Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6298

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
HAA 26/236
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens ontbreken belanghebbende bij handhavingsbesluit omgevingsrecht

De Stichting Natuurbeschermingswacht heeft het college van burgemeester en wethouders van Drechterland verzocht handhavend op te treden tegen [derde-partij] vanwege vermeende strijdigheden met het bestemmingsplan en de Omgevingsverordening NH2022. Het college wees het verzoek deels af en verklaarde het bezwaar van de stichting ontvankelijk. De stichting stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank oordeelt dat de stichting niet als belanghebbende kan worden aangemerkt omdat zij geen feitelijke werkzaamheden heeft verricht die rechtstreeks verband houden met het bestreden besluit. Het enkel indienen van een handhavingsverzoek en bezwaar is onvoldoende om als feitelijke werkzaamheden te gelden. De statutaire doelstelling van de stichting richt zich op natuurbescherming, maar de activiteiten van [derde-partij] betreffen aannemingswerkzaamheden die niet duidelijk een natuurbelang raken.

Daarom is het bezwaar van de stichting ten onrechte ontvankelijk verklaard en wordt het bestreden besluit vernietigd voor zover het bezwaar ontvankelijk werd verklaard. Het bezwaar wordt alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep wordt gegrond verklaard en het griffierecht wordt aan de stichting vergoed. De rechtbank beoordeelt het beroep inhoudelijk niet.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard omdat de stichting geen belanghebbende is, waardoor haar bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/236

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

de stichting
Stichting Natuurbeschermingswacht, uit Meppel (Drenthe), eiseres, hierna de stichting
gemachtigde: [gemachtigde] uit [plaats 1] (Noord-Holland),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drechterland

verweerder,
gemachtigde: mr. W. van Houten, ambtenaar ten stadhuize.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de besloten vennootschap
[derde-partij] B.V.uit [plaats 1] , hierna: [derde-partij] .
gemachtigde: mr. M.S.F. Loor, advocaat te Zaandam.

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak gaat over een verzoek om handhaving van de stichting. De stichting heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen [derde-partij] . Het college is gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het verzoek. In beroep zijn uit het handhavingsverzoek nog van belang de stelling van de stichting dat het gebruik door [derde-partij] van de percelen [adres] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] (de percelen) in [plaats 2] voor haar bedrijf in strijd zou zijn met het omgevingsplan Drechterland, waarvan het (oude) bestemmingsplan Drechterland Zuid onderdeel uitmaakt, (dat deel van het omgevingsplan hierna kortweg aangeduid als: het bestemmingsplan) en de stelling dat [derde-partij] in strijd handelt met voorschriften uit de Omgevingsverordening NH2022 over stiltegebieden.
1.2
Mede naar aanleiding van het verzoek van de stichting heeft het college handhavingsbesluiten genomen voor zover sprake is van strijdig gebruik door het plaatsen van zaken, bouwsels en teelt in strijd met de bestemming ‘Natuur’.
1.3
Het college heeft besloten niet handhavend op te treden tegen de bedrijfsvoering en gesteld overtreden van de provinciale stiltegebiedbepalingen en de daarop betrekking hebbende twee verzoeken afgewezen.
1.4
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college heeft miskend dat de stichting niet is aan te merken als belanghebbende bij de (nog in geschil zijnde) handhavingsverzoeken, zodat de stichting geen rechtsmiddelen kon instellen
.De rechtbank beoordeelt het beroep daarom niet inhoudelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1
De stichting heeft op 21 december 2024 het college verzocht handhavend op te treden. In deze zaak zijn (alleen) nog van belang de stelling in het verzoek dat de bedrijfsactiviteiten van [derde-partij] op de percelen strijdig zouden zijn met het bestemmingsplan en de Omgevingsverordening NH2022. Het college heeft het verzoek met het besluit van 19 juni 2025 (het primaire besluit) in zoverre afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 december 2025 op het bezwaar van de stichting is het college bij die (gedeeltelijke) afwijzing van het verzoek gebleven.
2.2
De stichting heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [derde-partij] heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3
Bij besluit van 19 maart 2026 heeft het college het bestreden besluit gewijzigd en de opgelegde last deels gewijzigd en deels ingetrokken.
2.4
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de stichting, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 1] , de (indirect) bestuurders van [derde-partij] [naam 2] en [naam 3] en de gemachtigde van [derde-partij] , vergezeld door [naam 4] .
2.5
Ter zitting heeft de rechtbank de gemachtigde van de stichting de gelegenheid gegeven om binnen één week na afloop van de zitting alsnog een toereikende machtiging van de stichting over te leggen. Op 7 april 2026 heeft de rechtbank alsnog een door het voltallige bestuur ondertekende, toereikende machtiging overgelegd. Aan de door [derde-partij] nog op 7 mei 2026 ingezonden brief, waarin zij stelt, dat geen machtiging zou zijn overgelegd, gaat de rechtbank daarom voorbij.

Beoordeling door de rechtbank

3.1
[derde-partij] heeft ten verwere aangevoerd dat de stichting geen belanghebbende is en daarom niet in rechte kan opkomen. De rechtbank beoordeelt (ook) ambtshalve of de stichting is aan te merken als belanghebbende. Alleen belanghebbenden kunnen namelijk opkomen tegen een besluit.
3.2
De rechtbank komt tot het oordeel dat de stichting niet is aan te merken als belanghebbende bij het primaire besluit, zodat zij daartegen geen rechtsmiddel kon instellen. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.3
Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Op grond van het derde lid van dat artikel worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
Op grond van artikel 1:3, eerste en derde lid, Awb is een besluit een beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling en een aanvraag een verzoek van een
belanghebbende, een besluit te nemen.
Op grond van de artikelen 8:1 en 7:1 Awb kan alleen een belanghebbende bezwaar maken tegen een besluit.
Volgens het bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming “agrarisch loonbedrijf”.
3.4
Niet gesteld of gebleken is, dat de stichting een eigen belang heeft bij het besluit, zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb. Zij is bijvoorbeeld geen “buurvrouw” van [derde-partij] .
3.5
Voor de beantwoording van de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is, zo volgt uit artikel 1:2, eerste en derde lid, Awb, is daarnaast bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. Met artikel 1:2, derde lid, Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II 1988/1989, 21 221, nr. 3, p. 32-35) veilig willen stellen dat organisaties als belanghebbende kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij het besluit rechtstreeks is betrokken [1] .
3.6
Uit het feit dat de stichting een verzoek om handhaving heeft ingediend, volgt, gelet op artikel 1:3 Awb Pro, nog niet dat zij belanghebbende is bij het besluit over handhaving dat daarna volgde, omdat alleen een reactie op een verzoek van een belanghebbende een (voor haar appellabel) besluit kan opleveren.
3.7
Om te kunnen bepalen of het belang van de stichting rechtstreeks is betrokken bij het besluit is dus, naast haar statutaire doel, van belang is of zij feitelijke werkzaamheden verricht met het oog op de behartiging van haar doelstelling. Alleen feitelijke werkzaamheden die zijn verricht in de periode voorafgaand aan het indienen van het verzoek- of bezwaarschrift dat in rechte wordt bestreden, kunnen daarvoor in aanmerking worden genomen. Verder geldt dat het enkel in rechte opkomen tegen besluiten als regel niet kan worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, Awb. Dat geldt ook voor werkzaamheden die daarmee verband houden, zoals het indienen van zienswijzen over ontwerpbesluiten, het verzoeken om een besluit te nemen, het vergaren van informatie ten behoeve van bestuursrechtelijke procedures en het via de website informeren van derden over aanhangige of afgeronde procedures. Een andere uitleg zou betekenen dat voor de ontvankelijkheid van bezwaar of beroep van een rechtspersoon, zoals in een geval als hier aan de orde, voldoende zou zijn dat zij uitsluitend dergelijke rechtsmiddelen wil aanwenden en feitelijk alleen aanwendt. De uitleg van de criteria van artikel 1:2, derde lid, Awb zou er dan op neerkomen dat het beroepsrecht in feite voor elke rechtspersoon zou openstaan (een zogenaamde actio popularis). Dat is echter juist niet de bedoeling van de beroepsmogelijkheid voor belanghebbende rechtspersonen [2] .
3.8
De statuten van de stichting zijn in 2023 gewijzigd. Daarvoor was de stichting - zo volgde ook uit de statuten - alleen in Meppel en omgeving actief. Met de statutenwijziging heeft de stichting haar werkveld uitgebreid tot “Europa en in het bijzonder Nederland”.
3.9
De stichting heeft gelet op artikel 3, eerste lid, van haar statuten als doel:
een wezenlijke bedrage te leveren aan het beschermen, duurzaam herstellen en verbeteren van de kwaliteit van de natuur, het milieu, het klimaat en de leefomgeving, waaronder in ieder geval te verstaan het dienaangaande:
- bevorderen van de naleving van bestaande wet- en regelgeving in Europa, in het bijzonder in Nederland;
- bewaken en verhogen van de kwaliteit van nieuwe regelingen, maatregelen en beleid in Nederland en Europa alsook het bevorderen van een tijdige en juiste-implementatie van Unierecht;
- bevorderen van transparantie en het verbeteren van de toegang tot informatie en informatieverstrekking bij en door overheden en andere organisaties;
- bevorderen van de biodiversiteit in Europa, in het bijzonder in Nederland;
- verhogen van het algemene kennisniveau en het publieke bewustzijn,
en voorts al hetgeen in de ruimste zin met één en ander verband houdt, daartoe behoort en/of daartoe bevorderlijk kan zijn.
De stichting tracht volgens het tweede lid haar doel onder meer te bereiken door:
- het ontplooien van feitelijke activiteiten ter bescherming van plant- en diersoorten;
- het organiseren van lezingen, voorlichtingsbijeenkomsten en andere educatieve-activiteiten;het publiceren van bestaande informatie en eigen artikelen alsook het verlenen van medewerking aan de publicaties van anderen;
- het verwerven en beheren van fondsen en het verlenen van bijdragen hieruit aan algemeen nut beogende instellingen welke een bijdrage leveren aan de doelstelling van de stichting;
- beleidsmakers gevraagd en ongevraagd te adviseren en deel te nemen aan formele inspraakprocedures en participatietrajecten;
- formeel en informeel te verzoeken tot openbaarmaking van informatie bij overheden en andere organisaties; het voeren van juridische procedures;
- het organiseren van andere activiteiten die het voorgaande ondersteunen.
3.1
Blijkens de statuten komt de stichting – kort gezegd – op voor natuurbelangen. Niet evident is tegen die achtergrond, dat het handhavingsverzoek, voor zover dat ziet op haar stelling dat de bedrijfsactiviteiten van [derde-partij] die volgens de stichting bestaan uit aanneemwerkzaamheden niet zouden passen in de ter plaatse geldende bestemming in het bestemmingsplan, nu niet duidelijk is dat daarbij een natuurbelang in het geding is. Het naleven van regels uit een bestemmingsplan ziet niet zonder meer op handhaving van natuurbelangen. Voor zover het gaat om de vraag of een aannemingsbedrijf (in grondwerken) past in de bestemming loonwerkbedrijf, valt niet in te zien dat daarmee (evident) een natuurbelang is gediend. Het belang waar de stichting in onderhavige zaak voor opkomt, voor zover dat ziet op het stiltegebied past in beginsel wel in haar statutaire doelstelling. De activiteiten van [derde-partij] kunnen immers invloed hebben op het naastgelegen provinciale stiltegebied die daarmee een natuurbestemming heeft en/of onderdeel is van Natuurnetwerk Nederland.
3.11
De feitelijke werkzaamheden van de stichting sluiten echter niet aan bij de belangen die in het bijzonder in het geding zijn. Het is niet gebleken dat de stichting – voor de indiening van het handhavingsverzoek en het bezwaar in onderhavige zaak - andere feitelijke werkzaamheden ontplooide die zagen op natuurbelangen in dit specifieke gebied in Noord-Holland. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen de lijst van activiteiten die de stichting op haar website heeft gepubliceerd, ervan uitgaande dat die lijst feitelijk juist is. Tot de statutenwijziging was zij sowieso alleen in Drenthe en omgeving en niet in Noord-Holland actief. Het indienen van een handhavingsverzoek en een bezwaarschrift is voorts onvoldoende om als feitelijke werkzaamheden te kwalificeren in de zin van artikel 1:2, derde lid, Awb.
3.12
De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat de gemachtigde van de stichting eerder op persoonlijke titel een handhavingsverzoek heeft ingediend betreffende de activiteiten van [derde-partij] . Nadat dit verzoek was afgewezen, omdat zij niet als belanghebbende kon worden aangemerkt, heeft de stichting het handhavingsverzoek ingediend. De stichting is als zodanig dus niet eerder in Noord-Holland in de omgeving van Drechterland actief geweest op het gebied van natuurbescherming. Dat de gemachtigde wellicht eerder op dat onderwerp actief was, maakt de stichting nog niet tot belanghebbende.
3.13
Dit betekent dat de stichting geen belanghebbende is bij het primaire besluit in de zin van artikel 1:2 Awb Pro. Het college heeft de stichting ten onrechte als belanghebbende in bezwaar aangemerkt en haar bezwaar ontvankelijk geacht. Om die reden dient het beroep gegrond te worden verklaard.
3.14
Ten overvloede merkt de rechtbank hierbij op dat er om dezelfde reden geen aanleiding was voor het college om het verzoek, voor zover betrekking hebbend op overtreding van bepalingen over stiltegebieden in de Omgevingsverordening NH2022 aan gedeputeerde staten door te zenden.

Conclusie en gevolgen

4.1
Het beroep is gegrond omdat het college het bezwaar van de stichting ten onrechte inhoudelijk heeft beoordeeld. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. Het bezwaar van de stichting moet alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard. Aan een beoordeling van inhoudelijke beroepsgronden van de stichting tegen het (nog gewijzigde) bestreden besluit, komt de rechtbank niet toe. De vernietiging ziet alleen op de ontvankelijk verklaring van de stichting. Voor zover het college – mede naar aanleiding van het bezwaar van [derde-partij] – het primaire besluit heeft gewijzigd, blijft dat wel in stand.
4.2
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan de stichting vergoeden. De stichting heeft geen (andere) proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 2 december 2025 voor zover het bezwaar van de stichting ontvankelijk is verklaard;
- verklaart het bezwaar van de stichting niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde (deel van het) besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- aan de stichting moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. N.L. Pruntel, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Raad van State) van 8 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2031.
2.Vergelijk de de uitspraak van de Raad van State van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:957.