De rechtbank Noord-Holland heeft op 7 mei 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die op 6 november 2024 te Schiphol 44.750 gram hennep opzettelijk het Nederlandse grondgebied heeft binnengebracht. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van twaalf maanden, terwijl de verdediging een beroep op psychische overmacht deed en een lichtere straf bepleitte.
De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding geldig was en dat de officier van justitie ontvankelijk was. De verdachte bekende het feit niet expliciet, maar er was geen vrijspraak bepleit. De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte de hennep had ingevoerd, gebaseerd op wettig en overtuigend bewijs, waaronder processen-verbaal en chatberichten.
Het beroep op psychische overmacht werd door de rechtbank verworpen. De verdachte had verklaard onder bedreiging te hebben gehandeld, maar kon dit niet aannemelijk maken: er was geen bewijs van de bedreiger, geen getuigen, en de chatberichten ondersteunden de claim niet. De rechtbank oordeelde dat de verdachte redelijkerwijs weerstand had kunnen bieden aan de druk.
Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het feit, de grote hoeveelheid hennep bestemd voor handel, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder haar zorg voor een jonge dochter en het feit dat zij een first offender is. De rechtbank legde een gevangenisstraf van negen maanden op, lager dan de eis, met aftrek van voorarrest.