Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6127

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
12127072 \ AO VERZ 26-32
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 7:628 lid 1 BWArt. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 7:677 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging ontslag op staande voet wegens onduidelijke dringende reden en doorbetaling salaris

Verzoekster, werkzaam als verkoopadviseur bij Maxvast, werd op 18 januari 2026 op staande voet ontslagen wegens vermeende agressie en letsel bij directeur [betrokkene 1]. Verzoekster betwistte de beschuldigingen en stelde dat het ontslag onrechtmatig was omdat de dringende reden niet duidelijk was en het ontslag niet onverwijld was gegeven.

De kantonrechter oordeelde dat de ontslagbrief onvoldoende specifiek was en dat onduidelijk bleef wat de gebeurtenissen op 17 januari precies inhielden. Ook werd erkend dat verzoekster geen fysiek letsel had toegebracht. Hierdoor was het ontslag niet rechtsgeldig en werd het vernietigd. Maxvast werd veroordeeld tot doorbetaling van het salaris, waarbij verzoekster werd vrijgesteld van werkzaamheden vanwege de gespannen situatie.

Het tegenverzoek van Maxvast tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding werd aangehouden in afwachting van een procedure bij de Ondernemingskamer tussen de bestuurders van Maxvast, waarvan één bestuurder met verzoekster is gehuwd. Partijen moeten de rechtbank informeren na de uitspraak in die procedure.

De kantonrechter bepaalde dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De zaak benadrukt het belang van duidelijke ontslaggronden en de bescherming van werknemers tegen onrechtmatig ontslag.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en Maxvast wordt veroordeeld tot doorbetaling van salaris met vrijstelling van werk; het ontbindingsverzoek wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer / rekestnummer: 12127072 \ AO VERZ 26-32
Beschikking van 28 mei 2026
in de zaak van
[verzoekster]
wonende te [plaats], gemeente [gemeente]
verzoekster
verweerster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek
hierna te noemen: [verzoekster]
gemachtigde: mr. L. Berendsen
tegen
MAXVAST B.V.,
gevestigd te Haarlem,
verweerster
verzoeker in het (voorwaardelijk) tegenverzoek
hierna te noemen: Maxvast
gemachtigde: mr. F.W. Huizinga

1.De zaak in het kort

In deze zaak verzoekt [verzoekster] om vernietiging van het aan haar gegeven ontslag op staande voet. De kantonrechter wijst het verzoek toe. Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig gegeven. Het verzoek van [verzoekster] tot vernietiging van dat ontslag wordt daarom toegewezen en Maxvast wordt veroordeeld tot doorbetaling van het salaris. [verzoekster] wordt, anders dan verzocht, niet weder tewerkgesteld bij Maxvast, maar wordt vrijgesteld van haar werkzaamheden onder behoud van haar salaris, omdat Maxvast heeft benadrukt haar niet terug op de werkvloer te willen hebben en haar terugkeer in deze fase – waarin de toekomst van Maxvast, gezien de lopende procedure bij de Ondernemingskamer, nog niet duidelijk is - tot escalatie zou kunnen leiden. Het tegenverzoek van Maxvast om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding wordt aangehouden. Voor de beoordeling van dit verzoek is de uitkomst in de Ondernemingskamerprocedure, die speelt tussen de twee bestuurders van Maxvast, waarvan de ene bestuurder met [verzoekster] is gehuwd, namelijk van een dusdanig wezenlijk belang dat de kantonrechter een beslissing op het ontbindingsverzoek op dit moment voorbarig acht.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 15,
- het verweerschrift, tevens (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, met producties 1 tot en met 15,
- het verweerschrift in het voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, met producties 17 tot en met 23,
- de mondelinge behandeling op 30 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van [verzoekster],
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 april 2026.
2.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1.
[verzoekster], geboren [geboortedatum] 1985, is sinds 1 december 2020 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) Maxvast. De functie van [verzoekster] is verkoopadviseur, voor 32 uren per week, tegen een vast salaris van (laatstelijk) € 7.650,00 bruto per maand.
3.2.
Maxvast is een onderneming die zich bezighoudt met de in- en verkoop van vloeren, raamdecoratie, wandpanelen en overige zaken. De aandelen van Maxvast worden in gelijke delen gehouden door [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) enerzijds en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) anderzijds. [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zijn middels hun respectievelijke holdingvennootschappen de bestuurders van Maxvast. [betrokkene 2] is gehuwd met [verzoekster]. Maxvast wordt in deze procedure alleen vertegenwoordigd door [betrokkene 1].
3.3.
De fiscale en (boekhoudkundige) administratie van Maxvast wordt, met een kleine onderbreking in 2025, sinds grofweg 18 jaren verzorgd door [betrokkene 3] van [bedrijf 1] (hierna: ‘[betrokkene 3]’) en [betrokkene 4] van [bedrijf 2] (hierna: ‘[betrokkene 4]’).
3.4.
In een e-mail die [betrokkene 3] op 16 juli 2025 aan [betrokkene 2] heeft gestuurd, is onder meer het volgende te lezen:
“(..) Ik heb begrepen dat jij en [verzoekster] grotendeels de administratieve taken inzake Maxvast B.V. (..) per 1 juli 2025 zijn gaan overnemen van [betrokkene 4] en [betrokkene 1]. Het is jammer dat het na 18 jaar allemaal zo heeft moeten lopen, maar iedereen heeft uiteindelijk voor zichzelf gekozen en dat is helemaal prima zo. (..) De werkzaamheden die nodig zijn om een soepele overgang naar een nieuwe boekhouder/fiscalist mogelijk te maken zullen natuurlijk nog in goed overleg met [betrokkene 1] en jou door mij worden uitgevoerd omdat ik ervan houd om alles netjes af te ronden en zonder losse eindjes achter te laten. (..)”
3.5.
In een proces-verbaal van een door [verzoekster] tegen [betrokkene 1] gedane aangifte van 22 oktober 2025 staat onder meer het volgende opgenomen:
“(..)
Verklaring
Ik en mijn echtgenoot doen aangifte tegen [betrokkene 1].
(..)
Op vrijdag 10 oktober 2025 waren ik, mijn echtgenoot en [betrokkene 1] in de winkel aanwezig. Ook was daar personeel. Ik was samen met een medewerker (..) bezig bij een computer. [betrokkene 1] kwam hierbij staan. [betrokkene 1] vroeg wat wij aan het doen waren. We zeiden dat we bezig waren met social media. Ik hoorde dat [betrokkene 1] tegen de medewerker zei: “kappen, niet doen”. Ik vond dat [betrokkene 1] wat agressief over kwam. Ik ben toen gelijk naar boven gegaan, want ik dacht dat daar mijn echtgenoot was. [betrokkene 1] holde achter mij aan. Ik belde [betrokkene 2], hij nam niet op. Ik hoorde dat [betrokkene 1] tegen mij zei: “wegwezen, de winkel uit”. Mijn man kwam er aan. Er ontstond toen een woordenwisseling in de winkel. Ik denk dat het personeel dat gehoord heeft. [betrokkene 1], ik en mijn echtgenoot liepen naar buiten naar de parkeerplaat. Ik hoorde dat [betrokkene 1] tegen mij zei: “vallahi, als jij hier nog een keer komt breek ik je nek”. “Vallahi” betekent zweren in het Arabisch. Ik voelde mij door die woorden bedreigd. Ik hoorde dat [betrokkene 1] tegen mijn echtgenoot het volgende zei: “als jij hier morgenochtend komt, kijk dan of je hier nog levend wegkomt. Je zult zien hoe je er bij gaat lopen”. Mijn man voelde zich bedreigd door deze woorden.
(..)
Ik heb camerabeelden van binnen in de winkel. Ik heb op camerabeeld een geluidsopname van een moment dat [betrokkene 1] tegen een medewerker zegt dat hij tegen mij gezegd heeft “ik breek je nek”. De medewerker heet [betrokkene 5]. (..)”
3.6.
[betrokkene 2] en [betrokkene 1] zijn op enig moment in 2025 een mediationprocedure gestart teneinde het tussen hen ontstane geschil op te lossen. De mediation is in december 2025 zonder overeenstemming tot een einde gekomen.
3.7.
[verzoekster] heeft op 1 januari 2026 rond 00:13 uur een bedrag van € 80.000,00 overgeboekt vanaf een bankrekening verbonden aan Maxvast naar een op haar naam staand rekeningnummer, onder het kenmerk ‘
uitbetaling lening’. De gemachtigde van Maxvast heeft [verzoekster] bij e-mail aan haar gemachtigde van 5 januari 2026 gesommeerd om het bedrag per ommegaande terug te storten, omdat er – kort gezegd – van een lening geen sprake is. [verzoekster] heeft het bedrag op 5 februari 2026 terugbetaald onder de omschrijving ‘
volledige aflossing’.
3.8.
Op 6 januari 2026 heeft de gemachtigde van [verzoekster] de gemachtigde van Maxvast als volgt bericht:
“(..) Tot op heden is cliënte de toegang tot het werk onthouden. Bijgaand treft u de conceptdagvaarding waarin wedertewerkstelling wordt gevorderd.
Uw cliënte, althans de heer [betrokkene 1], wordt verzocht om uiterlijk op vrijdag 9 januari 2026 te bevestigen dat mevrouw [verzoekster], online dan wel fysiek, wordt toegelaten tot haar werk(zaamheden). Bij het uitblijven hiervan wordt het kort geding aanhangig gemaakt. (..)”
3.9.
De gemachtigde van Maxvast heeft de gemachtigde van [verzoekster] bij e-mail van 7 januari 2026 als volgt bericht:
“(..) Namens de heer [betrokkene 1], als directeur van cliënte MaxvastBV deel ik u mede dat cliënte wordt toegelaten tot haar werk met in achtneming van het navolgende. Het dienstverband van uw cliënte is 32 uur per week, derhalve 4 werkdagen van 9.00 tot 18.00 uur met een lunchpauze van 1 uur en wel maandag en donderdag t/m zaterdag. Uw cliënte is werkzaam als project- en interieuradviseur en wordt geacht de daarop betrekking hebbende werkzaamheden uit te voeren. (..)”
3.10.
In een e-mail die [betrokkene 3] op 7 januari 2026 aan de gemachtigde van Maxvast heeft verstuurd, is het volgende te lezen:
“(..) Hierbij kan ik u bevestigen dat [verzoekster] bij Maxvast B.V. in dienst is als project- en interieuradviseuse en niet als administratief medewerkster (..)”
3.11.
In een ongedateerde verklaring schrijft [betrokkene 4] onder meer het volgende:
“(..) Zoals u weet, heb ik in april, na 18 jaar, mijn werkzaamheden voor Maxvast B.V. neergelegd. De reden hiervoor was dat de relatie tussen [betrokkene 2] en mij, als gevolg van eerdere gebeurtenissen, zodanig was verstoord dat er geen sprake meer was van communicatie. (..) In maart is de situatie verder geëscaleerd doordat [betrokkene 2] mijn werkzaamheden op een agressieve manier bekritiseerde. (..) Daarbij gaf hij aan de administratieve werkzaamheden zelf te willen overnemen. Toen heeft [verzoekster] (..) zonder overleg met [betrokkene 1] of mij een nieuw emailadres aangemaakt en al onze crediteuren aangeschreven om de facturen voortaan naar dit emailadres te sturen. Dit heeft het vertrouwen van onze relaties ernstig verstoord in Maxvast (..) In de periode juli, augustus en september 2025 zijn er slechts enkele betalingen verricht door [verzoekster] ten behoeve van Maxvast B.V. Een aantal van deze betalingen bleek bovendien onjuist, maar dit terzijde. (..) Gedurende deze maanden is er sprake geweest van een toenemende administratieve achterstand en een gebrek aan overzicht, als gevolg van het uitblijven van een structurele en correcte manier van het bijhouden van de administratie. In oktober 2025 heeft [betrokkene 1] [betrokkene 3] en mij verzocht om de werkzaamheden weer op te pakken en de ontstane administratieve achterstand in te lopen. Tot op heden ben ik hier intensief mee bezig. Hierbij ervaar ik echter belemmeringen in de uitvoering van mijn werkzaamheden, onder andere doordat betalingen zonder adequate onderbouwing worden verricht en achteraf op basis van bankafschriften moeten worden verwerkt. Ook hieruit blijkt dat [verzoekster] en [betrokkene 2] geen inzicht hebben in hoe de boekhouding moet worden gevoerd en dat controle noodzakelijk is bij alles wat geboekt moet worden. (..)”
3.12.
Op 17 januari 2026 is [verzoekster] op het werk verschenen om haar werkzaamheden voor Maxvast te hervatten. Er is die dag een conflict ontstaan tussen [verzoekster] (en enkele van haar familieleden) en [betrokkene 2] enerzijds en [betrokkene 1] anderzijds. Onder meer tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] is een handgemeen ontstaan. De broer van [verzoekster], [betrokkene 6], heeft op 8 februari 2026 aangifte van mishandeling gedaan tegen [betrokkene 1].
3.13.
Op 18 januari 2026 heeft [betrokkene 1] de volgende e-mail gestuurd:
“(..) Hierbij deel ik je mede dat je hierbij op staande voet bent ontslagen als werknemer van Maxvast b.v, Maxima vloer en raam totaal. De reden hiervoor zijn de gebeurtenissen op zaterdag 17 januari waar ik als directeur van Maxvast b.v. mede door jou in woord en daad ben aangevallen en veel letsel heb opgelopen. (..)”
3.14.
Tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] is een procedure bij de Ondernemingskamer aanhangig, waarin op 4 juni 2026 een mondelinge behandeling is bepaald. In deze procedure worden door beide partijen onder meer bij voorlopige voorziening gevorderd enerzijds de andere bestuurder te schorsen als bestuurder van Maxvast en anderzijds (subsidiair) de benoeming van een derde bestuurder.

4.Het verzoek

4.1.
[verzoekster] verzoekt, na wijziging c.q. vermindering van het verzoek in I) het verweerschrift in het voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en II) op de mondelinge behandeling, dat de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het door Maxvast op 18 januari 2026 gegeven ontslag op staande voet vernietigt;
II. Maxvast veroordeelt tot betaling aan [verzoekster] van het achterstallige salaris vanaf 18 januari 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%, althans een door de kantonrechter te bepalen percentage, en de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de maandelijkse loondoorbetalingen, althans vanaf de dag dat de kantonrechter juist acht, tot de dag van algehele betaling;
III. Maxvast veroordeelt tot doorbetaling aan [verzoekster] van het salaris zo lang als dat de arbeidsovereenkomst mocht voortduren, althans zo lang als dat [verzoekster] daar recht op heeft;
IV. Maxvast veroordeelt om [verzoekster] toe te laten tot het werk als verkoopadviseur conform haar arbeidsovereenkomst, althans haar vrij te stellen van werk met behoud van loon totdat uitspraak is gedaan in de OK-procedure, althans totdat duidelijk is welke bestuurder achterblijft in de onderneming, althans een voorziening te treffen te bepalen door de kantonrechter, die daarbij zoveel mogelijk aansluit;
V. Maxvast veroordeelt tot betaling van de proceskosten en de nakosten;
4.2.
[verzoekster] legt het volgende aan het verzoeken ten grondslag. Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig, omdat het niet onverwijld is verleend en een dringende reden ontbreekt. De ontslagbrief is ook zo onduidelijk geformuleerd dat [verzoekster] niet weet waar Maxvast precies op doelt. [verzoekster] betwist in ieder geval dat zij [betrokkene 1] in woord en daad heeft aangevallen en/of dat hij letsel heeft opgelopen. Maxvast heeft de persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] ten onrechte ook niet meegewogen voorafgaand aan het ontslag. De omstandigheden die tot het conflict hebben geleid, zijn niet aan [verzoekster], maar aan [betrokkene 1] te wijten. Juist omdat er al sprake was van spanningen tussen partijen, heeft [verzoekster] gevraagd om vanuit huis te mogen werken. Als Maxvast daar gehoor aan had gegeven, waren partijen niet in deze situatie beland. Omdat [verzoekster] bij vernietiging van het ontslag op staande voet na 17 januari 2026 in dienst is gebleven, heeft zij recht op betaling van het achterstallig salaris. Het is in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd de maximale wettelijke verhoging toe te kennen. De in artikel 7:625 BW Pro genoemde termijn is namelijk ruimschoots overschreden en [verzoekster] heeft door het handelen van Maxvast geen aanspraak kunnen maken op een WW-uitkering, waardoor zij in betalingsnood is komen te verkeren, aldus [verzoekster].

5.Het verweer en het (voorwaardelijk) tegenverzoek van Maxvast

5.1.
Maxvast voert verweer. Nadat [verzoekster] op 7 januari 2026 is verzocht haar werkzaamheden als verkoopadviseur te verrichten, is zij op 17 januari 2026 om 11.00 onaangekondigd bij Maxvast verschenen. [verzoekster] kwam echter niet om te werken, maar om de confrontratie met [betrokkene 1] aan te gaan. [verzoekster] werkte volgens een (kennelijk) vooropgezet plan om [betrokkene 1] te kunnen beschuldigen van bedreiging, nadat [verzoekster] in oktober 2025 al eerder een valse aangifte tegen hem had gedaan. Onderdeel van het vooropgezette plan was de plotselinge verschijning van de vader en broer van [verzoekster], die [betrokkene 1] evenals [betrokkene 2] hebben aangevallen. Deze gebeurtenissen vormden een dringende reden voor ontslag op staande voet. Maxvast wilde voorkomen dat de verstoorde verhouding tussen partijen verder zou escaleren en er verdere schade zou worden aangericht aan de bedrijfsvoering van Maxvast. [betrokkene 1] was erg van streek na de gebeurtenissen op 17 januari en heeft een dag nodig gehad om tot rust te komen, maar is vervolgens onverwijld tot ontslag op staande voet van [verzoekster] overgegaan en heeft dit ook onverwijld aan [verzoekster] meegedeeld. Gezien de volstrekt verstoorde verhouding met zowel [betrokkene 1] als de overige personeelsleden van Maxvast kon Maxvast niet met een minder vergaand middel volstaan.
5.2.
In het geval het ontslag op staande voet wordt vernietigd, verzoekt Maxvast de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden.
5.3.
Maxvast legt hier het volgende aan ten grondslag. Als gevolg van het handelen van [verzoekster] heeft [betrokkene 4] noodgedwongen haar werkzaamheden beëindigd na een conflict met [verzoekster]. Daardoor is een grote achterstand ontstaan in de administratie van Maxvast. Er is (ter zake) sprake van verwijtbaar handelen van [verzoekster], zodanig dat in redelijkheid niet van Maxvast gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook is sprake van een verstoorde arbeidsverhouding tussen zowel [verzoekster] en een van de directeuren van Maxvast, [betrokkene 1], als tussen [verzoekster] en de andere personeelsleden, zodanig dat (ook) niet in redelijkheid van Maxvast kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
6. Het verweer op het (voorwaardelijk) tegenverzoek en de zelfstandige (voorwaardelijke) tegenverzoeken van [verzoekster]
6.1.
[verzoekster] voert verweer tegen het (voorwaardelijk) ontbindingsverzoek. [verzoekster] betwist dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, maar stelt dat zij de dupe is geworden van een uit de hand gelopen dispuut tussen de bestuurders van Maxvast. Maxvast heeft nagelaten te motiveren waarom van een verstoorde arbeidsverhouding met [betrokkene 1] sprake is en, mocht dat al zo zijn, waarom van Maxvast in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te laten voortduren. Er is nooit gepoogd om een conflict, als daarvan al sprake is, op te lossen. Als er al sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie, is dit slechts te wijten aan [betrokkene 1], die zijn frustraties over [betrokkene 2] projecteert op [verzoekster]. [verzoekster] betwist ook dat er sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie met het (overige) personeel van Maxvast. Als hiervan al sprake zou zijn, is het aan de werkgever om de werknemers te stimuleren en faciliteren dat de bezwaren worden uitgesproken zodat iedereen weer met elkaar door één deur kan. Dat is eveneens nooit gebeurd, zodat van een duurzaam en ernstige verstoorde (horizontale) arbeidsverhouding geen sprake kan zijn. Daar komt bij dat Maxvast heeft nagelaten te onderzoeken of [verzoekster] elders in de onderneming herplaatst kan worden. Ook hierom dient het ontbindingsverzoek te worden afgewezen. De verzochte ontbinding op grond van verwijtbaar handelen van [verzoekster] moet sowieso worden afgewezen, omdat er ter zake geen (begin van een) voldragen ontslaggrond aanwezig is, omdat enige onderbouwing daarvan door Maxvast ontbreekt.
6.2.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
in het voorwaardelijk ontbindingsverzoek:
VI. Maxvast niet-ontvankelijk te verklaren in het (voorwaardelijk) ontbindingsverzoek, althans het (voorwaardelijk) ontbindingsverzoek en overige verzoeken van Maxvast af te wijzen, met veroordeling van Maxvast in de proceskosten en de nakosten;
voorwaardelijk, indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt uitgesproken:
VII. Maxvast te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een billijke vergoeding van een bedrag van € 293.932,80 bruto, althans een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de beschikking tot de dag van algehele betaling, althans vanaf een datum die de kantonrechter juist acht;
VIII. Maxvast te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een transitievergoeding van een bedrag van € 15.384,05 bruto, althans een door de kantonrechter te bepalen transitievergoeding;
IX. Maxvast te veroordelen om aan [verzoekster] de tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen uit te betalen, alsook de tot einddatum opgebouwde vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de einddatum van de arbeidsovereenkomst tot de dag der algehele voldoening;
X. Maxvast te veroordelen tot betaling van de proceskosten en de nakosten.
6.3.
[verzoekster] legt, voor het geval de arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden, het volgende aan deze verzoeken ten grondslag. Omdat [verzoekster] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had bij de onderneming waarvan haar echtgenoot mede-eigenaar is, had het dienstverband tot haar pensioen, dus nog 27 jaar, kunnen voortduren, tegen een maandsalaris van € 7.650,00 exclusief emolumenten. [betrokkene 1] heeft ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, onder meer door [verzoekster] met de dreiging van een loonstop onder druk te zetten weer op het werk te verschijnen en [betrokkene 1] haar heeft beledigd en haar telefoon heeft vernield tijdens de confrontatie op 17 januari 2026. [verzoekster] heeft op dit moment geen nieuwe dienstbetrekking en bouwt geen pensioen op. Zij acht een billijke vergoeding van drie jaarsalarissen ad € 293.932,80 bruto daarom redelijk. [verzoekster] heeft daarnaast recht op een transitievergoeding op basis van haar laatstverdiende salaris van € 7.650,00 bruto per maand exclusief emolumenten. Maxvast dient tot slot over te gaan tot een correcte afrekening van het dienstverband, onder meer door betaling van het opgebouwde vakantiegeld en saldo aan vakantiedagen.

7.De beoordeling van het verzoek

wijziging verzoek onder IV
7.1.
[verzoekster] heeft haar verzoek onder IV op de mondelinge behandeling gewijzigd. Maxvast heeft daar bezwaar tegen gemaakt, omdat de wijziging volgens Maxvast ‘ontijdig’ is. [verzoekster] is op grond van artikel 130 juncto Pro 283 Rechtsvordering in beginsel echter bevoegd haar verzoek te veranderen. Nu gesteld, noch gebleken is dat Maxvast door de wijziging in haar verdediging wordt geschaad, zal de wijziging van het verzoek worden toegestaan.
in de hoofdzaak
7.2.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of Maxvast moet worden veroordeeld tot doorbetaling van loon en werkhervatting.
7.3.
De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is en daarom moet worden vernietigd. Daartoe wordt het volgende overwogen.
juridisch kader ontslag op staande voet
7.4.
Een ontslag op staande voet is op grond van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) alleen geldig als daarvoor een dringende reden bestaat en als de arbeidsovereenkomst onverwijld wordt opgezegd, onder onverwijlde mededeling van de dringende reden daarvoor aan de werknemer. [1]
7.5.
Het vereiste dat de dringende reden onverwijld wordt meegedeeld strekt ertoe te waarborgen dat voor de wederpartij onmiddellijk duidelijk is welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben gebracht tot het beëindigen van de dienstbetrekking. Die mededeling hoeft niet steeds met zoveel woorden te worden gedaan en kan ook in een of meer gedragingen besloten liggen. Ook dan blijft echter vereist dat daaruit voor de wederpartij dadelijk duidelijk is welke, door de ander als dringend aangemerkte, reden door deze aan de beëindiging van de dienstbetrekking ten grondslag wordt gelegd, althans dat daaromtrent bij de wederpartij, gelet op de omstandigheden van het geval, in redelijkheid geen enkele twijfel kan bestaan. [2] Als door de mededeling dit doel wordt bereikt, voldoet zij aan de eisen van de wet. De mededeling moet de werknemer in staat stellen zijn standpunt met betrekking tot het ontslag te bepalen. De meegedeelde reden fixeert in principe de ontslagreden.
7.6.
Maxvast heeft in de ontslagbrief (3.13) onvoldoende specifieke eigenschappen, gedragingen of ontslagredenen genoemd of omschreven. De omschrijving
“De reden hiervoor zijn de gebeurtenissen op zaterdag 17 januari waar ik als directeur van Maxvast b.v. mede door jou in woord en daad ben aangevallen en veel letsel heb opgelopen”is hiervoor onvoldoende, ook in samenhang bekeken, omdat deze ruimte voor twijfel laten bestaan. Partijen hebben immers een andere kijk op de gebeurtenissen van 17 januari 2026. Volgens Maxvast is [verzoekster] op deze bewuste dag, vergezeld door [betrokkene 2] en andere familieleden, met een vooropgezet plan naar Maxvast gekomen om een bedreiging door [betrokkene 1] uit te lokken. [verzoekster] betwist dit en stelt dat [betrokkene 1] op de bewuste dag zélf op agressieve wijze de confrontatie met [verzoekster] heeft opgezocht, waarbij hij onder andere de telefoon van [verzoekster] onder water heeft gehouden en [verzoekster] in het bijzijn van andere personeelsleden heeft beledigd. Toen [verzoekster] haar telefoon terug probeerde te pakken, heeft [betrokkene 1] [verzoekster] bij haar elleboog gegrepen en geduwd, waardoor [verzoekster] last van haar rug heeft gekregen.
7.7.
De kantonrechter stelt vast dat volstrekt onduidelijk is wat er op objectieve wijze onder de ‘gebeurtenissen op zaterdag 17 januari’ moet worden verstaan. Daar komt bij dat [betrokkene 1] op de mondelinge behandeling heeft erkend dat [verzoekster] hem niet (fysiek) heeft aangevallen. Dat maakt dat [betrokkene 1] ook niet door toedoen van [verzoekster] ‘veel letsel’ heeft kunnen oplopen. Wat er onder ‘in woord aangevallen’ moet worden verstaan, is gesteld, noch gebleken, zodat ook in zoverre onvoldoende duidelijk is wat [betrokkene 1] precies aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd. Tegenover de gemotiveerde betwisting van die stelling door [verzoekster] kan tot slot niet worden vastgesteld dat er sprake was van een vooropgezet plan, noch daargelaten dat dit laatste ook niet is opgenomen in de ontslagbrief.
7.8.
De conclusie van het bovenstaande is dat het ontslag op staande voet, hoewel het ontslag naar het oordeel van de kantonrechter voldoende onverwijld is verleend, gezien hetgeen is overwogen onder 7.6. en 7.7. niet rechtsgeldig is gegeven. Omdat gezien het voorgaande onduidelijk is gebleven welke dringende reden(en) aan het ontslag op staande voet ten grondslag is/zijn gelegd, kan ook niet worden beoordeeld of er überhaupt een dringende reden aanwezig was om tot ontslag op staande voet over te gaan. Het verzoek van [verzoekster] tot vernietiging van dat ontslag zal dan ook worden toegewezen.
loon(door)betaling
7.9.
Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, duurt de arbeidsovereenkomst voort en heeft [verzoekster] recht op loon. De stelling van Maxvast dat er feitelijk sprake is van een ‘schijndienstverband’ en zij uit dien hoofde geen salaris is verschuldigd aan [verzoekster], wordt afgewezen. Er zijn voldoende objectieve stukken voorhanden in het dossier waaruit blijkt dat [verzoekster] heeft gewerkt, bijvoorbeeld de verklaring van [betrokkene 3] van 7 januari 2026 (3.10).
Maxvast heeft de gestelde hoogte van het laatstverdiende salaris ter hoogte van € 7.650,00 bedrag ook niet gemotiveerd weersproken, maar heeft slechts aangevoerd dat het verhoogde bedrag enkel een tijdelijk karakter had omdat dit was bedoeld om [verzoekster] en [betrokkene 2] in de gelegenheid te stellen hypothecaire financiering voor hun nieuwe woning te verkrijgen. Tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door [verzoekster] heeft Maxvast echter onvoldoende met bewijsstukken onderbouwd dat partijen dit inderdaad als zodanig hebben afgesproken.
7.10.
Het verzoek tot betaling van het (achterstallig) loon zal gelet op het voorgaande worden toegewezen als verzocht. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het achterstallig loon zullen ook worden toegewezen, omdat Maxvast te laat heeft betaald, zoals in het dictum nader bepaald. De kantonrechter ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding de wettelijke verhoging te beperken tot 20%.
wedertewerkstelling
7.11.
[verzoekster] heeft haar verzoek sub IV op de mondelinge behandeling gewijzigd in die zin dat zij (primair) verzoekt haar tot het werk toe te laten in de functie van verkoopadviseur, waar zij eerst primair wedertewerkstelling verzocht in de functie van administratief medewerker. Gezien het gewijzigde verzoek hoeft de gestelde functiewijziging van [verzoekster] niet meer inhoudelijk behandeld te worden; [verzoekster] verzoekt immers niet langer om tewerk gesteld te worden als administratief medewerker. [verzoekster] heeft zich in het gewijzigde verzoek en gezien haar uitlatingen terzake op de zitting expliciet beschikbaar gehouden de overeengekomen werkzaamheden te verrichten. [betrokkene 1] heeft op de zitting beklemtoond dat hij [verzoekster] absoluut niet op de werkvloer wil zien, omdat [verzoekster] ‘niet in het proces past’ en hij dit in verband met de gestelde verstoring met het personeel van Maxvast niet opportuun vindt.
7.12.
De kantonrechter stelt voorop dat artikel 7:628 lid 1 BW Pro bepaalt dat de werkgever verplicht is het naar tijdruimte vastgestelde loon te voldoen indien de werknemer de overeengekomen arbeid of geheel niet heeft verricht, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. [verzoekster] heeft gelet op dit artikel recht op volledige doorbetaling van haar salaris, waarbij de kantonrechter haar gedurende de periode waarin zij recht heeft op doorbetaling van het salaris zal vrijstellen van werkzaamheden. Het komt in de gegeven omstandigheden voor rekening en risico van Maxvast dat [verzoekster] geen werkzaamheden verricht; het is immers haar eigen keuze [verzoekster] niet tot haar werkzaamheden toe te laten, waar [verzoekster] zich daartoe expliciet beschikbaar heeft gesteld.
proceskosten
7.13.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.

8.De beoordeling van het tegenverzoek

8.1.
Op het verzoek van Maxvast om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, moet worden beslist. De voorwaarde waaronder Maxvast dat verzoek heeft gedaan, is namelijk vervuld, omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd.
8.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [3] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [4]
8.3.
[verzoekster] heeft primair verzocht om de behandeling van het tegenverzoek aan te houden, omdat de mondelinge behandeling in de OK-procedure op 4 juni 2026 plaatsvindt en er, nadat de Ondernemingskamer een beslissing heeft genomen terzake de in die procedure over en weer verzochte voorlopige voorzieningen, duidelijk zal worden welke bestuurder(s) in Maxvast zal/zullen achterblijven. Maxvast heeft bezwaar gemaakt tegen de verzochte aanhouding. Maxvast stelt dat het belangrijk is dat er een einde komt aan het dienstverband met [verzoekster], omdat haar salaris zwaar op de onderneming drukt. Duidelijkheid over haar positie is daarom van belang voor het bepalen van de waarde van de onderneming in de OK-procedure, aldus Maxvast.
8.4.
Gelet op de nauwe verwevenheid tussen de gestelde verstoorde arbeidsrelatie en de bestuurlijke vete tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2], acht de kantonrechter het in het kader van een goede procesorde en ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen ongewenst om op dit moment op het ontbindingsverzoek te beslissen. Dat geldt temeer nu Maxvast heeft erkend dat, mocht worden beslist dat [betrokkene 2] als (enig) bestuurder achterblijft in Maxvast, dat naar alle waarschijnlijkheid ten gevolg zal hebben dat het ontbindingsverzoek door hem zal worden ingetrokken.
8.5.
De kantonrechter houdt daarom iedere verdere beslissing aan tot 23 juli 2026, dan wel tot veertien dagen nadat in de OK-procedure uitspraak is gedaan over de gevorderde onmiddellijke voorzieningen. Partijen dienen de kantonrechter uiterlijk binnen een week na die uitspraak te informeren over hetgeen terzake is beslist.

9.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
9.1.
vernietigt het ontslag op staande voet,
9.2.
veroordeelt Maxvast tot betaling aan [verzoekster] van het achterstallige salaris van
€ 7.650,00 per maand vanaf 18 januari 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20% en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de maandelijkse loon(door)betalingen tot de dag(en) van algehele betaling,
9.3.
veroordeelt Maxvast tot doorbetaling van het salaris aan [verzoekster] zo lang als de arbeidsovereenkomst voortduurt,
9.4.
stelt [verzoekster] vrij van werk met behoud van het onder 9.2 genoemde salaris totdat totdat duidelijk is welke bestuurder achterblijft in de onderneming en welk besluit de terzake bevoegde bestuurder(s) neemt/nemen over het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van Maxvast,
9.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
9.6.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad [5] ,
9.7.
wijst het meer of anders verzochte af,
op het tegenverzoek
9.8.
houdt iedere beslissing aan tot 23 juli 2026, dan wel tot veertien dagen nadat in de OK-procedure uitspraak is gedaan over de gevorderde voorlopige voorzieningen,
9.9.
bepaalt dat partijen de rechtbank binnen zeven dagen nadat uitspraak is gedaan in de OK-procedure dienen te informeren over hetgeen is beslist.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.A. Charbon en in haar afwezigheid in het openbaar uitgesproken door mr. E. Jochem op 28 mei 2026.

Voetnoten

1.Zie artikel 7:677 lid 1 BW Pro.
2.Zie Hoge Raad 23 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0939.
3.Artikel 7:669 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
4.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro.
5.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.