ECLI:NL:RBNHO:2026:5726

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/15/363328 / HA ZA 25-152
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 lid 1 BWArt. 3:105 BWArt. 3:306 BWArt. 3:107 BWArt. 3:113 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Burenruzie over eigendom en gebruik van grondstrook met carport en erfafscheiding

Partijen zijn buren met een geschil over de eigendom van een strook grond waarop de carport van gedaagde deels staat. Gedaagde stelt door verjaring eigenaar te zijn geworden, maar de rechtbank oordeelt dat niet is gebleken dat de vader van gedaagde de grond als eigenaar in bezit heeft genomen. Ook is onduidelijk of de carport altijd op dezelfde plek stond.

De rechtbank verklaart de kadastrale erfgrens als juridische erfgrens en veroordeelt gedaagde tot verwijdering van de carport en ontruiming van de grondstrook, alsmede tot vergoeding van de kosten voor het terugplaatsen van de schutting die hij verplaatste. Tevens moet gedaagde de erfgrens respecteren onder dwangsom.

De vorderingen van gedaagde tot verwijdering of verkleining van boompjes langs de erfgrens worden afgewezen vanwege verjaring en onvoldoende bewijs van onrechtmatige hinder. De proceskosten worden grotendeels aan gedaagde opgelegd.

Uitkomst: Gedaagde is niet eigenaar door verjaring en moet de carport verwijderen, de schutting terugplaatsen en schadevergoeding betalen; vorderingen tot verwijdering boompjes worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/363328 / HA ZA 25-152
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaten: mrs. D.D.M.C. Nolet en I.F.R. Cox,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R.J.A. Verhoeven.
De zaak in het kort
Partijen zijn buren van elkaar. Zij hebben een geschil over de vraag of [gedaagde] door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond waarop zijn carport gebouwd is. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. Zij is van oordeel dat niet is gebleken dat vader [gedaagde] de grond op het perceel waarop de carport staat, in bezit heeft genomen als ware hij eigenaar van die grond. Verder kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de carport van [gedaagde] altijd al op de plek heeft gestaan die [gedaagde] stelt. Deze onduidelijkheid komt voor rekening van [gedaagde] , omdat hij zich beroept op verjaring. [gedaagde] moet daarom zijn carport verwijderen van het perceel van [eiseres] . Hij moet ook betalen voor het terugplaatsen van de schutting van [eiseres] , die hij eerder heeft verplaatst. Verder oordeelt de rechtbank dat de boompjes van [eiseres] - langs de erfgrens met [gedaagde] - niet verwijderd hoeven te worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 maart 2025, met producties 1-36;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties 1-6;
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 37 en 38;
- het tussenvonnis van 3 september 2025;
- de akte overlegging nadere producties namens [eiseres] , met producties 39-42;
- de akte overlegging nadere producties namens [eiseres] , met producties 43a en 43b;
- het proces-verbaal van de descente, gehouden op 13 januari 2026;
- de mondelinge behandeling van 13 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mrs. Cox en Verhoeven hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [eiseres] is sinds 31 augustus 2015 eigenaar van de woning met perceel aan de [adres 1] te [woonplaats] . [gedaagde] is eigenaar van de woning met perceel aan de [adres 2] . [gedaagde] heeft de woning eind 2023 verkregen uit de nalatenschap van zijn vader. De rechtbank zal de vader van [gedaagde] hierna aanduiden als vader [gedaagde] .
2.2.
Vader [gedaagde] heeft in 1972 een garage aan zijn woning gebouwd. De garage is deels op het perceel van [eiseres] gebouwd, maar is geen onderdeel van dit geschil.
2.3.
In 1978 heeft vader [gedaagde] een houten carport in het verlengde van de garage gebouwd, gedeeltelijk op het perceel van [eiseres] .
2.4.
In 2009 heeft vader [gedaagde] de bestaande houten constructie van de carport vervangen door een stalen constructie en is er een nieuw dak op de carport geplaatst.
2.5.
Op 5 oktober 2017 heeft er een erfgrensreconstructie door het kadaster plaatsgevonden. Daaruit is gebleken dat een taxushaag, de carport en de garage van [gedaagde] (deels) op het perceel van [eiseres] staan. Bij brief van 8 oktober 2017 heeft [eiseres] vader [gedaagde] verzocht de overbouwde carport te verplaatsen naar zijn eigen perceel.
2.6.
Vervolgens hebben partijen onder andere over en weer gecorrespondeerd over de vraag of de grond waarop de carport is geplaatst, door verjaring eigendom is geworden van [gedaagde] .
2.7.
Op 26 januari 2023 heeft [eiseres] de bestaande erfafscheiding laten vervangen door een nieuwe en deze conform de kadastermeting laten plaatsen op de kadastrale erfgrens.
2.8.
Op 11 december 2023 heeft [gedaagde] de - door [eiseres] geplaatste - schutting verplaatst.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiseres] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. verklaart voor recht dat de door het kadaster in de erfgrensreconstructie aangegeven erfgrens tussen de percelen van partijen te gelden heeft als de juridische erfgrens;
II. [gedaagde] op straffe van een dwangsom veroordeelt tot het ontruimen van de strook grond van [eiseres] - waaronder de carport voor zover deze op de grond van [eiseres] staat - conform de erfgrensreconstructie, en deze grond ontruimd te houden, en deze grond ter beschikking te stellen aan [eiseres] binnen vier weken na betekening van het vonnis;
III. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van schadevergoeding van € 1.166,69 voor het terugplaatsen van de schutting;
IV. [gedaagde] gebiedt die erfgrens te respecteren en [gedaagde] veroordeelt om aan [eiseres] een boete van € 1.000,- te betalen per keer dat hij inbreuk maakt op de eigendomsrechten van [eiseres] , met een maximum van € 25.000,-;
V. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[eiseres] legt samengevat het volgende aan haar vorderingen ten grondslag.
De strook grond waarop de carport van [gedaagde] (deels) staat, behoort volgens het kadaster tot het perceel van [eiseres] . Het (ver)plaatsen van (de poten van) de carport en de schutting door [gedaagde] is een inbreuk op het eigendomsrecht van [eiseres] . [gedaagde] handelt daarmee onrechtmatig en dient de kosten voor het terugplaatsen van de schutting naar de kadastrale erfgrens te vergoeden.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij betwist dat de kadastrale grens gelijk loopt met de juridische grens. Vader [gedaagde] heeft reeds in 1978 bezit genomen van het betwiste stuk grond door daarop een houten carport te plaatsen en heeft dan ook sinds 1978 het onafgebroken bezit van de strook grond gehad. [gedaagde] is dan ook door verjaring eigenaar geworden van het stuk grond. Voor zover [eiseres] stelt dat vader [gedaagde] in 2009 de houten carport heeft vervangen door een bredere carport, betwist [gedaagde] dat. De carport is qua breedte niet veranderd sinds 1978. Vader [gedaagde] heeft enkel de houten balken laten vervangen door een stalen constructie en heeft het bestaande dak vervangen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in (voorwaardelijke) reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. [eiseres] veroordeelt tot het geheel verwijderen van haar struik/boom, die op of nabij de erfgrens met het perceel van [gedaagde] is geplaatst tussen de garage en de carport van [gedaagde] ;
subsidiair:
II. [eiseres] beveelt tot het terugbrengen van de omvang van de voornoemde struik/boom tot een maximale hoogte gelijk aan die van de huidige schutting tussen beide percelen, waarvan de hoogte in elk geval de twee meter niet te boven gaat;
voorwaardelijk:
III. [eiseres] beveelt de struiken aan de voorzijde van de carport van [gedaagde] te verwijderen en verwijderd te houden.
3.6.
[gedaagde] legt samengevat het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. [eiseres] heeft in 2017, zonder enig overleg met vader [gedaagde] , op de plek tussen de garage en de carport van [gedaagde] een zeer snel groeiende boomachtige struik geplaatst op of tegen de erfgrens. [gedaagde] ondervindt daarvan sindsdien ernstige schaduwhinder en vordert daarom algehele verwijdering dan wel het terugbrengen van de omvang van deze boomachtige struik.
Voor het geval de rechtbank oordeelt dat de betwiste strook grond door verjaring eigendom is geworden van [gedaagde] , vordert [gedaagde] dat [eiseres] de door haar begin 2023 geplante struiken aan de voorzijde van zijn carport moet verwijderen en verwijderd houden.
3.7.
[eiseres] voert verweer en voert aan dat de vorderingen van [gedaagde] te onbepaald zijn. Verder stelt ze zich op het standpunt dat vader [gedaagde] nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de aanwezigheid van de boompjes. [eiseres] heeft bovendien vernomen dat de boompjes reeds geruime tijd voordat zij eigenaar werd aanwezig waren. Dat is ook door haar rechtsvoorganger (die er van 1996 tot 2015 heeft gewoond) bevestigd. Gelet op het geldende gemeentelijke beleid ten aanzien van groenvoorzieningen is het overigens ook niet toegestaan om de boompjes te verwijderen. Verder betwist [eiseres] dat [gedaagde] last heeft van onaanvaardbare schaduwhinder en voert ze aan dat indien de struiken aan de voorzijde van de carport van [gedaagde] verwijderd dienen te worden, er in het geheel geen erfafscheiding meer aanwezig is tussen de percelen op die plek.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Juridisch kader verjaring
4.2.
In belangrijke mate gaat dit geschil over de vraag of de juridische erfgrens gelijk loopt met de kadastrale grens of dat deze door verjaring meer op het kadastrale perceel van [eiseres] is komen te liggen. In beginsel vormt de grens zoals die uit de kadastrale gegevens blijkt als de juridische erfgrens. Dit is anders als een bezitter van grond door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden, zoals [gedaagde] stelt.
4.3.
Bij het beoordelen van de vraag of een beroep op eigendomsverkrijging door verjaring slaagt, geldt dat rechten op een onroerende zaak zoals hier aan de orde, door een bezitter te trouw worden verkregen door een onafgebroken bezit van tien jaren (verkrijgende verjaring) [1] . Degene die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, verkrijgt dat goed, ook al was het bezit niet te goeder trouw na ononderbroken bezit gedurende van twintig jaar (bevrijdende verjaring). [2] Niet ieder gebruik levert bezit op. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf. [3] Dat wil zeggen dat de feitelijke macht over een goed wordt uitgeoefend met de pretentie rechthebbende te zijn. [4] Voor inbezitneming van een goed zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen ontoereikend. [5] De machtsuitoefening moet zodanig zijn dat deze naar verkeersopvattingen het bezit van de oorspronkelijke bezitter tenietdoet. De vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent, moet volgens artikel 3:108 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) worden beantwoord naar de verkeersopvatting en op grond van uiterlijke feiten. Er geldt dus een objectieve maatstaf. Het bezit moet "ondubbelzinnig" zijn. Ondubbelzinnig bezit is aanwezig wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niets anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. [6] Daarmee is verzekerd dat van verjaring pas sprake kan zijn als de werkelijk rechthebbende tegen wie de verjaring is gericht, uit de gedragingen van degene die zich op de verjaring wil beroepen, duidelijk kan opmaken dat deze pretendeerde rechthebbende te zijn, zodat hij tijdig maatregelen kon nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen.
Omdat [gedaagde] zich beroept op de rechtsgevolgen van verjaring, rust op hem de stelplicht en, zo nodig, bewijslast daarvan. [7]
Bezit?
4.4.
[gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van verjaring, aangevoerd dat de strook grond al sinds 1978 in bezit is van, eerst, zijn vader en, daarna, [gedaagde] zelf. Op dat moment is de carport geplaatst op de huidige plek en de betreffende strook grond in bezit genomen. Vader [gedaagde] heeft zich volgens [gedaagde] als zodanig gedragen en de uiterlijke kenmerken waren en zijn zodanig, dat vader [gedaagde] zich naar verkeersopvatting presenteerde als rechthebbende. Daaruit was voor de rechtsvoorgangers van [eiseres] ondubbelzinnig kenbaar dat vader [gedaagde] pretendeerde eigenaar te zijn. Dat de carport al sinds 1978 dezelfde breedte heeft, blijkt volgens [gedaagde] uit het feit dat het parkeren van een auto en het uitstappen aan beide zijden van een auto onder een smallere carport dan de huidige carport redelijkerwijs niet mogelijk is.
4.5.
[eiseres] heeft hiertegen aangevoerd dat vader [gedaagde] zelf in 2021 heeft erkend dat er sprake was van een gedoogsituatie. Ervan uitgaande dat de toenmalige eigenaren van het perceel van [eiseres] akkoord waren met gebruik door vader [gedaagde] , was vader [gedaagde] slechts houder van de grond en kan hij nooit bezitter zijn geworden, aldus [eiseres] . Voor het geval vader [gedaagde] de betreffende grond in gebruik heeft genomen zonder toestemming, is hij nooit ondubbelzinnig bezitter daarvan geworden in die zin dat hij uitdroeg eigenaar van de betreffende grond te zijn. Verder voert [eiseres] aan dat de carport tot 2009 niet grensoverschrijdend was maar pas vanaf de vervanging daarvan in 2009.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat vader [gedaagde] grond op het perceel waarop de carport staat in bezit heeft genomen, als ware hij eigenaar van die grond. Zelfs als kan worden aangenomen dat ook de carport die voor de zomer van 2009 geplaatst was, grensoverschrijdend was, dan leidt dat nog niet tot de conclusie dat dit tot bezit van vader [gedaagde] leidde. Op de door partijen genoemde foto van Google Street View van 2009 is te zien dat de carport voor de vervanging, net als daarna, steunde op een aantal palen, met daarboven een dak. De zijkant van de carport was niet afgesloten en gewoon bereikbaar vanaf het perceel van [eiseres] . Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit niet worden afgeleid dat vader [gedaagde] ondubbelzinnig de pretentie had eigenaar te zijn van de grensoverschrijdende bebouwing en dat de toenmalige eigenaar van het perceel van [eiseres] daardoor het bezit heeft prijsgegeven. Het standpunt van [gedaagde] dat zijn vader door verjaring eigenaar is geworden van de betreffende grond is daarom onjuist.
Onrechtmatige inbreuk
4.7.
Ook [gedaagde] is dus geen eigenaar van de betwiste strook grond geworden. Dat neemt niet weg dat, voor zover [gedaagde] of zijn vader inbreuk maken op het eigendomsrecht van [eiseres] en haar rechtsvoorgangers, het recht van [eiseres] om opheffing daarvan te vorderen kan verjaren na 20 jaar. Hoewel [gedaagde] dit niet expliciet zo stelt, kan dit verweer wel uit het standpunt van [gedaagde] worden afgeleid. De vraag is in dat geval of de huidige positie van de carport ook al zo was voordat de oude carport in de zomer van 2009 werd vervangen. Volgens [gedaagde] is dat het geval. Volgens [eiseres] is de nieuwe carport breder dan de oude en staat deze verder op het perceel van [eiseres] . Beide partijen hebben ter onderbouwing van hun standpunt verwezen naar een foto uit april 2009 van Google Street View en naar schriftelijke verklaringen.
4.8.
Dit is een deel van de foto van Google Street View waarnaar partijen verwijzen.
De rechtbank is het met [gedaagde] eens dat het lijkt alsof de palen van de (oorspronkelijke) carport op de Google Street View afbeelding uit april 2009 voorbij de kadastrale erfgrens staan, op het perceel van [eiseres] . Daaruit kan de rechtbank echter niet afleiden dat zij op dezelfde plek staan als bij de huidige carport. Integendeel. De schutting in de oude situatie (op dezelfde afbeelding van Google Street View) lijkt op enige afstand lijkt te staan van de (witte) palen van de carport. Deze foto vergelijkend met de foto’s van na de zomer van 2009 (productie 41 van [eiseres] ), lijkt het daar dat de palen van de (nieuwe) carport wel tegen de schutting aan staan, dus meer op het perceel van [eiseres] .
Uit de foto’s noch uit de door partijen overgelegde schriftelijke verklaringen die elkaar tegenspreken, kan de rechtbank afleiden dat de huidige carport op dezelfde plek op het perceel van [eiseres] staat als de oude carport van voor 2009. Dat het parkeren van een auto en het uitstappen aan beide zijden van een auto onder een smallere dan de huidige carport redelijkerwijs niet mogelijk is, heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen.
4.9.
Het voorgaande komt erop neer dat de rechtbank op basis van de beschikbare stukken niet kan vaststellen dat de carport van [gedaagde] sinds 1978 op dezelfde plek op het perceel van, nu, [eiseres] heeft gestaan. Dat de feitelijke situatie voor de rechtbank onduidelijk is gebleven, komt voor rekening en risico van de partij die zich beroept op verjaring, [gedaagde] . [gedaagde] heeft ook verder niet aangeboden om bewijs van zijn stellingen te leveren.
Verwijderen deel carport en verplaatsen schutting
4.10.
De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde] de grond die hij in gebruik heeft op het perceel van [eiseres] , moet ontruimen. Hij moet in ieder geval de carport verwijderen voor zover deze staat op het kadastrale perceel van [eiseres] . Maar ook zijn andere zaken op het betwiste stukje grond. Dit op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag(deel) dat hij hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 20.000,-. De vordering van [eiseres] is op dit punt toewijsbaar. De rechtbank zal de veroordeling wel enigszins herformuleren.
4.11.
[gedaagde] dient verder de kadastrale erfgrens te respecteren als de geldende erfgrens. De rechtbank zal een dwangsom aan dit gebod verbinden ter hoogte van € 500,-, met een maximum van € 20.000,-. Weliswaar vordert [eiseres] in haar eis (petitum) om aan iedere overtreding een boete te verbinden, maar de rechtbank gaat ervan uit dat dat een kennelijke verschrijving is. Uit het lichaam van de dagvaarding blijkt namelijk in niet mis te verstane woorden dat zij bedoelt een dwangsom aan het gebod te verbinden. Voor zover [eiseres] beoogt een dwangsom/boete te verbinden aan het niet-respecteren van de eigendomsrechten van [eiseres] , is dit te algemeen geformuleerd.
4.12.
Voor de hiervoor onder 4.10 en 4.11 genoemde dwangsommen geldt dat indien [gedaagde] gelijktijdig twee veroordelingen overtreedt, hij slechts eenmaal een dwangsom zal verbeuren.
4.13.
Ten aanzien van de schutting oordeelt de rechtbank als volgt. De schutting stond als erfafscheiding op de kadastrale erfgrens. [gedaagde] heeft erkend deze schutting eigenhandig te hebben verplaatst naar de, volgens hem, geldende juridische erfgrens. Dat is - in het licht van het voorgaande - onrechtmatig. Omdat [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de schade zoals door [eiseres] gevorderd, wijst de rechtbank de vordering tot betaling van € 1.166,69 toe.
4.14.
[eiseres] heeft ter zitting nog aangevoerd dat [gedaagde] afwatert op het perceel van [eiseres] . Zij heeft zij daar echter geen vordering aan verbonden. De rechtbank gaat daar daarom aan voorbij.
Boompjes langs erfgrens
4.15.
[gedaagde] heeft in reconventie gevorderd dat [eiseres] drie boomachtige struiken (hierna: de boompjes) langs de erfgrens met [gedaagde] dient te verwijderen dan wel dient te verlagen tot de hoogte van de schutting tussen de percelen van partijen. Hij stelt dat hij in zijn woning ernstige schaduwhinder van de boompjes ondervindt. Bovendien stelt hij dat de boompjes in strijd met artikel 5:42 lid 1 en Pro 2 BW te dichtbij de erfgrens staan.
4.16.
[eiseres] verweert zich tegen deze vordering door onder andere te verwijzen naar de afbeelding in productie 10 bij de dagvaarding en daarbij aan te voeren dat de boompjes er al sinds 1996 staan.
4.17.
De rechtbank stelt vast op basis van hoe de boompjes eruit zagen tijdens de descente op 13 januari 2026 en de afbeelding uit 1996 (productie 10 bij dagvaarding), dat dezelfde boompjes zowel in 1996 als op dit moment langs de erfgrens met [gedaagde] staan. Daaruit volgt dat de boompjes daar in ieder geval al 29 jaar staan.
4.18.
Ingevolge artikel 5:42 BW Pro is [gedaagde] in beginsel gerechtigd om verwijdering of het inkorten van de boompjes te vorderen, binnen twee meter van zijn erfgrens. In dit geval is echter vast komen te staan dat de boompjes al minimaal 29 jaar op deze plek staan en dat [gedaagde] en zijn vader voor het instellen van de reconventionele vordering nooit bezwaar hebben gemaakt tegen de aanwezigheid van de boompjes. Het recht van [gedaagde] om verwijdering van de boompjes te vorderen, is dan ook verjaard.
Onrechtmatige hinder?
4.19.
Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat de boompjes onrechtmatige hinder veroorzaken in de zin van schaduw in zijn keuken, is tijdens de descente gebleken dat de boompjes ten opzichte van het keukenraam van [gedaagde] in noordoostelijke richting staan. Aangezien het een feit van algemene bekendheid is dat de zon opkomt in het oosten en ondergaat in het westen, kan niet aangenomen worden dat de - op zich hoog opschietende -boompjes zorgen voor beperkte lichtinval in zijn keuken. Het lijkt de rechtbank meer aannemelijk dat de beperkte lichtinval veroorzaakt wordt door de positie van de garage van [gedaagde] ten opzichte van zijn keukenraam. De garage grenst bijna direct aan zijn keukenraam.
4.20.
De conclusie van het voorgaande is dat de boompjes wellicht iets minder lichtinval geven op het perceel van [gedaagde] , maar de plaats waar dit gebeurt en de mate waarin zijn niet zodanig dat dit onrechtmatig tegenover [gedaagde] is. Daarbij acht de rechtbank het overigens wel van belang dat [eiseres] de boompjes jaarlijks snoeit. Voor zover de takken van de boompjes grensoverschrijdend zijn, is het [gedaagde] toegestaan om de boompjes te snoeien.
Afwijzen reconventionele vorderingen [gedaagde]
4.21.
De conclusie van het voorgaande is dat de primaire en subsidiaire vorderingen in reconventie van [gedaagde] worden afgewezen.
Voorwaarde reconventie niet vervuld
4.22.
De rechtbank komt niet toe aan de voorwaardelijke reconventionele vordering van [gedaagde] , nu de voorwaarde voor deze vordering niet is vervuld.
Proceskosten
4.23.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.662,00
(3 punten × € 554,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.330,14
4.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.25.
De proceskosten van [eiseres] in reconventie worden begroot op:
- salaris advocaat
326,50
(1 punt × factor 0,5 × € 653,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
474,50

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat de door het kadaster in de erfgrensreconstructie (productie 16 bij dagvaarding) aangegeven erfgrens tussen de percelen van [eiseres] en [gedaagde] geldt als de juridische erfgrens tussen de percelen,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot het ontruimen van het bij [gedaagde] in gebruik zijnde gedeelte van het perceel van [eiseres] zoals dit blijkt uit de erfgrensreconstructie (productie 16 bij dagvaarding), waaronder het verwijderen van de carport van de grond van [eiseres] , het perceel ontruimd te houden en deze grond ter beschikking te stellen aan [eiseres] binnen vier weken na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag(deel) dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de schade van € 1.166,69 voor het terugplaatsen van de schutting,
5.4.
gebiedt [gedaagde] om de kadastrale erfgrens te respecteren, zulks - behoudens waar het betreft de uitvoering van het vonnis onder 5.2 - op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor elke keer dat [gedaagde] zich niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 25.000,-,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.330,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in (voorwaardelijke) reconventie
5.7.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.8.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 474,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
5.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 tot en met 5.6 en 5.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
AFS/JG

Voetnoten

1.Artikel 3:99 lid 1 BW Pro
2.Artikel 3:105 BW Pro in samenhang met artikel 3:306 BW Pro.
3.Zie artikel 3:107 BW Pro.
4.Zie Hoge Raad 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743.
5.Zie artikel 3:113 lid 2 BW Pro.
6.Zie Hoge Raad 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743.
7.Artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering.