Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6079

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
HAA 25/1576, HAA 25/1578, HAA 25/1582, HAA 25/1583, HAA 25/1584
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 2.1 WaboArt. 3:49 AwbArt. 4:19 AwbArt. 7:1a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid Stichting Flora & Faunabescherming bij omgevingsvergunningen bouw Bloemendalerpolder

De rechtbank Noord-Holland behandelde meerdere beroepen tegen omgevingsvergunningen voor de bouw van 36 en 28 woningen in de Bloemendalerpolder te Weesp. Stichting Flora & Faunabescherming (SFF) en diverse bewoners maakten bezwaar tegen de vergunningen, met name vanwege het ontbreken van gerealiseerde groen- en speelvoorzieningen.

De rechtbank oordeelde dat SFF niet als belanghebbende kan worden aangemerkt omdat de vergunningen geen directe gevolgen hebben voor de flora en fauna die de stichting beschermt, aangezien woningbouw al was toegestaan in het bestemmingsplan. Hierdoor waren de bezwaren van SFF ten onrechte ontvankelijk verklaard en werden deze vernietigd, waarna de rechtbank SFF alsnog niet-ontvankelijk verklaarde.

Verder stelde de rechtbank vast dat een aantal natuurlijke personen terecht niet als belanghebbende werden aangemerkt vanwege de afstand tot het bouwgebied en het ontbreken van een persoonlijk belang. De beroepen van de overige belanghebbenden werden ongegrond verklaard. De rechtbank verwierp ook bezwaren over vermeende strijd met het exploitatieplan, bestemmingsplan en welstandsadvies.

De dwangsombeschikking tegen het college werd gehandhaafd, en het college werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht aan SFF. De vergunningen blijven ongewijzigd van kracht.

Uitkomst: De beroepen van Stichting Flora & Faunabescherming zijn gegrond verklaard en zij is niet-ontvankelijk verklaard; de beroepen van overige eisers zijn ongegrond verklaard en de vergunningen blijven van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 25/1576, HAA 25/1578, HAA 25/1582, HAA 25/1583, HAA 25/1584

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaken tussen

in de zaken 25/1576, 25/1578 en 25/15791. de stichting Stichting Flora & Faunabescherming (hierna: SFF),

in zaak 25/1583

2. [eiseres 1]

en
[eiseres 2]
hierna: eiseressen 2,
in zaak 25/1584

3. [eiser]

en
[eiseres 3],
hierna: eisers 3
gemachtigde: mr. C.A. Gentile Martin, advocaat te Haarlem,
in zaak 25/1582
4.1
[eiseres 4] ,
[eiser(es) 1] ,
[eiseres 1] ,
[eiser(es) 2] ,
[eiser(es) 3] ,
[eiser(es) 4] ,
[eiser(es) 5] ,
[eiser(es) 6]
hierna: eisers 4.1
4.2
[eiser(es) 7] ,
[eiser(es) 8] ,
[eiser(es) 9] ,[eiser(es) 10] ,
[eiser(es) 11] ,
[eiser(es) 12] ,
[eiser(es) 13] ,[eiser(es) 14] ,
[eiser(es) 15] ,
[eiser(es) 16] ,
[eiser(es) 17] ,
en
(opnieuw)
[eiseres 2] ,
hierna: eisers 4.2,
eisers 4.1 en 4.2 hierna ook tezamen: eisers 4
voor wie als gemachtigde optreedt: [eiseres 2] , voornoemd.
eisers allen uit Weesp
SFF, eiseressen 2 en eisers 3 en 4 worden hierna ook gezamenlijk genoemd: eisers.
en
in alle zaken
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam
gemachtigden: mr. H. de Groot, mr. S. El Mahraoui en Y. Reinders, allen ambtenaar in dienst van de gemeente.
Als derde-partijen nemen aan alle zaken deel:
1. de besloten vennootschap
[derde-partij]uit Amsterdam hierna; de vergunninghouder
en
2. de commanditaire vennootschap
GEM Bloemendalerpolder C.V.uit Amsterdam hierna: de projectontwikkelaar
gemachtigden: mr. J.C. Ellerman en mr. S.J. de Haan, advocaten te Amsterdam.

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de aan de vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 36 woningen in de Bloemendalerpolder (Weespersluis deelgebied 5C1-A (west)), hierna: vergunning 1, en over de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor de bouw op een aangrenzende stuk land van 28 woningen in de Bloemendalerpolder (Weespersluis deelgebied 5C1-B (oost)), hierna: vergunning 2
,beide niet ver van de Fort Nieuwersluissingel.
1.2.
Eisers in deze zaken zijn een stichting en bewoners van de nieuwbouwwijk Bloemendalerpolder in Weesp. Met de omgevingsvergunningen heeft het college vergunning verleend voor de bouw [1] van nieuwe woningen in een nieuw te ontwikkelen deel van de wijk waar de natuurlijke personen wonen. SFF komt op tegen beide vergunningen, eiseressen 2 tegen vergunning 1 en eisers 3 en eisers 4 (waaronder wederom [eiseres 2] ) tegen vergunning 2. Hun belangrijkste bezwaar tegen het verlenen van de vergunningen, met name van de natuurlijke personen, is dat ten tijde van de (verlening van de vergunning voor de) realisatie van de woningen (nog) niet de volgens hen in het bestemmingsplan en het exploitatieplan beloofde (structurele) groen- en speelvoorzieningen elders in de wijk zijn gerealiseerd.
1.3.
In de besluiten op bezwaar heeft het college een aantal eisers niet-ontvankelijk verklaard, omdat ze geen belanghebbenden zouden zijn bij de verleende vergunningen en heeft het college de bezwaren van andere eisers, voor zover wel ontvankelijk, ongegrond verklaard. Eisers zijn het niet eens met de op hun bezwaren genomen besluiten en hebben daarom beroep ingesteld tegen die besluiten.
1.4.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college SFF in haar bezwaren tegen de verleende omgevingsvergunningen ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. De rechtbank is van oordeel dat SFF bij de verleende omgevingsvergunningen niet als belanghebbende is aan te merken. Dat betekent dat de beroepen van SFF gegrond zijn en de op de bezwaren van SFF genomen besluiten worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaken te voorzien door de bezwaren van SFF alsnog niet ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten. Voor zover SFF een hogere dwangsom wenst dan haar is toegekend voor het uitblijven van een beslissing op het door SFF tegen vergunning 2 gemaakte bezwaar, volgt de rechtbank haar daarin niet.
1.4.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat eiseressen 2 door het college terecht niet als belanghebbende bij vergunning 1 zijn aangemerkt. Het college heeft verder ook terecht een deel van eisers 4 niet als belanghebbende bij vergunning 2 aangemerkt. Eisers 3 en de eisers 4 die door het college wel als belanghebbende bij besluit 2 zijn aangemerkt, krijgen in beroep geen gelijk. De beroepen van eisers 2, 3 en 4 zijn daarom ongegrond.
1.4.3.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen daaraan zijn verbonden.
1.5.
Onder 2 staat het procesverloop van deze zaak. Onder 3 en 4 volgt een beschrijving van het toepasselijke wettelijk kader. Onder 5 tot en met 8 beoordeelt de rechtbank de belanghebbendheid van SFF bij de verleende vergunningen en – aan de hand van hun beroepsgronden – de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiseressen 2 gericht tegen vergunning 1 en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van een aantal indieners die deel uitmaken van eisers 4 gericht tegen vergunning 2. Daarna gaat de rechtbank vanaf 9 in op de beroepsgronden van eisers 3 en 4, gericht tegen de ongegrondverklaring van hun bezwaren. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2.1.1.
Vergunninghouder heeft het college op 20 december 2023 gevraagd haar een omgevingsvergunning te verlenen voor de realisatie van 36 woningen in het kader van het project Bloemendalerpolder/Weespersluis (deelplan 5C1-A). Het bouwplan bestaat uit rijwoningen, twee-onder-een kap woningen en vrijstaande woningen. Vergunning 1 is gevraagd en bij besluit van 2 mei 2024 verleend voor de activiteit bouwen, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.1.2.
Vergunninghouder heeft het college op 21 december 2023 gevraagd haar een omgevingsvergunning te verlenen voor de realisatie van 28 woningen in het kader van het project Bloemendalerpolder/Weespersluis (deelplan 5C1-B). Vergunning 2 is gevraagd en bij besluit van 30 mei 2024 verleend voor de activiteit bouwen, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.
2.2.
SFF heeft bezwaar gemaakt tegen beide vergunningen. Eiseressen 2 hebben bezwaar gemaakt tegen vergunning 1 en eisers 3 hebben bezwaar gemaakt tegen vergunning 2. Eisers 4 hebben gezamenlijk met anderen ook bezwaar gemaakt tegen vergunning 2.
2.3.1.
Bij brief van 7 oktober 2024, door het college in ontvangst genomen op 8 november 2024, heeft SFF het college in gebreke gesteld een besluit te nemen op het door haar ingediende bezwaar tegen omgevingsvergunning 1.
2.3.2.
Bij brief van 7 oktober 2024, door het college in ontvangst genomen op 8 oktober 2024, heeft SFF het college in gebreke gesteld een besluit te nemen op het door haar ingediende bezwaar tegen omgevingsvergunning 2.
2.4.1.
Bij afzonderlijke besluiten van 15 november 2024 heeft het college het door SFF tegen vergunning 1 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het door eiseressen 2 tegen vergunning 1 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
2.4.2.
Bij afzonderlijke besluiten van 14 november 2024 heeft het college de door SFF en eisers 3 tegen vergunning 2 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Het door eisers 4 tezamen met anderen gemaakte bezwaar is door het college niet-ontvankelijk verklaard voor zover gemaakt door indieners die volgens het college geen belanghebbende zijn bij vergunning 2 en ongegrond voor zover het de overige indieners van dit bezwaarschrift betreft.
2.5.1.
Bij dwangsombesluit van 4 december 2024 heeft het college aan SFF een dwangsom toegekend voor het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen vergunning 2.
2.5.2.
Bij dwangsombesluit van 17 december 2024 heeft het college aan SFF een dwangsom toegekend voor het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen vergunning 1.
2.6.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de hen betreffende bestreden besluiten van 14 en 15 november 2024.
2.7.
SFF heeft bezwaar gemaakt tegen het dwangsombesluit van 4 december 2024 omdat zij het niet eens is met de hoogte van de aan haar toegekende dwangsom. Zij heeft het college gevraagd in te stemmen met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft daarmee ingestemd en het bezwaarschrift ter behandeling als beroep doorgezonden aan de rechtbank. Tegen het dwangsombesluit van 17 december 2024 heeft SFF geen rechtsmiddel aangewend.
2.8.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 november 2025 gezamenlijk op zitting behandeld. Aan de zitting hebben namens SFF deelgenomen haar bestuurders [naam 1] (voorzitter) en [naam 2] (secretaris/penningmeester). Eiseressen 2 zijn verschenen namens eisers 4, waarvan zij deel uitmaken. Met eiseressen 2 is ook verschenen [naam 3] , stedenbouwkundig adviseur. Hij treedt op als hun deskundige. Eisers 3 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Namens het college hebben aan de zitting deelgenomen mr. H.J. .Hde Groot en mr. S. El Mahraoui (beiden juridisch adviseur in dienst van de gemeente) en Y. Reinders, (in dienst van het ingenieursbureau van de gemeente). Met de beide verschenen gemachtigden, advocaten te Amsterdam, van derde-partijen hebben aan de zitting deelgenomen [naam 4] (bedrijfsjurist in dienst van vergunninghouder), [naam 5] (in loondienst van BPD/Bouwfonds gebiedsontwikkeling, een van de vennoten in GEM Bloemendalerpolder C.V., en werkzaam als locatiemanager voor GEM Bloemendalerpolder C.V. en tevens als projectleider in de vennootschap van vergunninghouder) en [naam 6] (projectdirecteur van GEM Bloemendalerpolder C.V.).

Beoordeling door de rechtbank

Afzonderlijke beroepszaak tegen de dwangsombeschikking?3. Omdat op grond van artikel 4:19 Awb Pro het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege mede betrekking heeft op een beschikking over de hoogte van een dwangsom voor zover die wordt betwist, hebben SFF en het college ten onrechte met sprongberoep een aparte beroepszaak laten aanleggen met betrekking tot de dwangsombeschikking van 4 december 2024 die betrekking heeft op de bezwaarprocedure tegen vergunning 2. Omdat het beroep geregistreerd onder zaaknummer HAA 25/1576 ook is gericht tegen de dwangsombeschikking, vervalt de procedure met zaaknummer HAA 25/1579.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
4.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing als voor dat tijdstip een omgevingsvergunning is aangevraagd, totdat het besluit op de aanvraag onherroepelijk wordt.
4.2.
Beide omgevingsvergunningen zijn voor 1 januari 2024 aangevraagd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedures het voor 1 januari 2024 geldende recht, waaronder de Wabo, bestemmingsplannen en de Crisis en herstelwet, van toepassing blijft.
Crisis en herstelwet
5. De rechtbank stelt verder vast dat op de bestreden besluiten de Crisis en herstelwet (CHW) van toepassing is. Op grond van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de CHW, gelezen in verbinding met categorie 3.1 van bijlage I bij de CHW, is de CHW van toepassing op alle besluiten die vereist zijn voor de verwezenlijking van een project van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied als dat project mogelijk gemaakt wordt door een bestemmingsplan. Het gaat hier om bouwplannen voor 36 respectievelijk 28 woningen in een aaneengesloten gebied. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bloemendalerpolder, voormalig grondgebied Muiden” (hierna: bestemmingsplan Muiden) staat die bouw toe en de omgevingsvergunningen zijn nodig om die bouw te verwezenlijken.

Belanghebbendheid

Belanghebbendheid algemeen
6.1.
De rechtbank is ambtshalve gehouden om vast te stellen of eisers belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2 Awb Pro bij de vergunningen 1 en/of 2, omdat daartegen voor hen op grond van de artikelen 7:1 en 8:1 Awb alleen dan bezwaar en beroep openstaat.
6.2.
Artikel 1:2 Awb Pro luidt – voor zover van belang – als volgt:
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. (…)
3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
6.3.
De wetgever heeft met een beperking van het belanghebbende-begrip willen voorkomen dat eenieder (in bezwaar en beroep) tegen elk besluit kan opkomen. Dat beroepsrecht staat alleen open voor personen die een objectief, persoonlijk, eigen, rechtstreeks en actueel bij het besluit betrokken belang hebben.
6.4.
Uit vaste rechtspraak over artikel 1:2, eerste lid, Awb volgt dat in het omgevingsrecht als belanghebbende natuurlijke personen bij een ruimtelijk besluit, zoals een vergunning om te bouwen, kunnen worden aangemerkt degenen die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden van een activiteit die het besluit toestaat. Daarbij geldt het criterium “gevolgen van enige betekenis” als correctie: als de gevolgen voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat van een in rechte te respecteren persoonlijk belang geen sprake is, is men toch geen belanghebbende. Factoren die hierbij een rol spelen zijn – voor zover het om een bouwactiviteit gaat - onder andere de afstand tot, het zicht op en de planologische uitstraling van de activiteit. [2] Bij een rechtspersoon is bij de toepassing van het eerste lid van artikel 1:2 Awb Pro ook van belang of het besluit dergelijke “persoonlijke belangen” van de rechtspersoon raakt.
6.5.
Uit artikel 1:2, derde lid, Awb volgt verder dat bij de beoordeling van de belanghebbendheid van een rechtspersoon (zoals een stichting) ook de doelstellingen en de feitelijke werkzaamheden samen in onderling verband gezien kunnen meebrengen dat de rechtspersoon belanghebbende is bij een besluit. [3]
Belanghebbendheid SFF
7.1.
SFF is geen belanghebbende bij de verleende vergunningen. Hieronder zet de rechtbank uiteen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
7.2.
In de (op 4 juli 2016 gewijzigde) statuten van SFF is in artikel 2 het Pro doel van SFF opgenomen. SFF stelt zich ten doel
“het behouden en verbeteren van de natuur, de leefomgeving, het milieu en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in onder meer en met name Amsterdam Amstelland, gemeente Wijdemeren, gemeente Gooimeren, gemeente Weesp [4] en omstreken in het algemeen en de bescherming van de flora en fauna in vermelde gebieden en haar omgeving in het bijzonder en het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.”
In artikel 2, vierde lid, van de statuten is verder onder meer bepaald dat de stichting haar doel onder meer tracht te bereiken door:
de bescherming van in het wild levende dieren en beschermde flora en fauna.
7.3.
SFF heeft op zitting niet weersproken, zoals derde-partijen hebben gesteld, dat de feitelijke werkzaamheden van SFF slechts zien op de bescherming van flora en fauna, door onder meer informatie te verstrekken over flora en fauna, door daarover voorlichting te geven en door hulp en bescherming te bieden aan flora en fauna. Dit beeld wordt bevestigd door de activiteiten als genoemd op de website van SFF. De feitelijke werkzaamheden die SFF verricht, bestaan dus uit het bevorderen van dat specifieke deel van de statutaire doelstelling van de SFF: de bescherming van de flora en fauna.
7.4.
Van een persoonlijk belang van SFF bij de vergunningen als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, Awb, zo is ook niet in geschil, is geen sprake. De rechtbank leidt uit de combinatie van de doelstellingen en de feitelijke werkzaamheden van SFF af dat zij alleen dan in het bijzonder in haar belangen wordt geraakt als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, Awb als de besluitvorming waartegen zij opkomt gevolgen kan hebben voor flora en fauna.
7.5.
Met de verleende omgevingsvergunningen is toestemming verleend om te bouwen op gronden die daartoe ook zijn aangewezen in het – van toepassing zijnde – bestemmingsplan ‘Bloemendalerpolder, voormalig grondgebied Muiden’.
7.6.
De verleende vergunningen hebben aldus geen gevolgen voor SFF als bedoeld in overweging 6.3, omdat in het geldende bestemmingsplan woningbouw al is toestaan. Mogelijke gevolgen van woningbouw, als die er al zijn, voor de ter plaatse aanwezige flora en fauna vloeien dus niet zozeer voort uit de nu verleende vergunningen, maar uit het van toepassing zijnde (onherroepelijke) bestemmingsplan.
7.7.
De rechtbank is daarom van oordeel dat SFF niet wordt geraakt in de belangen die zij in het bijzonder behartigt. Zij is daarom geen belanghebbende bij de verleende vergunningen 1 en 2. Het college heeft dit niet onderkend en heeft de bezwaren van SFF ten onrechte ontvankelijk geacht.
Het dwangsombesluit
8.1.
Het beroep van SFF voor zover gericht tegen het dwangsombesluit van 4 december 2024 treft ook geen doel. Omdat de Stichting, zoals hiervoor is overwogen, niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij vergunning 2, stond voor haar de bezwaarprocedure niet open. Aan SFF komt onder die omstandigheden in ieder geval geen hogere dwangsom toe dan haar reeds is toegekend en uitgekeerd.
8.2.
Het dwangsombesluit van 4 december 2024 blijft daarom in stand.
Belanghebbendheid eiseressen 2
9.1.
Het college heeft de bezwaren van eiseressen 2 tegen vergunning 1 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank moet beoordelen of dit terecht is geweest.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseressen 2 op een afstand wonen van meer dan 100 meter van de locatie plandeel 5C1-A waarop de verleende vergunning 1 betrekking heeft. De rechtbank stelt verder vast dat tussen de woning van [eiseres 1] en het bouwplan waarvoor vergunning 1 is verleend sprake is van veel tussenliggende bebouwing en ook vanuit de woning van [eiseres 2] in de eindsituatie (na realisatie van het bouwblok in plandeel 2B3 (Oost) niet of nauwelijks zicht is op de locaties en woningen waarop de verleende vergunning 1 betrekking heeft.
9.3.
Het college heeft eiseressen 2 daarom terecht niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb aangemerkt bij vergunning 1. Het beroep van eiseressen 2 slaagt daarom niet. De stelling dat de vergunningverlening leidt tot een tekort aan structureel groen en een gebrek aan speelgelegenheid maakt dit niet anders. Deze belangen zijn in het geval van eiseressen 2 geen persoonlijke belangen, maar algemene belangen. Met het beroep daarop onderscheiden eiseressen 2 zich, anders dan direct aanwonenden, niet van alle andere bewoners van de Bloemdalerpolder en daarbuiten.
9.4.
Het door eiseressen 2 bestreden besluit van 15 november 2024 tot hun niet-ontvankelijkverklaring blijft dan ook in stand.
Belanghebbendheid indieners die deel uitmaken van eisers 4
10.1.
Het college heeft het bezwaar van een aantal indieners van het door eisers 4 en anderen gezamenlijk gemaakte bezwaar tegen vergunning 2 niet-ontvankelijk verklaard. Niet alle hier bedoelde niet-ontvankelijk verklaarde indieners van het gezamenlijk gemaakte bezwaar zijn in beroep gekomen. Zij die wel in beroep zijn gekomen maken deel uit van eisers 4. Het betreft [eiseres 4] , [eiser(es) 1] , [eiseres 1] , [eiser(es) 2] , [eiser(es) 5] , [eiser(es) 4] , [eiser(es) 3] en [eiser(es) 6] . Deze personen duidt de rechtbank gezamenlijk aan als eisers 4.1. De rechtbank moet beoordelen of deze personen terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard in bezwaar.
10.2.
De rechtbank stelt vast dat eisers 4.1 allen op een afstand wonen van meer dan 100 meter van de locatie plandeel 5C1-B waarop de verleende vergunning 2 betrekking heeft. Voor eisers 4.1 geldt verder dat tussen hun woningen en het bouwplan waarvoor vergunning 2 is verleend sprake is van veel tussenliggende bebouwing.
10.3.
Het college heeft eisers 4.1 daarom terecht niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb aangemerkt bij vergunning 2. Het betoog in beroep dat zij toch belanghebbend moeten worden geacht omdat eisers 4.1 (ook) belang hebben bij vergunning 2 omdat het daarmee vergunde bouwplan ten koste gaat van het in het exploitatieplan vastgelegde groen en blauw in hun wijk, maakt dat niet anders. Deze belangen zijn geen persoonlijke belangen van eisers 4.1, maar algemene belangen. Met het beroep daarop onderscheiden zij zich, anders dan direct aanwonenden, niet van alle andere bewoners van de Bloemdalerpolder en daarbuiten.
10.4.
Het college heeft het bezwaar voor zover ingediend door eisers 4.1 daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit blijft in zoverre dan ook in stand.
De beroepen van eisers 3 en 4.2
11.1.
Het college heeft het bezwaar van eisers 4.2 tegen vergunning 2 ontvankelijk geacht. Niet alle hier bedoelde ontvankelijk verklaarde indieners van het gezamenlijk gemaakte bezwaar zijn in beroep gekomen. Zij die wel in beroep zijn gekomen maken deel uit van eisers 4.2. Het betreft inmiddels [5] nog [eiser(es) 7] , [eiser(es) 8] , [eiser(es) 9] , [eiser(es) 10] , [eiser(es) 11] , [eiser(es) 12] , [eiser(es) 13] , [eiser(es) 14] , [eiser(es) 15] , [eiser(es) 16] , [eiser(es) 17] en [eiseres 2] .
11.2.
Het college heeft het door eisers 4.2 en het door eisers 3 gemaakte bezwaar tegen vergunning 2 ongegrond verklaard.
De beroepsgronden van eisers 3 tegen vergunning 2
12.1.
In hun beroepschrift voeren eisers 3 aan dat de door hen ingediende bezwaargronden in het beroepschrift dienen te worden herhaald en ingelast. Zij voeren in aanvulling daarop aan dat het college in het bestreden besluit ten onrechte alleen heeft verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie. Uit dit advies leiden eisers 3 af dat op drie van hun bezwaargronden (die met nummer 6, 9 en 10) in het geheel niet is ingegaan. Het niet behandelen van bezwaargronden zonder daar enige rekenschap van te geven, maakt het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd, aldus eisers 3.
12.2.1.
Voor zover eisers 3 in beroep de door hen in bezwaar aangevoerde gronden hebben herhaald en ingelast, betreft het beroep in zoverre een niet nader gemotiveerde herhaling van (in elk geval het merendeel van) de bezwaargronden. Onbetwist is immers dat het college (met overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie) op de bezwaargronden een tot en met vijf, zeven, acht en elf is ingegaan. Eisers 3 hebben in beroep geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die gronden in de beslissing op bezwaar van 14 november 2024 op de bezwaren van eisers onjuist of onvolledig zou zijn. De rechtbank ziet, mede gelet op hetgeen hierna over de beroepsgronden van eisers 4.2 zal worden overwogen, ook geen enkele aanleiding om de weerlegging onjuist te achten.
12.2.2.
De omstandigheid dat in het advies van de bezwaarschriftencommissie niet expliciet is ingegaan op elk van de door eisers 3 opgeworpen bezwaargronden, maakt niet dat deze geheel buiten bespreking zijn gelaten. Met vergunninghouder is de rechtbank van oordeel dat het college bezwaren zakelijk mag weergeven en samenvatten en samenvoegen daar waar dat kan – zeker als ook nog sprake is van meerdere bezwaarden met (deels) vergelijkbare bezwaren - om onnodige herhaling te voorkomen. Aldus is in het advies op pagina 5 (ook) ingegaan op de bezwaargronden 6 en 10 en is op pagina 11 ook ingegaan op bezwaargrond 9. Daarmee zijn ook deze bezwaargronden door eisers 3 in beroep ongemotiveerd herhaald.
12.2.3.
De rechtbank volgt eisers 3 ook niet in hun betoog dat het college in de beslissing op bezwaar niet had mogen verwijzen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie. Het college heeft immers voldaan aan de in artikel 3:49 Awb Pro [6] genoemde voorwaarden: In het besluit van 14 november 2024 is verwezen naar het advies van de bezwaarcommissie, dit advies bevat een motivering en eisers 3 zijn van het advies in kennis gesteld omdat het hen tegelijk met de beslissing op bezwaar is toegezonden.
12.3.
De rechtbank komt hiermee tot de conclusie dat de beroepsgronden van eisers 3 tegen het besluit van 14 november 2024 niet slagen.
De beroepsgronden van eisers 4.2 tegen vergunning 2
13.1.
Eisers 4.2 hebben zich onder meer op het standpunt gesteld dat het college vergunning 2 niet had mogen verlenen omdat verlening in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo, omdat het bouwplan in strijd zou zijn met diverse bepalingen uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan en het voor dit gebied geldende exploitatieplan “eerste herziening exploitatieplan Bloemendalerpolder” (het exploitatieplan) en de daarvan deel uitmakende programma’s van eisen (PvE’s).
13.2.
De rechtbank ziet aanleiding eerst te beoordelen of deze beroepsgronden inhoudelijk kunnen slagen en zo ja, dan eventueel pas te bezien of het relativiteitsbeginsel als neergelegd in artikel 8:69a [7] Awb aan gegrondverklaring van het beroep op deze gronden in de weg staat.
Beroepsgronden die zien op het exploitatieplan
14.1.
Eisers 4.2 hebben gesteld dat omgevingsvergunning 2 is verleend in strijd met de artikelen 4.3 en 4.4 van het exploitatieplan. Zij voeren ook aan dat de omgevingsvergunning in strijd is verleend met artikel 4.1 van het exploitatieplan.
14.2.1.
In deze regels staat het volgende:
14.2.2.
Artikel 4.1 van de regels van het exploitatieplan luidt als volgt:
Het verlenen van vergunningen voor het bouwen van woningen is uitsluitend toegestaan als het gebied waarop deze vergunningen betrekking hebben
een aaneensluitend ontwikkelgebied vormtmet in ontwikkeling zijnde of reeds gerealiseerde woningbouw en bijbehorende groen‐ en waterstructuur. In aanvulling hierop wordt ook een ontwikkelgebied ten noorden van de centrale waterpartij en grenzend aan de Korte Muiderweg in ontwikkeling gebracht.
14.2.3.
In artikel 4.3 is bepaald dat om te voldoen aan de afspraken in de SUOK [8] de
ontwikkeling van groengebieden parallel dient plaats te vindenaan de ontwikkeling van woongebieden.
14.2.4.
In artikel 4.4 is bepaald dat de vergunning voor het bouwen van de
1500e woningin het exploitatiegebied niet kan worden verleend voordat 50% van het te realiseren structureel groen en blauw in ontwikkeling is gebracht. Onder ‘in ontwikkeling is gebracht’ wordt verstaan: gronden waarvoor ten minste werken en werkzaamheden zijn gemeld, zoals bedoeld in 2.2.
14.2.5.
In artikel 2.2 staat dat ten minste 8 weken vóór de voorgenomen aanvang van de uitvoering van werken en werkzaamheden door de exploitant schriftelijk daarvan melding wordt gedaan aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen de werken en werkzaamheden worden uitgevoerd. Ook staat in artikel 2.2 dat bij die melding het proces‐verbaal van aanbesteding wordt gevoegd, dat in ieder geval inhoudt op welke wijze de opdracht voor de uitvoering van werken en werkzaamheden is gegund.
14.3.
De artikelen 4.3 en 4.4 van het exploitatieplan zijn op 9 juli 2020 vastgesteld ter vervanging van artikel 4.3 van het oorspronkelijke exploitatieplan, waarin dwingend was opgenomen dat voor elke hectare waarvoor een vergunning voor het bouwen van woningen (met daarbij behorende gronden) is verleend, 1,37 hectare aan structureel groen en water dient te worden ingericht binnen het exploitatiegebied. Reden voor deze wijziging was dat de oude bepaling niet werkbaar bleek bij het verlenen van individuele vergunningen voor bouwen, zo blijkt uit de uitspraak van de Raad van State van 15 december 2021 [9] . In deze uitspraak heeft de Raad van State ook tot uitdrukking gebracht dat voor parallelle ontwikkeling als bedoeld in artikel 4.3 volstaat dat de plannen voor groenvoorzieningen en woongebieden in samenhang zijn gemaakt en realisering voldoende vaststaat door een begin van uitvoering. Daarbij zag de Raad van State in artikel 4.4 een voldoende concrete waarborg voor het realiseren van de afgesproken hoeveelheid groen en water [10] .
14.4.
Voor de rechtbank staat voldoende vast dat sprake is van één ontwikkelgebied met in ontwikkeling zijnde of reeds gerealiseerde woningbouw en bijbehorende groen‐ en waterstructuur in de hiervoor genoemde zin als bedoeld in artikel 4.1 exploitatieplan. Bovendien staat vast dat naastliggende gebieden (ontwikkelgebieden 5B1 en 2B3 Oost, waar eiseres [eiseres 2] woont) ontwikkeld zijn en dat de nu vergunde delen van de wijk hierop aansluiten. Ook staat voor de rechtbank als onbestreden vast dat de plannen voor groenvoorzieningen en woongebieden in samenhang zijn gemaakt en dat een begin van uitvoering van die plannen is gemaakt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat wordt voldaan aan artikel 4.1 en 4.3 van het exploitatieplan.
14.5.
Artikel 4.4 van het exploitatieplan betreft een voorwaarde voor de vergunning van de 1500e woning van het project. Niet betwist is dat die vergunning al was verleend voordat vergunning 2 werd verleend. De vraag of bij de verlening van de vergunning voor de 1500e woning werd voldaan aan artikel 4.4 van het exploitatieplan ligt daarom nu niet ter beoordeling voor. Omdat met de nu voorliggende vergunning niet de 1500e woning wordt vergund, concludeert de rechtbank dat vergunning 2 niet in strijd met artikel 4.4 exploitatieplan is verleend. De betogen van eisers 4.2 op dit punt slagen daarom niet. Aan toetsing of is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 2.2 exploitatieplan komt de rechtbank gelet hierop niet toe.
14.6.
De stellingen van eisers 4.2 dat vergunning 2 is verleend in strijd met het bepaalde in het exploitatieplan slagen daarom niet en geven geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit van 14 november 2024. Aan de vraag of de regels uit het exploitatieplan waarop eisers 4.2 zich beroepen strekken ter bescherming van hun belangen komt de rechtbank daarom niet toe.
Is er strijd met het geldende bestemmingsplan?
15.1.
Volgens eisers 4.2 is omgevingsvergunning 2 verleend in strijd met artikel 14.1, onder d, van de planregels van het bestemmingsplan ‘Bloemendalerpolder, voormalig grondgebied Muiden’. Volgens eisers 4.2 kon omgevingsvergunning 2 niet verleend worden, omdat er geen sprake is van minimaal 31 ha aan structureel groen en water binnen het plangebied.
15.2.1.
Op de gronden waarop de onderhavige vergunning 2 ziet, geldt – voor onderhavige zaak – nog het bestemmingsplan ‘Bloemendalerpolder, voormalig grondgebied Muiden’. De gronden hebben – onder meer – de bestemming ‘Woongebied’.
15.2.2.
Op grond van artikel 14.1 van de planregels van voornoemd bestemmingsplan – voor zover hier van belang, zijn de voor ‘Woongebied’ aangewezen gronden – onder andere – kort gezegd bestemd voor wonen en de realisatie en instandhouding van minimaal 31 ha aan structureel groen en water.
15.3.
In een gebruiksbepaling in een bestemmingsplan (zoals artikel 14) bepaalt de gemeenteraad op welke manieren de gronden binnen de bestemming woongebied gebruikt mogen worden. Het gebruik dat niet wordt genoemd in een dergelijke bepaling is niet toegestaan. Een gebruiksbepaling schept echter geen verplichtingen tot het gebruik van de gronden. Artikel 14 schept Pro dan ook geen verplichting tot realisatie van minimaal 31 ha aan structureel groen en water juist op de gronden waarop de onderhavige vergunning ziet.
15.4.
Het betoog van eisers 4.2 op dit punt slaagt daarom niet.
Welstand en Beeldkwaliteitsplan
16.1.
Volgens eisers 4.2 is de besluitvorming gebaseerd op een (welstands)advies dat niet op onafhankelijke wijze tot stand is gekomen. De welstandscommissie wordt namelijk gevormd door een “kwaliteitsteam” dat bestaat uit één afgevaardigde van de aanvrager (dat is in dit geval de vergunninghouder of de projectontwikkelaar) en één afgevaardigde van de publieke partijen, waarbij elke afgevaardigde één stem heeft. De aanvrager (vergunninghouder) heeft daarom een doorslaggevende stem, aldus eisers 4.2.
16.2.
De rechtbank volgt eisers 4.2 op dit punt niet. Uit artikel 15 van Pro de door eisers 4.2 overgelegde definitieve versie van de Samenwerkings- en Uitvoeringsovereenkomst Bloemendalerpolder van 26 september 2012 (SUOK) volgt dat het kwaliteitsteam de welstand beoordeelt en dat het kwaliteitsteam uit twee leden bestaat. Daaruit volgt evenwel ook dat besluiten unaniem genomen moeten worden en als niet tot unanimiteit kan worden gekomen, besluiten moeten worden voorgelegd aan het Regie Overleg [11] . Dat de vergunninghouder een doorslaggevende stem heeft bij de totstandkoming van een advies over welstand en het advies daarom niet onafhankelijk van de projectontwikkelaar tot stand zou zijn gekomen, is dus niet juist.
17.1.
Volgens eisers 4.2 is de toets aan de eisen van welstand onvolledig, omdat niet slechts de te vergunnen bebouwing had moeten worden getoetst, maar dat ook getoetst had moeten worden of wordt voldaan aan het voor de Bloemendalerpolder ontwikkelde Beeldkwaliteitsplan op hoofdlijnen, en dan met name het bepaalde daarin over het daarin opgenomen ruimtelijke kader. Er is niet getoetst aan de hoofdstructuur water, groen, verkeer, cultuurhistorie en woonvelden en niet getoetst aan de beeldkwaliteit voor het water, de openbare ruimte en specials. Het college had het welstandsadvies daarom volgens eisers 4.2 niet ten grondslag mogen leggen aan de besluitvorming.
17.2.
De rechtbank volgt eisers 4.2 ook hierin niet. Zoals vergunninghouder terecht heeft gesteld in de schriftelijke reactie van 25 september 2025 gaat het bij de toetsing van de verleende vergunning 2 alleen om de bouw van woningen, en moet in het kader van de welstandsbeoordeling dus alleen getoetst worden of de vergunde woningen voldoen aan de daarvoor gestelde welstandsnormen. De vraag of de omgeving van de vergunde woningen (al) voldoet aan de daaraan in het exploitatieplan of het beeldkwaliteitsplan gestelde eisen speelt hierbij geen rol. Dit valt buiten de beoordelingsreikwijdte van de aanvraag.
Strijd met 7:4, tweede lid, Awb
18.1.
Eisers 4.2 voeren aan dat het aan hen gerichte bestreden besluit van 14 november 2024 moet worden vernietigd. Vergunninghouder heeft het college immers op 22 februari 2024 gemeld dat 136,7 hectare aan structureel groen en water in ontwikkeling is gebracht. Door deze melding in bezwaar niet tijdig aan eisers 4.2 kenbaar te maken en hen daarover niet te horen, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 7:4, tweede lid, Awb.
18.2.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. In artikel 7:4, tweede lid, Awb is bepaald dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage legt.
18.3.
De rechtbank begrijpt dat vergunninghouder op 22 februari 2024 aan het college heeft gemeld dat 136,7 ha structureel groen en water in ontwikkeling is gebracht. De melding bestaat, zo begrijpt de rechtbank eveneens, (onder meer) uit een staatje met aantallen hectaren dat op 6 februari 2024 is getekend en is voorzien van foto’s. Bedoelde stukken hebben betrekking op – naar gesteld – inmiddels in ontwikkeling gebracht structureel groen en blauw. Noch daargelaten de vraag of de door eisers 4.2 bedoelde melding van 22 februari 2024, gelet ook op hetgeen eerder in deze uitspraak is overwogen [12] , is aan te merken als een op de zaak betrekking hebbend stuk, wijst vergunninghouder er naar het oordeel van de rechtbank terecht op dat eisers 4.2 van de inhoud van de melding van 22 februari 2024 reeds in het kader van een andere bezwaarprocedure, te weten die tegen de verleende omgevingsvergunningen met betrekking tot deelgebieden 5B1-A en 5B1-B, op de hoogte waren. Het overzicht van 6 februari 2024 maakt verder onderdeel uit van het procesdossier omdat het ook als bijlage is gevoegd bij het advies dat de bezwaarschriftencommissie op 28 oktober 2024 aan het college heeft uitgebracht. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt verder dat de inhoud van het stuk met partijen is besproken. Dat eisers 4.2 tijdens de hoorzitting op bedoelde informatie verder niet specifiek zijn ingegaan, betekent niet dat zij daarover niet zijn gehoord. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve van een gebrek geen sprake. Het betoog van eisers 4.2 slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

19. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de beroepen van SFF (HAA 25/1578 en HAA 25/1576) gegrond. De rechtbank zal de besluiten van 14 en 15 november 2024 genomen op de bezwaren van SFF daarom vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, sub b, Awb zelf in de zaak te voorzien en zal de bezwaren van SFF tegen de vergunningen 1 en 2 alsnog niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank bepaalt daarbij dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten. Zoals hiervoor reeds geconstateerd, is het beroep (HAA 25/1576) voor zover gericht tegen de dwangsombeschikking van 4 december 2024 ongegrond.
20. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de beroepen van eiseressen 2 (25/1583), eisers 3 (25/1584) en eisers 4 (25/1582) ongegrond.
21. Dit heeft tot gevolg dat de in de bestreden besluiten gehandhaafde vergunningen 1 en 2 in stand blijven. Ook het dwangsombesluit van 4 december 2024 blijft in stand.
Vergoeding proceskosten en griffierecht
22. De rechtbank ziet in de zaken HAA 25/1576 en HAA 25/1578 geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten, reeds omdat niet is gesteld of gebleken dat SFF dergelijke kosten heeft gemaakt. Het in deze zaken door SFF betaalde griffierecht van in totaal € 770,- (tweemaal € 385,-) moet verweerder wel aan SFF vergoeden.
23. De rechtbank stort het griffierecht in de vervallen procedure met zaaknummer HAA 25/1579 aan SFF terug, omdat het ten onrechte is geheven.
24. Omdat de beroepen in de zaken HAA 25/1582, HAA 25/1583 en HAA 25/1584 ongegrond zijn, bestaat er in die zaken geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen van SFF (HAA 25/1576 en HAA 25/1578) gegrond;
  • vernietigt de besluiten van 14 en 15 november 2024 op de bezwaren van SFF;
  • voorziet zelf in de zaken en verklaart SFF niet-ontvankelijk in haar bezwaren gericht tegen de besluiten van 2 en 30 mei 2024;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 14 en 15 november 2024;
  • verklaart de beroepen van SFF tegen de dwangsombeschikking van 4 december (HAA 25/1576) en van eisers 2 (HAA 25/ 1583), 3 (HAA 25/1584) en 4 (HAA 25/1582) ongegrond;
  • bepaalt dat het college het door SFF betaalde griffierecht in de zaken HAA 25/1576 en HAA 25/1578 in totaal tot een bedrag van € 770,- aan SFF vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mr. M.H. Affourtit-Kramer en mr. R. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De vergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
2.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Raad van State) van 19 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:169).
3.Zie onder meer de uitspraak van de Raad van State van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS: 2022:1907).
4.De gemeente Weesp is in 2022 opgegaan in de gemeente Amsterdam.
5.Een van de (natuurlijke) personen heeft het beroep voor zover door haar ingediend, bij brief van 17 maart 2026 ingetrokken. De rechtbank laat haar naam daarom verder uit de uitspraak.
6.Artikel 3:49 Awb Pro luidt als volgt: Ter motivering van een besluit of een onderdeel daarvan kan worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven.
7.In dat artikel staat dat de rechtbank een besluit niet mag vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
8.De Samenwerkings- en Uitvoeringsovereenkomst tussen de projectontwikkelaar en de gemeente(n).
9.Zie overweging 6.4 van de uitspraak, ECLI:NL:RVS:2021:2825.
10.Zie overweging 7, 7.1.1 en 7.1.2 van de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van State van 15 december 2021 en overweging 3.41 van de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1406
11.Zie artikel 15, zesde lid SUOK
12.Zie bijvoorbeeld de overwegingen 10.5 en 14.2