ECLI:NL:RBNHO:2026:570
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Integrale vrijspraak wegens gebrek aan steunbewijs in zedenzaken tegen kleindochter
De rechtbank Noord-Holland heeft op 27 januari 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van seksueel misbruik van zijn minderjarige kleindochter over een periode van 2021 tot 2024. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 30 maanden op basis van de aangifte van het slachtoffer en verklaringen van getuigen.
De verdediging voerde aan dat er geen voldoende steunbewijs was voor de aangifte, ondanks de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer. De rechtbank bevestigde de betrouwbaarheid van de aangifte, maar stelde dat volgens artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, een bewezenverklaring niet uitsluitend op de verklaring van het slachtoffer mag worden gebaseerd zonder steunbewijs van een andere bron.
Na beoordeling van de getuigenverklaringen concludeerde de rechtbank dat deze onvoldoende steun boden voor de aangifte. De verklaringen waren grotendeels afkomstig uit dezelfde bron of boden geen concrete aanwijzingen die het bewijs konden versterken. Hierdoor ontbrak het vereiste steunbewijs en werd niet voldaan aan het bewijsminimum.
De rechtbank sprak verdachte integraal vrij en verklaarde de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding niet-ontvankelijk, omdat de tenlastelegging niet wettig en overtuigend was bewezen.
Uitkomst: Verdachte wordt integraal vrijgesproken wegens ontbreken van steunbewijs ondanks betrouwbare aangifte.