6.3.Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewapende overval op [winkel] . De verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] zijn via Snapchat voor deze ‘klus’ benaderd door de medeverdachte [medeverdachte 2] in ruil voor een financiële vergoeding en zij wisten van tevoren wat de bedoeling en rolverdeling zou zijn. De verdachte is degene geweest die met een hamer de vitrines heeft stukgeslagen om zo goederen te kunnen wegnemen, terwijl de medeverdachte [medeverdachte 1] met een wapen de personen in de winkel heeft bedreigd en de medewerker van de winkel heeft gedwongen om onder meer het geld uit de kassa aan hem af te geven. Naast dat zij in het bezit waren van een wapen droegen de verdachten tijdens de overval gezichtsbedekkende kleding.
Het is algemeen bekend dat een gewapende overval voor slachtoffers een zeer nare ervaring is, waarvan zij nog lang last kunnen hebben. Dit blijkt ook uit de verklaringen van de aanwezige slachtoffers, waaronder een minderjarige stagiair. In de door een van de slachtoffers ingediende vordering tot schadevergoeding wordt onder meer aangegeven dat de overval nog altijd een diepgaande en blijvende impact op zijn dagelijks functioneren heeft. Zijn werkplek, die veilig zou moeten voelen, roept bij hem nu juist structureel spanning en angst op.
Overvallen leiden daarnaast ook tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving in het algemeen, zeker nu de overval op klaarlichte dag heeft plaatsgevonden. Verder brengt een overval overlast en financiële schade met zich mee voor de betrokken winkel. De verdachte heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met deze gevolgen en met zijn handelen laten zien slechts oog te hebben gehad voor zijn eigen financiële gewin. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staande Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 30 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder door de rechter is veroordeeld;
- het over de verdachte uitgebrachte rapport gedateerd 20 april 2026 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad voor de Kinderbescherming waarin de Raad adviseert de verdachte te veroordelen tot een deels voorwaardelijke werkstraf onder een aantal dadelijk uitvoerbaar te verklaren bijzondere voorwaarden. Deze voorwaarden betreffen het houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, naar school, stage en/of dagbesteding gaan volgens rooster en het inzetten en meewerken aan hulpverlening vanuit een (IFA-)coach of andere aanvullende hulpverlening die de jeugdreclassering nodig acht. Voor zover de rechtbank vanwege de ernst van het feit een jeugddetentie aan de orde mocht achten, adviseert de Raad deze in voorwaardelijke vorm op te leggen.
Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank geen andere straf op zijn plaats dan vrijheidsbeneming. De rechtbank is echter met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het onwenselijk is dat de verdachte moet terugkeren naar de jeugdgevangenis. De rechtbank zal het onvoorwaardelijke gedeelte van de jeugddetentie daarom gelijk stellen aan het door de verdachte al ondergane voorarrest, te weten in totaal 4 dagen.
In het voordeel van de verdachte heeft de rechtbank, anders dan de officier van justitie, wat meer gewicht toegekend aan het verschil in rolverdeling tussen de verdachte als uitvoerder en de medeverdachte [medeverdachte 2] als organisator en opdrachtgever van de overval, de bij de vervolging van de verdachte opgetreden overschrijding van de redelijke termijn,, de bekennende proceshouding van de verdachte op de zitting en het door de Raad als laag ingeschatte recidiverisico. Dit maakt dat de rechtbank uitkomt op een lager voorwaardelijk strafdeel dan door de officier van justitie is geëist.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 90 dagen passend is. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan, groot 86 dagen, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en daaraan een proeftijd verbinden van één jaar, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.
De rechtbank zal aan dit voorwaardelijk deel behalve de algemene voorwaarden aan de verdachte ook bijzondere voorwaarden in de vorm van hulpverlening verbinden. Uit het rapport van de Raad blijkt dat er zorgen zijn over de schoolgang van de verdachte. Er was en is veel sprake van verzuim en de verdachte komt nauwelijks aan bij zijn stageadres. Er ligt een plan om de verdachte minimaal 24 uur per week te laten werken voordat hij in september van dit jaar start met een nieuwe opleiding. Om te borgen dat de verdachte een volledige dagbesteding heeft en behoudt, is de rechtbank met de Raad van oordeel dat begeleiding door de jeugdreclassering nodig is. De rechtbank acht daarom een meldplicht, het volgen van dagbesteding en het meewerken aan hulpverlening, waaronder een coach, als bijzondere voorwaarden noodzakelijk.
Dadelijke uitvoerbaarheid voorwaarden
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen, te weten [de benadeelde partij 1] , [de benadeelde partij 4] en [de benadeelde partij 5] . De Raad heeft toegelicht dat de lage kans op recidive samenhangt met het strikte kader van de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Oplegging van de bijzondere voorwaarden is noodzakelijk om de kans op recidive voldoende te kunnen indammen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat er (zonder dit strafrechtelijk kader) ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan en zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Om de verdachte nu ook een direct gevolg te doen ervaren van zijn handelen op 19 november 2024 is de rechtbank, met de officier van justitie, van oordeel dat daarnaast een onvoorwaardelijke werkstraf passend en geboden is. Vanwege de hierboven in het voordeel van de verdachte genoemde omstandigheden, zal de rechtbank het aantal te verrichten uren werkstraf lager bepalen dan is geëist.
De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 160 uren passend is.