Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6083

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
HAA 25/1581, HAA 25/2285, HAA 25/2288, HAA 25/2303 en
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 7:1a AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunningen bouw Bloemendalerpolder Weesp

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft de omgevingsvergunningen voor de bouw van woningen in de Bloemendalerpolder te Weesp. Eisers, waaronder twee stichtingen en bewoners, maakten bezwaar tegen de vergunningen vanwege vermeende strijd met het exploitatieplan, bestemmingsplan en welstandseisen.

De rechtbank oordeelt dat Stichting Flora & Faunabescherming geen belanghebbende is en daarom niet ontvankelijk in haar bezwaar. Stichting Park Muiderslotlaan is wel ontvankelijk, omdat haar doelstellingen en feitelijke werkzaamheden voldoende aannemelijk zijn, maar haar beroepsgronden zijn ongegrond. De natuurlijke personen [eiseres 3] en [eiser(es) 7] zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende persoonlijk belang.

Inhoudelijk oordeelt de rechtbank dat de vergunningen niet in strijd zijn met het exploitatieplan of bestemmingsplan. Het college heeft voldoende onderbouwd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De toetsing aan welstandseisen is beperkt tot de vergunde woningen en niet aan de omgeving. Het gebrek aan een schriftelijke hoorzitting wordt gepasseerd omdat eisers alsnog hun standpunten konden toelichten.

De beroepen worden afgewezen, met uitzondering van het beroep van Stichting Flora & Faunabescherming dat gegrond is wegens onterechte ontvankelijkheid, en het beroep van Stichting Park Muiderslotlaan dat gegrond is voor het ontvankelijkheidsaspect maar ongegrond voor de inhoud. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: De beroepen tegen de omgevingsvergunningen worden afgewezen, behalve het beroep van Stichting Flora & Faunabescherming dat gegrond is wegens onterechte ontvankelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 25/1581, HAA 25/2285, HAA 25/2288, HAA 25/2303 en
HAA 25/2305

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaken tussen

de stichting Stichting Flora & Faunabescherming, hierna: SFF;

en

de stichting Stichting Park Muiderslotlaan, hierna: SPM,

gemachtigde mr. B. Vermeirssen
en

[eiser(es) 1] ,

[eiseres 1] ,
[eiseres 2] ,
[eiser(es) 2] ,
[eiser(es) 3] ,
[eiser(es) 4] ,
[eiser(es) 5]
[eiser(es) 6]
[eiser(es) 7] ,
hierna ook te noemen: de eisersgroep
gemachtigde: mr. B. Vermeirssen,
en

[eiseres 3] ,

gemachtigde: mr. B. Vermeirssen,
hierna tezamen ook te noemen; eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, het college
gemachtigde: mr. H. Groot, in dienst van de gemeente.
Als derde-partijen nemen aan de zaken deel:
de besloten vennootschap
A.M. B.V.uit Utrecht,
de vennootschap onder firma
B.V.W. Ontwikkeling V.O.F.uit Diemen, hierna: B.V.W.
de commanditaire vennootschap
GEM Bloemendalerpolder C.V.uit Amsterdam.
tezamen te noemen: derde-belanghebbenden,
gemachtigden: mr. J.C. Ellerman en mr. S.J. de Haan, advocaten te Amsterdam.

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de aan A.M. B.V. verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 63 woningen in de Bloemendalerpolder (Weespersluis deelgebied 2B3 West), hierna: vergunning 1, en over de aan B.V.W. verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 66 woningen met tuin- en parkvoorzieningen in de Bloemendalerpolder (Weespersluis deelgebied 2B3 Zuid), hierna: vergunning 2.
1.2.
Eisers in deze zaak zijn twee stichtingen en bewoners van de nieuwbouwwijk Bloemendalerpolder in Weesp. Met de omgevingsvergunningen is vergunning verleend voor de bouw van nieuwe woningen in de wijk waar de natuurlijke personen wonen. Alle hierboven genoemde eisers zijn – heel kort samengevat – opgekomen tegen de verleende omgevingsvergunning. Hun belangrijkste bezwaar, met name van de natuurlijke personen, is dat door de realisatie van de woningen niet de volgens hen beloofde (structurele) groen- en speelvoorzieningen in de wijk worden gerealiseerd. Eisers zijn het daar niet mee eens.
1.3.
In de besluiten op bezwaar heeft het college een aantal eisers niet-ontvankelijk verklaard, omdat ze geen belanghebbenden zouden zijn bij de verleende vergunningen en heeft de bezwaren van andere eiseres, voor zover wel ontvankelijk, ongegrond verklaard. Eisers zijn het niet eens met de besluiten op bezwaar en hebben daarom beroep ingesteld tegen die besluiten.
1.4.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het volgende oordeel:
  • de Stichting Flora en Faunabescherming (SFF) is, gelet op de in haar statuten geformuleerde doelstelling en haar feitelijke werkzaamheden geen belanghebbende bij de verleende vergunningen en kunnen daar daarom niet tegen opkomen;
  • het bezwaar van Stichting Park Muiderslotlaan (SPM) heeft het college ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbendheid van SPM bij de verleende vergunningen, gelet op de in haar statuten geformuleerde doelstelling en de aangegeven feitelijke werkzaamheden, voldoende aannemelijk is. De als beroep behandelde bezwaren van SPM verklaart de rechtbank ongegrond;
  • het bezwaar van [eiseres 3] ( [eiseres 3] ) tegen de vergunningen 1 en 2 is terecht niet-ontvankelijk verklaard;
  • het bezwaar van [eiser(es) 7] tegen vergunning 1 is terecht niet-ontvankelijk verklaard; en
  • de beroepen van de eisersgroep, ingesteld tegen de beslissing op bezwaar die ziet op vergunning 2 zijn ongegrond.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.5.
Onder 2 staat het procesverloop van deze zaak. Onder 3 een uiteenzetting van de vergunningen zoals die zijn verleend. Onder 4 tot en met 6 beoordeelt de rechtbank als eerste de ontvankelijkheid van partijen in beroep. Daarna gaat de rechtbank vanaf 7 in op de beroepsgronden van eisers. De rechtbank beoordeelt eerst of de bezwaren van SPM, [eiseres 3] en [eiser(es) 7] terecht geheel of deels niet-ontvankelijk zijn verklaard (7, 8 en 9). Daarna beoordeelt de rechtbank of de inhoudelijke gronden tegen de besluiten doel treffen en dus of het college heeft mogen besluiten om genoemde vergunningen te verlenen (10-17).

Procesverloop

2.1.
A.M. B.V heeft op 23 april 2024 bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor 63 grondgebonden woningen in het ontwikkelingsgebied Weespersluis (deelplan 2B3 West) nabij de locatie Fort Nieuwersluisstraat en Veldhuishof Noord te Weesp.
2.2.
Het college heeft de voor de bouw van deze woningen gevraagde omgevingsvergunning bij besluit van 13 september 2024 (vergunning 1) verleend.
2.3.
B.V.W. heeft op 26 april 2024 bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor 66 grondgebonden eengezinswoningen met tuin en parkeervoorzieningen in het ontwikkelgebied Weespersluis (deelplan 2B3 Zuid) nabij de locatie Muiderslotlaan en de Fort Veldhuissingel.
2.4.
Het college heeft de voor de bouw van deze woningen gevraagde omgevingsvergunning bij besluit van 24 oktober 2024 (vergunning 2) verleend.
2.5.
SFF, [eiser(es) 7] en [eiseres 3] hebben bezwaar gemaakt tegen vergunning 1. SFF, SPM de eisersgroep en [eiseres 3] hebben bezwaar gemaakt tegen vergunning 2.
2.6.
Bij beslissingen op bezwaar van 3 februari 2025 is het college bij verlening van de vergunningen gebleven. Het bezwaar van [eiseres 3] en [eiser(es) 7] tegen vergunning 1 heeft het college niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar van SFF ongegrond. Het bezwaar van SPM en [eiseres 3] tegen vergunning 2 heeft het college niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar van de eisersgroep en SFF tegen vergunning 2 ongegrond.
2.7.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Volgens SPM, de eisersgroepen en [eiseres 3] is hun bezwaar, voor zover van toepassing, ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast stellen alle eisers zich allen op het standpunt dat de vergunningen voor de bouw van de woningen ten onrechte zijn verleend. Zij voeren in dat kader een aantal beroepsgronden aan.
2.8.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 november 2025 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben namens SFF deelgenomen [naam 1] (voorzitter) en [naam 2] (secretaris/penningmeester). Namens SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] hebben deelgenomen: [eiseres 3] , [naam 3] en de gemachtigde van SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] . Tevens is namens SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] verschenen [naam 4] .
Namens het college hebben aan de zitting deelgenomen mr. H.J. .Hde Groot (in dienst van de gemeente) en mw. El Mahraoui (juridisch adviseur in dienst van de gemeente). Namens derde-belanghebbenden hebben aan de zitting deelgenomen [naam 5] , [naam 6] en
[naam 7] , bijgestaan door de gemachtigden van derde-belanghebbenden.

Wat houden de besluiten in?

3.1.
Vergunning 1 is een omgevingsvergunning voor realisatie van 63 grondgebonden woningen in deelplan B3 West. De omgevingsvergunning is verleend voor de bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.
Daarnaast is de omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet verleend voor de omgevingsplanactiviteiten:
  • afwijken van de regel in het bestemmingsplan waaruit volgt dat de te realiseren bouwhoogte van de aangevraagde carports niet hoger mag zijn dan 3 meter (artikel 14.2.7, onder f, van de planregels van Bloemendalerpolder, voormalig grondgebied Muiden, onderdeel van het Omgevingsplan Amsterdam);
  • afwijken van de planregel in het bestemmingsplan Bloemendalerpolder waaruit volgt dat op gronden bestemd voor “Waarde-archeologie 7” geen gebouwen mogen worden gebouwd (met uitzondering van bouwwerken met een oppervlakte van maximaal 1000m² en waarbij de grondwerkzaamheden niet dieper reiken dan 4 meter ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld).
3.2.
Vergunning 2 is een omgevingsvergunning voor 66 grondgebonden woningen met tuin- en parkeervoorzieningen in deelplan 2B3 Zuid. De omgevingsvergunning is verleend voor de bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet. Daarnaast is de omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet verleend voor de omgevingsplanactiviteit:
- afwijken van de planregel 14.2.7 uit het tot het Omgevingsplan behorende bestemmingsplan Bloemendalerpolder Weesp, waarin is bepaald dat aan- en uitbouwen en overkappingen op een afstand van tenminste 3 meter achter de voorgevel(rooilijn) van het hoofdgebouw dienen te worden gebouwd en dat de bouwhoogte daarvan maximaal 3 meter mag zijn.
Met omgevingsvergunning 2 is voorts vergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit afwijken van planregel 14.2.5 van het bestemmingsplan Bloemendalerpolder Weesp die inhoudt dat tussen de perceelsgrenzen ter plaatse van de “specifieke bouwaanduiding laan” een laan dient te worden gerealiseerd van tenminste 60 meter tussen de perceelsgrenzen van de woningen.

Ontvankelijkheid in beroep

Tijdigheid beroep SPM, de eisersgroep en [eiseres 3]
4.1.
Volgens het college en derde-partij hebben SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] te laat beroep ingesteld. De rechtbank overweegt over dat verweer als volgt.
4.2.
De besluiten op bezwaar zijn op 3 februari 2025 verzonden. De beroepen moesten daarom, gelet op artikel 6:7 en Pro 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), uiterlijk op 17 maart 2025 door de rechtbank zijn ontvangen. De rechtbank stelt vast dat SPM, de eiseresgroep en [eiseres 3] de beroepen per mail (Zivver) van 17 maart 2025 hebben verstuurd en dat de rechtbank de beroepschriften op diezelfde dag heeft ontvangen. De beroepen zijn dus, anders dan het college en derde-partij menen, tijdig ingesteld.
Belanghebbendheid algemeen
5.1.
De rechtbank is ambtshalve gehouden om vast te stellen of eisers belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2 Awb Pro bij de vergunningen 1 en/of 2, omdat daartegen voor hen op grond van de artikelen 7:1 en 8:1 Awb alleen dan bezwaar en beroep openstaat.
5.2.
Artikel 1:2 Awb Pro luidt – voor zover van belang - als volgt:
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. (…)
3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
5.3.
De wetgever heeft met een beperking van het belanghebbende-begrip willen voorkomen dat eenieder (in bezwaar en beroep) tegen elk besluit kan opkomen. Dat beroepsrecht staat alleen open voor personen die een objectief, persoonlijk, eigen, rechtstreeks en actueel bij het besluit betrokken belang hebben.
5.4.
Uit vaste rechtspraak over het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, Awb volgt dat in het omgevingsrecht als belanghebbende natuurlijke personen bij een ruimtelijk besluit wordt aangemerkt degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat. Daarbij geldt het criterium “gevolgen van enige betekenis” als correctie: als de gevolgen voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang ontbreekt, is men geen belanghebbende. Factoren die hierbij een rol spelen zijn onder andere de afstand tot, het zicht op, de planologische uitstraling en de milieugevolgen van de activiteit. [1] Bij een rechtspersoon is van belang of het besluit de belangen raakt waarvoor zij opkomt.
5.5.
Uit artikel 1:2, derde lid, Awb volgt verder dat bij de beoordeling van de belanghebbendheid van een rechtspersoon (zoals een stichting) ook de doelstellingen en de feitelijke werkzaamheden samen in onderling verband gezien kunnen meebrengen dat de rechtspersoon belanghebbende is bij een besluit. [2]
Belanghebbendheid SFF
6.1.
SFF is geen belanghebbende bij de verleende vergunningen. Hieronder zet de rechtbank uiteen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
6.2.
In de (op 4 juli 2016 gewijzigde) statuten van SFF is in artikel 2 het Pro doel van SFF opgenomen. SFF stelt zich ten doel
“het behouden en verbeteren van de natuur, de leefomgeving, het milieu en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in onder meer en met name Amsterdam Amstelland, gemeente Wijdemeren, gemeente Gooimeren, gemeente Weesp [3] en omstreken in het algemeen en de bescherming van de flora en fauna in vermelde gebieden en haar omgeving in het bijzonder en het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.”
In artikel 2, vierde lid, van de statuten is verder onder meer bepaald dat de stichting haar doel onder meer tracht te bereiken door:
de bescherming van in het wild levende dieren en beschermde flora en fauna.
6.3.
SFF heeft op zitting niet weersproken, zoals derde-partijen hebben gesteld, dat de feitelijke werkzaamheden van SFF slechts zien op de bescherming van flora en fauna, door onder meer informatie te verstrekken over flora en fauna, door daarover voorlichting te geven en door hulp en bescherming te bieden aan flora en fauna. Dit beeld wordt bevestigd door de activiteiten als genoemd op de website van SFF. De feitelijke werkzaamheden die SFF verricht bestaan dus uit het bevorderen van dat specifieke deel van de statutaire doelstelling van de SFF: de bescherming van de flora en fauna.
6.4.
Van een persoonlijk belang van SFF bij de vergunningen als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, Awb, zo is ook niet in geschil, is geen sprake. De rechtbank leidt uit de combinatie van de doelstellingen en de feitelijke werkzaamheden van SFF af dat zij alleen dan in het bijzonder in haar belangen wordt geraakt als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, Awb als de besluitvorming waartegen zij opkomt gevolgen kan hebben voor flora en fauna.
6.5.
Met de verleende omgevingsvergunningen is toestemming verleend om in afwijking van de ter plaatse geldende van het Omgevingsplan deel uitmakende bestemmingsplannen te bouwen op gronden die op zichzelf wel bestemd zijn voor de bouw van woningen, maar waarbij wordt afgeweken van de planregels voor wat betreft de bouwhoogte, de afstand van bouwwerken tot de voorgevelrooilijn, de planregel die inhoudt dat op gronden bestemd voor “Waarde-archeologie 7” in beginsel geen gebouwen mogen worden gebouwd en de planregel die inhoudt dat op gronden met de bestemming woongebied ter plaatse van de “specifieke bouwaanduiding laan” een laan dient te worden gerealiseerd van tenminste 60 meter tussen de perceelsgrenzen van de woningen
6.6.
De verleende vergunningen hebben aldus geen gevolgen voor SFF als bedoeld in overweging 6.3, omdat in de ter plaatse geldende bestemmingsplannen woningbouw al is toegestaan. De gevolgen van het afwijken van het omgevingsplan voor de woningbouw voor de ter plaatse eventueel aanwezige flora en fauna vloeien dus niet zozeer voort uit de nu verleende vergunningen, maar uit de van toepassing zijnde (onherroepelijke) bestemmingsplannen. Bij de beoordeling of een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet komt een toetsing aan gevolgen voor flora en fauna ook niet aan de orde.
Dat hiervan met de ter beoordeling voorliggende omgevingsvergunningen wordt afgeweken maakt dit niet anders, omdat niet aannemelijk is geworden dat deze afwijkingen gevolgen hebben voor de flora en fauna ter plaatse.
6.7.
De rechtbank is daarom van oordeel dat SFF niet wordt geraakt in de belangen die zij in het bijzonder behartigt. Zij is daarom geen belanghebbende bij de verleende vergunningen 1 en 2. Het college heeft dit niet onderkend en heeft de bezwaren van SFF ten onrechte ontvankelijk geacht.

Beoordeling van het beroep

Belanghebbendheid SPM
7.1.
Het college heeft SPM niet ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen omgevingsvergunning 2, omdat SPM nog niet lang bestaat en het college in bezwaar geen informatie heeft ontvangen over de feitelijke werkzaamheden van de stichting. Van werkzaamheden anders dan het procederen tegen de omgevingsvergunningen in de Bloemendalerpolder is het college niet gebleken.
7.2.
In beroep heeft SPM aangevoerd dat SPM in november 2023 is opgericht en dus ruim voor de datum van de nu bestreden besluitvorming. Voorts heeft SPM gemotiveerd weersproken dat haar feitelijke werkzaamheden alleen bestaan uit procederen. Zo noemt SPM diverse informatieavonden en buurtoverleggen en andere activiteiten in de jaren 2023 tot en met 2025.
7.3.
In de statuten van de stichting is onder 3.1 het doel van SPM opgenomen:
De stichting heeft ten doel:
- het beschermen en het bevorderen van de kwaliteit van het park aan de Muiderslotlaan in Weesp;
- het beschermen en verbeteren van de leefomgeving, (verkeers-)veiligheid, leefbaarheid, stedelijke en natuurlijke waarden (waaronder flora en fauna) en sociale cohesie in Weespersluis en directe omgeving, en in het bijzonder rondom het park aan de Muiderslotlaan in Weesp;
- het doen en verrichten van al hetgeen rechtstreek of zijdelings verband houdt met voormelde of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord.
Onder 3.2 is opgenomen dat de stichting haar doel onder meer tracht te verwezenlijken door:
- ( sociale) activiteiten te organiseren, faciliteren en sponsoren;
- voorlichting te geven aan bewoners, overheden en bedrijven;
- overleg te voeren met bewoners (overheids-)instanties en bedrijven over onderwerpen zoals veiligheid, gezondheid, duurzaamheid, milieu, natuur, werkgelegenheid, verkeer en vervoer;
- het verrichten van rechtshandelingen en voeren van juridische procedures ter behartiging van de belangen van de stichting en
- het verrichten van al zodanige activiteiten die nodig, nuttig of wenselijk zijn voor het bevorderen, tot stand brengen of bereiken van de doelstellingen van de stichting.
7.4.
De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde doelstelling niet te ruim is geformuleerd, mede omdat de doelstelling zich in geografische zin beperkt tot Weespersluis en meer in het bijzonder de omgeving rond het park aan de Muiderslotlaan.
Uitgaande van de concrete activiteiten van SPM ziet de rechtbank, anders dan het college, ook geen aanleiding om te veronderstellen dat de feitelijke werkzaamheden zich beperken tot het voeren van deze en andere procedures. Onweersproken heeft SPM in beroep immers gesteld, dat SPM, in het kader van de uitvoering van de doelstelling, in de jaren 2023 tot en met 2025 (en dus in elk geval ook al voordat het primaire besluit is genomen)onder meer diverse informatieavonden en buurtoverleggen heeft georganiseerd.
7.5.
Het college heeft SPM daarom naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet ontvangen in bezwaar. Het beroep van SPM, geregistreerd met zaaknummer 25/2285 is daarom gegrond.
7.6.
De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om te bepalen dat het college alsnog inhoudelijk op het bezwaar van SPM beslist. Redengevend hiervoor is dat de bezwaargronden van SPM gelijkluidend zijn aan de bezwaargronden van de overige eisers die in deze uitspraak zijn aangeduid als de eisersgroep (en [eiseres 3] )en deze bezwaargronden in dat kader al inhoudelijk door het college zijn beoordeeld. De rechtbank zal het beroep van SPM daarom, met ter zitting gegeven toestemming door SPM en het college, mede behandelen als ware het een op grond van het bepaalde in artikel 7:1a Awb ingediend rechtstreeks beroep tegen de verleende vergunning 2.
Belanghebbendheid [eiseres 3]
8.1.
Het bezwaar van [eiseres 3] tegen beide omgevingsvergunningen heeft het college niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank moet beoordelen of dit terecht is geweest.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat deze [eiseres 3] op een afstand woont van meer dan 100 meter van de locatie in plandeel 2B3West waarop de verleende vergunning 1 betrekking heeft, en op een afstand van meer dan 100 meter van de locatie in plandeel 2B3Zuid waarop de verleende vergunning 2 betrekking heeft. De rechtbank stelt voorts vast dat vanuit de woning van [eiseres 3] in de eindsituatie (na realisatie van het bouwblok in plandeel 2B3Oost dat tussen haar woning en de thans voorliggende bouwplannen zal zijn gelegen) niet of nauwelijks zicht is op de locaties waarop de verleende vergunningen betrekking hebben.
8.3.
Het college heeft [eiseres 3] daarom terecht niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb aangemerkt bij de verleende vergunningen 1 en 2. Het beroep van [eiseres 3] slaagt daarom niet. De stelling dat de vergunningverlening leidt tot een tekort aan structureel groen en een gebrek aan speelgelegenheid maakt dit niet anders. Deze belangen zijn in het geval van [eiseres 3] geen persoonlijke belangen, die haar in het bijzonder raken, maar algemene belangen. Om daar in beroep tegen op te komen onderscheidt [eiseres 3] zich, anders dan direct aanwonenden, niet van alle andere bewoners. De bepaling over belanghebbendheid in artikel 1.2 Awb sluit een dergelijk aan allen toekomend beroepsrecht juist uit.
8.4.
Het beroep van [eiseres 3] , geregistreerd met zaaknummer HAA 25/2303 is daarom ongegrond.
Belanghebbendheid [eiser(es) 7]
9.1.
De rechtbank stelt vast dat [eiser(es) 7] woont op een afstand van (ruim) meer dan 100 meter van de locatie in plandeel 2B3 West waarop vergunning 1 betrekking heeft, en dat daarop vanuit de woning van [eiser(es) 7] ook geen zicht is.
9.2.
De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [eiser(es) 7] geen belanghebbende is bij de verleende vergunning 1.
Het beroep op dit punt slaagt daarom niet. De stelling dat de vergunningverlening leidt tot een tekort aan structureel groen en een gebrek aan speelgelegenheid maakt dit niet anders. Deze belangen zijn in het geval van [eiser(es) 7] ook geen persoonlijke belangen, die [eiser(es) 7] direct raken, maar algemene belangen. Om daar in beroep tegen op te komen onderscheidt [eiser(es) 7] zich, anders dan direct aanwonenden, niet van alle andere bewoners. De bepaling over belanghebbendheid in artikel 1.2 Awb sluit een dergelijk aan allen toekomend beroepsrecht juist uit.
9.3.
Het beroep geregistreerd met zaaknummer HAA 25/2305 is daarom ongegrond.
Afbakening resterende geschilpunten
10. Nu SFF geen belanghebbende is bij de bestreden besluiten en [eiseres 3] en [eiser(es) 7] terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun bezwaar tegen omgevingsvergunning 1 (west), en de eisersgroep en SPM niet in bezwaar zijn gekomen tegen omgevingsvergunning 1 komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van beroepsgronden gericht tegen die omgevingsvergunning. Alleen de beroepsgronden van de eisersgroep en SPM gericht tegen omgevingsvergunning 2 (zuid) zullen daarom hieronder worden beoordeeld.
Beroepsgronden die zien op het exploitatieplan
11.1.
De eisersgroep en SPM hebben zich onder meer op het standpunt gesteld dat het college vergunning 2 niet had mogen verlenen, omdat dit in strijd is met diverse bepalingen uit het ter plaatse geldende Omgevingsplan en het voor dit gebied geldende exploitatieplan “eerste herziening exploitatieplan Bloemendalerpolder” (het exploitatieplan) en de daarvan deel uitmakende programma’s van eisen (PvE’s).
11.2.
De rechtbank ziet aanleiding eerst te beoordelen of deze beroepsgronden inhoudelijk kunnen slagen en zo ja, dan eventueel pas te bezien of het relativiteitsbeginsel als neergelegd in artikel 8:69a [4] Awb aan gegrondverklaring van het beroep op deze gronden in de weg staat.
11.3.1.
De eisersgroep en SPM, hebben gesteld dat de bouwvergunningen zijn verleend in strijd met het bepaalde in de artikelen 4.1, 4.3 en 4.4 van het exploitatieplan. In deze regels staat het volgende.
11.3.2.
Artikel 4.1 van de regels van het exploitatieplan luidt als volgt:
Het verlenen van vergunningen voor het bouwen van woningen is uitsluitend toegestaan als het gebied waarop deze vergunningen betrekking hebben
een aaneensluitend ontwikkelgebied vormtmet in ontwikkeling zijnde of reeds gerealiseerde woningbouw en bijbehorende groen‐ en waterstructuur. In aanvulling hierop wordt ook een ontwikkelgebied ten noorden van de centrale waterpartij en grenzend aan de Korte Muiderweg in ontwikkeling gebracht.
11.3.3.
In artikel 4.3 is bepaald dat om te voldoen aan de afspraken in de SUOK [5] de
ontwikkeling van groengebieden parallel dient plaats te vindenaan de ontwikkeling van woongebieden.
11.3.4.
In artikel 4.4 is bepaald dat de vergunning voor het bouwen van de
1500e woningin het exploitatiegebied niet kan worden verleend voordat 50% van het te realiseren structureel groen en blauw in ontwikkeling is gebracht. Onder ‘in ontwikkeling is gebracht’ wordt verstaan: gronden waarvoor ten minste werken en werkzaamheden zijn gemeld, zoals bedoeld in 2.2.
11.3.5.
In artikel 2.2 (2.2.1) staat dat ten minste 8 weken vóór de voorgenomen aanvang van de uitvoering van werken en werkzaamheden door de exploitant daarvan schriftelijk melding wordt gedaan aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen de werken en werkzaamheden worden uitgevoerd. Ook staat in artikel 2.2 (2.2.2) dat bij die melding het proces‐verbaal van aanbesteding wordt gevoegd, dat in ieder geval inhoudt op welke wijze de opdracht voor de uitvoering van werken en werkzaamheden is gegund.
11.4.
De artikelen 4.3 en 4.4 van het exploitatieplan zijn op 9 juli 2020 vastgesteld ter vervanging van artikel 4.3 van het oorspronkelijke exploitatieplan, waarin dwingend was opgenomen dat voor elke hectare waarvoor een vergunning voor het bouwen van woningen (met daarbij behorende gronden) is verleend 1,37 hectare aan structureel groen en water dient te worden ingericht binnen het exploitatiegebied. Reden voor deze wijziging was dat de oude bepaling niet werkbaar bleek bij het verlenen van individuele vergunningen voor bouwen, zo blijkt uit de uitspraak van de Raad van State van 15 december 2021 [6] . In deze uitspraak heeft de Raad van State ook tot uitdrukking gebracht dat voor parallelle ontwikkeling als bedoeld in artikel 4.3 volstaat dat de plannen voor groenvoorzieningen en woongebieden in samenhang zijn gemaakt en realisering voldoende vaststaat door een begin van uitvoering. Daarbij zag de Raad van State in artikel 4.4 een voldoende concrete waarborg voor het realiseren van de afgesproken hoeveelheid groen en water [7] .
11.5.
Voor de rechtbank staat voldoende vast dat sprake is van één ontwikkelgebied met in ontwikkeling zijnde of reeds gerealiseerde woningbouw en bijbehorende groen‐ en waterstructuur in de hiervoor genoemde zin als bedoeld in artikel 4.1 exploitatieplan. Bovendien staat vast dat het naastliggende gebied (ontwikkelgebied 2B3 Oost) ontwikkeld is en dat de nu vergunde delen van de wijk hierop aansluiten. Ook staat voor de rechtbank als onbestreden vast dat de plannen voor groenvoorzieningen en woongebieden in samenhang zijn gemaakt en dat een begin van uitvoering van die plannen is gemaakt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat wordt voldaan aan artikel 4.1 en 4.3 van het exploitatieplan.
11.6.
Artikel 4.4 van het exploitatieplan betreft een voorwaarde voor de vergunning van de 1500e woning van het project. Niet betwist is dat die vergunning al was verleend voordat vergunning 2 werd verleend. De vraag of bij de verlening van de vergunning voor de 1500e woning werd voldaan aan artikel 4.4 exploitatieplan ligt dus nu niet ter beoordeling voor. Omdat met de nu voorliggende vergunning niet de 1500e woning wordt vergund, concludeert de rechtbank dat vergunning 2 niet in strijd met artikel 4.4 exploitatieplan is verleend. De betogen van eisers 2 en SPM op dit punt slagen daarom (ook) niet. Aan toetsing of is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 2.2 exploitatieplan komt de rechtbank gelet hierop niet toe.
11.7.
De stelling van de eisersgroep en SPM dat de vergunningen zijn verleend in strijd met het bepaalde in het exploitatieplan slagen daarom niet. Het beroep van de eisersgroep en SPM op dit punt is daarom ongegrond. Aan de vraag of de regels uit het exploitatieplan waarop de eisersgroep en SPM zich beroepen strekken ter bescherming van hun belangen komt de rechtbank daarom niet toe.
Strijd met het bestemmingsplan
12.1.
Volgens de eisersgroep en SPM is de omgevingsvergunning verleend in strijd met het bepaalde in artikel 14.1, onder d, van de planregels van het bestemmingsplan Bloemendalerpolder, voormalig grondgebied Muiden, dat deel uitmaakt van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam. Volgens de eisersgroep en SPM konden omgevingsvergunningen niet verleend worden, omdat er geen sprake is van minimaal 31 ha aan structureel groen en water binnen het plangebied.
12.2.
Het artikel waar de eisersgroep en SPM naar verwijzen is opgenomen in het bestemmingsplan Bloemendalerpolder, voormalig grondgebied Muiden. Dit bestemmingsplan is niet van toepassing op de gronden waarop omgevingsvergunning 2 ziet. Zoals hiervoor al onder rechtsoverweging 10 is overwogen worden in deze uitspraak alleen (nog) de gronden beoordeeld die zien op omgevingsvergunning 2.
12.3.
Volledigheidshalve overweegt de rechtbank nog wel dat een gebruiksbepaling in een bestemmingsplan (zoals artikel 14) bepaalt op welke manieren de gronden binnen de bestemming woongebied gebruikt mogen worden. Het gebruik dat niet wordt genoemd in een dergelijke bepaling is niet toegestaan. Een gebruiksbepaling schept echter geen verplichtingen tot het gebruik van de gronden.
12.4.
Het betoog van de eisersgroep en SPM op dit punt treft dus geen doel.
13.1.
Volgens de eisersgroep en SPM heeft het college ten onrechte omgevingsvergunning 2 verleend, omdat daarmee is afgeweken van planregel 14.2.5 bestemmingsplan Bloemendalerpolder Weesp zonder goede onderbouwing. Van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is volgens de eisersgroep en SPM geen sprake. Het belang van een goed leefmilieu voor de bewoners is niet betrokken bij de afweging, en dat had wel gemoeten. Daarbij komt dat het beoogde park al een keer verkleind is door de komst van een tijdelijke school. De eisersgroep en SPM hebben een “beoordeling versmalling groenstructuur Bredelaan – Weespersluis” laten opstellen [8] door ing. [naam 8] en [naam 9] (van bureau OASE Stedenbouw en landschap) en [naam 10] (senior stedenbouwkundig adviseur van de gemeente Zaanstad/Supervisie Maak Noord) en overgelegd.Conclusie van die beoordeling is dat de versmalling van de parkzone leidt tot een degradatie van de hoofdgroenstructuur van Weespersluis. Dit is, aldus de stedenbouwkundigen, stedenbouwkundig en landschappelijk niet verantwoord.
De rechtbank overweegt over deze beroepsgrond als volgt.
13.2.1.
Artikel 14.2.5 van de planregels van het bestemmingsplan Bloemendalerpolder Weesp luidt als volgt.
Specifieke bouwaanduiding - laan
In aanvulling en/of afwijking van het bepaalde in lid 14.2.1 geldt dat ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - laan' een laan wordt gerealiseerd met een minimale afstandsmaat van 60 meter tussen de perceelsgrenzen van de woningen.
13.2.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 5.1, eerste lid, onder a, Omgevingswet en artikel 8.0a, tweede lid, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) kan het college (buitenplans) afwijken van een Omgevingsplan als sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
13.3.
Volgens het college is sprake van ETFAL. Het college gaat er hierbij vanuit dat met de afwijking van deze planregels nog een laan met een breedte van 40 meter gerealiseerd kan worden. Het college heeft hierover op basis van advies van de afdeling Ruimte en Duurzaamheid overwogen dat met de laan wordt beoogd om landschappelijke kwaliteit en een herkenbaar element in het plan te brengen en dat de laan ook moet functioneren als buurtpark voor de aanliggende woongebieden. Het college heeft voorts overwogen dat al in 2018 is geconstateerd dat de oorspronkelijke opzet van de Brede Laan niet voldeed aan de doelstellingen bij de laan. De ruimte zou onvoldoende geschikt zijn als buurtpark en de in het bestemmingsplan gestelde breedtemaat zorgt, in combinatie met de lange lengte, juist voor onvoldoende betrokkenheid van de aanliggende woningen bij de ruimte. Daarom is al in 2018 bedacht om de Brede Laan gedifferentieerder vorm te geven: een middenstuk met parkkwaliteit (het huidige park aan de Muiderslotlaan) met in het verlengde aan beide zijden juist een iets minder brede laan. In het park aan de Muiderslotlaan is de brede maat uit het bestemmingsplan gerealiseerd, maar zonder de strenge vier bomenrijen, zodat een meer parkachtige kwaliteit ontstaat, gericht op recreatieve waarde. Aan beide kopse zijdes van het park versmalt de ruimte naar circa 40-45 meter. In deze delen is het laan-karakter dominant door hier wel 4 relatief strenge bomenrijen te ontwerpen. Gezamenlijk ontstaat zo nog steeds een herkenbare ruimte, met een lange, brede maat, die echter aantrekkelijker is ingericht met meer differentiatie in uitstraling en gebruiksmogelijkheden. De versmalling van stukken aan de Oost- en Westzijde zorgt voor een meer overzichtelijke parkmaat en meer betrokkenheid van de woningen bij de laan in het smallere deel.
13.4.
De rechtbank stelt voorop dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beoordelings- en beleidsruimte toekomt. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De rechtbank is van oordeel dat het college met het voorgaande voldoende overtuigend heeft onderbouwd waarom ondanks de afwijking van het Omgevingsplan sprake is van ETFAL. De door de eisersgroep en SPM overgelegde beoordeling maakt dit niet anders. Daarin wordt slechts beargumenteerd dat is afgeweken van het beeldkwaliteitsplan op hoofdlijnen, maar de redenen waarom het college hiermee akkoord is zijn hierin niet beoordeeld. Niet valt in te zien dat de voor de afwijking gegeven motivering van het college niet toereikend zou zijn.
Welstand en Beeldkwaliteitsplan
14.1.
Volgens de eisersgroep en SPM is de besluitvorming gebaseerd op een advies, uitgebracht door een partijdige welstandscommissie, omdat de welstandscommissie, die wordt gevormd door een “kwaliteitsteam” bestaat uit één afgevaardigde van de aanvrager en één afgevaardigde van de publieke partijen, waarbij elke afgevaardigde één stem heeft. De aanvrager (vergunninghouder) heeft daarom een doorslaggevende stem, aldus de eisersgroep en SPM.
14.2.
De rechtbank volgt de eisersgroep en SPM op dit punt niet. Uit artikel 15 van Pro de door de eisersgroep en SPM overgelegde definitieve versie van de Samenwerkings- en Uitvoeringsovereenkomst Bloemendalerpolder van 26 september 2012 (SUOK) volgt dat het kwaliteitsteam de welstand beoordeelt en dat het kwaliteitsteam uit twee leden bestaat, maar ook dat besluiten unaniem genomen moeten worden en dat besluiten anders moeten worden voorgelegd aan het Regie Overleg [9] . Dat de vergunninghouder een doorslaggevende stem heeft bij de totstandkoming van een advies over welstand is dus niet juist.
15.1.
Volgens de eisersgroep en SPM is de toets aan de eisen van welstand onvolledig, omdat niet slechts de te vergunnen bebouwing had moeten worden getoetst. Er had ook getoetst moeten worden of wordt voldaan aan het Beeldkwaliteitsplan op hoofdlijnen, en dan met name het bepaalde daarin over het daarin opgenomen ruimtelijke kader. Er is niet getoetst aan de hoofdstructuur water, groen, verkeer, cultuurhistorie en woonvelden en niet getoetst aan de beeldkwaliteit voor het water, de openbare ruimte en specials. Het college had het welstandsadvies daarom volgens de eisersgroep en SPM niet ten grondslag mogen leggen aan de besluitvorming.
15.2.
De rechtbank volgt de eisersgroep en SPM ook hierin niet. Zoals derde-belanghebbenden terecht hebben gesteld in de schriftelijke reactie van 25 september 2025 gaat het bij de toetsing van de nu verleende vergunningen alleen om de bouw van woningen, en moet in het kader van de welstandsbeoordeling dus alleen getoetst worden of de vergunde woningen voldoen aan de daarvoor gestelde welstandsnormen. De vraag of de omgeving van de vergunde woningen (al) voldoet aan de daaraan in het exploitatieplan of het beeldkwaliteitsplan gestelde eisen speelt hierbij geen rol. Dit valt buiten de beoordelingsreikwijdte van de aanvraag.
Overige beroepsgronden
16. De stelling van de eisersgroep en SPM dat de bezwaarschriftencommissie ten onrechte de Wabo als uitgangspunt heeft genomen en heeft aangenomen dat de Crisis- en herstelwet (CHW) van toepassing is, leidt ook niet tot een gegrond beroep. Aan de eisersgroepen SPM kan weliswaar worden toegegeven dat de Wabo en de CHW per 1 januari 2024 zijn komen te vervallen en dat de Wabo is vervangen door de Omgevingswet, maar niet is gebleken dat het advies daardoor inhoudelijk onjuist is. Daarbij weegt mee dat de toets onder Wabo en Omgevingswet, voor zover hier van belang, vergelijkbaar is. Bovendien heeft het college in de bestreden besluiten wel getoetst aan het juiste toetsingskader.
17. Ook de stelling dat de bezwaarschriftencommissie geen onafhankelijke commissie is als bedoeld in artikel 7:13 Awb Pro treft geen doel, omdat geen sprake was van een onafhankelijke hoorcommissie in de zin van artikel 7:13 van Pro de Awb, maar van ambtelijk horen, als bedoeld in artikel 7:5 Awb Pro.
18. Wel slaagt de grond over het horen. Niet in geschil is dat [eiseres 3] , de eisersgroep en SPM niet hebben ingestemd met het telefonisch horen in bezwaar. Daarom is er sprake van strijd met artikel 7:2, eerste lid, Awb. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro, omdat [eiseres 3] , de eisersgroep en SPM in beroep alsnog hun standpunt hebben kunnen toelichten. Het is daarom niet aannemelijk dat [eiseres 3] , de eisersgroep en SPM door de schending van artikel 7:2, eerste lid, Awb in hun belangen zijn geschaad.

Conclusie en gevolgen

In zaak 25/1581
19.1.
Het beroep van SFF, dat is gericht tegen beide besluiten op bezwaar, is gegrond, omdat SFF in die besluiten ten onrechte ontvankelijk is geacht door het college. De rechtbank zal de bestreden besluiten gericht aan SFF daarom vernietigen en zelf in de zaak voorzien door de bezwaren van SFF tegen de beide vergunningen alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.
19.2.
De rechtbank ziet, ondanks de gegrondverklaring van het beroep in deze zaak, geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding, omdat niet gebleken is van daarvoor in aanmerking komende kosten. Wel krijgt SFF zijn griffierecht vergoed.
In zaak 25/2303
20.1.
Het beroep van [eiseres 3] tegen het besluit op haar bezwaar tegen omgevingsvergunning 1 is ongegrond. Hetbezwaar van [eiseres 3] tegen omgevingsvergunning 1 is terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
20.2.
Ondanks dat het beroep ongegrond is ziet de rechtbank aanleiding om het college op te dragen om het griffierecht en de proceskosten in deze zaken te vergoeden, omdat er een gebrek is geconstateerd in het horen.
In de zaken 25/2288 en 25/2305
21.1.
Het beroep van de eisersgroep en [eiseres 3] tegen de besluiten op hun bezwaar tegen omgevingsvergunning 2 is ongegrond.
21.2.
Ondanks dat de beroepen ongegrond zijn ziet de rechtbank aanleiding om het college op te dragen om het griffierecht en de proceskosten in deze zaken te vergoeden, omdat er een gebrek is geconstateerd in het horen.
In zaak 25/2285
22.1.
Het beroep van SPM is gegrond, omdat het bezwaar van SPM ten onrechte door het college niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit op dit punt. Het bezwaar is vervolgens ter zitting aangemerkt als rechtstreeks beroep. De rechtbank oordeelt dat SPM ontvankelijk is, maar dat het beroep ongegrond is.
22.2.
In deze zaak is er aanleiding voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht, omdat het beroep in deze zaak gegrond is voor zover het ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar.
Ten aanzien van de proceskosten en het griffierecht in de zaken van SPM, de eisersgroep en [eiseres 3]
23.1.
Nu SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] gezamenlijk (in één beroepschrift) beroep hebben ingesteld en de gemachtigde voor alle eisers ter zitting is verschenen krijgen SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] gezamenlijk een proceskostenvergoeding. De vergoeding ziet op rechtsbijstand en bepaalt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht op €1.868,00 (tweemaal € 937 voor het beroepschrift en het verschijnen ter zitting).
23.2.
De rechtbank heeft voor de beroepen van SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] gezamenlijk één keer een bedrag van € 185,- aan griffierecht geheven. De rechtbank zal gelet op het voorgaande daarom bepalen dat het college dit bedrag aan hun zal moeten vergoeden.

Beslissing

In de zaak HAA 25/1581
De rechtbank:
  • verklaart het beroep van SFF in de zaak geregistreerd met zaaknummer
  • vernietigt het bestreden besluit dat ziet op het bezwaar van SFF;
  • voorziet zelf in de zaak en verklaart SFF niet-ontvankelijk in haar bezwaar;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • bepaalt dat het college aan SFF het betaalde griffierecht ten bedrage van € 385,- vergoedt.
In de zaak HAA 25/2285
De rechtbank:
  • verklaart het beroep van SPM gegrond, voor zover het ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover het ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van SPM;
  • verklaart het als (rechtstreeks) beroep aangemerkte bezwaar van SPM ongegrond.
In de zaken HAA 25/2303, HAA 25/2305 en HAA 25/2288
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond.
In de zaken HAA 25/2285, HAA 25/2303, HAA 25/2305 en HAA 25/2288
De rechtbank:
  • veroordeelt het college tot betaling van in totaal € 1.868,- aan proceskosten aan SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] gezamenlijk;
  • bepaalt dat het college aan SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] gezamenlijk het betaalde griffierecht ten bedrage van € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en mr. R. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Raad van State) van 19 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:169).
2.Zie onder meer de uitspraak van de Raad van State van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS: 2022:1907).
3.De gemeente Weesp is in 2022 opgegaan in de gemeente Amsterdam.
4.In dat artikel staat dat de rechtbank een besluit niet mag vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
5.De Samenwerkings- en Uitvoeringsovereenkomst tussen de projectontwikkelaar en de gemeente(n).
6.Zie overweging 6.4 van de uitspraak, ECLI:NL:RVS:2021:2825.
7.Zie overweging 7, 7.1.1 en 7.1.2 van de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van State van 15 december 2021 en overweging 3.41 van de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1406
8.Gedateerd 3 november 2025.
9.Zie artikel 15, zesde lid SUOK