragen van explosieven.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/323306-23 (P)
Uitspraakdatum: 11 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 mei 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. J.A. Huibers en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F. van Baarlen, advocaat te Eindhoven, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
Feit 1hij op 9 januari 2024 te Andijk, in elk geval in Nederland,
- (een) wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie Pro I sub 1 Wet Wapens en Munitie, te weten een / twee vlindermes(sen)(D.02.03.001 en/of D.01.02.001) en/of
- munitie in de zin van artikel 2 lid 2 categorie Pro II onder 3 Wet Wapens en Munitie, te weten een brisantgranaat (D.03.02.001) en/of
- munitie in de zin van artikel 2 lid 2 categorie Pro III Wet Wapens en Munitie, te weten 30 kogelpatronen (D.01.03.001):
- 2 kogelpatronen van het kaliber 7.62 x 63mm
- 1 kogelpatroon van het kaliber 7.92 x 57mm
- 1 kogelpatroon van het kaliber 8 x 50mm
- 1 kogelpatroon van het kaliber 7 x 57mm
- 6 kogelpatronen van het kaliber .30CARBINE
- 18 kogelpatronen van het kaliber 9 x 19mm
- 1 kogelpatroon van het kaliber 9 x 17mm
voorhanden heeft gehad;
Feit 2primair
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 oktober 2021 tot en met 21 januari 2023 te Andijk en/of Hoorn en/of Zwaag, in elk geval in Nederland, wapen(s) van categorie II, onderdeel 7°, te weten een (grote) hoeveelheid (3 kilo) semtex en/of C4 (klei), althans explosieven, (meermalen) heeft overgedragen aan [medeverdachte] en/of een ander;
subsidiairhij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 oktober 2021 tot en met 21 januari 2023 te Andijk en/of Hoorn en/of Zwaag, in elk geval in Nederland, zonder erkenning heeft onderhandeld over en/of (een) transactie(s) heeft geregeld voor verkoop en/of levering van één of meer wapens of munitie, en/of het/de feit(en) heeft begaan met betrekking tot (een) wapen(s) van categorie II, onderdeel 7°, te weten een (grote) hoeveelheid (3 kilo) semtex en/of C4 (klei), althans explosieven.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken voor feit 1. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De verweren zullen, voor zover relevant, bij de beoordeling van het bewijs besproken worden.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2
Bewijsoverweging feit 1
De verdachte heeft verklaard dat de in zijn woning aangetroffen en ten laste gelegde vlindermessen, brisantgranaat en kogelpatronen van hem zijn. De raadsvrouw heeft alleen ten aanzien van de brisantgranaat en de kogelpatronen aangevoerd dat de verdachte partieel vrijgesproken moet worden. Ten aanzien van de vlindermessen is geen verweer gevoerd.
De brisantgranaat
Ten aanzien van de brisantgranaat heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het ging om strafbare munitie, nu het onduidelijk is of er springstof zat in de brisantgranaat. De verdachte moet daarom van het voorhanden hebben van de brisantgranaat partieel worden vrijgesproken.
De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende. Uit het procesdossier blijkt dat de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD) de brisantgranaat tot ontploffing heeft gebracht. Daarnaast is de brisantgranaat, aan de hand van een korte beschrijving en fotografische opname van de EOD, gedetermineerd en is vastgesteld dat de brisantgranaat strafbare munitie is dat valt onder artikel 2, tweede lid, categorie II, onder 3, Wet Wapens en Munitie (WWM). Daarmee staat voor de rechtbank vast dat er een explosieve lading in de brisantgranaat zat en daarmee een strafbaar voorwerp is geweest in de zin van de WWM.
De kogelpatronen
Ten aanzien van het voorhanden hebben van de kogelpatronen heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze deel uitmaken van een verzameling van munitie welke de verdachte heeft gevonden met zijn metaaldetector. In ieder geval is een deel van de in beslag genomen kogelpatronen niet als strafbare munitie aan te merken. De aangetroffen kogelpatronen, in het procesdossier aangeduid als “VOORWERP 1” tot en met “VOORWERP 3” en “VOORWERP 11”, betreffen hulzen en deze vallen onder de vrijstelling van de WWM. Verder kunnen ook de in beslag genomen kogelpatronen aangeduid als “VOORWERP 4” tot en met “VOORWERP 10”, door corrosie niet meer worden verschoten. Daarmee is de gevaarzetting weg. De verdachte moet dan ook partieel worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van de kogelpatronen.
De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende. De aangetroffen en inbeslaggenomen kogelpatronen zijn onderzocht, waarbij “VOORWERP 4” tot en met “VOORWERP 10” zijn gedetermineerd en ter zake waarvan is vastgesteld dat de munitie strafbaar is onder artikel 2, tweede lid, categorie III, WWM. De corrosie, de beschadigingen en de vervormingen zorgen er weliswaar voor dat de munitie niet meer verschoten kan worden, maar dit doet niet af aan de strafbaarheid van de munitie. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de ten laste gelegde kogelpatronen als strafbare munitie zijn aan te merken in de zin van de WWM. Over de hulzen, aangeduid als “VOORWERP 1” tot en met “VOORWERP 3” en “VOORWERP 11”, merkt de rechtbank op dat de tenlastelegging niet ziet op het voorhanden hebben van deze voorwerpen.
Conclusie
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vlindermessen, een brisantgranaat en dertig kogelpatronen.
3.3.3
Bewijsoverweging feit 2
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat uit de WhatsApp-gesprekken tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] niet kan worden afgeleid dat sprake is van overdracht van explosieven. De verdachte heeft immers verklaard dat hij met de medeverdachte heeft gesproken over klei maar hiermee boetseerklei van de Primera bedoelde.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de periode van 31 oktober 2021 tot en met 21 januari 2023 meerdere WhatsApp-gesprekken over klei heeft gevoerd met de medeverdachte. In deze gesprekken wordt gesproken over het gewicht van de klei, de prijs van de klei en worden afspraken gemaakt over het ophalen van de klei. Mede gelet op de verklaring van de verdachte over de overdracht zelf, stelt de rechtbank vast dat de verdachte de klei daadwerkelijk en meermalen heeft overgedragen aan de medeverdachte.
De verklaring van de verdachte dat het ging om boetseerklei van de Primera en niet om explosieven, schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde. Uit de inhoud van de WhatsApp-berichten tussen de verdachte en de medeverdachte kan worden afgeleid dat gesproken wordt over het verkopen en overdragen van explosieven. Zo prijst de verdachte klei aan voor vierhonderd euro per kilogram en omschrijft hij later een pakket als ‘prof eod’, een afkorting van de Explosieven Opruimingsdienst. Boetseerklei van de Primera is een alledaags hobbyproduct dat voor enkele euro's verkrijgbaar is en een prijs van vierhonderd euro per kilogram is daarmee onverenigbaar. Ook de door de medeverdachte met [naam 1] en [naam 2] gevoerde WhatsApp-gesprekken gaan onmiskenbaar over explosieven. De medeverdachte en [naam 2] spreken over het verkrijgen en kunnen leveren van “c 4”. Deze gesprekken volgen kort nadat de verdachte en de medeverdachte hebben gesproken over het afnemen van klei en de gesprekken sluiten daarmee op elkaar aan. In een ander gesprek vraagt de medeverdachte aan [naam 1] of hij interesse heeft in klei en specificeert dat het gaat om klei “wat boem doet”. Dit gesprek sluit in de tijd ook aan op de gesprekken tussen de verdachte en de medeverdachte. Verder heeft [naam 1] in zijn verhoor aangegeven dat het ging om gesealde blokken van defensie en dat hij daarmee een keer een oude tractor heeft opgeblazen. Ook heeft de medeverdachte in zijn verhoor over de in de WhatsApp-gesprekken genoemde klei verklaard dat het ging om explosieven.
Gelet op de aard, de strekking, en de combinatie van voornoemde WhatsApp-berichten, de verklaringen van [naam 1] en van de medeverdachte, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat met klei explosieven werden bedoeld.
De raadsvrouw heeft vervolgens nog aangevoerd dat niet kan worden gecontroleerd of sprake is geweest van explosieven, omdat bij de verdachte geen explosieven zijn aangetroffen en er aldus niks is getest. De rechtbank is echter van oordeel dat uit de verklaringen van [naam 1] en de medeverdachte alsmede de WhatsApp-berichten, voldoende duidelijk is dat het telkens ging om explosief materiaal.
De rechtbank acht het onder 2 primair ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat
Feit 1
hij op 9 januari 2024 te Andijk,
- wapens in de zin van artikel 2 lid 1 categorie Pro I sub 1 Wet Wapens en Munitie, te weten twee vlindermessen en
- een wapen in de zin van artikel 2 lid 2 categorie Pro II onder 3 Wet Wapens en Munitie, te weten een brisantgranaat en
- munitie in de zin van artikel 2 lid 2 categorie Pro III Wet Wapens en Munitie, te weten 30 kogelpatronen:
- 2 kogelpatronen van het kaliber 7.62 x 63mm
- 1 kogelpatroon van het kaliber 7.92 x 57mm
- 1 kogelpatroon van het kaliber 8 x 50mm
- 1 kogelpatroon van het kaliber 7 x 57mm
- 6 kogelpatronen van het kaliber .30CARBINE
- 18 kogelpatronen van het kaliber 9 x 19mm
- 1 kogelpatroon van het kaliber 9 x 17mm
voorhanden heeft gehad;
Feit 2 primair
hij in de periode van 31 oktober 2021 tot en met 21 januari 2023 te Andijk en/of Hoorn en/of Zwaag, wapens van categorie II, onderdeel 7°, te weten een hoeveelheid explosieven, meermalen heeft overgedragen aan [medeverdachte] .
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;
feit 2 primair
handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7º, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij de op te leggen straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft heel wat te stellen met zijn gezondheid in verband met PTSS. Hij heeft na een lange tijd eindelijk een huis en een vriendin. Gelet hierop en gelet op het zeer lange tijdsverloop heeft de raadsvrouw verzocht aan de verdachte een geldboete op te leggen voor feit 1 en ten aanzien van feit 2 hooguit een voorwaardelijke gevangenisstraf.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straffen die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtredingen van de WWM. De verdachte heeft op meerdere momenten explosieven aan de medeverdachte verkocht. Explosieven zijn buitengewoon gevaarlijke stoffen en zijn om die reden strikt gereguleerd. Ook zonder kwade opzet kan het experimenteren daarmee ernstige schade, zwaar lichamelijk letsel of de dood veroorzaken. Ook zorgen explosies voor schrik en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft geen oog gehad voor deze mogelijke gevolgen.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vlindermessen, een brisantgranaat en munitie. De verdachte heeft verklaard dat hij veel interesse had in oorlogsspullen, waaronder wapens en munitie. De regelgeving omtrent (antieke) wapens en munitie is complex. Bij de afweging welke wapens en munitie de verdachte wel en niet voorhanden mag hebben wordt extra zorgvuldigheid verwacht en de verdachte moet zich ervan vergewissen dat de wapens en munitie voldoen aan de geldende regelgeving. De aanwezigheid van strafbare wapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico mee voor de veiligheid van personen.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 mei 2026), waaruit blijkt dat aan de verdachte in 2023 een strafbeschikking van € 750,- is opgelegd in verband met overtreding van de WWM. Dit dateert van na de onderhavige feiten, zodat de rechtbank dit niet ten nadele van de verdachte zal meewegen bij de strafoplegging.
Op te leggen straffen
Bij het bepalen van de hoogte van de straffen heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, in beginsel zonder meer een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur gerechtvaardigd is.
Daar staat tegenover dat het een bijzondere zaak betreft. De verdachte en de medeverdachten hebben aangegeven dat zij een voorliefde delen voor historische oorlogsspullen en deze verzamelen onder meer door op plekken van veldslagen met metaaldetectors grondonderzoek te doen. De rechtbank neemt deze achtergrond in aanmerking en ziet het voorhanden hebben van de wapens en munitie daarmee in een ander licht. De rechtbank realiseert zich dat dit niet opgaat voor het overdragen van de explosieven. Dit lijkt immers los te staan van de interesse in historische oorlogspullen. Op het overdragen van explosieven staat als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden. De rechtbank ziet desondanks ruimte om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gecombineerd met een forse taakstraf. De rechtbank neemt daarbij allereerst in acht dat het overdragen van de explosieven is gedaan in 2021 en 2022 en inmiddels lange tijd is verstreken. De verdachte heeft als militair PTSS ontwikkeld als gevolg van zijn uitzendingen en heeft lange tijd geen zelfstandige woonruimte gehad en heeft in de afgelopen jaren zijn leven op orde weten te krijgen. Hij heeft inmiddels een eigen woning en een relatie. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou deze ontwikkelingen teniet doen, hetgeen de rechtbank niet wenselijk acht. De rechtbank heeft hierbij ook betrokken dat niet is gebleken dat de verdachte zich in de periode tussen zijn aanhouding en de behandeling opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Ook is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 180 uren moet worden opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht, naar de maatstaf van twee uren per dag.
Redelijke termijn
De rechtbank neemt bij de straftoemeting in aanmerking dat de redelijke termijn is overschreden. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
De verdachte is op 9 januari 2024 aangehouden en in verzekering gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het moment geweest waarop de redelijke termijn in deze zaak is aangevangen. Van bijzondere omstandigheden is in deze zaak geen sprake. De rechtbank wijst vonnis op 11 juni 2026. Daarmee is de redelijke termijn overschreden met vijf maanden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
De rechtbank zal daarom de hierboven genoemde taakstraf met twintig uren verminderen en legt dus een taakstraf op voor de duur van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 van het Wetboek van Strafrecht;
artikel 26, 31, 55 van de Wet wapens en munitie.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
vier (4) maanden, met bevel dat deze straf
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
160 (honderdzestig) urentaakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 80 dagen hechtenis.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, in die zin dat voor elke dag die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht, twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Boonstra, voorzitter,
mr. G.M.G. Hink en mr. N. Ćulafić, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Verheul,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juni 2026.
Bijlage
De bewijsmiddelen
(…)