Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6034

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
11888397 \ CV EXPL 25-6278
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 BWArt. 3 lid 2 ArbeidsomstandighedenwetArt. 3:310 lid 1 BWArt. 6:106 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aansprakelijkheid werkgever voor werkgerelateerde psychische klachten wegens onvoldoende bewijs schadelijke werkomstandigheden

De werkneemster stelt dat zij een werkgerelateerde depressie, burn-out en PTSS heeft opgelopen door een structureel onveilige werksituatie bij haar werkgever, waarbij de grenzen van psychosociale werkbelasting zijn overschreden. Zij vordert op grond van artikel 7:658 BW Pro aansprakelijkheid van de werkgever voor de door haar geleden en nog te lijden schade.

De rechtbank beoordeelt de stellingen en het bewijs en concludeert dat de werkneemster onvoldoende concreet en onderbouwd heeft gesteld dat sprake was van schadelijke werkomstandigheden. De vermeende intimidatie, pesterijen, overbelasting en tegenwerking zijn niet voldoende onderbouwd met feiten, omstandigheden of bewijsstukken. Ook het oorzakelijk verband tussen de psychische klachten en de werkomstandigheden is onvoldoende aangetoond.

Hoewel vaststaat dat de werkneemster ernstige psychische aandoeningen heeft, waaronder depressie, burn-out en PTSS, is niet komen vast te staan dat deze in voldoende mate werkgerelateerd zijn. Het medisch advies waarop de werkneemster zich beroept, is onvoldoende onderbouwd en houdt onvoldoende rekening met mogelijke niet-werkgerelateerde oorzaken.

De kantonrechter wijst de vorderingen af en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De werkneemster heeft haar stelplicht en bewijslast niet voldoende vervuld om de werkgever aansprakelijk te houden.

Uitkomst: Vordering werkneemster op aansprakelijkheid werkgever wegens werkgerelateerde psychische klachten wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
[eiseres]
wonende te [plaats 1]
eiseres
hierna te noemen: [eiseres]
gemachtigde: mr. G.J. Knotter
tegen
[gedaagde]
gevestigd te [plaats 2]
gedaagde
hierna te noemen: [gedaagde]
gemachtigde: [gemachtigde].

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de vraag of de werkgever op grond van artikel 7:658 BW Pro aansprakelijk is voor de door de werkneemster geleden en nog te lijden schade. Werkneemster stelt dat zij een werkgerelateerde depressie, burn-out en PTSS heeft gekregen doordat zij heeft moeten werken in een structureel onveilige werksituatie, waarbij de grenzen van de psychosociale werkbelasting zijn geschonden. De kantonrechter oordeelt dat bij gebrek aan onderbouwing van de stellingen van werkneemster niet vast is komen te staan dat sprake was van voor de gezondheid schadelijke werkomstandigheden. Ook is er onvoldoende bewijs voor het oorzakelijk verband tussen de aanwezige psychische klachten en de werkomstandigheden. De werkgever is daarom niet aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW Pro.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 september 2025 met producties 1 tot en met 14,
- de conclusie van antwoord van 17 december 2025,
- de akte van de zijde van [gedaagde] van 5 januari 2026, waarmee de producties 1 tot en met 57, behorende bij de conclusie van antwoord, in het geding zijn gebracht,
- het vonnis van deze rechtbank van 21 januari 2026,
- de brief van de zijde van [eiseres], ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 18 maart 2026, waarmee de producties 15 tot en met 20 in het geding zijn gebracht,
- de brief van de zijde van [gedaagde] van 19 maart 2026, waarmee de producties 58 tot en met 63 in het geding zijn gebracht,
- de mondelinge behandeling op 1 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitaantekeningen van [eiseres],
- de pleitnota van [gedaagde].
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

3.De feiten

3.1.
[eiseres], geboren op [geboortedatum] 1961, is met ingang van 1 februari 2016 bij [gedaagde] in dienst getreden in de functie van docent LB, nadat zij in het schooljaar 2015/2016 reeds als externe begeleidster bij [gedaagde] werkzaam was geweest. [eiseres] beschikte op het moment van indiensttreding over een eerstegraads lesbevoegdheid. [eiseres] was werkzaam op de school voor praktijkonderwijs [naam] in [plaats 2] (hierna: ‘de school’). [eiseres] heeft vijf achtereenvolgende tijdelijke aanstellingen verkregen, vastgelegd in zogenaamde ‘akten van benoeming’. Partijen zijn bij akte van 17 januari 2019 met terugwerkende kracht een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan, met ingang van 1 augustus 2016. Op de arbeidsovereenkomst is de cao VO (hierna: ‘de CAO’) van toepassing.
3.2.
[gedaagde] is het bevoegd gezag van 24 scholen voor voortgezet onderwijs in de regio’s Haarlem, Velsen, Haarlemmermeer, [plaats 3] en Harlingen. Een van deze scholen is de school. De school biedt praktijkonderwijs. De directeur van de school is [betrokkene 1] (hierna te noemen: ‘[betrokkene 1]’).
3.3.
[eiseres] heeft in mei en juni 2018 gecorrespondeerd met het bestuur van [gedaagde] over de te volgen opleiding om de door [gedaagde] verzochte tweedegraads lesbevoegdheid te behalen. In dat verband heeft [betrokkene 2], bestuurder, aan [eiseres] per e-mail van 4 juni 2018 onder meer bericht:
“Wat binnen scholen van [gedaagde] Onderwijsgroep regel is dat u een studie oppakt die u bevoegd maakt tot theoriedocent in het praktijkonderwijs.
Ik heb nog eens uit laten zoeken wat de mogelijkheden voor u kunnen zijn naast bijvoorbeeld een PABO-bevoegdheid halen.
Twee alternatieven zie ik dan namelijk het behalen van het HBO-certificaat van de module Taal en Rekenen uit de opleiding speciale onderwijszorg of het behalen van het getuigschrift van Master Special.”
3.4.
[eiseres] is op 1 september 2018, naast haar werkzaamheden voor [gedaagde], begonnen met de ‘
Opleiding voor leraar Gezondheidszorg en Welzijn met tweedegraads onderwijsbevoegdheid’aan de Hogeschool van Amsterdam. Zij heeft deze opleiding in 2022 succesvol afgerond.
3.5.
In artikel 16.7 van de CAO, ‘
Opgedragen professionaliseringsactiviteiten’is bepaald dat professionaliseringsactiviteiten plaatsvinden binnen de jaartaak van de werknemer en dat de kosten daarvan in tijd en/of geld voor rekening van de werkgever komen.
3.6.
[eiseres] heeft onder andere [betrokkene 1] op 14 oktober 2018 de volgende e-mail verstuurd:
“(..) De afgelopen 2 weken heb ik gewerkt volgens het nieuwe lokalenrooster. Ik moet daarbij voortdurend wisselen van lokaal. [betrokkene 3] had me gezegd dat hij had geprobeerd me zoveel mogelijk in 1 lokaal te delen, maar er is geen lokaal meer beschikbaar. Alleen op zolder is een lokaal wat vaker leeg, maar [betrokkene 3] gaf zelf al aan, dat dat door de trappen i.c.m. mijn bekkeninstabiliteit geen handige optie is. Om de lesmaterialen (boeken en/of laptops) in het lokaal te krijgen moet ik dus mijn pauzes gebruiken of leerlingen laten tillen, wat steeds ten koste gaat van lestijd. Bij deze wil ik aangeven, dat deze situatie geen gewenste situatie is voor leerlingen noch voor mij. (..) Zoals je waarschijnlijk weet ben ik deels door het UWV afgekeurd vanwege de bekkeninstabiliteit. De WAO uitkering wordt afgebouwd omdat ik bij het UWV heb aangegeven, dat ik wil werken, maar als ik dingen doe die mijn situatie verslechteren kan het UWV mij nalatigheid verwijten en de werkgever een boete opleggen. Ik geef dit aan, zodat mij achteraf niet verweten kan worden, dat ik de directie hierop niet heb geattendeerd. (..)”
3.7.
[eiseres] heeft zich op 3 mei 2019 ziekgemeld.
3.8.
In de Consultrapportage van [betrokkene 4], bedrijfsarts, van 15 mei 2019 staat onder andere:
“Betrokkene is uitgevallen per 3 mei jl. met klachten in verband met beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Voor deze klachten adviseer ik een interventietraject ter ondersteuning aan te bieden. Tevens speelt er al langere tijd een verstoorde arbeidsrelatie. Daar zou een mediationtraject voor worden opgestart waaraan betrokkene zal kunnen participeren ondanks haar klachten. In afwachting van de uitkomst van dit traject zullen we te zijner tijd de mogelijkheden van re-integratie kunnen beoordelen. (..)”
3.9.
Partijen hebben op 22 mei, 21 juni, 16 juli en 26 september 2019 vier gesprekken gevoerd met een mediator. De mediation heeft niet tot (een vorm van) overeenstemming geleid tussen partijen. Op 11 december 2019 heeft er vervolgens een gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres] en [betrokkene 2], lid van het college van bestuur van [gedaagde] en hun beider (toenmalige) gemachtigden om – kort gezegd – de moeizame arbeidsverhouding wederom te bespreken. Op 11 februari 2020 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden in dezelfde samenstelling. Partijen hebben geen (vorm van) overeenstemming bereikt naar aanleiding van deze gesprekken.
3.10.
In een advies van de bedrijfsarts van 24 februari 2020 is te lezen:
“(..) Er zijn nog steeds sprake van medische klachten en arbeidsongeschiktheid. De beperkingen zijn zowel in het persoonlijk- en sociaal functioneren alsmede meerdere lichamelijke klachten die haar beperken. Met name concentratie en geheugen problematiek, maar ook visus, sensibele beperkingen (..) en energetisch. Het is nog niet duidelijk wat de prognose is op volledig herstel van alle huidige beperkingen. Een belangrijke beperking is de verstoring in de arbeidsrelationele sfeer waarvoor nu gesprekken lopen. Indien daar een passende oplossing voor komt zal dit positieve invloed hebben op onderdelen van haar huidige klachten. Bij aanvang van de werkzaamheden zal dit in eerste instantie nog voor een beperkt aantal uren kunnen zijn. Bv. 2 x 2 uur in de week. Dit kan stapsgewijs opgebouwd worden afhankelijk van de klachten/beperkingen die dan aanwezig zijn. Betrokkene is onder behandeling van diverse specialisten/behandelaars. Zou intern voor haar klachten in het persoonlijk functioneren worden doorverwezen naar meer specialistische hulp. Terugkeer naar haar huidige school is onwenselijk. Dus mogelijkheden op een andere school biedt zeker kansen. Ik zie ook geen bezwaar om daar het gesprek over aan te gaan (..)”
3.11.
In de rapportage van [betrokkene 5], arbeidsdeskundige, van 3 juli 2020 is onder meer het volgende opgenomen:
“(..)Conclusie
Er is sprake van marginale mogelijkheden. De focus moet dan vooral liggen op de mogelijkheden bij de eigen werkgever, omdat daar meer mogelijkheden zijn voor aanpassingen in taken, uren en belasting dan bij een andere werkgever. Pas wanneer de belastbaarheid aanknopingspunten biedt om te komen tot duurzame inzetbaarheid en loonwaardige inzet, wordt het zinvol spoor 2 op te starten als terugkeer naar werk bij de eigen werkgever onzeker blijft.
(..)Advies en planning
(..) Geadviseerd wordt een Deskundigenoordeel in te zetten met de volgende vraagstelling:
Heeft werkgever voldoende aan re-integratieinspanningen gedaan, door nu gezien de geringe belastbaarheid van mevrouw [eiseres] spoor 2 nog niet op te starten. (..)”
3.12.
In het op verzoek van [gedaagde] aangevraagde ‘Deskundigenoordeel re-integratie inspanningen werkgever’ van [betrokkene 6], Arbeidsdeskundige, van 3 september 2020 is – kort gezegd – is onder andere te lezen:
‘(…)Beoordeling re-integratie inspanningen
De Wet verbetering poortwachter beschrijft dat een conflict binnen de werksfeer geen reden is om niet actief te werken aan re-integratie. Dat degene met wie het conflict speelde ook de casemanager was is in dit verband een ongelukkige keuze die geen positief effect zal hebben gehad op de re-integratie. (..) Ik ben het niet eens met arbeidsdeskundige dhr. Hen om geen twee-sporenbeleid (zowel eerste als tweede spoor) in te zetten te meer daar er geen passende mogelijkheden voor werknemer lijken te zijn bij de eigen werkgever. Hoe eerder er perspectief op betaald werk ontstaat hoe effectiever.
(..)
Conclusie
De re-integratie-inspanningen van de werkgever zijn onvoldoende. (..)”
3.13.
Van 11 maart 2020 tot 23 april 2021 heeft [eiseres] re-integratiewerkzaamheden verricht op de Praktijkschool [plaats 3], onderdeel van [gedaagde]. In mei 2021 is de wettelijke wachttijd van 104 weken in het kader van de Wet WIA verstreken. [eiseres] heeft, in afwachting van de beoordeling van de mate van haar arbeidsongeschiktheid door het UWV, geen werkzaamheden meer verricht voor [gedaagde].
3.14.
De arbeidsovereenkomst is door [gedaagde] opgezegd bij brief van 5 oktober 2022, met als einddatum 1 februari 2023, nadat het UWV daarvoor in haar beslissing van 19 september 2022 toestemming had verleend op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid van [eiseres]. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiseres] is in de beslissing van het UWV van 12 april 2022 op 80-100% vastgesteld.
3.15.
[eiseres] heeft [gedaagde] bij brief van 8 juli 2024 aansprakelijk gesteld op grond van artikel 7:658 BW Pro. [gedaagde] heeft de aansprakelijkheid van de hand gewezen.
3.16.
In het advies van [betrokkene 7], bedrijfsarts en medisch adviseur beroepsziekten (hierna: ‘[betrokkene 7]’), van 3 september 2025 staat onder meer het volgende opgenomen:
“(..) Medische voorgeschiedenis
27-06-2019 (13) GZ psycholoog (Arbo Unie)
(..) Medicatie: sinds 19 jaar antidepressiva sinds haar bekkeninstabiliteit
(..) Beschrijvende diagnose: … Cliënte ervaart spanningsklachten naar aanleiding van het voortdurende conflict met haar werkgever en heeft last van piekergedachten over haar financiële toekomst en het mogelijke ontslag. De klachten zijn begonnen nadat zij in 2017 een beroerte kreeg en zij ervaart dat zij door de directeur van haar werkplek weggepest wordt, met als doel dat zij ontslag neemt. De klachten zijn geluxeerd in mei 2019. (..)
18-11-2019 (2) psycholoog [[betrokkene 8]]
In januari 2017 heeft zij een beroerte gehad, hierbij deel van haar zicht verloren. Hoewel ze moe was, is ze blijven werken. Haar directeur heeft erna tot 3 keer toegezegd haar een bedrijfsrisico te vinden vanwege haar leeftijd en de beroerte en te willen dat ze ontslag neemt. Sindsdien doet haar directeur moeilijk. (…) Ze merkt dat ze over haar directeur droomt, slecht slaapt, zich alert en bedreigd voelt, moe is, moeite heeft met zich concentreren en last heeft van huilbuien, hartkloppingen en pijn op de borst. De cardioloog heeft onderzoek gedaan en gaf aan dat de klachten waarschijnlijk worden veroorzaakt door stress. (…)In haar jeugd sloegen haar ouders haar en haar ex-man was een dominante, agressieve man die bleek op te lichten. Situatie met haar directeur doet haar denken aan haar ex-man. Verder heeft ze sinds de bevalling van haar tweeling in 1998 last van blijvende bekkenproblemen, waardoor ze 35-45% afgekeurd is. Samengevat lijkt er sprake van een ongespecificeerde angststoornis (partiele post traumatische stressstoornis) bij een overbelaste vrouw(..)”
28-08-2024 (14) psycholoog [betrokkene 10] Centrum
(…) Diagnose: angstproblematiek, gemaskeerde depressie en verontrustende gevoelens van demoraliseren, gebaseerd op een belaste privésituatie (waaronder ernstig verstoorde arbeidsverhoudingen) bij een intelligente vrouw van middelbare leeftijd, met een onderontwikkeld vermogen om normale onlustgevoelens (verdriet, angst, boosheid) tot expressie te brengen.
Vermoedelijke oorzaken van de klachten: ten tijde van de aanmelding ging patiënte zwaar gebukt op de verstoorde arbeidsverhoudingen op haar werk. (…) Zij voelde zich gekleineerd en gediscrimineerd door haar directeur. (…) Uiteraard past het mij niet om te beoordelen of en in hoeverre feiten en beleving hier gelijk opgaan. Ik merk met nadruk op dat patiënte zich nergens in de behandeling als verhoogd krenkbaar liet kennen (…) Patiënte vertoonde geen opmerkelijke (verhoogde) signalen van projectie. Het valt natuurlijk niet uit te sluiten dat haar angstige schuwheid en teruggetrokkenheid haar een gemakkelijke prooi maken voor mensen in haar leven die meer toe dominantie geneigd zijn (…). Hoe dan ook: zeker is dat patiënte zodanig werd belemmerd door de ervaren bejegening door haar directeur dat (andere) voor haar cruciale behandelthema’s verontrustend weinig aan bod konden komen. In die zin zat haar getroubleerde verhouding met haar directeur de effectiviteit van haar behandeling fors in de weg”
Conclusie gezondheidsschade:In 2017 ontstaan stressgerelateerde klachten. De huisarts zou een burn-out hebben genoemd. De bedrijfsarts noteert een surmenage (2019). De bedrijfspsycholoog (2019) rapporteert een angststoornis met spanningsklachten (2019). GZ-psycholoog [betrokkene 8] vindt traumagerelateerde angstproblemen (partiële PTSS), waarvoor EMDR. Volgens geriater [betrokkene 9] is sprake van een depressie. Volgens psycholoog [betrokkene 10] ([betrokkene 10]) is sprake van angstproblematiek en een depressie. Het beeld laat zich naar mijn idee het beste samenvatten als stress/traumagerelateerde problematiek zich uitend in een depressie met PTSS- en angstkenmerken.
(..)
Mogelijke interferenties
In de beschikbare medische documentatie wordt gewezen op een belaste voorgeschiedenis. In haar jeugd sloegen haar ouders haar. Haar ex-man was een dominante agressieve man. Echter in alle behandelverslagen worden deze aspecten niet genoemd als (bijdragende) oorzakelijke factoren van het klachtenbeeld sinds 2017. Cliënte heeft tot 2017 goed gefunctioneerd.
Naast het psychiatrische klachtenbeeld is zij bekend met CVA/verminderde visus (2017), gehoorverlies, migraine, diabetes mellitus II.
Conclusies
- Gezondheidsschade: stress/traumagerelateerde problematiek zich uitend in een depressie met PTSS- en angstkenmerken.
- Literatuur: genoemde gezondheidsschade wordt in de literatuur in verband gebracht met de belastende arbeidsomstandigheden.
- Blootstelling in arbeid: blootstellingscriteria zoals genoemd in de meest relevante NCvB registratierichtlijnen zijn ruim overschreden.
- Overig/interferenties:
* Samenhang in tijd: de klachten/aandoeningen zijn ontstaan en toegenomen sinds het pestgedrag van de directeur.
* Volgens de eigen bedrijfsarts is sprake van een werkgerelateerde component.
* De cardioloog wijst op atypische thoracale pijnklachten met sterke psychogene component bij langdurige stressvolle werksituatie.
* Psycholoog [betrokkene 11] constateert dat de angst- en spanningsklachten het gevolg zijn van de conflictsituatie met haar leidinggevende.
* Psycholoog [betrokkene 8] is van mening dat de angststoornis/PTSS het gevolg is van overbelasting in haar werk.
* Volgens geriater [betrokkene 9] is haar depressie uitgelokt door het slepende conflict met haar werkgever.
* Volgens psycholoog [betrokkene 10] ([betrokkene 10]) is de vermoedelijke oorzaak van het klachtenbeeld de verstoorde arbeidsverhoudingen op haar werk.
- Conclusie: toepassing van het NCvB stappenplan in combinatie met relevante NCvB richtlijnen, leidt tot de conclusie dat de genoemde mentale gezondheidsschade in overwegende mate is veroorzaakt door de belastende omstandigheden in haar werk. Daarmee is sprake van een beroepsziekte. (..)”

4.De vorderingen en het verweer

4.1.
[eiseres] vordert dat de kantonrechter de aansprakelijkheid van [gedaagde] ex artikel 7:658 BW Pro vaststelt alsmede [gedaagde], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot:
  • vergoeding van de materiële en immateriële schade van [eiseres], op te maken bij staat en te vereffenen naar de wet;
  • betaling van een voorschot op het smartengeld ten grootte van € 10.000,00, althans een daarmee overeenstemmend redelijk bedrag;
  • in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten.
4.2.
[eiseres] legt aan haar vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag. [eiseres] heeft een werkgerelateerde depressie, burn-out en PTSS opgelopen doordat zij bij [gedaagde] onder voor de gezondheid schadelijke omstandigheden heeft moeten werken. Die omstandigheden bestaan er onder andere uit dat [eiseres] te maken heeft gehad met een patroon van intimidatie, vernederingen, pesterijen en opzettelijke tegenwerking door [betrokkene 1], een gebrek aan (sociale) ondersteuning en schending van arbeidsrechtelijke verplichtingen. [eiseres] heeft daardoor moeten werken in een – structureel – onveilige werksituatie, waarbij de grenzen van de psychosociale arbeidsbelasting werden overschreden, hetgeen een schending oplevert van artikel 3 lid Pro 2 Arbeidsomstandighedenwet. De ziekte van [eiseres] is een rechtstreeks gevolg van deze werkomstandigheden. [gedaagde] is haar zorgplicht niet nagekomen. [gedaagde] is daarom op grond van artikel 7:658 BW Pro aansprakelijk voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade. Het onrechtmatige gedrag van [gedaagde] en [betrokkene 1] heeft geleid tot een ernstige aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW Pro. [eiseres] acht het redelijk dat haar in deze procedure een voorschot van € 10.000,00 op het smartengeld wordt toegekend.
4.3.
[gedaagde] betwist de vorderingen. Zij voert aan, kort gezegd, dat [gedaagde] niet aansprakelijk is voor de door [eiseres] gestelde schade, zodat de vorderingen moeten worden afgewezen. Van schadelijke arbeidsomstandigheden bij [gedaagde] is geen sprake geweest. Van een causaal verband tussen de arbeidsomstandigheden bij [gedaagde] en de gezondheidsklachten die [eiseres] stelt te ervaren is ook niet gebleken. [gedaagde] heeft ook haar zorgplicht voor een veilige werkomgeving niet geschonden. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres], althans afwijzing van haar vorderingen, onder veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure.

5.De beoordeling

afwijzing verjaringsverweer
5.1.
[gedaagde] heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vorderingen omdat die zijn verjaard. [gedaagde] voert daartoe aan dat [eiseres] naar eigen zeggen al vanaf januari 2017 psychische klachten ervaart, die zij volgens [gedaagde] toeschrijft aan pestgedrag, intimidatie en een onveilige werkomgeving binnen de school. Omdat [eiseres] [gedaagde] eerst op 8 juli 2024 een aansprakelijkstelling aan [gedaagde] heeft verstuurd, is de verjaringstermijn volgens [gedaagde] verstreken.
5.2.
De kantonrechter verwerpt dit verweer, waarbij het volgende wordt overwogen. Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW Pro verjaart een vordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. Deze verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden. [1]
5.3.
[eiseres] stelt dat zij pas op 18 november 2019, met de diagnose van psycholoog [betrokkene 8] (zoals opgenomen onder 3.16), daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. De kantonrechter is met [eiseres] van oordeel dat de vijfjaarstermijn vanaf dat moment is gaan lopen. [eiseres] heeft haar vordering jegens [gedaagde] met de aansprakelijkstelling van 8 juli 2024 binnen de verjaringstermijn en daarmee tijdig ingesteld. De kantonrechter zal dan ook overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de zaak.
beoordelingskader werkgeversaansprakelijkheid
5.4.
De vraag die moet worden beantwoord is of [gedaagde] op grond van artikel 7:658 lid 2 BW Pro aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade. Ten aanzien van de bewijslastverdeling volgt (met toepassing van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro) uit artikel 7:658 BW Pro dat:
I. [eiseres] moet stellen en bij betwisting bewijzen dat zij schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, dus dat er sprake is van een causaal verband tussen de werkzaamheden en de schade;
II. als dit vast komt te staan, [gedaagde] vervolgens moet stellen en zo nodig bewijzen dat zij heeft voldaan aan haar verplichting om voor een veilige werkplek en gezonde arbeidsomstandigheden te zorgen, zij moet dus bewijzen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan;
III. wanneer [gedaagde] er niet in slaagt te bewijzen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan, het causaal verband tussen zijn tekortkoming en de schade in beginsel gegeven is.
5.5.
Vaststaat dat bij [eiseres] sprake is van meerdere psychische aandoeningen. Zij spreekt zelf over een “
werkgerelateerde depressie, burn-out en PTSS”. De door haar ingeschakelde medisch deskundige concludeert dat sprake is van “
stress/traumagerelateerde problematiek zich uitend in een depressie met PTSS- en angstkenmerken” (3.16). [gedaagde] heeft niet betwist dat van dit ziektebeeld sprake is, zodat de kantonrechter daar – mede gezien de afwezigheid van een eigen medisch advies/deskundigenoordeel van de zijde van [gedaagde] - van zal uitgaan.
5.6.
Depressie, burn-out en PTSS zijn alle drie multi-causale ziektebeelden, hetgeen wil zeggen dat er meerdere mogelijke oorzaken voor kunnen zijn. Wil [eiseres] met succes een beroep doen op artikel 7:658 BW Pro, dan zal zij voldoende feiten en omstandigheden moeten stellen over haar werksituatie zodat op grond daarvan kan worden aangenomen dat haar klachten door die werksituatie (en niet door iets anders, bijvoorbeeld ook door omstandigheden in de privésituatie) zijn ontstaan.
5.7.
Omdat het, onder meer in het geval van beroepsziektes, niet altijd duidelijk is of de oorzaak werkgerelateerd is, is de Hoge Raad de werknemer voor wat betreft het bewijs van het causale verband tegemoet gekomen met de omkeringsregel. Voor toepassing van de omkeringsregel moet de werknemer stellen en bij betwisting aannemelijk maken dat hij (1) bij het verrichten van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, en (2) dat hij lijdt aan een ziekte of gezondheidsklachten die door de blootstelling kunnen zijn veroorzaakt. Als de werknemer daaraan voldoet, is de werkgever aansprakelijk, tenzij hij kan aantonen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Deze omkeringsregel kan alleen worden toegepast als het causaal verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden niet te onzeker of te onbepaald is. [2]
schadelijke werkomstandigheden
5.8.
Gelet op het voorgaande is het aan [eiseres] om te stellen en onderbouwen dat de werkomstandigheden zodanig waren, dat deze haar gezondheidsklachten (kunnen) hebben veroorzaakt. [eiseres] stelt in dat verband dat zij heeft moeten werken in een structureel onveilige werksituatie, waarbij de grenzen van de psychosociale werkbelasting werden overschreden. Zij benoemt daarbij als structurele (hoofd)problemen: (1) een patroon van intimidatie, vernederingen, pesterijen en opzettelijke tegenwerking door [betrokkene 1], (2) een gebrek aan (sociale) ondersteuning en (3) schending van arbeidsrechtelijke verplichtingen door [gedaagde].
5.9.
Op [eiseres] rust de last om de gestelde structurele problemen en patronen concreet en inzichtelijk te maken aan de hand van (onderbouwde) feiten, gedragingen en/of omstandigheden. In de dagvaarding heeft [eiseres] ter onderbouwing van haar stellingen een groot aantal feiten, gedragingen en omstandigheden beschreven. Hoewel niet steeds duidelijk is ter onderbouwing van welk gesteld structureel problemen de gestelde feiten zijn aangevoerd, zal de kantonrechter de feitelijke stellingen zo veel mogelijk aan de hand van de drie gestelde problemen bespreken.
patroon van intimidatie, vernederingen, pesterijen en opzettelijke tegenwerking
5.10.
[eiseres] voert ter onderbouwing van dit gestelde patroon het volgende aan:
intimiderende uitspraken en (pest)gedrag van [betrokkene 1] en ‘vazallen’
voortdurende overbelasting
inroostering AVO-vakken, roosterwijzigingen, pleinwacht en intrekking autorisatie eigen personeelsdossier
intimiderende uitspraken en (pest)gedrag van [betrokkene 1] en ‘vazallen’
5.11.
De intimidatie door [betrokkene 1] bestond er volgens [eiseres] onder andere uit dat [betrokkene 1] [eiseres], nadat zij in januari 2017 een lichte beroerte had gehad, meermaals eiste dat zij ‘vrijwillig ontslag’ zou nemen. Nadat [eiseres] dat weigerde, verslechterde de relatie met [betrokkene 1] volgens [eiseres] aanzienlijk en ging [betrokkene 1] steeds meer intimiderende uitspraken doen, zoals ‘
ik maak je kapot’en
‘hoe is het met je tiaatje?’. [eiseres] stelt dat zij [betrokkene 1] heeft betrapt met zijn oor tegen de deur van haar leslokaal en dat hij haar regelmatig ontbood op zijn kantoor om haar aan een tirade te onderwerpen. [betrokkene 1] had volgens [eiseres] ook enkele ‘vazallen’ op de school (waaronder de adjunct-directeur en roostermaker) die [eiseres] net als [betrokkene 1] belachelijk maakten, bijvoorbeeld wanneer [eiseres] met een rolkoffer door de gangen van de school liep.
5.12.
[gedaagde] heeft alle door [eiseres] genoemde gedragingen en/of omstandigheden gemotiveerd betwist. [eiseres] heeft hiertegenover haar verwijten niet nader toegelicht. Hoewel [eiseres] terecht aanvoert dat de bewijsvoering wordt bemoeilijkt door de omstandigheid dat de genoemde gedragingen in een één-op-één-situatie plaatsvonden, lag het wel op haar weg om zoveel mogelijk concrete feiten en omstandigheden te benoemen door het geven van een meer gedetailleerde beschrijving van de gebeurtenissen en de situaties waarin die zich afspeelden en door daarbij zoveel mogelijk een duiding in plaats en tijd aan te geven. Dat heeft [eiseres] niet gedaan. [gedaagde] heeft op haar beurt meerdere stellingen gemotiveerd weerlegd met onder meer een getuigenverklaring van de adjunct-directeur. Ook heeft [gedaagde] toegelicht dat zowel [betrokkene 1] als de adjunct-directeur met [eiseres] over de rolkoffer heeft gesproken, dat dit in de trant van ‘is dit wel verstandig?’ was en dat daarbij geen flauwe of denigrerende opmerkingen zijn gemaakt. Dat sprake is geweest van intimidatie en pestgedrag tegenover [eiseres] kan, bij gebrek aan voldoende onderbouwing, dan ook niet worden aangenomen. Daarbij merkt de kantonrechter nog op dat gesteld, noch gebleken is dat [eiseres] destijds contact heeft opgenomen met de vertrouwenspersoon van [gedaagde]. Dit is vanzelfsprekend geen vereiste, maar had haar wel kunnen helpen bij het aannemelijk maken van de gestelde intimidatie en pesterijen.
voortdurende overbelasting
5.13.
[eiseres] stelt dat zij als onderdeel van het patroon van pesterijen en tegenwerking door het veelvuldig moeten invallen voor collega’s voortdurend werd overbelast en dat haar klachten hierover niet serieus werden genomen. [eiseres] heeft deze stelling niet onderbouwd met concrete stellingen of stukken zoals lesroosters, agenda’s of e-mailcorrespondentie over de inroostering. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat [eiseres] vanwege de inroostering vele overuren heeft moeten maken. Zij heeft daarbij zogenaamde ‘jaartaakoverzichten’ over de jaren 2016-2018 in het geding gebracht, waaruit volgens [gedaagde] blijkt dat alle taken van [eiseres] binnen haar jaartaak pasten. [eiseres] heeft dit niet betwist. Dat sprake was van de gestelde voortdurende overbelasting is dan ook niet komen vast te staan.
inroostering AVO-vakken, roosterwijzigingen, pleinwacht, afwijzing zorgverlof en intrekking autorisatie eigen personeelsdossier
5.14.
Volgens [eiseres] bestond de voortdurende tegenwerking die zij ondervond er verder onder meer uit dat zij vaker dan andere collega’s pleinwacht moest lopen, zij onverhoeds (toch) werd ingeroosterd voor AVO-vakken in het schooljaar 2018/2019, de roostermaker haar niet of onjuist informeerde over haar rooster en/of lokaalwijzigingen, een verzoek van [eiseres] om een dag zorgverlof op te nemen om voor haar dochter te zorgen ten onrechte werd afgewezen en de autorisatie van [eiseres] om in haar eigen digitale personeelsdossier te kunnen vanaf 2017 steeds werd ingetrokken. [eiseres] heeft deze stellingen niet concreet onderbouwd met objectieve bewijsstukken, zoals zorgverlof- en/of autorisatieaanvragen, (pleinwacht)roosters of e-mailcorrespondentie. Dat had juist bij stellingen als deze wel op haar weg gelegen.
5.15.
Dat de roostermaker [eiseres] bewust niet (juist) informeerde over roosterwijzingen, heeft [gedaagde] onderbouwd weersproken met de getuigenverklaring van de roostermaker. [gedaagde] heeft verder aan de hand van overgelegde overzichten van inroostering van [eiseres] toegelicht dat [eiseres] vanaf haar indiensttreding in beperkte mate lessen in Zorg & Welzijn gaf en dat de nadruk steeds heeft gelegen op de AVO-vakken. [eiseres] betwist dit, maar onderbouwt haar stellingen niet.
gebrek aan (sociale) ondersteuning
5.16.
[eiseres] voert ter onderbouwing van het door haar ervaren gebrek aan (sociale) ondersteuning het volgende aan:
opzettelijke tegenwerking en ongelijke behandeling bij (eis tot het) behalen van tweedegraads lesbevoegdheid
[gedaagde] hield onvoldoende rekening met de (haar bekende) fysieke beperkingen van [eiseres]
tegenwerking bij re-integratie
opzettelijke tegenwerking en ongelijke behandeling bij (eis tot het) behalen van tweedegraads lesbevoegdheid
5.17.
Tussen partijen is niet in geschil dat een verstoring in de arbeidsverhouding is ontstaan in het jaar 2018 nadat tussen [eiseres] en [betrokkene 1] discussie is ontstaan over (de noodzaak tot) het behalen van een tweedegraads lesbevoegdheid door [eiseres] en, in het verlengde daarvan, welke opleiding [eiseres] daarvoor zou moeten volgen. [gedaagde] voert in dat verband echter terecht aan dat een dergelijk conflict, hoewel naar haar aard belastend, niet meteen impliceert dat (ook) sprake is van werkomstandigheden die als schadelijk voor de gezondheid in de zin van artikel 7:658 BW Pro moeten worden aangemerkt. Ook hier geldt dat [eiseres] niet voldoende heeft gesteld ter onderbouwing van haar stelling dat [betrokkene 1] haar opzettelijk heeft tegengewerkt bij het behalen van de tweedegraads bevoegdheid.
5.18.
De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van [eiseres] dat zij zich met name tegen de verplichting om een tweedegraadsbevoegdheid voor AVO-vakken te behalen verzette omdat zij al eerder als invalster AVO-vakken had gegeven, [betrokkene 1] het toen geen belemmering vond dat zij niet specifiek voor deze vakken bevoegd was, het aannemen en inroosteren van docenten zonder specifieke onderwijsbevoegdheid op de school gebruikelijk was en de tweedegraads lesbevoegdheid pas een issue werd nadat [eiseres] aanspraak had gemaakt op een aanstelling voor onbepaalde tijd. [gedaagde] heeft gemotiveerd en met bewijsstukken weerlegd dat meerdere docenten zonder de juiste lesbevoegdheid bepaalde vakken gaven en toegelicht dat [eiseres] vanaf het schooljaar 2017-2018 een reguliere aanstelling kreeg en ook zij daarom moest (gaan) beschikken over de vereiste tweedegraads lesbevoegdheid. Dat [eiseres] (ook in het schooljaar 2018-2019) liever meer uren het praktijkvak Zorg &Welzijn wilde (blijven) geven, mag zo zijn, maar betekent niet dat de keuze van [betrokkene 1] om haar (blijvend) in te zetten voor met name AVO-vakken onjuist of onbegrijpelijk is. Het is immers aan de schoolleiding om hierin keuzes te maken. Vast staat dat de discussie tussen partijen over de aanspraak van [eiseres] op een aanstelling voor onbepaalde tijd en de discussie over de lesbevoegdheid deels in dezelfde periode werden gevoerd. Dat [gedaagde] de eis van een tweedegraads lesbevoegdheid uitsluitend of met name heeft gesteld vanwege het geschil over de aanstelling, kan hieruit echter niet worden afgeleid en is door [eiseres] ook niet verder onderbouwd met bijvoorbeeld verklaringen van voormalige collega’s of e-mailcorrespondentie (al dan niet van door haar ingeschakelde juristen).
5.19.
Voor wat betreft de keuze van de benodigde opleiding wil de kantonrechter wel aannemen dat de communicatie daarover niet steeds duidelijk is geweest en dat daarin de wens van [eiseres] om met name te worden ingezet op praktijkvakken mogelijk enige ‘ruis’ gaf. In de e-mail van bestuurslid [betrokkene 2] van 4 juni 2018 (3.3) staat echter duidelijk dat van [eiseres] werd verwacht dat zij een opleiding zou volgen die haar de vereiste lesbevoegdheid gaf voor het geven van theorievakken. [eiseres] is daarna gestart met een hbo-opleiding voor leraar Gezondheidszorg en Welzijn. Daarmee kon zij geen tweedegraads lesbevoegdheid voor (een of meer) theorievakken behalen. Dat deze opleiding voor [gedaagde] niet zou voldoen, had [eiseres] zich dan ook kunnen en moeten realiseren.
5.20.
[eiseres] wijst er in dit verband terecht op dat aanvankelijk door [betrokkene 1] of [gedaagde] geen medewerking werd verleend aan het aanvragen van een ontheffing bij DUO en [eiseres] van het kastje naar de muur werd gestuurd voor de vereiste handtekening. Vaststaat echter dat die ontheffing uiteindelijk wel is aangevraagd en door DUO is afgewezen. Dat deze gang van zaken bij [eiseres] voor stressgevoelens heeft geleid is voorstelbaar, maar de kantonrechter ziet in deze gang van zaken – voor zover die door [eiseres] concreet is onderbouwd - geen bewuste tegenwerking op dit punt.
5.21.
Voor wat betreft de weigering van [gedaagde] om de kosten voor het laatste studiejaar niet aan [eiseres] te voldoen, geldt dat het de kantonrechter niet duidelijk is geworden waarom [gedaagde] dit weigerde. Achteraf bezien kan wellicht worden vastgesteld dat de opleiding die [eiseres] volgde niet onder ‘
opgedragenprofessionaliseringsactiviteiten’in de zin van de CAO (3.5) viel, maar tegelijkertijd heeft [gedaagde] de studiekosten van de eerste twee studiejaren wel steeds zonder meer betaald. Wat hier ook van zij, ook als [gedaagde] de vergoeding onterecht heeft geweigerd, is dit onvoldoende om opzettelijke tegenwerking aan te nemen.
werkgever hield onvoldoende rekening met de fysieke beperkingen van [eiseres]
5.22.
Volgens [eiseres] heeft [betrokkene 1] gedurende haar dienstverband bij [gedaagde] onvoldoende rekening gehouden met haar fysieke beperkingen, terwijl [betrokkene 1] daarmee wel bekend was, en is zij daardoor bewust in haar gezondheid geschaad. Zo had [eiseres] geen vast klaslokaal, waardoor zij meerdere keren per dag van lokaal moest wisselen. Zij werd vaak ingedeeld in lokalen op de eerste verdieping en op de zolder, terwijl deze plekken alleen per trap bereikbaar waren. [eiseres] was daardoor gedwongen deze meerdere keren per dag op en af te gaan, vaak met zware spullen. [eiseres] stelt dat zij hierdoor (meer) bekkenpijn en reuma in haar knie opgelopen.
5.23.
Vast staat dat [gedaagde] sinds de indiensttreding van [eiseres] op de hoogte was van haar gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vanwege bekkeninstabiliteit. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] in de onder 3.6 opgenomen e-mail aan onder andere [betrokkene 1] kenbaar heeft gemaakt dat de lokaalwisselingen en het als gevolg daarvan vele traplopen en sjouwen met lesmaterialen een negatieve impact hebben op haar bekkeninstabiliteit. [gedaagde] heeft in reactie hierop ter zitting aangegeven dat zij niet meer weet hoe destijds op deze melding is gereageerd. Verder heeft [gedaagde] toegelicht dat de school klein en overzichtelijk is, waardoor de loopafstanden beperkt zijn, en dat vanwege het lesgeven in meerdere vakken niemand over een eigen lokaal kon beschikken. Of van [eiseres] meer fysieke inspanning werd gevraagd dan gezien haar bekkeninstabiliteit en reuma passend was, is de kantonrechter niet duidelijk geworden. De stellingen van [eiseres] zijn ook op dit punt algemeen geformuleerd en niet voorzien van een concrete onderbouwing met betrekking tot bijvoorbeeld de frequentie van de inroostering in voor haar ongunstige lokalen en over welke periode dit (met name) het geval was. Hoewel de reactie van [gedaagde] op de melding mogelijk als onvoldoende kan worden beschouwd, is dat tegen deze achtergrond onvoldoende om aan te nemen dat [eiseres] aan een structureel onveilige werksituatie is blootgesteld, waarbij bewust haar gezondheid is benadeeld.
tegenwerking bij re-integratie
5.24.
Ook voor wat betreft de stellingen die [eiseres] over het handelen van [betrokkene 1] of [gedaagde] in het kader van haar re-integratie tijdens ziekte heeft ingenomen, geldt dat het gestelde patroon van (onder meer) tegenwerking ook in dit verband onvoldoende is onderbouwd en daarom, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagde], niet kan worden vastgesteld. Daarbij geldt in het bijzonder dat niet is komen vast te staan dat [eiseres] opzettelijk is tegengewerkt doordat zij niet mocht re-integreren op de school, temeer omdat de bedrijfsarts op 24 februari 2020, dus vlak voordat [eiseres] in het kader van re-integratie bij een andere onder [gedaagde] vallende school is gestart, heeft geoordeeld dat terugkeer naar de school onwenselijk is (3.10). De kantonrechter acht dit in het licht van de moeizame arbeidsverhouding, die al langere tijd niet naar wederzijdse tevredenheid was opgelost (3.9) ook niet op voorhand onbegrijpelijk. Het (enkele) feit dat het UWV daarna heeft geconcludeerd dat [gedaagde] niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan (3.12), maakt dit niet anders. Het geconstateerde gebrek zag immers op de volgens het UWV verkeerde inschatting van de arbeidsdeskundige op 3 juli 2020 om geen twee-sporenbeleid (zowel eerste als tweede spoor) in te zetten. [eiseres] was echter op 3 juli 2020 al enige tijd aan het re-integreren bij (een andere school van) [gedaagde].
5.25.
Ook overigens heeft [eiseres] onvoldoende concreet gesteld op welke wijze het handelen van [gedaagde] en/of het niet hebben voldaan aan de re-integratieverplichtingen door [gedaagde] maakt dat [eiseres] heeft moeten werken onder voor de gezondheid schadelijke werkomstandigheden of dat dit daar in ieder geval voor een wezenlijk deel aan heeft bijgedragen. Dat de ziekmelding van 3 mei 2019 aanvankelijk niet werd geaccepteerd, blijkt niet uit het dossier en dit lijkt ook niet aannemelijk, gezien het feit dat [eiseres] 12 dagen na haar ziekmelding al door de bedrijfsarts van [gedaagde] werd gezien (3.8). Dat [betrokkene 1] het collega’s verbood om met [eiseres] contact te hebben, volgt niet uit de e-mail van [betrokkene 1] van 17 mei 2019 die [eiseres] op dit punt heeft ingebracht.
schending van arbeidsrechtelijke verplichtingen
5.26.
[eiseres] voert ter onderbouwing van haar stelling dat [betrokkene 1] en/of [gedaagde] arbeidsrechtelijke verplichtingen hebben geschonden het volgende aan:
[gedaagde] wilde [eiseres] ten onrechte geen aanstelling voor onbepaalde tijd geven
De inroostering van [eiseres] was de eerste jaren in strijd met de CAO-bepalingen voor startende leraren
[gedaagde] wilde geen aanstelling voor onbepaalde tijd geven
5.27.
De stelling dat [eiseres] in strijd met de CAO van 1 augustus 2018 tot half januari 2019 zonder schriftelijke aanstelling heeft gewerkt, kan de kantonrechter niet volgen. Er was immers een aanstellingsakte verstrekt voor onbepaalde tijd met ingangsdatum 1 augustus 2018. Dat die ingangsdatum niet juist is (gebleken), doet hieraan niet af. Wel stelt [eiseres] terecht dat de discussie over de aanstelling voor onbepaalde tijd (te) lang heeft geduurd. [eiseres] stelt dat zij zich bij de (vierde) tijdelijke aanstelling per 1 augustus 2016 al op het standpunt stelde dat dit vanwege de ketenregeling een aanstelling voor onbepaalde tijd zou moeten zijn. [betrokkene 1] dacht hier anders over. In de zomer van 2018 erkende het bestuur van [gedaagde] dat er inderdaad per 1 augustus 2016 een aanstelling voor onbepaalde tijd gold. In januari 2019 werd de juiste aanstellingsakte aan [eiseres] verstrekt. Het is goed voorstelbaar dat [eiseres] deze gang van zaken als tegenwerking heeft ervaren. Tegelijk geldt dat er van haar kant geen stukken in het geding zijn gebracht of andere aanknopingspunten zijn genoemd over de periode van 1 augustus 2016 tot 1 augustus 2018 waaruit concrete tegenwerking blijkt. Het enkele tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. Dat het na augustus 2018 nog ruim vier maanden heeft geduurd voordat de ingangsdatum op de aanstellingsakte voor onbepaalde tijd was aangepast, is zonder meer onwenselijk, maar evenmin reden om aan te nemen dat sprake was van opzettelijke tegenwerking.
De inroostering van [eiseres] was de eerste jaren in strijd met de CAO-bepalingen voor startende leraren
5.28.
Volgens [eiseres] is zij als startende leraar ten onrechte en in strijd met de CAO in het eerste jaar niet 20% minder, en in het tweede jaar niet 10% minder, maar steeds gewoon voor haar volledige werktijd ingeroosterd. [gedaagde] heeft in de conclusie van antwoord in reactie hierop uiteengezet dat de lesreductie niet ziet op werktijd, maar op het aantal te geven lessen. Verder heeft [gedaagde] aangegeven dat [eiseres] niet als startende leraar kon worden aangemerkt, en dat zij zichzelf destijds bij de aanvraag om een persoonlijk urenbudget (dat volgens de CAO niet kan samengaan met lesreductie) niet als ‘starter’ beschouwde. Nu [eiseres] haar stelling hierna niet nader heeft onderbouwd, gaat de kantonrechter eraan voorbij.
bewijsaanbod
5.29.
[eiseres] heeft ter zake al het voorgaande een bewijsaanbod gedaan. De kantonrechter gaat hieraan voorbij. Zoals hiervoor overwogen heeft [eiseres] bij vrijwel al haar stellingen geen (begin van) onderbouwing gegeven. Omdat zij hiermee niet aan haar stelplicht heeft voldaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Daarbij komt dat haar aanbod onvoldoende specifiek is. Het bewijsaanbod in de dagvaarding ziet namelijk op
‘alle betwiste stellingen’.[eiseres] biedt daarbij (uitsluitend) aan voormalige collega’s als getuigen te horen. [betrokkene 1], die volgens [eiseres] een cruciale rol speelde, is niet als getuige aangeboden. Ter zitting heeft [eiseres] toegelicht dat voormalige collega’s (waarvan een aantal ter zitting aanwezig was) zouden kunnen verklaren over ‘het patroon van leidinggeven van [betrokkene 1]’. Onduidelijk is daarbij echter gebleven of deze personen in dezelfde periode als [eiseres] op de school werkten en of zij uit eigen wetenschap kunnen verklaren over hetgeen zich al dan niet heeft voorgedaan in de relatie tussen [betrokkene 1] en [eiseres]. Het bewijsaanbod wordt ook om deze reden gepasseerd.
conclusie met betrekking tot gestelde schadelijke werkomstandigheden
5.30.
Omdat [eiseres] niet heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht, is niet komen vast te staan dat zij heeft gewerkt onder voor haar gezondheid schadelijke werkomstandigheden. Haar vorderingen zijn reeds op die grond niet toewijsbaar.
causaal verband tussen klachten en werkomstandigheden
5.31.
Vast staat dat [eiseres] zodanig ernstige gezondheidsklachten heeft opgelopen dat zij door het UWV 80-100% arbeidsongeschikt is verklaard. Voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel moet echter voldoende duidelijk zijn dat de klachten van [eiseres] (kunnen) zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden. Aan die voorwaarde is niet voldaan. De kantonrechter licht dat hierna toe.
5.32.
In het door [eiseres] overgelegde medisch advies van [betrokkene 7] (3.16), concludeert laatstgenoemde dat de mentale gezondheidsschade bij [eiseres] in overwegende mate is veroorzaakt door de belastende omstandigheden in haar werk. Uit het advies blijkt niet dat [betrokkene 7] (zelf) onderzoek heeft verricht naar de feitelijke werkomstandigheden bij [gedaagde], maar dat hij zijn oordeel heeft gebaseerd op uitlatingen die [eiseres] zelf destijds heeft gedaan tegenover haar behandelaars. De waarde van het advies wordt daardoor beperkt. Dit geldt temeer nu hiervoor is overwogen dat het merendeel van de door [eiseres] in deze procedure genoemde werkomstandigheden niet in rechte zijn komen vast te staan. Deze omstandigheden kunnen daarom niet meewegen bij de vraag of voldoende causaal verband bestaat tussen de werkomstandigheden en de gezondheidsschade van [eiseres].
5.33.
Daar komt bij dat niet kan worden uitgesloten dat de gezondheidsklachten van [eiseres] mede door niet-werkgerelateerde factoren (kunnen) zijn veroorzaakt, zoals [gedaagde] ook aanvoert. Zoals eerder overwogen zijn de door [betrokkene 7] in zijn conclusie genoemde depressie en PTSS multi-causale ziektebeelden, waaraan meerdere oorzaken ten grondslag kunnen liggen. [eiseres] betwist weliswaar dat niet-werkgerelateerde factoren een rol (hebben kunnen) spelen in het ontstaan van haar klachten, maar naar het oordeel van de kantonrechter is het medisch advies op dit vlak onvoldoende onderbouwd. [betrokkene 7] heeft onder het kopje ‘mogelijke interferenties’ namelijk wel een belaste voorgeschiedenis genoemd, maar concludeert, zonder nadere (eigen) inhoudelijke onderbouwing, enkel dat deze aspecten in alle behandelverslagen niet worden genoemd als (bijdragende) oorzakelijke factoren van het klachtenbeeld sinds 2017 en dat [eiseres] tot 2017 goed heeft gefunctioneerd. Het lag naar het oordeel van de kantonrechter echter op de weg van [betrokkene 7] om zelfstandig te beoordelen in hoeverre de voorgeschiedenis van [eiseres] een rol speelt of heeft gespeeld in het ontstaan van haar klachten. Zo blijkt uit de behandelverslagen die aan het advies ten grondslag zijn gelegd namelijk onder meer dat [eiseres] al sinds (op dat moment) 19 jaar antidepressiva gebruikt, terwijl niet door [betrokkene 7] verklaard is hoe dit gegeven zich verhoudt tot zijn conclusie dat sprake is van een werkgerelateerde depressie van [eiseres], die zich heeft ontwikkeld vanaf 2017. Verder is in de (onder 3.16 genoemde) behandelverslagen onder meer opgenomen: “
haar ex-man was een dominante, agressieve man die bleek op te lichten. Situatie met haar directeur doet haar denken aan haar ex-man”en
“De klachten zijn geluxeerd in mei 2019”. Ook deze passages wijzen op mogelijke andere oorzaken voor de (ernst van de) gezondheidsklachten van [eiseres].
5.34.
Ter zitting heeft de gemachtigde van [eiseres] benadrukt dat er door de in het rapport van [betrokkene 7] betrokken behandelaars geen andere, persoonsgebonden oorzaken zijn waargenomen dan de behandeling en bejegening door [betrokkene 1] en hij verwijst daarbij met name naar de verklaring van de psycholoog van het [betrokkene 10] Centrum (zoals weergegeven onder 3.16). De kantonrechter leest in de verklaring van deze psycholoog echter juist dat de beschreven klachten zijn gebaseerd op meer dan alleen de verstoorde arbeidsverhoudingen, waarbij met name de belaste privésituatie wordt genoemd. Verder geeft deze psycholoog aan dat andere cruciale behandelthema’s – dus los van de verstoorde arbeidsverhoudingen - verontrustend weinig aan bod konden komen. Dat er geen sprake was van mogelijke andere oorzaken van de gezondheidsklachten van [eiseres] blijkt hieruit dus niet. De door [betrokkene 7] aan zijn conclusie ten grondslag gelegde vaststelling dat volgens deze psycholoog de vermoedelijke oorzaak van het klachtenbeeld gelegen is in de verstoorde arbeidsverhoudingen op haar werk, acht de kantonrechter daarom niet begrijpelijk.
5.35.
Gelet hierop kan het verband tussen de gezondheidsschade van [eiseres] en de arbeidsomstandigheden bij [gedaagde] niet aan de hand van het rapport van [betrokkene 7] worden vastgesteld, omdat dit verband te onzeker en te onbepaald is. Voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel is daarom geen plaats. Dat heeft tot gevolg dat [eiseres] het bestaan van het causaal verband tussen de werkzaamheden en de schade voldoende onderbouwd moet stellen en zo nodig moet bewijzen. Uit het voorgaande blijkt dat [eiseres] daarin niet is geslaagd.
slotconclusie en proceskosten
5.36.
De vordering van [eiseres] wordt afgewezen omdat, gelet op al het voorgaande, de grondslag voor aansprakelijkheid van de werkgever op grond van artikel 7:658 BW Pro ontbreekt.
5.37.
Het is voor de kantonrechter duidelijk dat [eiseres] door de gebeurtenissen zoals zij die heeft beschreven zeer is aangedaan. Vast staat verder dat [eiseres] ernstige gezondheidsklachten heeft die mogelijk (ook) tijdens haar werkzaamheden bij [gedaagde] zijn ontstaan of verergerd. Zoals ter zitting besproken ligt de (bewijs)lat voor de werknemer om de werkgever met succes daarvoor aansprakelijk te houden – ook bij toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel – echter behoorlijk hoog, zeker wanneer die gezondheidsklachten meerdere oorzaken (kunnen) hebben. Zoals hiervoor uitgelegd, wordt die lat in dit geval niet gehaald. Dat [eiseres] dit mogelijk als teleurstellend ervaart, is begrijpelijk, maar maakt het juridisch oordeel niet anders.
5.38.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.