Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6080

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
K/4102/12159991
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:653 lid 4 BWArt. 7:686a lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens duurzaam verstoorde arbeidsverhouding met toekenning billijke vergoeding

De werkgever, United Group MC B.V. (UGMC), verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer, general counsel, vanwege vermeend verwijtbaar handelen in een aandeelhoudersgeschil. De werknemer zou de minderheidsaandeelhouder hebben geadviseerd, terwijl hij het vennootschapsbelang had moeten dienen. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer niet verwijtbaar heeft gehandeld, maar dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord.

De verstoring is toe te rekenen aan ernstig verwijtbaar handelen van UGMC, die de werknemer buitensloot van bedrijfsvoering en contacten met externe partners, zonder hoor en wederhoor. Herplaatsing is niet mogelijk. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 januari 2027, met toekenning van een transitievergoeding van € 88.686 en een billijke vergoeding van € 750.000 wegens het ernstig verwijtbaar handelen van UGMC.

Het tegenverzoek van de werknemer om het concurrentiebeding niet langer te laten gelden wordt toegewezen, omdat het einde van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van UGMC. De proceskosten worden aan UGMC opgelegd. UGMC krijgt gelegenheid het verzoek in te trekken tot 10 juni 2026.

Uitkomst: Arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 januari 2027 wegens duurzaam verstoorde arbeidsverhouding met toekenning van € 750.000 billijke vergoeding aan werknemer.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer / rekestnummer: 12159991 \ AO VERZ 26-46
Beschikking van 1 juni 2026
in de zaak van
UNITED GROUP MC B.V,
gevestigd te Hoofddorp,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: UGMC,
gemachtigde: mr. P.G. Vestering,
tegen
[verweerder],
wonende te [plaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. M.W. Koole.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werkgever, UGMC, om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer, [verweerder] . Zij doet dat verzoek (kort gezegd) omdat de werknemer in een geschil tussen twee aandeelhouders van de groep waar UGMC onderdeel van uitmaakt, ten behoeve van de minderheidsaandeelhouder juridisch advieswerk zou hebben verricht, terwijl hij – in zijn rol als general counsel voor de groep – slechts het vennootschapsbelang had moeten dienen.
De kantonrechter oordeelt dat de werknemer niet verwijtbaar heeft gehandeld. De kantonrechter wijst het verzoek tot ontbinding wel toe, omdat de arbeidsverhoudingen tussen partijen ernstig en duurzaam verstoord zijn. Aan de werknemer wordt een billijke vergoeding van € 750.000,- toegekend, omdat de verstoring van de verhoudingen te wijten is aan ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift, met een tegenverzoek;
- de nadere producties van UGMC;
- de mondelinge behandeling van 13 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De kantonrechter heeft bepaald dat uiterlijk 10 juni 2026 beschikking zou worden gegeven. De beschikking wordt vandaag bij vervroeging uitgesproken.

2.De wederzijdse verzoeken en het geschil

2.1.
UGMC verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege (ernstig) verwijtbaar handelen (de e-grond), subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond), meer subsidiair vanwege andere omstandigheden die zodanig zijn dat van UGMC niet gevergd kan worden dat zij de arbeidsovereenkomst laat voortduren (de h-grond) en uiterst subsidiair vanwege een combinatie van die gronden (de i-grond).
2.2.
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van de wettelijke transitievergoeding, (indien op de i-grond wordt ontbonden) een maximale cumulatievergoeding en een billijke vergoeding. [verweerder] heeft daarnaast een tegenverzoek gedaan. [verweerder] verzoekt een verklaring voor recht dat UGMC geen rechten meer kan ontlenen aan het concurrentiebeding zoals vastgelegd in artikel 14.1 van de arbeidsovereenkomst.
2.3.
Het geschil laat zich als volgt samenvatten.
2.3.1. [verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1976, is sinds 1 augustus 2020 in dienst bij UGMC. De functie van [verweerder] is General Counsel van United Group met een loon van € 315.000,- bruto per jaar, te vermeerderen met een jaarlijkse bonus van (maximaal) 50%. [verweerder] heeft ieder jaar zijn maximale bonus ontvangen.
2.3.2.
UGMC verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, kort gezegd omdat [verweerder] gedurende een geschil tussen twee aandeelhouders van de groep waar UGMC onderdeel van uitmaakt ‘kant heeft gekozen’ voor de minderheidsaandeelhouder, terwijl hij als General Counsel slechts de belangen van de groep had moeten dienen. Het arbeidsrechtelijke geschil speelt zich dus af tegen de achtergrond van een groot en complex vennootschapsrechtelijk geschil met enorme belangen, welk geschil ook nog eens een internationaal karakter heeft. De kantonrechter zal hierna een samenvatting van dat geschil geven. Daarbij beschrijft zij alleen die elementen die voor beoordeling van de arbeidsrechtelijke verzoeken die nu voorliggen (direct of bij wijze van context) relevant zijn. Deze beschrijving van dat geschil is dan ook niet volledig en zal hier en daar vennootschapsrechtelijke nuance missen; daarvoor kiest de kantonrechter ten behoeve van de leesbaarheid van deze beschikking.
2.3.3.
De top van de groep waar UGMC onderdeel van uit maakt – de United Group – is, met tussenkomst van de nodige andere vennootschappen die nu niet relevant zijn – terug te leiden tot o.a. United Group B.V. en – daarboven, naast enkele kleine aandeelhouders, BC Partners als meerderheidsaandeelhouder (53,37%) en twee vennootschappen van de heer [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ). [betrokkene 1] is oorspronkelijk oprichter van de groep en houdt nog 36,25% van de aandelen.
2.3.4.
Sinds de overname van het meerderheidsaandeel door BC Partners in 2019, heeft [betrokkene 1] geen statutaire verantwoordelijkheid meer binnen de groep. [betrokkene 1] was wel nog als adviseur verbonden aan de groep via een Consultancy Agreement. [betrokkene 1] was Chairman of the Board van de groep. In de aandeelhoudersovereenkomst tussen [betrokkene 1] en BC Partners zijn afspraken gemaakt over de mate waarin [betrokkene 1] al dan niet zelfstandig binnen de groep beslissingen kon nemen.
2.3.5.
In 2024 heeft BC Partners pogingen gestart om United Group te verkopen. Een en ander leidde niet tot een (volledige) verkoop. Op enig moment daarna zijn gesprekken gestart tussen BC Partners en [betrokkene 1] , omdat [betrokkene 1] beoogde het meerderheidsbelang van BC Partners te verwerven; [betrokkene 1] wilde weer volledige controle over de groep. De gesprekken hebben niet tot een verkoop geleid.
2.3.6.
Op 16 juni 2025 is de Consultancy Agreement van [betrokkene 1] beëindigd en is de CEO ( [betrokkene 2] ) ontslagen. Beiden zijn vervangen door [betrokkene 3] (CEO, hierna: [betrokkene 3] ) en [betrokkene 4] (deputy CEO, hierna: [betrokkene 4] ).
2.3.7.
Tussen [betrokkene 1] en BC Partners / United Group hebben drie procedures gelopen; een procedure bij de Ondernemingskamer in Amsterdam, een procedure in Engeland over een door de groep aan [betrokkene 1] verschuldigde bonus van 200 miljoen euro en een procedure bij de rechtbank Amsterdam over (de beëindiging van) de Consultancy Agreement tussen United Group B.V. en [betrokkene 1] .
2.3.8.
In de procedure bij de Ondernemingskamer stelde [betrokkene 1] zich op het standpunt dat binnen de groep sprake was van een bestuurscrisis en dat (daarom) de huidige leiding – [betrokkene 3] en [betrokkene 4] – plaats moest maken voor de terugkeer van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . De Ondernemingskamer heeft (de bedrijven van) [betrokkene 1] niet-ontvankelijk verklaard, kort gezegd omdat de belangen van [betrokkene 1] niet op één lijn konden worden gesteld met de belangen van een aandeelhouder in United Group zelf.
2.4.
Tegen deze achtergrond moeten de door UGMC aangevoerde gronden voor ontslag worden beoordeeld. UGMC stelt zich op het standpunt dat [verweerder] zich ten onrechte en op de verkeerde manier heeft gemengd in dit geschil en dat [verweerder] daarmee (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld, althans in ieder geval ervoor heeft gezorgd dat UGMC geen enkel vertrouwen meer in hem heeft. [verweerder] op zijn beurt stelt dat UGMC ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, o.a. door hem buiten te sluiten; zij zou zelfs externe partners hebben bericht dat zij met [verweerder] geen zaken meer moesten doen.
2.5.
Hetgeen partijen verder hebben aangevoerd komt – voor zover van belang – onder de beoordeling aan de orde.

3.De beoordeling

Beoordeling van het verzoek
3.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. De kantonrechter moet in deze zaak dus beoordelen of sprake is van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Ook moet worden beoordeeld of herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
3.2.
De kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van zodanig verwijtbaar handelen door [verweerder] dat van UGMC in redelijkheid niet gevergd kan worden de overeenkomst te laten voortduren. Wel is sprake van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Gelet op de aard en omvang van de verstoring, ligt herplaatsing niet in de rede. De arbeidsovereenkomst wordt dan ook op de g-grond ontbonden. Omdat de kantonrechter daarnaast oordeelt dat de verstoorde verhoudingen het gevolg zijn van ernstig verwijtbaar handelen van UGMC, wordt aan [verweerder] een billijke vergoeding toegekend. De kantonrechter is tot dit oordeel gekomen op basis van de hiernavolgende overwegingen.
Het handelen van [verweerder]
3.3.
In de kern verwijt UGMC [verweerder] dat hij consequent en systematisch de kant van [betrokkene 1] heeft gekozen en alleen in diens belang heeft gehandeld en dat hij – ook nu nog – de lijn van [betrokkene 1] volgt, terwijl hij in zijn rol als General Counsel in het belang van de vennootschap had moeten handelen. UGMC werkt dat verwijt uit in drie onderdelen:
a. [verweerder] zou [betrokkene 1] hebben geholpen bij het voeren van procedures tegen de groep;
zou deelgenomen hebben aan het plan om een bestuurscrisis te fabriceren binnen United Group;
zou zich afzijdig hebben gehouden bij het nieuwe management en zich op onprofessionele wijze hebben geassocieerd met [betrokkene 1] .
Ad a) Het adviseren bij te voeren procedures
3.4.
De door UGMC gestelde betrokkenheid bij procedures is door UGMC slechts concreet gemaakt voor zover het de procedures bij de Engelse rechter en de Ondernemingskamer betreft. Ter onderbouwing van die betrokkenheid heeft UGMC gewezen op de volgende Signal-berichten die [verweerder] heeft verstuurd.
23 april 2025
[verweerder]:
Should we discuss this management replacement scenario later today
I don’t see what prevents BCP from saying today that as majority shareholder they decide to replace UG management – unless there is something in the shareholders agreement.
And some employment agreements also, but not so much given our preference for agency agreements
[betrokkene 5] :There are certain clauses of protection for DS and VB in the SHA
[verweerder]Yes that’s the main thing.
How do you want to proceed - should we discuss or will you revert to [betrokkene 1] ?
27 mei 2025
[verweerder][betrokkene 5] will you answer [betrokkene 6] ’s question 1
On Q3 I think the answer is that this has never formally happened?
[betrokkene 5] :Will look into it… can I answer on email? Ot should we transfer to Signal?
[verweerder]Email is ok
It’s just info
4 juni 2025[verweerder]
Can we speak today to [betrokkene 6] from [bedrijf 1] to walk thru their questions
[betrokkene 5]
Ok for me…
13 juni 2025
[verweerder]Ok to speak on Monday 10am to [betrokkene 7] to get his estimates of chances of success? [betrokkene 1] will join
15 juni 2025[verweerder]Hi [betrokkene 5]
Can we finalise the minutes of UG board. We can use them in Dutch submission”
3.5.
Uit die berichten volgt volgens UGMC in de eerste plaats dat [verweerder] de bewuste afweging heeft gemaakt tussen e-mail en Signal, wetende dat Signal-berichten makkelijker te verbergen zijn. Daaruit trekt UGMC de conclusie dat [verweerder] wist dat wat hij deed niet door de beugel kon; hij zou heimelijk hebben gehandeld.
3.6.
De kantonrechter deelt die opvatting niet, althans zij verbindt daar niet dezelfde conclusie aan. Op zichzelf is niet onlogisch dat in gevoelige trajecten – waarin zelfs binnen de onderneming verschillende belangen spelen – zorgvuldig wordt omgegaan met de wijze van communiceren. Hoewel het mogelijk is dat die afweging door [verweerder] gemaakt werd in een poging zijn betrokkenheid bij de procedures te verhullen (zoals UGMC stelt) is dat niet komen vast te staan. Gelet op hetgeen hierna zal worden geoordeeld over de betrokkenheid van [verweerder] bij die procedures, is dat naar het oordeel van de kantonrechter ook niet aannemelijk.
3.7.
Volgens UGMC blijkt uit de Signal-berichten de betrokkenheid van [verweerder] bij de Engelse procedure over de special bonus en verder dat [verweerder] bij de voorbereiding van de Ondernemingskamer procedure betrokken is geweest en dat hij [betrokkene 1] daarbij van advies heeft voorzien.
3.8.
UGMC miskent bij het maken van deze verwijten dat [betrokkene 1] tot 16 juni 2025 nog in functie was. Formeel had [betrokkene 1] weinig zeggenschap binnen de groep, maar UGMC heeft de rol van [betrokkene 1] in haar pleitnota niet voor niets als volgt beschreven: [betrokkene 1] was “feitelijk de baas” en hij gaf leiding aan UG “alsof het zijn eigen familiebedrijf was”. UGMC spreekt ook structureel over de “feitelijke machtspositie” die [betrokkene 1] binnen de groep had. Die feitelijke situatie, formeel zo geregeld of niet, is wel de context waarin [verweerder] aan het werk was, in ieder geval tot 16 juni 2025. [verweerder] legde in de praktijk ook verantwoording af aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
3.9.
De Signal-berichten waar UGMC naar verwijst, zijn allemaal van vóór 16 juni 2025. Zij stammen dus allemaal uit de tijd dat [betrokkene 1] nog de baas van [verweerder] was. Dat is van belang, omdat het handelen van [verweerder] in die periode moet worden bezien in die context.
3.10.
Bovendien heeft [verweerder] ter zitting verklaard niet alleen met de advocaten van [betrokkene 8] (de advocaten van [betrokkene 1] tijdens de Ondernemingskamer procedure) te hebben gesproken, maar ook met andere advocaten, zoals De Brauw en Kirkland & Ellis. Eerstgenoemde is advocaat van United Group en laatstgenoemde is de advocaat van BC Partners, de grootaandeelhouder waarmee [betrokkene 1] uiteindelijk in geschil kwam. [verweerder] heeft verklaard dat hij zich in de periode vóór 16 juni 2025 én daarna vanuit verschillende kanten heeft laten adviseren over de mogelijkheden om de problemen die er in de vennootschap gaande waren op te lossen, zodat hij van betekenis kon zijn voor het oplossen van de problemen. De advocaten (van [betrokkene 8] ) hebben [verweerder] voorgehouden dat de Ondernemingskamer een bijzonder gerecht is dat helpt bij het oplossen van problemen binnen vennootschappen. [verweerder] heeft aldus geen kwaad gezien in het starten van die procedure. Voor zover het in de Signal-berichten gaat over vragen van ‘ [betrokkene 6] from [bedrijf 1] ’ (het advocatenkantoor [bedrijf 1] dat United Group veelvuldig inhuurde) heeft [verweerder] gemotiveerd weersproken dat deze vragen op de (voorbereiding van de) Engelse procedure zagen.
3.11.
UGMC heeft de stelling van [verweerder] dat hij zich van verschillende kanten heeft laten adviseren, onvoldoende gemotiveerd weersproken. Terecht stelde UGMC ter zitting dat [verweerder] bij de beoordeling van het advies van [betrokkene 8] (om de Ondernemingskamer in te schakelen) mogelijk naïef is geweest. Het had op de weg van [verweerder] gelegen zich nader te informeren over de wijze waarop de Ondernemingskamer te werk gaat, zodat hij zich ervan had kunnen vergewissen dat dergelijke procedures weliswaar bedoeld zijn om geschillen binnen vennootschappen op te lossen, maar dat dat niet – zoals [verweerder] stelde – op een bijna mediation-achtige wijze gaat. UGMC verwijst hierbij naar het feit dat [betrokkene 1] in die procedure niet vroeg om oplossing van het probleem, maar om vervanging van de toen actieve CEO. Dat verwijt is echter in die zin onterecht, dat dit deel van het verzoek pas later – op 5 september 2025 – door (de advocaten van) [betrokkene 1] aan de procedure is toegevoegd. Niet gesteld is dat op het moment dat de mogelijkheden voor een procedure bij de Ondernemingskamer besproken werden (tijdens de bijeenkomsten waarvan vast staat dat [verweerder] die heeft bijgewoond), die mogelijkheid al aan de orde is geweest. Dat kan ook helemaal niet, omdat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op dat moment nog in functie waren.
3.12.
In de periode vóór 16 juni 2025 kan de betrokkenheid van [verweerder] bij de op dat moment nog niet gestarte procedure bij de Ondernemingskamer slechts zeer beperkt aan [verweerder] worden tegengeworpen: de initiatiefnemer van de overleggen was feitelijk de baas van de hele onderneming én [verweerder] heeft aannemelijk gemaakt dat hij – in het belang van de vennootschap – ook andere mogelijkheden heeft geïnventariseerd en daarover advies heeft ingewonnen. [verweerder] valt in dit verband toch wel enig verwijt te maken. Van iemand die als General Counsel werkzaam is op zijn niveau, mag meer zelfstandigheid en transparantie worden verwacht. Het was logischer geweest als hij van alle adviezen die hij had ingewonnen zelf een (advies) notitie had opgesteld ten behoeve van het bestuur en dit had laten toetsen bij een verder onafhankelijk advocatenkantoor. [verweerder] heeft zich, zo lijkt het, laten meeslepen in de route die zijn toenmalige baas koos en heeft daarin mogelijk te weinig tegenwicht geboden. In dat geval heeft hij zijn rol als General Counsel van de groep niet optimaal vervuld. Als hij zich voldoende zorgvuldig had laten adviseren over de aard van de procedure bij de Ondernemingskamer, dan had hij geweten dat het opmaken en toezenden van notulen ten behoeve van die procedure niet bij zijn rol had gepast. Dat is echter niet te kwalificeren als voor ontbinding voldoende verwijtbaar handelen. Daarvoor is het verwijt dat [verweerder] gemaakt kan worden onvoldoende ernstig.
3.13.
Ook de verklaring van [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) die door UGMC in het geding is gebracht, biedt onvoldoende steun voor de conclusie dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld door betrokkenheid bij de procedure bij de Ondernemingskamer. Die verklaring luidt als volgt:
“To whom it may concern,
Upon request, I can confirm a number of events in view of pending court proceedings by UGMC against Mr. [verweerder] .
I attended several meetings with external law firms [bedrijf 2] , [bedrijf 1] and [betrokkene 8] during April, May and June 2025. These meetings included senior management, with [verweerder] present. The meetings primarily concerned discussions about protecting [betrokkene 1] ’s interests at the UG BV level, including the special bonus matter and litigation options available under Dutch law. The lawyers would discuss the procedural options for [betrokkene 1] and possible strategies. During these meetings, 1 primarily listened to what [betrokkene 1] had to say and share with the management group, with all VPs and senior management invited, including [verweerder] as general counsel. At meetings where [betrokkene 1] was present, discussions were addressed primarily to him, with [verweerder] also participating.
[verweerder] would ask for clarification and summarise what was said during these calls. He would raise questions and offer opinions, and on occasion would say to [betrokkene 1] “I think we should do this”. [betrokkene 1] did not have direct contact with operational matters or the law f]rms directly; rather, calls were arranged by [verweerder] or [betrokkene 9]. [verweerder] would have made suggestions regarding which counsel to engage. If [betrokkene 1] was not present, [verweerder] would also take the lead during the calls.
[betrokkene 8] was introduced during one of the calls or via Signal communication. My understanding was that [betrokkene 1] engaged [betrokkene 8] as counsel to represent him in putting pressure on the UG board. This was communicated in group communications indicating that this firm would work on this matter. I listened in, but this is not my forte or my topic. It is dear though that they discussed Dutch proceedings against UG board.
[bedrijf 1] and [betrokkene 6] Walsh from QE had an existing engagement with the company, but it became apparent they had taken an active role on [betrokkene 1] ’s side, which was a bit surprising for me. For example, we spoke with [bedrijf 1] after [betrokkene 1] discussed a management buyout with BC Partners. [betrokkene 1] was frustrated and wanted to know what he could do to put pressure on the board, e.g. writing a few letters and things like that. They helped strategize and look at options to protect [betrokkene 1] ’s position within UG.
I remember that on 16 June 2025, a meeting took place with [bedrijf 1] and [betrokkene 8] , attended by [verweerder] , me, and other senior management. The meeting concerned options available at the Dutch level. In the absence of [betrokkene 1] from this calI, [verweerder] was considerably more active. Of the four management participants, [verweerder] had the most active role, with [betrokkene 9] occasionally asking questions. The discussions involved lawyers presenting options for Dutch proceedings, with [verweerder] clarifying and asking follow-up questions. I remember this call better because [betrokkene 2] received an email from [betrokkene 11] (BC Partners) during the call itself and said “guys, 1 was just fired”. This was the day [betrokkene 3] was appointed.
A follow-up meeting occurred on the evening of 16 June 2025 with [bedrijf 1] and [betrokkene 8] . The evening meeting concerned legal options and [betrokkene 1] ’s intention to pursue matters in the legal environment. Discussions about [betrokkene 3] and [betrokkene 10] came in the days following the announcement of their appointment.”
3.14.
[verweerder] heeft de waarde van die verklaring ter discussie gesteld, omdat [betrokkene 5] tot en met de procedure bij de Ondernemingskamer in feite hetzelfde heeft gehandeld als hij: ook [betrokkene 5] was aanwezig bij de bijeenkomsten met advocatenkantoren en ook [betrokkene 5] heeft een van de (hierna nog te bespreken) brieven aan het bestuur van de groep ondertekend. De kantonrechter laat de geloofwaardigheid van de verklaring van [betrokkene 5] in het midden, omdat die verklaring ook los daarvan onvoldoende is om de stellingen van UGMC te kunnen dragen. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt.
3.15.
Hetgeen [betrokkene 5] verklaart over de periode vóór 16 juni 2025 werpt geen ander licht op de kwestie dan hiervoor al besproken. [verweerder] heeft zijn rol mogelijk niet optimaal vervuld en had enigszins tegengas moeten geven. Het feit dat hij dat niet gedaan heeft laat zich echter verklaren door de machtspositie van [betrokkene 1] op dat moment. [betrokkene 1] was de baas en die was, ook volgens de eigen stellingen van UGMC, nogal directief en dwingend.
3.16.
Over de periode na 16 juni 2025 biedt de verklaring van [betrokkene 5] eigenlijk geen duidelijkheid: gesproken wordt over twee bijeenkomsten op 16 juni 2025 zelf, waarvan vaststaat dat de eerste bijeenkomst plaatsvond vóórdat de managementwissel had plaatsgevonden (omdat [betrokkene 5] verklaart dat [betrokkene 2] tijdens de meeting vertelde dat zij zojuist was ontslagen). Dat op een dag als deze ook in de avond nog een bijeenkomst plaatsvindt om te spreken over consequenties, is niet onbegrijpelijk. Over enige betrokkenheid van [verweerder] ná 16 juni 2025, blijkt niets.
Ad b) Het fabriceren van een bestuurscrisis
3.17.
UGMC verwijt [verweerder] vervolgens dat hij betrokken is geweest bij een plan om een bestuurscrisis te fabriceren. Dat plan zou als doel hebben gehad om de bij de Ondernemingskamer te voeren procedure kansrijker te maken omdat in geval van een crisis sneller wordt ingegrepen in het bestuur. Zo had [betrokkene 1] de grootste kans zijn machtspositie weer te heroveren, aldus steeds UGMC.
3.18.
De betrokkenheid van [verweerder] bij dit door UGMC gestelde plan is slechts concreet onderbouwd voor zover het de brieven betreft die vanuit verschillende hoeken zijn gezonden aan het bestuur van de groep, in de periode nadat [betrokkene 3] is benoemd als CEO, en die [verweerder] heeft (mede) ondertekend.
3.19.
Het gaat om de brieven van 20 juli 2025 en 29 augustus 2025, waarvan hierna enkele passages zijn geciteerd om inhoud en strekking van de brieven te illustreren:
De brief van 20 juli 2025
“To: United Group B.V.
Attn. the Board of Directors
Date: 20 July 2025
Subject: Senior Management Letter to UG B.V.
Dear Members of the Board of United Group B.V.,
We, the undersigned members of United Group's senior management, are writing to express our deep concerns regarding the recent leadership changes within United Group and urge immediate action to rectify this situation. Views expressed in this letter are shared by hundreds of our colleagues who are employed by the Group.
The abrupt removal of the founder and Chairman of United Group, [betrokkene 1] , and its CEO, [betrokkene 2] , was executed without prior notice, preparation, or adherence to due process. These actions are having a serious, negative impact on the stability, performance, and future of the Group.
(…)
The consequences are serious. The Group, its businesses and operations in many countries, and the future of more than 13,000 employees are now exposed to significant risks.
(…)
The entire senior leadership team, made up of 210 people, 50% of whom have devoted more than 10 years to the Group, selected by merit among the best experts from the operating companies and in their respective fields, are now standing on the sidelines of the business. In most cases, VPs and executive directors are being bypassed by the new CEO and Deputy CEO who consistently cut them out of strategic projects.
(…)
By contrast, the new CEO and deputy CEO have opted for a technocratic approach and aggressive management style, showing no intention to engage with the Group’s leadership team to understand the existing strategy and operations, or to give new strategic direction. As a result, confusion and uncertainty have led to significant employee turnover with dozens of key talents having already left the Group. Our ability to operate effectively and to keep remaining talents of various expertise has
been compromised as concerns about the Group’s future are widespread in all our markets.
Our wish to express our view has been intensified by the letter sent to the 13,000 employees of United Group on July 17 by United Group B.V. aggressively accusing the founder of not acting in the best interest of the company and insisting that the new CEO and Deputy CEO are the right people to run the Group. Such announcements only serve to spread fear and confusion amongst staff.
(…)
We therefore urge the board of United Group B.V. to take immediate action to reinstate [betrokkene 1] and [betrokkene 2] in their former positions with immediate effect. If this demand is not promptly addressed, we will consider our position and take further steps to protect the interests of the Group and its employees.
Sincerely,
(…)
[betrokkene 5] , Vice President Finance
(…)
[verweerder] , Group General Counsel
(…)”
De brief van 29 augustus 2025
“To: United Group BV Board of Directors
Date 29 August 2025
Subject: Senior Management Letter to United Group BV board – corporate governance crisis
Dear Members of the Board of United Group B.V.,
We are writing to you in reaction to the latest publications by the Organised Crime and Corruption Reporting Project (“OCCRP”) regarding misconduct by Mr. [betrokkene 3] , CEO of United Group and member of the Board of Directors. We are extremely alarmed by these publications, especially insofar as they reinforce the concerns that we have previously expressed to you and are part of a deep corporate governance crisis at United Group.
(…)
On 20 July 2025, we wrote to you to express our deep concerns regarding abrupt changes in corporate governance and have requested the Board and the majority shareholder to reinstate Mr. [betrokkene 1] and Ms. [betrokkene 2] . We have pointed out that in only two months since the appointment of Mr. [betrokkene 3] and Mr. [betrokkene 4] , failures of corporate governance and evidence of mismanagement have accumulated at a worrying speed.
Two operational companies and CEOs of most other operational companies have later written to you and to BC Partners to express similar concerns.
(…)
Mr. [betrokkene 3] has dismissed group and local management in Bulgaria and Serbia (a) as a retaliation for their criticism of new management and (b) in order to facilitate internal investigations and datagathering performed in violation of relevant group policies.
Dismissal of Vivacom CEO (…)
Appointment and immediate dismissal of United Group BG’s CEO (…)
Dismissal of UG Serbia leadership (…)
(…)
Our concerns described above escalated even further following extremely serious allegations reported by the OCCRP on 27-28 August 2025.
These publications, supported by an underlying recording (acknowledged by United Group as authentic), provide evidence of grave violations of compliance and governance rules. According to the report, Mr. [betrokkene 11] conducted secret negotiations with Mr. [betrokkene 12], the President of Serbia, and the President exercised influence over United Group’s business decisions.
(…)
Best regards,
(…)
[verweerder] , Group General Counsel
(…)”
3.20.
Uit de betrokkenheid van [verweerder] bij deze brieven, in combinatie met het feit dat [verweerder] op 19 juli 2025 zijn bestuursfuncties in verschillende vennootschappen van de groep had neergelegd, leidt UGMC af dat (o.a.) [verweerder] tot doel had een bestuurscrisis te fabriceren. Dat de inhoud van deze brieven onderdeel waren van een vooropgezet plan, wordt door UGMC echter niet onderbouwd. UGMC positioneert de gebeurtenissen binnen de vennootschap als (slechts) een loyaliteitskwestie: de briefschrijvers waren loyaal aan [betrokkene 1] , in plaats van aan het nieuwe management (en daarmee aan de groep). Uit de stukken volgt echter dat evenzogoed sprake kan zijn geweest van oprechte zorgen. [verweerder] heeft ter zitting toegelicht dat hij (met anderen) zeer ongerust was over de toekomst van het bedrijf én over de wijze waarop met het senior management werd omgegaan. Dat beeld wordt bevestigd door de andere omstandigheden die uit de stukken volgen. Naast de hierboven genoemde brieven zijn ook nog twee andere brieven gestuurd: een brief van 18 juli 2025 van het bestuur van United Media en een brief van 27 juli 2025, getekend door verschillende CEO’s van vennootschappen binnen de groep. Uit beide brieven volgen dezelfde zorgen over de toekomst van de groep en de wijze waarop de groep geleid wordt. Voor de conclusie dat sprake is van een zuivere loyaliteitskwestie die tot gevolg heeft gehad dat een deel van de mensen die loyaal waren aan [betrokkene 1] een bestuurscrisis hebben willen fabriceren, is daarom onvoldoende gesteld. Voor het daarop voortbouwende oordeel dat [verweerder] daarin een zodanige rol heeft gespeeld dat sprake is van verwijtbaar handelen, heeft UGMC nog minder gesteld. Verder dan een aantal losse stellingen zonder enige feitelijke onderbouwing komt UGMC op dit punt niet.
Ad c) Het afzijdig houden van nieuwe management en associatie met [betrokkene 1]
3.21.
Ten slotte verwijt UGMC [verweerder] dat hij zich afzijdig heeft gehouden van het nieuwe management en dat hij zich op onprofessionele wijze heeft geassocieerd met [betrokkene 1] . Ter onderbouwing van dat laatste deel van het verwijt heeft UGMC o.a. gesteld dat [verweerder] is gefotografeerd op het privé jacht van [betrokkene 1] . [verweerder] heeft dat met klem betwist en UGMC is daar in het geheel niet meer op teruggekomen. Die stelling mist dus enige onderbouwing en heeft los daarvan weinig juridische relevantie. Ook verwijt UGMC [verweerder] dat hij tijdens de zitting in de Ondernemingskamerprocedure achter [betrokkene 1] is gaan zitten. [verweerder] betwist dit en heeft gesteld dat hij niet welkom was om bij de mensen van de groep te gaan zitten, zodat hij op de bovenste publieke tribune is gaan zitten. UGMC is ook hier niet meer op teruggekomen en heeft ook deze stelling dus niet onderbouwd. Ten slotte is gesteld dat [verweerder] na de zitting hetzelfde restaurant binnenliep als [betrokkene 1] en zijn aanhang. [verweerder] heeft dat erkend. Dat is opmerkelijk, maar kwalificeert op zichzelf niet als verwijtbaar handelen. Zeker niet, bezien tegen de achtergrond van de beoordeling van de rest van de verwijten.
3.22.
UGMC verwijt [verweerder] namelijk dat hij zich afzijdig heeft gehouden, maar uit de stukken en dat wat ter zitting is besproken, volgt juist het tegenovergestelde. UGMC heeft [verweerder] van ieder relevant project buitengesloten en zelfs tegen collega’s en externe partners gezegd dat zij geen zaken meer met [verweerder] moesten doen. Op dit punt wordt hierna onder 3.23. t/m 3.26. nader ingegaan.
Het handelen van UGMC
3.23.
Daar staat tegenover het handelen van UGMC als werkgever. Vanaf het moment dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn vervangen door het nieuwe management, heeft UGMC bijzonder ernstig verwijtbaar gehandeld jegens [verweerder] . Uit de stukken volgt dat [verweerder] is buitengesloten van alle relevante onderdelen van de bedrijfsvoering. Aan externe partners en interne collega’s is medegedeeld dat zij over die onderwerpen geen zaken meer met [verweerder] mochten doen. Dat is voor iemand als [verweerder] , zie een zelfstandige rol vervult op hoog niveau en in dat verband contact heeft met vele (bijvoorbeeld) advocatenkantoren over de hele wereld, bijzonder schadelijk voor de reputatie. Op zichzelf is nog te begrijpen dat UGMC twijfels had bij de betrokkenheid van [verweerder] bij gevoelige onderwerpen; [verweerder] had brieven die gericht waren tegen het huidige management ondertekend en was daarmee een van de personen die verwijten van corruptie naar voren bracht. Zelfs niet onbegrijpelijk is het dat UGMC vermoedens had dat [verweerder] zich (ook na 16 juni 2025) ten dienste van [betrokkene 1] opstelde. De wijze waarop zij daarmee is omgegaan is echter buitenproportioneel en is niet wat je van een professioneel werkgever mag verwachten. Het had op de weg van UGMC gelegen die vermoedens kenbaar te maken, [verweerder] op non-actief te stellen en gedegen onderzoek te doen. In plaats daarvan heeft UGMC, zoals zij het zelf ter zitting noemde, de ‘pauzeknop’ ingedrukt zonder [verweerder] daarover te informeren. Dat betekende feitelijk dat [verweerder] overal buiten werd gelaten en eigenlijk compleet werd genegeerd. Iedere vorm van hoor- en wederhoor ontbreekt en uit de stellingen van UGMC blijkt dat zij dat ook bewust heeft gedaan. Daarmee heeft UGMC iedere mogelijkheid voor [verweerder] om – in haar ogen – ongewenst gedrag aan te passen, geblokkeerd.
3.24.
Daar komt bij dat [verweerder] – op het moment dat hij doorhad dat hij werd buitengesloten – heeft voorgesteld om een mediationtraject te volgen, zodat de verhoudingen (mogelijk weer) genormaliseerd kunnen worden. UGMC heeft dat simpelweg geweigerd. In deze procedure is UGMC bovendien doorgegaan met het maken van verwijten aan [verweerder] , die zij niet hard kan maken. Zij stelt dat [verweerder] nog altijd ondersteunend is aan [betrokkene 1] , maar iedere onderbouwing van die stelling ontbreekt.
3.25.
Ook acht de kantonrechter zeer ernstig verwijtbaar dat UGMC ter zitting, zonder enige toelichting, heeft verklaard dat zij al bezig is de functie van [verweerder] op te knippen in verschillende andere rollen; de arbeidsovereenkomst duurt nog voort en de kantonrechter moet nog een beslissing nemen, maar UGMC is de bedrijfsvoering al zo aan het vormgeven dat er voor [verweerder] überhaupt geen plek meer is.
3.26.
Ten slotte acht de kantonrechter van belang dat UGMC ook tijdens de zitting duidelijk heeft gemaakt dat er wat haar betreft geen enkele mogelijkheid meer is dat [verweerder] nog bij haar werkzaam zal blijven. De deur voor de zoektocht naar een oplossing, in welke vorm dan ook, is door UGMC stevig dichtgehouden.
Ernstige vertrouwensbreuk; gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van UGMC
3.27.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat sprake is van een ernstige en duurzame vertrouwensbreuk die niet meer te herstellen is. Dat daarvan sprake is, is (vrijwel) volledig te wijten aan UGMC. [verweerder] heeft zowel in als buiten de procedure getoond bereid te zijn te praten over een oplossing en heeft zelfs aan het eind van de zitting – nadat allerlei verwijten aan zijn adres zijn herhaald – verklaard open te staan voor voortzetting van het dienstverband, als er maar sprake was van ‘good will’ bij UGMC. Daarvan was geen sprake. De kantonrechter ziet daarom geen mogelijkheden meer om de verhoudingen te normaliseren. Dat is te wijten aan het ernstig verwijtbaar handelen van UGMC zoals hiervoor weergegeven.
Herplaatsing
3.28.
Herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn ligt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de aard, omvang en oorzaak van de verstoorde verhoudingen, niet in de rede.
Ontbindingsdatum
3.29.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden op de g-grond. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 januari 2027. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd; partijen zijn een opzegtermijn van zes maanden overeengekomen. Daarbij is geen rekening gehouden met de duur van de procedure, gelet op het ernstig verwijtbare handelen van UGMC.
Transitievergoeding
3.30.
Omdat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op de g-grond en niet wordt vastgesteld dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, heeft [verweerder] recht op een transitievergoeding. [verweerder] heeft ter zitting berekend dat die vergoeding (bij een ontbinding per 1 januari 2027) € 88.686,00 bruto bedraagt en dat heeft UGMC niet weersproken. Het verzoek om UGMC te veroordelen tot betaling van die transitievergoeding wordt daarom toegewezen. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 februari 2027.
Hoogte van de billijke vergoeding
3.31.
Zoals hiervoor geoordeeld is sprake van ernstig verwijtbaar handelen van UGMC, zodat [verweerder] recht heeft op een billijke vergoeding. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [1] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
3.32.
Duidelijk is dat [verweerder] bij UGMC exceptionele arbeidsvoorwaarden had: zijn basisloon bedroeg € 315.000,- per jaar en daar kwam ieder jaar nog een bonus bij van 50%. Duidelijk is ook dat [verweerder] – tot aan het moment dat de leiding binnen UGMC veranderde – goed heeft gepresteerd: hij heeft niet alleen steeds de maximale bonus ontvangen, maar die bonus en zijn salaris zijn (laatstelijk in december 2024) ook nog eens verhoogd. Voor de kantonrechter is gedurende de procedure echter ook duidelijk geworden dat de nieuwe wijze waarop het bestuur aan de groep leiding geeft, niet bij [verweerder] past; zij zijn gewoonweg uit ander hout gesneden. Het feit dat [verweerder] tot op het laatste moment open stond voor overleg over voortzetting van de arbeidsrelatie, terwijl UGMC dat aanbod resoluut van de hand wees, is daarvoor illustratief. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat partijen hoe dan ook binnen twee jaar afscheid van elkaar zouden hebben genomen.
3.33.
[verweerder] gaat er in zijn verweerschrift vanuit dat hij aanspraak kan maken op zijn volledige loon over de periode waarvan de verwachting is dat hij nog in dienst zou zijn. Daarbij miskent hij echter dat hij gedurende die komende periode wel degelijk een inkomen kan genereren. Dat [verweerder] niet (snel) een baan zal kunnen vinden waarmee hij € 472.500,- per jaar kan verdienen ligt in de rede en heeft UGMC onvoldoende weersproken, maar de redenering dat [verweerder] in het geheel geen inkomen kan genereren is voor iemand met zijn capaciteiten niet goed te volgen.
3.34.
Daar staat tegenover dat de aard, omvang en ernst van het verwijtbaar handelen van UGMC wel degelijk vraagt om een stevige vergoeding. Over dat handelen en de omstandigheden waarin dat heeft plaatsgevonden is onder 3.23. t/m 3.26. al het nodige overwogen. Het is dat handelen dat gecompenseerd moet worden en het zijn die omstandigheden waarbij de vergoeding moet aansluiten. De kantonrechter vindt verder van belang dat de billijke vergoeding in dit geval UGMC én de groep waar zij onderdeel van uitmaakt – waaronder veel vennootschappen die in Nederland gevestigd zijn – ertoe beweegt in de toekomst niet meer te kiezen voor het laten eindigen van een arbeidsovereenkomst op dergelijk ernstig verwijtbare wijze.
3.35.
Al deze omstandigheden tezamen gewogen, komt de kantonrechter tot het bedrag van € 750.000,-. UGMC wordt dus veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 750.000,- bruto.
Mogelijkheid tot intrekken
3.36.
UGMC krijgt de gelegenheid om het verzoek in te trekken, binnen de hierna genoemde termijn, omdat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden. [2]
Beoordeling van het tegenverzoek
3.37.
[verweerder] heeft nog verzocht voor recht te verklaren dat UGMC geen rechten kan ontlenen aan het in de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst gesloten concurrentiebeding. Hij doet daarbij een beroep op artikel 7:653 lid 4 BW Pro. Dat artikel bepaalt:
“Aan een beding als bedoeld in lid 1 of lid 2 kan de werkgever geen rechten ontlenen, indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.”
3.38.
Omdat hiervoor is vastgesteld dat het einde van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van UGMC, is dit verzoek toewijsbaar. UGMC heeft daartegen ook geen (zelfstandig) verweer gevoerd.
In het verzoek en in het tegenverzoek
Proceskosten
3.39.
De proceskosten komen voor rekening van UGMC, omdat UGMC overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van UGMC. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.298,00 (€ 1.154,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. De kantonrechter ziet geen aanleiding om – zoals door [verweerder] verzocht – een werkelijke proceskostenvergoeding toe te kennen. UGMC heeft ernstig verwijtbaar gehandeld, maar niet gezegd kan worden dat zij door het voeren van deze procedure misbruik van recht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld. De lat daarvoor ligt hoog en wordt in dit geval niet gehaald.
3.40.
Ook als UGMC het verzoek intrekt, zal UGMC de proceskosten van [verweerder] moeten betalen.
3.41.
Omdat het tegenverzoek ondergeschikt is aan de overige verzoeken en vrijwel geen onderdeel is geweest van het partijdebat, worden voor het tegenverzoek niet separaat proceskosten toegekend. Iedere partij zal ten aanzien van het tegenverzoek de eigen kosten dragen.

4.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
4.1.
stelt UGMC in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk op 10 juni 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan (de gemachtigde van) [verweerder] ,
Voor het geval UGMC het verzoek niet binnen die termijn intrekt:
4.2.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 januari 2027,
4.3.
veroordeelt UGMC om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 88.686,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2027, tot aan de dag van de gehele betaling,
4.4.
veroordeelt UGMC om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 750.000,- bruto,
4.5.
veroordeelt UGMC in de proceskosten van € 1.298,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als UGMC niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
4.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders verzochte af,
Voor het geval UGMC het verzoek binnen die termijn intrekt:
4.8.
veroordeelt UGMC in de proceskosten van € 1.298,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als UGMC niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
4.9.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
op het tegenverzoek
4.10.
voor het geval UGMC haar verzoek niet binnen de gestelde termijn intrekt: verklaart voor recht dat UGMC geen rechten meer kan ontlenen aan het concurrentiebeding zoals vastgelegd in artikel 14.1 van de arbeidsovereenkomst,
4.11.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
4.12.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Jochem en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juni 2018, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2018:878 (
2.Artikel 7:686a lid 6 BW.