ECLI:NL:RBNHO:2026:570

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
15/078185-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Integrale vrijspraak in zedenzaken wegens gebrek aan steunbewijs en niet-ontvankelijkheid benadeelde partij

Op 27 januari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van seksueel misbruik van zijn kleindochter. De tenlastelegging omvatte verschillende seksuele handelingen die de verdachte zou hebben gepleegd tussen 18 augustus 2021 en 30 juni 2024. De rechtbank heeft de zaak behandeld op een openbare terechtzitting op 13 januari 2026, waar de officier van justitie, mr. R.P. Peters, en de verdediging, vertegenwoordigd door mr. I.J.K. van der Meer, hun standpunten naar voren hebben gebracht. De officier van justitie heeft gevorderd tot bewezenverklaring van de feiten en een gevangenisstraf van 30 maanden.

De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de aangifte van het vermeende slachtoffer, ondanks dat deze als betrouwbaar werd beschouwd, niet voldoende steunbewijs had. In zedenzaken is het vaak zo dat er slechts twee personen aanwezig zijn bij de verweten gedragingen, waardoor de verklaring van het slachtoffer het enige directe bewijsmateriaal is. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen ander bewijs was dat de verklaring van het slachtoffer ondersteunde, wat in strijd is met het bewijsminimum zoals vastgelegd in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kon de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komen.

De rechtbank heeft de verdachte integraal vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten en de benadeelde partij, het slachtoffer, niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding van € 4.500,00. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer, bestaande uit drie rechters, en is openbaar uitgesproken op dezelfde dag.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/078185-25 (P)
Uitspraakdatum: 27 januari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 januari 2026 in de zaak tegen:
[naam verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1953 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. R.P. Peters en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. I.J.K. van der Meer, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1
primair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 augustus 2021 tot
en met 28 november 2023 te Haarlem, althans in Nederland, met een aan zijn zorg
en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten zijn kleindochter, [slachtoffer]
, geboren op [geboortedatum A], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog
niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of
mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer]
, te weten het (telkens)
- brengen en/of houden van zijn, verdachtes vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer]
en/of
- betasten van de vagina en/of de billen en/of de borsten van die [slachtoffer];
subsidiair
hij - als opa - op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 augustus
2021 tot en met 28 november 2023 te Haarlem, althans in Nederland
ontucht heeft gepleegd
met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer]
, geboren op [geboortedatum A],
door (telkens)
- de vagina en/of de billen en/of de borsten van die [slachtoffer] te betasten;
Feit 2
primair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 november 2023 tot
en met 30 juni 2024 te Haarlem, althans in Nederland, met zijn minderjarige
kleindochter, [slachtoffer], geboren op [geboortedatum A], die de leeftijd van
twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of
meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden
uit het sekuseel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten het
(telkens)
- brengen en/of houden van zijn, verdachtes vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer]
en/of
- betasten van de vagina en/of de billen en/of de borsten van die [slachtoffer];
subsidiair
hij - als opa - op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29
november 2023 tot en met 30 juni 2024 te Haarlem, althans in Nederland
ontucht heeft gepleegd
met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer]
, geboren op [geboortedatum A],
door (telkens)
- de vagina en/of de billen en/of de borsten van die [slachtoffer] te betasten;
Feit 3
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met
14 september 2024 te Haarlem, althans in Nederland met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten L. [slachtoffer],
geboren op [geboortedatum A]
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het
seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het (telkens)
- brengen en/of houden van zijn, verdachtes vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer]
en/of
- betasten van de vagina en/of de billen en/of de borsten van die [slachtoffer];

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair en onder 3 ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de aangifte van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) betrouwbaar is en dat die aangifte voldoende steun vindt in de getuigenverklaringen van [getuige A], [getuige B] en van [getuige C]. De verklaring van [getuige A], dochter van de verdachte en moeder van [slachtoffer], kan daarnaast als schakelbewijs worden gebruikt omdat zij heeft verklaard als kind door de verdachte te zijn misbruikt.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde feiten wegens het ontbreken van voldoende bewijs. Daartoe heeft zij allereerst aangevoerd dat, ook als de verklaring van [slachtoffer] in haar aangifte voldoende betrouwbaar geacht wordt, er geen steunbewijs is voor die verklaring. Geen van de getuigen heeft immers het vermeende misbruik waargenomen en zij hebben daarnaast niets verklaard dat ondersteuning biedt voor de verklaring van [slachtoffer]. Ten overvloede stelt de raadsvrouw zich daarnaast op het standpunt dat de verklaring van [slachtoffer] onvoldoende concreet, gedetailleerd, authentiek en consistent is. Bij de betrouwbaarheid van die verklaring kunnen dan ook vraagtekens worden gezet.
3.3
Oordeel van de rechtbankDe rechtbank acht wat aan de verdachte is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
3.3.1
Bewijs in zedenzaken
In zedenzaken zijn vaak slechts twee personen bij de verweten seksuele gedragingen aanwezig geweest, namelijk het veronderstelde slachtoffer en de vermeende dader. Wanneer de verdachte in zo’n geval de hem of haar verweten gedraging ontkent, is de verklaring van het veronderstelde slachtoffer doorgaans het enige directe bewijsmiddel.
Het bewijs dat een verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, kan echter niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaring van het veronderstelde slachtoffer. Ook niet als deze verklaring betrouwbaar wordt geacht. In artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) is een bewijsminimum geformuleerd. Dit houdt in dat een bewezenverklaring van een strafbaar feit niet mag worden gebaseerd op alleen de verklaring van één getuige. Er moet altijd steunbewijs zijn, dat bovendien afkomstig moet zijn van een andere bron. De feiten en omstandigheden waarover het veronderstelde slachtoffer verklaart, mogen dus niet op zichzelf staan, maar moeten volgens vaste rechtspraak voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer niet alleen betrouwbaar zijn, maar ook of die verklaringen voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Het benodigde steunbewijs moet zien op feiten en omstandigheden die niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan de verdachte verweten gedragingen.
3.3.2
Betrouwbaarheid verklaring van [slachtoffer]
De vraag die de rechtbank eerst zal beantwoorden is of de verklaring van [slachtoffer] als voldoende betrouwbaar kan worden aangemerkt om tot uitgangspunt te kunnen dienen voor het bewijs in deze zaak. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en zet hieronder uiteen hoe zij tot deze conclusie is gekomen.
Uit vaste rechtspraak volgt dat bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een verklaring gekeken dient te worden naar de consistentie (geen innerlijke tegenstrijdigheden) en authenticiteit (echtheid; oorspronkelijkheid) van de verklaring.
[slachtoffer] heeft op 27 september 2024, nadat eerder een zogenaamd informatief gesprek met haar had plaatsgevonden, aangifte gedaan waarin zij heeft verklaard dat zij vanaf ongeveer haar negende jaar seksueel is misbruikt door haar opa, de verdachte. Zij heeft verklaard dat zij meerdere keren door haar opa is betast aan haar vagina, billen en borsten toen zij bij hem thuis bleef logeren. Daarbij is haar opa een aantal keren met zijn vingers haar vagina binnengedrongen. Het gebeurde in de slaapkamer boven, waar zij in twee tegen elkaar geschoven eenpersoonsbedden sliepen terwijl oma beneden op de bank sliep. De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer] authentiek en consistent heeft verklaard over de seksuele handelingen die haar opa bij haar heeft verricht en over de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] daarom betrouwbaar. Hoewel de rechtbank vaststelt dat op bepaalde punten onvoldoende is doorgevraagd naar aanleiding van de verklaringen van [slachtoffer], maakt dit het oordeel over de betrouwbaarheid van de aangifte niet anders. Wat de raadsvrouw in dit verband naar voren heeft gebracht, onder meer dat de aangifte onvoldoende gedetailleerd en consistent is en daarom niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt, leidt dan ook niet tot een ander oordeel. De rechtbank gebruikt de aangifte als uitgangspunt voor het bewijs.
3.3.3
Steunbewijs
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de aangifte van [slachtoffer] voldoende steun vindt in de rest van het dossier. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daarover het volgende.
De verklaring van getuige [getuige B]
De verklaring van getuige [getuige B] over het vermeende seksuele misbruik berust enkel op wat zij van [slachtoffer] heeft gehoord en is daarmee afkomstig uit dezelfde bron als de aangifte van [slachtoffer]. De verklaring van de getuige dat zij mogelijk een gedragsverandering bij [slachtoffer] heeft waargenomen, biedt onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat deze gedragsverandering kan worden gerelateerd aan het vermeende seksuele misbruik waarover [slachtoffer] heeft verklaard. Deze verklaring kan daarom niet als steunbewijs dienen.
De verklaring van getuige [getuige A], de moeder van [slachtoffer]
De moeder van [slachtoffer] heeft verklaard dat [slachtoffer] in huilen uitbarstte toen de verdachte werd geconfronteerd met de beschuldigingen en dat [slachtoffer] nadien opgelucht was. Deze verklaring acht de rechtbank onvoldoende om als steunbewijs voor het vermeende seksuele misbruik te dienen. De moeder van [slachtoffer] heeft verder verklaard dat zij als kind ook door de verdachte zou zijn betast aan haar borsten en aan haar schaamstreek, en dat de verdachte toen hij daarop werd aangesproken, net als bij [slachtoffer], zou hebben gezegd dat hij seksuele voorlichting zou hebben gegeven. Deze verklaring van de moeder van [slachtoffer] kan - anders dan de officier van justitie heeft aangevoerd - niet worden gebruikt als schakelbewijs. Bij schakelbewijs gaat het om gebruik van bewijs van een ander soortgelijk feit. Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat er geen sprake is van vervolging en ook niet van een bewezenverklaring van een soortgelijk strafbaar feit jegens de moeder van [slachtoffer].
Voor zover de officier van justitie heeft willen betogen dat deze verklaring als steunbewijs kan dienen voor de aangifte van [slachtoffer], overweegt de rechtbank dat voor dat standpunt geen feitelijke grondslag bestaat. Deze verklaring is onvoldoende feitelijk en concreet, zodat de rechtbank op basis hiervan niet kan vaststellen dat deze op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met de aangifte, of anderszins kan bijdragen aan steun voor de aangifte van [slachtoffer].
De verklaring van getuige [getuige C], de (stief)oma van [slachtoffer]
De getuige [getuige C] heeft verklaard dat [slachtoffer] naar haar toe wel knuffelig was maar niet naar de verdachte en dat het klopte dat zij – in verband met haar medische klachten – beneden sliep en de verdachte en [slachtoffer] boven, waarbij [slachtoffer] in het eenpersoonsbed van de getuige sliep. Zij had van [slachtoffer] gehoord dat de bedden boven tegen elkaar geschoven waren. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de getuige op geen enkele manier redengevend is voor wat de verdachte verweten wordt en geen steun biedt aan de aangifte van [slachtoffer]. Deze verklaring is dan ook onvoldoende om als steunbewijs te dienen.
3.3.4
Conclusie
De rechtbank is, gelet op al het voorgaande, van oordeel dat steunbewijs voor de aangifte van [slachtoffer] ontbreekt. Daarom wordt niet voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid Sv. Dit betekent dat voor de ten laste gelegde feiten onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is. De rechtbank zal de verdachte dan ook integraal vrijspreken.

4.Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.500,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden.
De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering kan worden ontvangen.

5.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.M.G. Hink, voorzitter,
mr. M.E. Francke en E.L. Hoogstraate, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.J. van der Velden,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 januari 2026.