Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6695

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/15/362334
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 157 lid 2 RvArt. 3:307 BWArt. 3:317 BWArt. 3:319 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen Dimple wegens onvoldoende bewijs samenwerkingsovereenkomst en toewijzing tegenvordering

Dimple vordert nakoming van een samenwerkingsovereenkomst met [gedaagde], waaronder het afleggen van rekening en verantwoording en betaling van een afrekeningsbedrag. [gedaagde] betwist het bestaan van een overeenkomst met Dimple en stelt dat zij slechts met andere aan Dimple gelieerde vennootschappen heeft samengewerkt.

De rechtbank oordeelt dat Dimple onvoldoende heeft onderbouwd dat zij partij is bij de samenwerkingsovereenkomst. De feitelijke uitvoering wijst erop dat andere partijen, zoals Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. en Nova Beheer B.V., de contractspartijen waren. Dimple kan daarom geen aanspraken op [gedaagde] baseren.

In reconventie vordert [gedaagde] betaling van openstaande facturen. Dimple erkent de juistheid van de facturen niet te betwisten, maar stelt verrekening en verjaring. De rechtbank wijst deze verweren af en veroordeelt Dimple tot betaling van € 10.789,58 plus wettelijke rente en incassokosten.

De rechtbank beveelt tevens opheffing van het conservatoir beslag op de bankrekeningen van [gedaagde], maar wijst de opheffing van het beslag op het onverdeeld aandeel in de woning af. Proceskosten worden Dimple opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van Dimple af en veroordeelt Dimple tot betaling van € 10.789,58 aan [gedaagde] met rente en kosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/362334 / HA ZA 25-95
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
DIMPLE B.V.,
te Beverwijk,
eisende partij,
hierna te noemen: Dimple,
advocaat: mr. E. Hoekstra,
tegen
[gedaagde] h.o.d.n. [bedrijf 1],
te [plaats 1],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. W.G. Westerman.
De zaak in het kort
Dimple zegt dat zij en [gedaagde] een samenwerkingsovereenkomst zijn aangegaan. Dimple vordert onder meer om [gedaagde] te veroordelen om rekening en verantwoording af te leggen door met een finale afrekening van de samenwerking te komen en om [gedaagde] te veroordelen het bedrag uit die afrekening aan Dimple te betalen. De rechtbank wijst deze vorderingen af. Dimple heeft niet voldoende onderbouwd dat zij bij de door haar gestelde vorderingen de wederpartij is van [gedaagde]. Als Dimple en [gedaagde] al een samenwerkingsovereenkomst zijn aangegaan is daar in de praktijk anders uitvoering aan gegeven dan Dimple zegt. Die andere uitvoering maakt dat een redelijke uitleg is dat andere partijen dan Dimple wederpartij van [gedaagde] zijn geworden. Dimple heeft dan ook geen aanspraken op [gedaagde]. [gedaagde] stelt ook een tegenvordering in. Zij zegt dat Dimple uit een andere rechtsverhouding gehouden is om facturen te betalen. Het beroep van Dimple op verrekening met haar eigen vorderingen slaagt niet, omdat die vorderingen worden afgewezen. Dimple moet [gedaagde] daarom € 10.789,58 betalen, te verhogen met wettelijke handelsrente en kosten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 9 juli 2025 en de daarin genoemde stukken
- een akte van Dimple met producties 19 tot en met 23
- een akte van [gedaagde] met producties 22 tot en met 26
- een akte van Dimple met nadere producties 24 tot en met 57
- een akte van [gedaagde] met nadere producties 27 tot en met 30
- de mondelinge behandeling van 21 november 2025, waarbij beide advocaten gebruik hebben gemaakt van door hen overgelegde spreekaantekeningen en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Na de mondelinge behandeling hebben partijen geprobeerd om in overleg tot een oplossing te komen. Dat is niet gelukt. Daarom hebben zij beiden de rechtbank verzocht vonnis te wijzen. Daarna is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben 57 respectievelijk 30 producties in het geding gebracht, zonder daarbij steeds aan te geven wat het belang van een productie voor deze procedure is. De rechtbank noemt hieronder niet al die feiten. Zij richt zich in de kern op gestelde feiten die nodig zijn in het kader van de door partijen ingeroepen gerechtsgevolgen en feiten die nodig zijn om van dit vonnis een leesbaar en begrijpelijk verhaal te maken. De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept.
2.2.
Dimple staat in het handelsregister ingeschreven als groothandel in consumentenartikelen. Zij produceert reinigingsrollen die worden ingezet in de grafische en elektronicasector. Enig bestuurder is de heer [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]). Enig aandeelhouder is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nova Vastgoed Beverwijk B.V. [betrokkene 1] is daarnaast enig aandeelhouder-bestuurder van Nova Beheer B.V. en via deze beheer-B.V. enig aandeelhouder en bestuurder van (onder meer) Nova Vastgoed Beverwijk B.V. en Schieland Vastgoed Beverwijk B.V.
2.3.
[gedaagde] drijft een eenmanszaak onder de handelsnaam [bedrijf 1] (voorheen: [bedrijf 2]). In deze eenmanszaak verleent zij administratieve diensten, belservices en kantoordiensten. Ook verhuurt zij flexibele werkplekken. Tot 2021 deed zij dit vanuit het pand van Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. aan [adres] te [plaats 2].
2.4.
Vanaf 2010 zijn [betrokkene 1] en [gedaagde] in gesprek geraakt over secretariële en administratieve dienstverlening en (op enig moment) de mogelijkheden van verhuur van werkplekken aan de locatie [adres].
2.5.
Op 26 maart 2012 heeft [gedaagde] in dit kader aan (de echtgenote van) [betrokkene 1] een
e-mail gestuurd met voor zover van belang de volgende inhoud:
Het eerste jaar betaal ik huur van de verhuurde plekken met een maximum van 1650 euro.
Ik zal begin iedere maand een staatje maken.
Als het resultaat hoger is dan de huur en de kosten, dan is de verdeling 50/50.
De helft die ik aan jullie zou moeten betalen wordt gebruikt om de investering mee af te lossen. Zodra de investering is afgelost kun je mij een factuur sturen en zal ik het bedrag overmaken.
Ik zal een overzicht maken van de investering
PS [betrokkene 1][[betrokkene 1], rb]
als het anders is moet je het zeggen maar volgens mij heb ik het zo goed verwoord.
2.6.
De heer [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) is de schoonvader van [gedaagde]. Hij is accountant. Op 18 april 2013 schrijft [gedaagde] het volgende aan [betrokkene 2], met een kopie aan [betrokkene 1]:
Zoals je weet werken [betrokkene 1] en ik samen voor de Flexplek locatie.
Nu willen we onze samenwerking uitbreiden met het uitbellen, maar dat willen we graag goed op papier zetten.
Je voelt hem al aankomen denk ik, maar we zouden aan jouw willen vragen of je ons daarin wil helpen en adviseren.
(…)
2.7.
Nadat [betrokkene 2] [gedaagde] en [betrokkene 1] heeft gevraagd om over enkele dingen na te denken, zoals over de wijze van facturen, administreren en samenwerken, heeft hij hen op 30 mei 2013 een eerste concept voor de vastlegging van de afspraken gestuurd. In dit concept worden [gedaagde] en Dimple als de partijen genoemd die het contract sluiten en worden de werkzaamheden waarvoor afspraken zullen worden gemaakt onderverdeeld in drie groepen: exploitatie van flexwerkplekken en verhuur kleine kantoorruimten (groep I), exploitatie van trainingsruimte (groep II) en outbound call center, secretariële diensten en opleidingen (groep III) met elk een eigen wijze van afrekenen.
2.8.
Op 21 augustus 2013 schrijft [gedaagde] aan [betrokkene 1] dat zij een aangevulde versie van het concept nog even moeten doornemen, dan wel tekenen. In dat gewijzigde concept staat onder meer dat [gedaagde] de vergoeding voor de flexplekken en trainingsruimten aan Schieland B.V. zal betalen, waar in het eerdere concept stond dat [gedaagde] deze aan Dimple zou betalen.
2.9.
Er is een document met de datum 13 oktober 2013. Daarin worden [gedaagde], handelende onder de naam “[bedrijf 6]” en Dimple als partijen aangemerkt. In het document staat onder meer:
In aanmerking nemende dat:
  • Dimple en de aan haar gelieerde vennootschap “Schieland Vastgoed Beverwijk BV” (hierna te noemen Schieland BV) reeds bedrijfsruimten beschikbaar stellen aan [bedrijf 6],
  • die daarin haar call-centeronderneming en flexplekkenverhuur reeds uitoefent
  • en voornemens is haar bedrijfsactiviteiten uit te breiden met onder andere outbound-callcenter- en secretariële ondersteuningsdiensten,
  • waarbij gebruik wordt gemaakt van de dienstverlening op het gebied van logistiek- en relatienetwerk door Dimple;
Wensen hun samenwerkingsvoorwaarden als volgt vast te leggen:
(…)
De facturering van opbrengsten en de administratieve verwerking van alle reeds bestaande eigen werkzaamheden van [bedrijf 6] en de hierna in artikel 4 genoemde Pro werkzaamheden vindt plaats vanuit de boekhouding van [bedrijf 6]. Het debiteurenrisico op de gefactureerde vorderingen behoort tot de kosten die mede het resultaat bepalen van de activiteiten die werden gefactureerd.
3.
Binnen bestaande en hierna te noemen activiteiten kunnen activiteiten voorkomen van bijkomende aard, zoals bijvoorbeeld catering, gastvrouwschap of notulering waarvan toerekenbare kosten en opbrengsten geheel voor rekening komen van [bedrijf 6].
4.
De werkzaamheden waarvoor gewenst wordt bestaande of nadere afspraken vast te leggen, zijn onder te verdelen in een drietal groepen waarvan opbrengsten en/of resultaten elk een eigen verdeling kennen tussen [bedrijf 6] en Dimple. Die groepen betreffen:
  • Exploitatie van flexwerkplekken en verhuur kleine kantoorruimten, hierna (…) groep I
  • Exploitatie trainingsruimte, hierna groep II
  • Outbound callcenter, secretariële diensten en opleidingen, hierna groep III.
5.
Afspraken Flexwerkplekken en verhuur kleine kantoorruimten
  • De voor de uitoefening van de activiteiten in groep I benodigde ruimten, staan geheel ter beschikking van [bedrijf 6] die daarvoor inclusief service (verlichting, verwarming, internet) een vergoeding betaalt aan Schieland B.V. van € 1.940 per maand.
  • (…)
  • Het resultaat wordt bepaald door het saldo van de gefactureerde opbrengsten minus de aan Dimple en/of Schieland BV betaalde vergoeding en andere betaalde onkosten, en wordt voor 50% toegerekend aan [bedrijf 6] en voor 50% aan Dimple.
6.
Afspraken Exploitatie trainingsruimte (groep II)
  • Door Schieland BV wordt voor bemiddeling en reservering aan [bedrijf 6] een vergoeding verstrekt van € 50 per boeking voor een dag of dagdeel.
  • Het meerdere boven dit bedrag ontvangen huurbedrag wordt doorbetaald aan Schieland BV.
  • In geval van eigen gebruik door [bedrijf 6] wordt door deze een vergoeding verstrekt van € 100 per dag aan Schieland BV.
7.
Afspraken Outbound call center, secretariële diensten en opleiding (groep III)
  • Beldiensten, opleiding en secretarieel werk worden verricht door [gedaagde][[gedaagde], rb]
    , haar werknemers en waar mogelijk door mensen die in het kader van integratieprojecten of opleiding binnen [bedrijf 6] beschikbaar zijn.
  • [bedrijf 6] kan hiervoor gebruik maken van de door Dimple ten behoeve van haar andere werkzaamheden beschikbaar gestelde bedrijfsruimten.
  • Dimple ondersteunt [bedrijf 6] met name bij het aantrekken van instanties en nieuwe opdrachtgevers voor opleidingsprojecten, en de onderhandeling over de contractvoorwaarden met hen.
  • Aan [bedrijf 6] komt toe een maandelijkse fee voor de inzet van [gedaagde] en haar personeel van € 1.650.
  • Het resultaat wordt bepaald door het saldo van de opbrengsten minus fee en andere kosten, en wordt toegerekend voor 51% aan [bedrijf 6] en 49% aan Dimple.
8.
De hierboven vermelde financiële afwikkeling van de afspraken zal zoveel mogelijk plaatsvinden binnen één maand na afloop van de maand waarop zij betrekking hebben.
9.
Alle hierboven vermelde afspraken worden geacht te zijn ingegaan op 1 januari 2012 (…)
Onderaan het document staan de namen “[gedaagde] ” en “[betrokkene 1] , Dimple BV”. Bij deze namen zijn handtekeningen geplaatst.
2.10.
Op 14 januari 2016 stuurt [gedaagde] een “Afrekening samenwerking per maand outbound” over de jaren 2013, 2014 en 2015 aan [betrokkene 1].
2.11.
In 2016 is [betrokkene 1] geconfronteerd met ernstige medische problemen die maakten dat hij bijna vijf jaar met minder kracht en inzet kon werken.
2.12.
Op 9 juli 2020 heeft [betrokkene 1] per WhatsApp aan [gedaagde] bericht dat hij op korte termijn wilde praten over de aandelen en de afhandeling van de laatste tien jaar. Daarop heeft [gedaagde] aangegeven dat zij de berekeningen bijna klaar had.
2.13.
Op 24 augustus 2020 heeft [gedaagde] aan [betrokkene 1] een uitleg gestuurd van de “Afrekening samenwerking per maand outbound” over de jaren 2013, 2014 en 2015. Daarin heeft zij onder meer het volgende geschreven:
Huur flexplekken is 1650 euro
dus de verrekening is hierop gebaseerd voor alle callcenter werkzaamheden (…)
De eerste 1650 euro voor mij en de rest is 50% bij 50% (van de winst)
Vanaf 2016 hebben we alles bij elkaar gevoegd en hebben we de omzet antwoordservice erbij gevoegd. Hiervoor hebben we de verdeling afgesproken 90% voor mij en 10% voor jou (van de winst) dus zonder eerst 1650 voor mij. De flexplekken en vergaderruimtes zijn apart afgerekend en vallen buiten de verrekening (…).
In 2017 viel de omzet van Taxus weg en hadden we ruim 29.000 euro aan advocaatkosten, vandaar dat we een verliesjaar hebben.
(…)
In de excelsheet zitten de jaarrekeningen en kun je zien wat er is gebeurd.
2.14.
Op 22 augustus 2021 heeft [betrokkene 1] [gedaagde] een e-mail gestuurd met (samengevat) de volgende inhoud. [betrokkene 1] en [gedaagde] hebben op 12 augustus 2021 met elkaar gesproken. Over de verhuizing en beëindiging van de “partnership” verklaren [betrokkene 1] en [gedaagde] beiden dat [bedrijf 6] groter is geworden en [adres] te klein is geworden voor [gedaagde] zodat het tijd is voor een volgende fase. Om het helder te houden hebben partijen een aantal afspraken gemaakt om stap voor stap af te kunnen wikkelen. Een en ander zal op alfabetische volgorde worden afgewikkeld (eerst [bedrijf 3], dan [bedrijf 4], dan Dimple, dan [bedrijf 5], dan [bedrijf 6]/[bedrijf 1] enzovoort).
2.15.
Op 8 september 2021 heeft [gedaagde] [betrokkene 1] (voor zover van belang) het volgende meegedeeld:
Als antwoord op e-mails van jouw kant waarin je mij meermalen beschuldigt van fraude, het opzetten van rookgordijnen en het traineren van afspraken wil ik éénmalig heel duidelijk stellen dat deze aantijgingen onjuist, oneerlijk en onterecht zijn.
Afspraakverhuizing van [bedrijf 1]: is opgezegd per 1 oktober of zoveel eerder als mogelijk. Aan deze afspraak houd ik me ook. Oplevering is zoals eerder aangegeven deze week of eind volgende week. (…)
Administratieve dienstverlening
Vanwege je beschuldigingen van fraude aan mijn adres en het gebrek aan vertrouwen, plus het groot aantal openstaande posten aan Schieland Vastgoed, Nova Beheer en Dimple zijn wij genoodzaakt de dienstverlening van [bedrijf 1] aan jouw bedrijven per direct te onderbreken. (…)
Afhandeling
Om de vaart erin te houden en het overzicht te bewaren, hebben we afgesproken iedere BV en/of onderneming apart af te handelen. Hoewel dit ons beider inzicht is, wil jij tijdens ieder gesprek transacties van verschillende bedrijven met elkaar verrekenen. Dit komt de voortgang absoluut niet ten goede.
(…)
Nova vastgoed
De 2 voorschot facturen gaan zoals afgesproken mee in de afrekening.
[bedrijf 1]
Mede-eigenaarschap van [bedrijf 1] is onbespreekbaar en is ook nooit een optie geweest. Aanspraak op betalingen gedaan door [bedrijf 1] alsof dit betalingen zouden zijn die voor (een deel voor) jouw rekening komen, zijn niet terecht en ongegrond.
2.16.
Op 3 oktober 2021 heeft [betrokkene 1] aan [gedaagde] bevestigd dat op donderdag 30 september 2021 de oplevering van het kantoor op de begane grond en de eerste verdieping is geweest. Daarbij heeft hij aangegeven dat daarmee de samenwerking op het gebied van verhuur van bespreekruimtes, flexibele werkplekken en overige werkplekken is geëindigd. In het kader van financiële afwikkeling heeft [betrokkene 1] gevraagd om specificaties van de opbrengst van het deel van [adres] dat samen is geëxploiteerd.
2.17.
Op 22 december 2021 heeft de toenmalige advocaat van Dimple (voor zover van belang) het volgende aan [gedaagde] geschreven:
Op of omstreeks 15 oktober 2013 bent u met cliënte een samenwerkingsovereenkomst aangegaan op basis waarvan cliënte en een aan haar gelieerde partij ruimte(-n) in het kantoorgebouw staande en gelegen te [plaats 2] aan de [adres] ter beschikking stelden.
De door u gedreven exploitatie vond daar plaats, waarbij cliënte gerechtigd is tot de omzetten behaald op:
De exploitatie van flexwerkplekken en verhuur van kleine kantoorruimten (Groep I)
Exploitatie van een trainingsruimte (Groep II)
Outbound call-center, secretariële diensten en opleidingen (Groep III)
Ten aanzien van Groep I diende 50% van het bruto-resultaat, verminderd met een huur van EUR 1.940 per maand aan cliënte te worden voldaan.
Ten aanzien van Groep II dienden de bruto-inkomsten verminderd met EUR 50,- per dagdeel die dienden te worden voldaan aan Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. aan cliënte te worden voldaan, waarbij in geval van gebruik door uzelf de laatstgenoemde vergoeding EUR 100,- per dag bedroeg.
Ten aanzien van Groep III dient 49% van de bruto omzet verminderd met een vaste vergoeding voor u van EUR 1.650,- per maand aan cliënte te worden voldaan.
Afgesproken was dat de afwikkeling van die afspraken binnen een maand na afloop van de maand waarop zij betrekking hadden, zou plaatsvinden. Deze overeenkomst duurt overigens nog steeds voort.
Cliënte constateert dat u tot op heden nimmer tot enige afrekening over bent gegaan. Cliënte houdt echter onverkort vast aan nakoming van de overeenkomst.
Langs deze weg verzoek en sommeer ik u dan ook uiterlijk 15 januari 2022 mij de volledige afrekening te doen toekomen voor de groepen I, II en III vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2021, voorzien van justificatoire en verificatoire bescheiden, alsmede uiterlijk 15 januari 2022 over te gaan tot betaling van hetgeen u aan cliënte uit hoorde van de samenwerkingsovereenkomst verschuldigd bent. Daarbij maakt cliënte aanspraak op vergoeding van de wettelijke (handels-)rente.
Bij gebreke van tijde voldoening laat u cliënte geen andere keus dan u in rechte te betrekken. Alsdan zullen ook de buitengerechtelijke kosten aan u worden doorbelast (…).
(…)
2.18.
Met een brief van 14 januari 2022 heeft de advocaat van [gedaagde] (verkort weergegeven) als volgt gereageerd. Voor groepen I en II bestaat er geen enkele verplichting jegens Dimple. [gedaagde] had een overeenkomst met Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. [gedaagde] heeft al jaren geleden volledig aan de verplichtingen uit die overeenkomst voldaan en alle gevraagde bescheiden zijn al jaren geleden aan de contractspartij ter beschikking gesteld. Voor groep III heeft [gedaagde] nooit een overeenkomst gesloten op basis waarvan zij de gestelde vergoedingen verschuldigd zou zijn. Als Dimple meent dat die overeenkomst wel is gesloten, dan ontvangt [gedaagde] die graag. Wel is Dimple € 10.789,58 aan [gedaagde] verschuldigd voor geleverde diensten. [gedaagde] sommeert Dimple om dit bedrag binnen vijf dagen te voldoen, bij gebreke waarvan Dimple buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zal zijn.
2.19.
Dimple heeft Triple One Accountancy een “Rapport van feitelijke bevindingen met betrekking tot uw vordering op [[gedaagde], rb]” laten opstellen. In dit rapport van 14 juni 2023, dat Dimple op 19 juli 2024 aan [gedaagde] heeft gezonden, staat voor zover relevant:
De overeengekomen specifieke werkzaamheden zijn tot stand gekomen in overleg met de beoogde gebruikers, zijnde Dimple, uzelf [[betrokkene 1], rb] en uw advocaat.
Wij hebben onze werkzaamheden verricht in overeenstemming met de Nederlandse Standaard 4400N, ‘Opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden’. (…)
Wij zijn nagegaan of uw vordering op[[gedaagde], rb]
voldoende te onderbouwen is en dat zij feitelijk nog een bedrag aan u schuldig is.
(…)
De bevindingen van onze werkzaamheden zijn als volgt: (…)
Toelichting Exploitatie van Flex werkplekken en verhuur kleinere kantoorruimte
Dimple B.V. heeft een uitgebreide analyse gemaakt van zoveel mogelijk jaren waarin de samenwerking van kracht was. (…) Wij hebben voor de jaren 2017 tot en met 2021 steekproefsgewijs gecontroleerd of de overzichten juist waren en hebben daarbij geen significante afwijkingen kunnen constateren. De onderbouwde vorderingen over de diverse jaren zijn: (…)
Totaal € 29.124
(…) Voor de niet onderbouwde jaren 2013 tot en met 2016 is dit gemiddelde aangehouden. Het totaal van de vordering komt daarmee op € 24.524 + € 29.124 = € 53.648.
Toelichting Exploitatie training’s ruimte
Er is geconstateerd dat hier nimmer een afrekening of berekening van heeft plaats gevonden. Wij gaan er daarom vanuit dat hier geen vordering of schuld uit zal zijn ontstaan. Indien hier wel opbrengsten zijn gegenereerd zullen die onderdeel zijn van [bedrijf 1] en aldus in de berekening zijn meegenomen.
Toelichting Outbound call center, secretariële diensten en opleidingen
In de samenwerkingsovereenkomst zijn afspraken gemaakt omtrent de winstverdeling. 51% kwam daarbij toe aan mevrouw [gedaagde] en 49% aan Dimple B.V. Van de jaren 2018 tot en met 2020 zijn kolommenbalansen beschikbaar, welke niet zijn gecontroleerd op juistheid. Van 2021 zijn de cijfers bekend tot en met 30 juni. Voor de jaren 2015 en 2016 zijn door Nova Beheer B.V. voorschotnota’s verstuurd van ieder € 20.000 exclusief omzetbelasting welke tot op heden niet zijn voldaan. Of de berekening van omzetbelasting hierbij nodig was laten wij in het midden. De vordering inzake het outbound call center, secretariële diensten en opleidingen bedraagt derhalve[na een berekening per jaar, deels op basis van gemiddelden)
:
(…)
€ 231.695.
Overige constateringen
Bij het opstellen van de rapportage is deze gericht aan Dimple B.V., de partij welke genoemd wordt in de samenwerkingsovereenkomst. Uit diverse mail verkeer is gebleken dat dit eigenlijk Nova Beheer B.V. moest zijn, maar dat de partij die de overeenkomst destijds opstelde dit niet wilde aanpassen. Dit is tevens de reden waarom de management facturen voor de jaren 2015 en 2016 zijn verstuurd vanaf Nova Beheer B.V.
Voor de berekeningen inzake het outbound call center, de secretariële diensten en de opleidingen zijn wij uitgegaan van de voor handen zijnde kolommenbalansen. (…) Wij hebben geen controle kunnen doen op individuele grootboekposten aangezien deze informatie ontbrak. (…)
2.20.
Na een periode van stilte heeft [bedrijf 7] voor Dimple en/of Schieland Vastgoed Beverwijk op 12 april 2024 een e-mail gezonden aan [gedaagde]. In de e-mail heeft [bedrijf 7] verkort weergegeven het volgende geschreven. Dimple en/of Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. maken aanspraak op betaling van een vordering op basis van de bijgevoegde samenwerkingsovereenkomst. Dimple en/of Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. hebben [bedrijf 7] gevraagd te bemiddelen. Omdat [gedaagde] dit heeft afgewezen ziet [bedrijf 7] zich nu genoodzaakt om [gedaagde] in kennis te stellen van de uitkomsten van het onderzoek dat gedaan is. Uit het onderzoek volgt dat over de jaren 2013 tot en met 2021 uit hoofde van groep I en groep III een vordering van € 285.343,00 bestaat, waarbij de jaren na 2021 nog in kaart moeten worden gebracht. Daarnaast moeten [bedrijf 4] en [bedrijf 3] nog afgewikkeld worden en moet gekeken worden naar de vordering van € 10.789,00 die [gedaagde] stelt te hebben op Dimple. [bedrijf 7] nodigt [gedaagde] uit hierover in gesprek te gaan, bij gebreke waarvan de vordering uit handen zal worden gegeven aan een advocaat. Bij de brief was geen overeenkomst gevoegd
2.21.
Op 29 april 2024 heeft [bedrijf 7] aan [gedaagde] meegedeeld dat zij de zaak uit handen zullen geven aan een advocaat, tenzij [gedaagde] binnen vijf dagen laat weten bereid te zijn in overleg te gaan. Op 2 mei 2024 stuurt [bedrijf 7] nogmaals een e-mail aan [gedaagde]. Daarin zegt zij dat de samenwerkingsovereenkomst vrij duidelijk is en dat deze is bijgevoegd. Nadat [gedaagde] erop had gewezen dat de bijlage ontbrak heeft [bedrijf 7] op 2 mei 2024 een afschrift van de bij 2.9 beschreven overeenkomst toegezonden. Daarop heeft de advocaat van [gedaagde] aan [bedrijf 7] gevraagd schriftelijk te laten weten of haar cliënte daadwerkelijk van plan is de bijlage te gebruiken en daarbij aangekondigd dat als dat het geval is [gedaagde] aangifte zal doen tegen de cliënte van [bedrijf 7] en [betrokkene 1]. [bedrijf 7] heeft daarop meegedeeld dat het haar ontging waarom de advocaat van [gedaagde] zou willen adviseren aangifte te doen, omdat de samenwerkingsovereenkomst door beide partijen is ondertekend en voor zich spreekt.
2.22.
Op 8 mei 2024 heeft [gedaagde] aangifte gedaan van valsheid in geschrifte. In die aangifte staat onder meer:
In 2021 werd ik door de heer [betrokkene 1] het pand adres [adres] uit gezet. Ik verhuisde met mijn bedrijf naar (…) [plaats 2]. (…)
De heer [betrokkene 1] en ik hebben al jaren een conflict waarin hij beweerd dat hij de helft van mijn bedrijven wil hebben. Hoe hij hierbij komt is mij een raadsel. (…) Tot op heden beweerd hij een contract te hebben waarin ik dit zou verklaren.
Ik vroeg al jaren aan de heer [betrokkene 1]: “Als je een contract hebt, stuur het mij dan.” Hij antwoordde: “Zoek maar.” (…) Vanaf 2017 weigert de heer [betrokkene 1] dit zogenaamde contract te laten zien. Het is erg vreemd dat de heer [betrokkene 1] plotseling in mei 2024 mij een contract stuurt gedateerd oktober 2013.
Ik zag en las dat dit contract vervalst was. (…) Daaronder zag ik een handtekening staan wat niet van mei is. Dit contract stuurde de heer [betrokkene 1] mij door op 2 mei 2024. Het contract is getekend op datum 15 oktober 2013. Ik weet dat ik alles bewaar. Als ik dit contract getekend had, dan zou ik dit moeten hebben. Daarbij, dit is niet mijn handtekening wat eronder staat. Deze is vervalst.
(…)
2.23.
Vervolgens hebben (de advocaten van) partijen nog met elkaar gecommuniceerd. Dit heeft niet tot een oplossing geleid.
2.24.
Na verleend verlof heeft Dimple in maart 2025 conservatoir derdenbeslag gelegd op de bankrekeningen van [gedaagde] bij de Rabobank. Dimple heeft in dezelfde periode beslag gelegd op het onverdeeld aandeel van [gedaagde] in haar woning.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
Dimple vordert - samengevat – indien mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat partijen gehouden zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen zoals vastgelegd in de overeenkomst van 13 oktober 2013;
II. [gedaagde] te veroordelen om tussentijds (al dan niet bevolen bij tussenvonnis) rekening en verantwoording aan Dimple (en de rechtbank) af te leggen door met een finale afrekening te komen over de jaren 2013 tot en met 2024, welke afrekening deugdelijk moet worden onderbouwd met verifieerbare bescheiden en welke een onderverdeling zal moeten maken van de groepen (I, II en III), zoals weergegeven in de overeenkomst van 13 oktober 2013;
III. [gedaagde] te veroordelen om aan Dimple te betalen de afrekeningsvergoeding die haar conform de afrekening toekomt;
IV. [gedaagde] voorwaardelijk te veroordelen, voor het geval [gedaagde] weigert opvolging te geven aan sub II gevorderde, waarbij met een weigering gelijk moet worden gesteld het onvolledig afleggen van rekening en verantwoording, om € 285.343,00 te betalen te vermeerderen met een aantal posten en betalingen over de jaren erna.
3.2.
Dimple voert het volgende aan. Partijen zijn een schriftelijke samenwerkingsovereenkomst aangegaan. De samenwerking was gericht op het verrichten van secretariële en andersoortige ondersteunende diensten aan bedrijven. De directeur-grootaandeelhouder van Dimple, [betrokkene 1], had daarvoor een geheel nieuw bedrijfsconcept aangedragen. Om de samenwerking een vliegende start te geven werden de bedrijven van [betrokkene 1] direct klant. Omdat de samenwerking goed liep hebben partijen hun samenwerking uitgebreid met verhuur en management van flexibele werkplekken op de locatie [adres] te [plaats 2]. Daarmee kwam de noodzaak om een en ander schriftelijk te formaliseren. De schoonvader van [gedaagde] (de heer [betrokkene 2]) was accountant. Hij heeft meerdere conceptovereenkomsten opgesteld, die vervolgens zijn beoordeeld en besproken. Op 15 oktober 2013 hebben partijen de definitieve versie van de overeenkomst getekend. In de overeenkomst is een verdeelsleutel opgenomen. Dimple heeft op grond van de overeenkomst recht op een aandeel in de winst/omzet van verschillende activiteiten. Eerder zijn partijen door diverse omstandigheden, waaronder ernstige medische problemen van [betrokkene 1], niet aan afrekening toegekomen. Daarbij was er steeds het vertrouwen dat dat later alsnog zou gebeuren. Toen [betrokkene 1] is gaan aandringen om tot een minnelijke (tussentijdse) afrekening te komen, heeft [gedaagde] niet thuis gegeven. [gedaagde] had de administratie om de afrekening concreet te kunnen maken. Van haar mocht worden verwacht dat zij een en ander al die jaren zou bijhouden, zeker omdat overeengekomen was om maandelijks af te rekenen, maar zij ontkende plots de gelding van de overeenkomst. Dimple heeft een groot deel van de administratie kunnen achterhalen. Hij heeft berekend dat Dimple per eind 2021 een aanspraak op [gedaagde] heeft van € 285.343,00. [gedaagde] heeft echter geen gevolg gegeven aan de sommatie dit bedrag te betalen. Ook heeft zij geen opvolging gegeven aan verzoeken om nadere, tot het domein van [gedaagde] behorende, informatie te verstrekken. Daarom vordert Dimple nu nakoming van de verplichtingen die voor [gedaagde] uit de nog steeds doorlopende overeenkomst voortvloeien en om in dat kader tijdens de procedure rekening en verantwoording af te leggen en op basis daarvan tot een voorlopige afrekening te komen. [gedaagde] zal daarbij veroordeeld moeten worden om het bedrag dat uit de afrekening voortvloeit aan Dimple te betalen. Als [gedaagde] iedere medewerking weigert, zal zij veroordeeld moeten worden om het door Dimple berekende bedrag te betalen. Het zou uitermate onredelijk zijn als [gedaagde] over al die jaren geen vergoeding aan Dimple zou hoeven betalen, zelfs als er geen samenwerkingsovereenkomst zou zijn gesloten: [gedaagde] zou dan ongerechtvaardigd zijn verrijkt door de zaken die Dimple jarenlang heeft geregeld, gefinancierd en gefaciliteerd (zoals het verzorgen van huisvesting), aldus nog steeds Dimple.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Dimple, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Dimple in de kosten van deze procedure. [gedaagde] betwist dat zij de door Dimple gestelde overeenkomst heeft gesloten met Dimple en voert – samengevat – het volgende aan. Er is onderhandeld over een schriftelijke overeenkomst, maar tot een definitieve uitwerking is het niet gekomen. [gedaagde] betwist niet dat zij met [betrokkene 1] en diverse aan hem gelieerde besloten vennootschappen heeft samengewerkt, maar niet met Dimple.
Dimple heeft de verplichting de feiten naar waarheid aan te voeren met voeten getreden. [gedaagde] heeft de door Dimple in deze procedure overgelegde overeenkomst niet getekend. [gedaagde] vermoedt dat [betrokkene 1] of zijn vriendin de handtekening heeft geplaatst. Vanwege deze gemotiveerde betwisting is het aan Dimple om te bewijzen dat de handtekening van [gedaagde] is. [betrokkene 1] heeft aangegeven erop uit te zijn om [gedaagde] kapot te maken en heeft de overeenkomst niet eerder dan 2 mei 2024 laten zien, terwijl de advocaat van [gedaagde] al met een brief van 14 januari 2021 aan Dimple heeft aangegeven dat er geen contractuele relatie tussen [gedaagde] en Dimple bestond.
In dezelfde brief heeft de advocaat uiteengezet dat over de in de overeenkomst opgenomen groepen I en II mondelinge afspraken met Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. zijn gemaakt die ook steeds zijn nagekomen. [gedaagde] heeft die betalingen maandelijks – nota bene via automatische incasso’s – voldaan. Voor groep III geldt ook dat er geen contractuele afspraken met Dimple zijn die maken dat [gedaagde] enige vergoeding verschuldigd is of was. Dimple maakt poetsdoeken en [gedaagde] heeft geen bedrijf dat daarbij aansluit. Dimple lijkt zelf van mening dat [gedaagde] voor groep III afspraken heeft gemaakt met Nova Beheer B.V. Dat is ook de partij die de facturen heeft gestuurd. De afspraken met Nova Beheer zijn in 2021 geëindigd doordat [betrokkene 1] meedeelde geen zaken meer te willen doen met [gedaagde]. Omdat er geen overeenkomst is met Dimple en Dimple geen partij is bij de afspraken met Nova Beheer B.V., is er geen rechtsgrond die maakt dat [gedaagde] rekening en verantwoording aan Dimple zou moeten afleggen, aldus nog steeds [gedaagde].
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert in reconventie voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Dimple te veroordelen om € 17.475,66 aan [gedaagde] te betalen, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 18 april 2025;
II. alle door Dimple gelegde conservatoire beslagen op te heffen, met veroordeling van Dimple in de kosten en de schade die [gedaagde] heeft geleden en zal lijden als gevolg van de beslagen;
III. Dimple te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de rente.
Daarbij specificeert [gedaagde] het bedrag van € 17.475,66 in vordering I als volgt:
Openstaande facturen € 10.789,58
Wettelijke handelsrente tot en met 18 april 2025 € 5.803,18
Incassokosten € 882,90
Totaal € 17.465,66
3.6.
[gedaagde] voert het volgende aan. [gedaagde] heeft diverse diensten verricht voor Dimple. Daarvoor heeft zij facturen gestuurd. Dimple heeft deze facturen behouden en – op twee facturen in 2018 na – ook steeds altijd betaald. De facturen over de periode van januari 2020 tot met november 2021 heeft Dimple niet betaald. Deze facturen tellen op tot € 10.789,58 inclusief btw. De over dat bedrag verschuldigde rente bedraagt € 5.803,18 en de advocaat van [gedaagde] heeft per brief bij Dimple aanspraak gemaakt op betaling van de facturen en € 882,90 aan incassokosten.
Omdat alle vorderingen van Dimple voor afwijzing gereed liggen en de door Dimple ingestelde vorderingen ondeugdelijk zijn, vordert [gedaagde] opheffing van de door Dimple gelegde beslagen. Dimple maakt misbruik van recht. [betrokkene 1] heeft gezegd dat hij erop uit is om [gedaagde] financieel uit te kleden en Dimple heeft documenten en e-mails samengevoegd om maar tot een verhaal te komen. Bij afwijzing van de vordering van Dimple heeft zij geen enkel rechtens te respecteren belang bij het niet opheffen van de beslagen. [gedaagde] heeft daarentegen alle belang bij opheffing van de beslagen. Zij kan sinds de beslaglegging niet meer over haar banktegoeden beschikken waardoor zij alleen via noodgrepen haar onkosten kan betalen.
3.7.
Dimple voert verweer tegen de tegenvordering. Zij betwist de juistheid van de facturen niet (meer), maar doet een beroep op verrekening met haar vorderingen op [gedaagde]. Daarbij komt dat [gedaagde] in schuldeisersverzuim is geraakt doordat zij de vorderingen van Dimple niet betaalt. Ook doet Dimple een beroep op verjaring en rechtsverwerking. Doordat [gedaagde] de facturen niet eerder aan de orde heeft gesteld, mocht Dimple erop vertrouwen dat deze niet betaald hoefden te worden, dan wel dat [gedaagde] afstand van haar aanspraken op betaling had gedaan. De enorme post aan rente tijdens de periode van stilzitten, maakt dat in ieder geval een sterke matiging moet worden toegepast. Incassokosten zijn niet gemaakt. Dimple houdt vast aan haar vorderingen. Opheffing van beslagen is dan ook niet aan de orde, aldus nog steeds Dimple.

4.De beoordeling

In conventie
Inleidend
4.1.
Dimple vordert allereerst voor recht te verklaren dat [gedaagde] gehouden is uitvoering te geven aan overeenkomst zoals vastgelegd in het door hem overgelegde document met de datum 15 oktober 2013. Ook aan de vorderingen van Dimple onder II., III. en IV. ligt ten grondslag dat tussen Dimple en [gedaagde] een overeenkomst bestaat die Dimple aanspraken geeft op (betaling door) [gedaagde]. De rechtbank zal daarom hieronder ingaan op de vraag of tussen partijen zo’n overeenkomst bestaat.
Het document met datum 13 oktober 2013 levert geen dwingend bewijs
4.2.
De stelplicht en bewijslast van het bestaan van de overeenkomst ligt op grond van de hoofdregel [1] bij Dimple. Dimple overlegt een overeenkomst waarin (onder meer) een wijze van afrekenen is opgenomen voor drie groepen van werkzaamheden. [gedaagde] betwist de door Dimple gestelde afspraken en zegt dat zij de overgelegde overeenkomst voor 2024 nooit gezien heeft, laat staan getekend. Zij zegt dat de handtekening onder de overeenkomst niet van haar is.
4.3.
Een onderhandse akte levert ten aanzien van de verklaring van een partij over hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen (in beginsel) dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring. [2] Artikel 159 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) voegt daar echter aan toe dat een onderhandse akte waarvan de ondertekening door de partij, tegen welke zij dwingend bewijs zou leveren, stellig wordt ontkend, geen bewijs oplevert, zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. Daarbij kan degene tegen wie de akte wordt ingeroepen volstaan met de verklaring dat men de echtheid van de ondertekening niet erkent.
4.4.
[gedaagde] ontkent stellig dat zij de door Dimple overgelegde overeenkomst heeft getekend. Bij de mondelinge behandeling heeft Dimple naar voren gebracht dat [gedaagde] een rapport van een handtekeningdeskundige had kunnen overleggen als zij zo zeker is dat de handtekening op het document niet van haar is. Daarmee gaat Dimple er echter aan voorbij dat het aan haar is om de echtheid van de handtekening te bewijzen.
4.5.
Hoewel de bewijslast dus bij Dimple ligt, zal de rechtbank haar niet in de gelegenheid stellen om dit bewijs te leveren. Ook als Dimple slaagt in het bewijs dat [gedaagde] de overeenkomst van 2013 heeft getekend, kan Dimple namelijk geen aanspraken meer doen gelden tegen [gedaagde]. De rechtbank zal dat hierna toelichten.
Groep I en II: uitleg van de overeenkomst
4.6.
[gedaagde] betwist niet dat er afgerekend moest worden over de werkzaamheden die als Groep I en Groep II worden aangeduid. Zij zegt dat er over Groep I en Groep II afspraken waren met Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. en dat die afspraken ook zijn nagekomen, nota bene via automatische incasso’s. Daarbij heeft [gedaagde] meer dan 20 facturen overgelegd van Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. voor (onder meer) de maandhuur van flexplekken. Op die facturen verschilt het bedrag voor de flexplekken per maand. Zo is de maandhuur voor flexplekken over januari 2015 € 1.673,05 exclusief btw en die over april of mei 2015 € 1.907,12 exclusief btw. Voor de maand december 2015 is de huur voor flexplekken € 1.725,43 exclusief btw.
4.7.
Dimple zegt dat Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. met de door [gedaagde] overgelegde facturen alleen de vaste huur in rekening heeft gebracht, maar heeft de verschillen per maand niet kunnen uitleggen. Bij de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] toegelicht dat die verschillen volgen uit de afspraak om een deel van de omzet (met Schieland Vastgoed Beverwijk B.V.) te delen. Zij zegt dat afgesproken was dat zij (een deel van) de benedenverdieping van het pand aan de [adres] zelf gebruikte en daarvoor een vaste huur betaalde van € 825,00 per maand. Voor het gebruik van de flexplekken betaalde zij ook een vast bedrag, maar als er meer flexplekken “verkocht” werden dan voor € 825,00 dan werd die meer opbrengst bij helfte verdeeld. Die door [gedaagde] gestelde afspraak ligt (grotendeels) in lijn met de door [gedaagde] overgelegde facturen van Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. Deze wijze van afrekening ligt ook in lijn met de door Dimple gestelde afspraak voor Groep I dat de meeropbrengst van verhuur flexplekken en kleine kantoorruimten bij helfte zou worden verdeeld.
4.8.
Feit is dat Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. steeds wisselende bedragen bij [gedaagde] in rekening heeft gebracht. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. niet alleen het vaste bedrag voor het gebruik van de flexplekken en kleine kantoorruimten aan [gedaagde] in rekening heeft gebracht, maar ook een deel van de meeromzet.
4.9.
Dat heeft ook gevolgen voor de uitleg van de overeenkomst die [gedaagde] hierover is aangegaan. De beantwoording van de vraag wie partij is bij een overeenkomst, hangt af van hetgeen de betrokken partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Daarbij is niet uitgesloten dat op enig moment na het sluiten van de overeenkomst een ander dan een van de oorspronkelijke contractspartijen in plaats van die oorspronkelijke contractspartij dient te worden aangemerkt als contractspartij. De beantwoording van de vraag of op enig moment na het aangaan van de overeenkomst sprake is van een wijziging van een van de contractspartijen als hiervoor bedoeld, hangt eveneens af van hetgeen de betrokken partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijze mochten afleiden. [3]
4.10.
Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank als volgt. Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. is – net als Dimple – een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan [betrokkene 1] (middellijk) bestuurder en enig-aandeelhouder is. Nadat afspraken zijn gemaakt over een gebruiksvergoeding en winstdeling heeft niet Dimple maar Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. jarenlang de gebruiksvergoeding en winstdeling bij [gedaagde] in rekening gebracht. Dimple heeft niet (voldoende) betwist dat [gedaagde] de facturen van Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. steeds heeft betaald. Daarbij hebben Dimple en [betrokkene 1] nooit aangegeven dat [gedaagde] aan de verkeerde partij betaalde. Onder die omstandigheden mocht [gedaagde] erop vertrouwen dat niet Dimple maar Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. haar contractspartij was voor de afrekening van Groep I.
4.11.
De afrekening voor groep II (gebruik van de trainingsruimte) staat ook op de door [gedaagde] overgelegde – en de door [gedaagde] betaalde – facturen van Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. Daarbij komt dat Dimple ook voor groep II een beroep doet op de door haar overgelegde overeenkomst die partijen volgens haar op 15 maart 2013 hebben getekend. In die overeenkomst staat dat [gedaagde] de betalingen voor groep II aan Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. zal doen. Al om die reden heeft Dimple onvoldoende onderbouwd dat zij voor groep II aanspraken heeft op [gedaagde].
4.12.
Bij de mondelinge behandeling heeft Dimple nog gezegd dat dit geen verschil zou moeten maken omdat Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. een onderdeel is van Dimple. De rechtbank volgt Dimple daarin niet. Nog los van het feit dat Dimple de door [gedaagde] gestelde (automatische) betalingen van de facturen niet heeft betwist, zijn Dimple en Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. twee verschillende rechtspersonen met elk hun eigen rechten en verplichtingen. Ook als zou komen vast te staan dat [gedaagde] nog betalingen moet doen aan Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. kan Dimple – zonder nadere acties – [gedaagde] niet aanspreken tot betaling aan Dimple.
4.13.
Omdat Dimple voor de groepen I en II onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde] op grond van een overeenkomst gehouden is betalingen aan Dimple te doen komen de vorderingen van Dimple voor zover die zien op de groepen I en II niet voor toewijzing in aanmerking.
Groep III: Afspraken outbound callcenter
4.14.
[gedaagde] betwist niet dat er afspraken zijn gemaakt over verdeling van winst uit de dienstverlening van outbound callcenter, secretariële diensten en opleiding (groep III). Zij zegt echter dat Nova Beheer B.V. hiervoor haar wederpartij was. Dimple zegt dat dat niet klopt. Er is weliswaar overeengekomen dat Nova Beheer B.V. facturen voor de winstverdeling van groep III stuurde, maar dat was alleen omdat het de bedoeling was dat Nova Beheer B.V. medeaandeelhouder zou worden in een nieuw op te richten B.V.
4.15.
De rechtbank volgt Dimple daarin niet. Dimple heeft als productie 11 een overzicht “Afrekening samenwerking per maand outbound” overgelegd dat [gedaagde] op 14 januari 2016 aan [betrokkene 1] heeft gezonden. In dit overzicht staat dat [gedaagde] ([bedrijf 6]) voor de omzet outbound en trainingen over de jaren 2013 tot en met 2015 in totaal € 21.754,03 moet betalen (50% van het resultaat over die periode). In het rapport van Triple One Accountancy van 14 juni 2023 staat dat voor groep III voor de jaren 2015 en 2016 voorschotnota’s zijn gestuurd door Nova Beheer B.V. van ieder € 20.000,00 exclusief omzetbelasting, welke facturen niet zijn voldaan. Dimple betwist niet dat Nova Beheer B.V. deze facturen heeft gezonden.
Hij zegt dat daartoe besloten is omdat het de bedoeling was dat Nova Beheer B.V. aandeelhouder zou worden in de onderneming van [gedaagde]. Hij overlegt daarbij een mailwisseling tussen een jurist van Ligo B.V. Uit die mailwisseling komt echter niet naar voren dat Nova Beheer B.V. aandeelhouder zou worden. De mail van de jurist van Ligo bevat enkel algemene inleidende informatie over het omzetten van een eenmanszaak in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.
Daarbij komt dat Triple One Accountancy in haar rapport aangeeft dat uit divers mailverkeer is gebleken dat de partij bij de overeenkomst eigenlijk Nova Beheer moest zijn en dat dat de reden is dat de facturen voor 2015 en 2016 zijn verstuurd door Nova Beheer B.V. Bij die stand van zaken heeft Dimple onvoldoende onderbouwd dat zij – en niet Nova Beheer B.V. – aanspraak kan maken op betalingen voor groep III. Daarbij geldt dat Dimple en Nova Beheer B.V. twee verschillende rechtspersonen zijn met hun eigen rechten zodat Dimple niet – zonder nadere actie – aanspraak kan maken op nakoming van verplichtingen die [gedaagde] tegenover Nova Beheer B.V. mocht hebben.
Tussenconclusie
4.16.
Daarmee heeft Dimple niet voldoende onderbouwd dat zij enige vordering uit overeenkomst op [gedaagde] heeft. Bij die stand van zaken past het ook niet om [gedaagde] te veroordelen om rekening en verantwoording af te leggen aan Dimple.
4.17.
Dimple zegt ook dat [gedaagde] een onrechtmatige daad pleegt door geen rekening en verantwoording te verstrekken. Omdat Dimple onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde] tegenover Dimple verplichtingen uit een samenwerkingsovereenkomst heeft, handelt [gedaagde] echter niet onrechtmatig jegens Dimple door geen rekening en verantwoording te verstrekken.
4.18.
Dimple voert aan dat [gedaagde] ongerechtvaardigd verrijkt zal zijn als de rechtbank oordeelt dat Dimple en [gedaagde] geen samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten. [gedaagde] is volgens hem dan ongerechtvaardigd verrijkt door de zaken die Dimple jarenlang heeft geregeld, gefinancierd en gefaciliteerd zoals het verzorgen van huisvesting. Dimple heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit voortvloeit dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van Dimple. Hiervoor is al besproken dat [gedaagde] voor de groepen I en II heeft betaald aan Schieland Vastgoed Beverwijk B.V. Voor de groep III heeft [gedaagde] de door Nova Beheer B.V. gezonden facturen mogelijk niet betaald, maar onduidelijk is op welke wijze Dimple daardoor verarmd is. Daarbij overweegt de rechtbank dat Dimple middellijk “onder” Nova Beheer B.V. hangt zodat niet duidelijk is dat Dimple is verarmd door het uitblijven van betaling van de facturen van Nova Beheer B.V.
4.19.
De rechtbank zal de vorderingen van Dimple daarom afwijzen.
Proceskosten
4.20.
Dimple is in de zaak in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.641,00
In reconventie
4.21.
[gedaagde] vordert betaling van facturen. Dimple betwistte eerder de juistheid van de facturen en gaf aan dat zij deze niet kon beoordelen omdat [gedaagde] de facturen niet had overgelegd. Daarna heeft [gedaagde] de facturen alsnog overgelegd met een overzicht van openstaande posten. Dimple heeft niet aangegeven waarom de facturen onjuist zijn en bij de mondelinge behandeling bevestigt dat de facturen juist zijn en nog niet zijn betaald.
4.22.
Dimple doet echter een beroep op verrekening. Zij wil het bedrag van de facturen van € 10.789,58 verrekenen met haar in conventie gestelde vorderingen. Hiervoor is al geoordeeld dat die vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking komen. Daarmee kan [gedaagde] in beginsel aanspraak maken op de som van de gefactureerde bedragen. Van schuldeisersverzuim van de kant van [gedaagde] is dan ook geen sprake.
4.23.
Dimple zegt dat de vorderingen uit de facturen verjaard zijn. Zij voert aan dat [gedaagde] nooit eerder met deze vordering is gekomen. Daardoor heeft [gedaagde] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij geen vordering had of daarvan afstand had gedaan. [gedaagde] zegt dat verjaring niet aan de orde kan zijn omdat het gaat om facturen uit 2018 en later en haar advocaat de verjaring met een brief van 14 januari 2022 heeft gestuit.
4.24.
Het beroep op verjaring slaagt niet. Een vordering tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. [4] De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. [5] Door stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen die gelijk is aan de oorspronkelijke, maar niet langer dan vijf jaar. [6] Hier heeft de advocaat van [gedaagde] Dimple in zijn brief van 14 januari 2022 gesommeerd om het bedrag van € 10.789,58 binnen vijf dagen te voldoen. Dit is een schriftelijke aanmaning zoals hiervoor bedoeld. Deze is gedaan binnen vijf jaar nadat de facturen zijn uitgebracht. Met de schriftelijke sommatie is in januari 2022 een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen.
4.25.
Dimple doet ook een beroep op afstand van recht of rechtsverwerking en zegt dat [gedaagde] deze vordering niet eerder aan de orde heeft gesteld. Dit beroep slaagt niet. Dimple heeft niet aangegeven wanneer en hoe [gedaagde] afstand van haar recht op nakoming heeft gedaan. Stilzitten alleen is niet genoeg om tot dat oordeel te komen. Rechtsverwerking veronderstelt een houding of gedraging (handelen of nalaten) van een contractspartij, die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het nadien inroepen van een recht uit de overeenkomst. Op grond van de hoofdregel draagt Dimple de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit dit kan worden afgeleid. Dimple heeft daarvoor onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Het feit dat [gedaagde] lang heeft gewacht met de incasso is daarvoor – ook gelet op de discussie tussen partijen in de voorbije jaren – niet voldoende. Daarbij komt dat de stelling van Dimple dat [gedaagde] deze vordering niet eerder aan de orde heeft gesteld niet juist is. De advocaat van [gedaagde] heeft Dimple in 2022 uitdrukkelijk tot betaling aangesproken. Na een dergelijke uitdrukkelijke sommatie zal, zonder nadere ontwikkelingen, niet snel sprake zijn van een gerechtvaardigd vertrouwen dat een recht niet bestaat of niet zal worden uitgeoefend.
4.26.
De rechtbank zal Dimple veroordelen om € 10.789,58 aan [gedaagde] te betalen.
Wettelijke rente
4.27.
[gedaagde] vordert daarbij Dimple te veroordelen om over de periode tot 18 april 2025 € 5.803,18 aan wettelijke handelsrente te betalen. Dimple voert aan dat [gedaagde] zo lang stil is blijven zitten dat de wettelijke rente inmiddels meer dan de helft van de hoofdsom is. Dat is uiterst onredelijke en moet tot een sterke matiging van deze post leiden, aldus Dimple.
4.28.
De rechtbank oordeelt anders. De algemene regel van artikel 6:109 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) over de matiging van een eventuele schadevergoeding is ook op de wettelijke rente van toepassing. Omdat de wettelijke rente nu juist tot doel heeft de hoogte van de vertragingsschade bij een tekortkoming in de nakoming van een verplichting tot betaling van een geldsom te fixeren, moet de rechter terughoudend gebruik maken van zijn matigingsbevoegdheid. [7]
4.29.
Artikel 6:109 lid 1 BW Pro bepaalt dat de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding kan matigen als toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Dimple heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat toekenning van de wettelijke rente als gevorderd tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Anders dan dat de wettelijke handelsrente inmiddels meer dan de helft van de hoofdsom bedraagt heeft hij niets aangevoerd. Dat alleen is niet voldoende voor het oordeel dat toekenning van de volledige wettelijke rente tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zal leiden. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat [gedaagde] Dimple in 2022 tot betaling van de hoofdsom heeft gemaand en daarbij heeft aangezegd dat Dimple wettelijke handelsrente verschuldigd is, maar Dimple geen gevolg heeft gegeven aan die sommatie.
4.30.
De rechtbank zal Dimple dan ook veroordelen om de wettelijke handelsrente als door [gedaagde] gevorderd te betalen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.31.
[gedaagde] vordert Dimple ook te veroordelen om € 882,90 aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen. Dimple vindt dat deze vordering moet worden afgewezen en voert aan dat de gestelde kosten nooit zijn gemaakt.
4.32.
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit BIK). [gedaagde] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht (zij verwijst naar de brief van de advocaat van 14 januari 2022). [gedaagde] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het door [gedaagde] gevorderde bedrag komt overeen met het Besluit BIK en zal daarom worden toegewezen.
Opheffing beslag
4.33.
[gedaagde] vordert Dimple ook te veroordelen alle door haar gelegde conservatoire beslagen op te heffen met veroordeling van Dimple in de schade die [gedaagde] als gevolg van de beslagen heeft geleden en zal lijden.
4.34.
Opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen als summierlijk blijkt van het door de beslaglegger in geroepen recht. De afwijzing van de vorderingen in conventie waarvoor de beslagen zijn gelegd, rechtvaardigt niet zonder meer het oordeel dat deze vorderingen ondeugdelijk zijn, nu tegen dit vonnis nog hoger beroep openstaat. In zo’n situatie moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen.
4.35.
[gedaagde] zegt dat zij een zwaarwegend belang heeft bij opheffing van de beslagen. Zij voert aan dat zij door het beslag niet vrijelijk kan beschikken over haar banktegoeden waardoor zij enkel via noodgrepen haar onkosten kan betalen. Dimple heeft zich niet uitgelaten over zijn belang. Zij heeft slechts gezegd dat zij vasthoudt aan haar vorderingen en dat daaruit volgt dat de beslagen legitiem zijn geweest en dat opheffing van de beslagen niet aan de orde kan zijn.
4.36.
Bij de mondelinge behandeling heeft Dimple toegezegd nog dezelfde dag het beslag van de bankrekening op te heffen. Daarmee gaat de rechtbank ervan uit dat het belang van [gedaagde] bij opheffing het belang van Dimple bij handhaving van het beslag overstijgt. Omdat de rechtbank niet bekend is of het beslag inderdaad is opgeheven zal zij de vordering tot opheffing van het beslag op de bankrekening toewijzen.
4.37.
[gedaagde] heeft haar belang bij opheffing van het beslag op het onverdeelde aandeel in de woning niet toegelicht. Daarmee valt haar belang bij de belangenafweging niet zwaarder uit dan dat van Dimple. Dat sprake is van misbruik van recht en dat daarom het beslag moet worden opgeheven, heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Een afgelegde verklaring door een derde dat [betrokkene 1] heeft gezegd erop uit te zijn [gedaagde] financieel uit te kleden is voor die conclusie onvoldoende. Daarbij staat niet vast dat Dimple (of [betrokkene 1]) de overeenkomst heeft vervalst, onverminderd het feit dat in deze procedure niet van de inhoud van deze overeenkomst uitgegaan kan worden. De vordering van [gedaagde] om Dimple te veroordelen het beslag op het onverdeelde aandeel in de woning op te heffen wordt daarom afgewezen.
4.38.
[gedaagde] vordert daarnaast Dimple te veroordelen in de kosten van het beslag en de schade die [gedaagde] door de gelegde beslagen lijdt. De rechtbank zal deze vorderingen afwijzen. [gedaagde] heeft niet onderbouwd dat zij schade heeft geleden door de gelegde beslagen. Niet eerder dan bij de mondelinge behandeling heeft zij aangegeven dat zij een lening heeft moeten nemen om nieuwe kozijnen te kunnen betalen. Zij heeft daarbij nagelaten het causale verband met het gelegde beslag te onderbouwen en de geleden schade nader te duiden. De rechtbank zal de gevorderde schadevergoeding daarom afwijzen.
Proceskosten
4.39.
Dimple is in de zaak in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.454,00

5.De beslissing

De rechtbank
In conventie:
5.1.
wijst de vorderingen van Dimple af,
5.2.
veroordeelt Dimple in de proceskosten van € 8.641,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
In reconventie:
5.3.
veroordeelt Dimple aan [gedaagde] € 10.789,58 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW – welke rente over de periode tot en met 18 april 2025 € 5.803,18 bedraagt – tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt Dimple aan [gedaagde] € 882,90 aan buitengerechtelijke kosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 23 april 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt Dimple in de proceskosten van € 1.454,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe.
5.6.
veroordeelt Dimple in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.7.
heft het beslag dat Dimple op de bankrekeningen van [gedaagde] bij de Rabobank heeft gelegd op (voor zover Dimple dat nog niet heeft gedaan),
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
In conventie en in reconventie:
5.9.
als Dimple niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dimple € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.10.
verklaart de veroordelingen uit dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op
3 juni 2026.

Voetnoten

1.van artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
2.artikel 157 lid 2 Rv Pro
3.Zie Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034
4.Artikel 3:307 BW Pro
5.Artikel 3:317 BW Pro
6.Artikel 3:319 BW Pro
7.Zie Hoge Raad 2 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0382