ECLI:NL:RBNHO:2026:570
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Integrale vrijspraak in zedenzaken wegens gebrek aan steunbewijs en niet-ontvankelijkheid benadeelde partij
Op 27 januari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van seksueel misbruik van zijn kleindochter. De tenlastelegging omvatte verschillende seksuele handelingen die de verdachte zou hebben gepleegd tussen 18 augustus 2021 en 30 juni 2024. De rechtbank heeft de zaak behandeld op een openbare terechtzitting op 13 januari 2026, waar de officier van justitie, mr. R.P. Peters, en de verdediging, vertegenwoordigd door mr. I.J.K. van der Meer, hun standpunten naar voren hebben gebracht. De officier van justitie heeft gevorderd tot bewezenverklaring van de feiten en een gevangenisstraf van 30 maanden.
De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de aangifte van het vermeende slachtoffer, ondanks dat deze als betrouwbaar werd beschouwd, niet voldoende steunbewijs had. In zedenzaken is het vaak zo dat er slechts twee personen aanwezig zijn bij de verweten gedragingen, waardoor de verklaring van het slachtoffer het enige directe bewijsmateriaal is. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen ander bewijs was dat de verklaring van het slachtoffer ondersteunde, wat in strijd is met het bewijsminimum zoals vastgelegd in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kon de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komen.
De rechtbank heeft de verdachte integraal vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten en de benadeelde partij, het slachtoffer, niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding van € 4.500,00. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer, bestaande uit drie rechters, en is openbaar uitgesproken op dezelfde dag.