ECLI:NL:RBNHO:2026:5315

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
C/15/364092
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • H. Bruin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 lid 2 BWArt. 6:87 BWArt. 6:96 lid 2 sub b BWArt. 6:230g BWArt. 6:230m lid 1 onder e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke ontbinding en schadevergoeding bij niet-uitgevoerde aannemingswerkzaamheden met meerwerkdiscussie

Eisers en gedaagde sloten een aannemingsovereenkomst voor werkzaamheden aan woning en schuur met een aanneemsom van €55.055,-. Gedaagde voerde een deel van de werkzaamheden niet uit, waaronder het plaatsen van kozijnen, Keralit en een container, terwijl eisers de aanneemsom vrijwel volledig betaalden. Eisers stelden gedaagde in gebreke en vorderden schadevergoeding wegens tekortkomingen en ontbinding van de overeenkomst voor het niet-uitgevoerde werk.

Gedaagde stelde dat sprake was van een stilzwijgende afspraak om met gesloten beurzen uit elkaar te gaan en vorderde betaling van een meerwerkfactuur. De rechtbank oordeelde dat gedaagde in verzuim verkeerde voor het niet-uitgevoerde werk en dat eisers terecht de overeenkomst gedeeltelijk hebben ontbonden. De meerwerkfactuur werd erkend, maar eisers kregen een korting van 20% wegens schending van de informatieplicht over de meerwerkprijs.

De rechtbank wees de vordering tot vergoeding van herstelkosten toe, verminderd met het nog openstaande bedrag van de aanneemsom. Kosten voor lateien werden afgewezen omdat die niet in de overeenkomst waren begrepen. Voor gebrekkige lekkageherstel en afwerking werd geen verzuim vastgesteld, zodat vergoeding werd afgewezen. De kosten van het expertise- en buitengerechtelijke incassokosten werden toegewezen.

Omdat de redelijke prijs voor het meerwerk nog betwist werd, benoemt de rechtbank een deskundige om dit vast te stellen. Partijen krijgen gelegenheid zich over de deskundige en vragen uit te laten. De procedure wordt aangehouden in afwachting van het deskundigenbericht.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eisers toe voor gedeeltelijke ontbinding en schadevergoeding, erkent meerwerk met korting wegens schending informatieplicht, en benoemt een deskundige voor prijsbepaling.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/364092 / HA ZA 25-198
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],2. [eiser 2],

beiden wonende in [plaats 1],
eisers in conventie, verweerders in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaat: mr. T. Kroes,
tegen
[gedaagde],handelend onder de naam
[bedrijf],
wonende in [plaats 2],
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. R.J. van de Leur.
De zaak in het kort
[gedaagde] heeft met [eisers] een aanneemsom afgesproken voor verschillende werkzaamheden aan hun woning en in hun schuur. [gedaagde] heeft een deel van de werkzaamheden niet verricht, terwijl [eisers] de overeengekomen aanneemsom geheel hebben betaald. [eisers] vorderen schadevergoeding.
[gedaagde] stelt dat stilzwijgend is afgesproken dat de nog niet verrichte werkzaamheden zouden worden weggestreept tegen verricht meerwerk. Hij vordert (onder meer) betaling van zijn meerwerkfactuur.
De rechtbank is van oordeel dat [eisers] recht hebben op gedeeltelijke terugbetaling van de aanneemsom voor de niet-uitgevoerde werkzaamheden. Wel volgt de rechtbank [gedaagde] in zijn betoog dat sprake is van meerwerk. [eisers] moeten daarvoor de redelijk prijs vergoeden, verminderd met een korting van 20% omdat [gedaagde] hen niet vooraf heeft geïnformeerd over de hoogte van de meerwerkprijs (artikel 6:230m lid 1 onder e BW). De rechtbank is van plan een deskundige te benoemen om de redelijke prijs voor het meerwerk vast te stellen. Partijen mogen zich daarover uitlaten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 oktober 2025, waarbij een mondelinge behandeling is gelast, en de daarin genoemde stukken;
- de mondelinge behandeling van 26 januari 2026, waarbij namens [gedaagde] pleitaantekeningen zijn voorgedragen en waarvan de griffier voor het overige aantekeningen heeft bijgehouden.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisers] zijn de eigenaren van de woning gelegen aan de [adres] in [plaats 1].
2.2.
[gedaagde] heeft een offerte opgesteld voor werkzaamheden in en aan de woning en schuur van [eisers]. Op 22 oktober 2022 hebben [eisers] de offerte ondertekend voor akkoord (hierna: de overeenkomst). In de overeenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

Offerte 2021/36 inzake schuur leefruimte creëren & kozijnen kunstof
(…)
Omschrijving uit te voeren opdracht
Bouwkundige aanpassing en uitbreiding garage
Leveren en plaatsen van kozijnen en renovatie. Verbeteren badkamer
Uitbouw bekleden met keralit
Garage renoveren: isoleren en aftimmeren tot extra leefruimte Badkamer renovatie: douchebak vervangen
Kosten
Arbeidsloon
Kozijn begane grond schuifpui plaatsen inc glas HR +++ Kozijnen 1ste verdieping vervangen inc glas HR +++ Dakkapel bekleden met keralit Kozijn 2e verdieping vervangen Inc. glas
HR +++
27
Dakkapel bekleden met keralit
Schuur renoveren + aftimmeren
11
Badkamer renovatie: douchebak vervangen lekkage verhelpen
5
Container , sloopwerkzaamheden
2.5
Subtotaal
45.500,-
Btw 21%
9.555,-
Totale aanneemsom
55.055,-
(…)
Start en oplevering werkzaamheden:
Respectievelijk uiterlijk 14 dagen na de schriftelijke verstrekking van de opdracht en 120 dagen na de start, behoudens onvoorziene omstandigheden.
(…)
Betaling:
(…)
De termijnen zijn als volgt:
1e termijn: 75% = € 41.484,55 uiterlijk 14 dagen voor de aanvang van de werkzaamheden
2e termijn: 20% = € 11.159,61 na aftimmeren schuur
3e termijn 5% = 2.789,90 bij oplevering.
(…)
Meerwerk
Tegen nader overeen te komen kosten.
(…)
Voorrijkosten
(….)”
2.3.
Op 3 november 2022 heeft [gedaagde] aan [eisers] een factuur gestuurd voor de totale aanneemsom van € 55.055,-. Zij hebben deze nagenoeg volledig betaald.
2.4.
Vanaf medio december 2022 hebben [gedaagde] en door hem ingeschakelde derden werkzaamheden uitgevoerd in de woning en schuur van [eisers]. Onder meer heeft [gedaagde] de douchebak in de badkamer vervangen en werkzaamheden verricht in de schuur.
2.5.
Omstreeks juli 2023 zijn de werkzaamheden gestopt. De kozijnen (met het glas), het Keralit en de (afval)container waren op dat moment nog niet geplaatst.
2.6.
Per brief van 11 januari 2024 hebben [eisers] aan [gedaagde] een termijn gesteld van drie weken om die werkzaamheden af te ronden, bij gebreke waarvan zij aanspraak hebben gemaakt op schadevergoeding.
2.7.
In opdracht van [eisers] heeft TOP Expertise op 13 maart 2024 onderzoek gedaan naar de werkzaamheden van [gedaagde]. [gedaagde] was daarbij niet aanwezig, terwijl hij bij aangetekende brief was uitgenodigd. TOP Expertise heeft haar bevindingen vastgelegd in een rapport van 16 mei 2024. Kort samengevat concludeert TOP Expertise in haar rapport dat een deel van de met [gedaagde] afgesproken werkzaamheden niet is uitgevoerd en een deel gebrekkig is uitgevoerd.
2.8.
Per brieven van 24 mei 2024 en 3 oktober 2024 hebben [eisers] zich beroepen op buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst voor zover het werk niet is uitgevoerd en aanspraak gemaakt vergoeding van hun schade. [gedaagde] heeft daarop niet gereageerd.
2.9.
Op 16 juni 2025, twee en een halve maand na de dagvaarding in deze zaak, heeft [gedaagde] een factuur opgesteld voor meerwerk en voorrijkosten, ter hoogte van € 31.188,11 inclusief btw.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
[eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat de overeenkomst tussen partijen is ontbonden voor zover deze niet door [gedaagde] is uitgevoerd dan wel de overeenkomst tussen partijen te ontbinden voor zover deze niet door [gedaagde] is uitgevoerd;
[gedaagde] veroordeelt om aan [eisers] te betalen € 37.770,00;
[gedaagde] veroordeelt om aan [eisers] te betalen € 2.680,00;
[gedaagde] veroordeelt om aan [eisers] te betalen € 2.722,50,
telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum verzuim dan wel vanaf datum dagvaarding;
5. [gedaagde] veroordeelt om aan [eisers] te betalen de buitengerechtelijke kosten van € 875,00;
een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eisers] leggen hieraan het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft het overeengekomen werk niet of gebrekkig uitgevoerd. [gedaagde] verkeerde bovendien in verzuim. Daarom hebben [eisers] de overeenkomst gedeeltelijk ontbonden en moet [gedaagde] op grond van artikelen 6:87 en 6:277 Burgerlijk Wetboek (BW) de schade van [eisers] vergoeden.
3.3.
De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen. Hij voert aan dat een groot deel van de afgesproken werkzaamheden is uitgevoerd, dat hij daarnaast meerwerk heeft verricht en dat hij daarom in juli 2023 met [eisers] de stilzwijgende afspraak heeft gemaakt dat zij met gesloten beurzen uit elkaar zouden gaan. Verder voert [gedaagde] aan dat [eisers] in schuldeisersverzuim verkeerden en dat sprake is van rechtsverwerking. Ook beroept hij zich op verrekening van het meerwerk.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat [eisers] de onderhavige overeenkomst van aanneming met [gedaagde] heeft opgezegd en op grond van 7:764 lid 2 BW is gehouden om de geldende (in rekening gebrachte) prijs te betalen;
voor recht verklaart dat [gedaagde] niet in verzuim heeft kunnen komen, althans [eisers] in schuldeiserverzuim verkeerde,
voor zover de verzochte verrekening niet kan worden toegewezen: [eisers] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] van € 32.478,01, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag van algehele voldoening;
een en ander met veroordeling van [eisers] in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten.
3.6.
[gedaagde] voert hiertoe samengevat het volgende aan. [eisers] hebben de werkzaamheden eenzijdig beëindigd, zonder dat sprake was van verzuim van [gedaagde]. Daarom moet die beëindiging worden opgevat als een opzegging, zodat [eisers] de volledige aanneemsom verschuldigd zijn. [eisers] verkeerden bovendien in schuldeisersverzuim, omdat zij niet betaalden voor het meerwerk en aan [gedaagde] geen gelegenheid hebben gegeven om het werk te voltooien. De op de meerwerkfactuur genoemde werkzaamheden zijn pas na het ondertekenen van de offerte door [eisers] toegevoegd aan de opdracht en maken daarom geen onderdeel uit van de aanneemsom. [eisers] moeten dus de meerwerkfactuur betalen, vermeerderd met het laatste gedeelte van de oorspronkelijke aanneemsom.
3.7.
De conclusie van [eisers] strekt tot afwijzing van de vorderingen. Zij voeren aan dat het evident is dat [eisers] hebben gekozen voor ontbinding van de overeenkomst en niet voor opzegging. Van schuldeisersverzuim was geen sprake, want de laatste termijn van de aanneemsom is niet opeisbaar omdat het werk niet is opgeleverd. De werkzaamheden die zijn vermeld op de meerwerkfactuur – die pas twee jaar nadat [gedaagde] zijn werkzaamheden eenzijdig had beëindigd is verstuurd – maken bovendien onderdeel uit van de overeengekomen aanneemsom, zodat [eisers] de meerwerkfactuur niet verschuldigd zijn aan [gedaagde].
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en de reconventie zullen zij in het navolgende gezamenlijk worden besproken.
[gedaagde] verkeert in verzuim ten aanzien van de kozijnen (met glas), Keralit en container
4.2.
Tussen partijen staat vast dat, hoewel [eisers] daartoe opdracht hebben gegeven in de overeenkomst, [gedaagde] geen kozijnen met glas heeft geplaatst op de begane grond, de eerste verdieping en de tweede verdieping van de woning van [eisers]. Ook heeft [gedaagde] geen Keralit geplaatst en geen afvalcontainer geleverd. Voor dat alles was al wel betaald.
4.3.
[gedaagde] verkeerde ten aanzien van deze tekortkoming bovendien in verzuim. [eisers] hebben voldoende concreet toegelicht en onderbouwd dat zij in het WhatsApp-gesprek dat zij met [gedaagde] voerden, ook de periode juni/juli 2023, herhaaldelijk [gedaagde] hebben aangespoord om de kozijnen en het Keralit te plaatsen. Vervolgens hebben [eisers] op 11 januari 2024 [gedaagde] per brief in gebreke gesteld, waarbij hem een termijn voor de nakoming is gesteld van drie weken. Anders dan [gedaagde] betoogt is die termijn redelijk, mede gelet op het feit dat ook in de eerdere WhatsApp-berichten al is aangedrongen op nakoming door [gedaagde]. [gedaagde] had binnen die termijn in ieder geval kunnen proberen de werkzaamheden af te ronden. Als die termijn (toch) onvoldoende was gebleken, of vanwege levertijden op voorhand niet realistisch zou zijn geweest, had hij daarover in overleg kunnen treden met [eisers]. Dat heeft [gedaagde] echter niet gedaan. In plaats daarvan heeft hij helemaal niet gereageerd op de brief van 11 januari 2024. Omdat nakoming binnen de gestelde termijn is uitgebleven, is sprake van verzuim.
4.4.
Van schuldeisersverzuim (van [eisers]) is geen sprake. Voor zover [gedaagde] stelt dat [eisers] het hem onmogelijk hebben gemaakt om de werkzaamheden uit te voeren, heeft hij dat niet onderbouwd en is dat ook in strijd met de inhoud van de overgelegde WhatsApp-gesprekken en de brief van 11 januari 2024, waarin [eisers] [gedaagde] steeds aansporen tot het verrichten van de werkzaamheden. [gedaagde] heeft daarop bovendien op geen moment geantwoord dat hij de werkzaamheden niet kón nakomen door toedoen van [eisers]. Dat sprake was van een situatie waarin [gedaagde] werd verhinderd zijn verplichting na te komen (vgl. artikel 6:58 BW Pro), heeft [gedaagde] daarom onvoldoende concreet gesteld. Het betoog dat [eisers] ten onrechte de laatste termijn van de aanneemsom niet betaalden, slaagt evenmin, omdat partijen hadden afgesproken dat die termijn pas opeisbaar was bij oplevering, waarvan nog geen sprake was.
4.5.
Verder voert [gedaagde] aan dat ten tijde van het eindigen van de werkzaamheden in juni/juli 2023 discussie bestond over de vraag of sprake was van meerwerk. Volgens [gedaagde] stelden [eisers] zich op het standpunt dat geen sprake was van meerwerk. [gedaagde] stelt dat hij daaruit heeft afgeleid dat [eisers] de kosten van het meerwerk niet zouden betalen, waardoor sprake was van schuldeisersverzuim van [eisers], waarna hij de werkzaamheden heeft gestaakt. Ook dit betoog van [gedaagde] slaagt niet. Van het niet-voldoen van een verplichting door [eisers] is geen sprake, omdat niet is gebleken dat [gedaagde] aan [eisers] heeft gevraagd om een bedrag voor meerwerk te betalen, bijvoorbeeld door het sturen van een factuur. De factuur voor het meerwerk is pas op 16 juni 2025 opgesteld, ruim na de dagvaarding in deze zaak en twee jaar na het beëindigen van de werkzaamheden. Eerder zijn de daarin genoemde bedragen niet aan [eisers] genoemd, zodat van [eisers] ook niet kon worden gevergd dat zij een betaling zouden verrichten aan [gedaagde]. Er is daarom geen sprake van een situatie waarin [eisers] niet voldeden aan een verplichting jegens [gedaagde] (vgl. artikel 6:59 BW Pro). Dat [eisers] dus in schuldeisersverzuim verkeerden, is onvoldoende door [gedaagde] onderbouwd.
Geen overeenstemming over gesloten beurzen en geen rechtsverwerking
4.6.
Het beroep van [eisers] op een stilzwijgende afspraak om met gesloten beurzen uit elkaar te gaan slaagt evenmin. [gedaagde] stelt dat hij er in juli 2023 vanuit is gegaan dat de nog te verrichten werkzaamheden zouden worden weggestreept tegen het niet-betaalde meerwerk. [gedaagde] heeft echter niet op de instemming van [eisers] met een dergelijke afspraak mogen vertrouwen. Daarvoor heeft hij onvoldoende omstandigheden aangevoerd. Integendeel: uit het laatst gewisselde Whatsapp-bericht tussen Strijk en [gedaagde] van 18 juli 2023, blijkt juist dat [eisers] nogmaals hebben aangedrongen de nakoming van de overeenkomst, omdat zij daar “
allang voor hebben betaald”. Alleen al daarom heeft [gedaagde] er niet op mogen vertrouwen dat [eisers] ermee instemden dat dit werk niet meer zou worden uitgevoerd, tegen het wegstrepen van het (gestelde) meerwerk.
4.7.
Ook voor rechtsverwerking heeft [gedaagde] onvoldoende gesteld. Voor het aannemen van rechtsverwerking is enkel tijdsverloop niet toereikend. Daarvoor is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden vereist, als gevolg waarvan bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, of waardoor de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. [1] Dergelijk omstandigheden zijn door [gedaagde] onvoldoende concreet gesteld, terwijl uit hetgeen in het voorgaande is overwogen juist volgt dat [gedaagde] er vanuit moest gaan [eisers] hun aanspraken wél geldend zouden maken. Aan het beroep op rechtsverwerking gaat de rechtbank daarom voorbij.
Gedeeltelijke ontbinding is terecht ingeroepen
4.8.
Omdat [gedaagde] ten aanzien van de werkzaamheden die bestonden uit het plaatsen van de kozijnen met glas, het Keralit en de container in verzuim verkeerde, is het beroep op ontbinding terecht. Met de mededeling van 24 mei 2024 is de overeenkomst dus geldig ontbonden, voor zover de overeenkomst niet door [gedaagde] was uitgevoerd. Van een opzegging (in de zin van artikel 7:764 BW Pro) is dus geen sprake. De omstandigheid dat de ontbinding volgens [gedaagde] niet met zoveel woorden vooraf is aangekondigd doet daaraan niet af, omdat voor ontbinding alleen (een tekortkoming en) verzuim vereist is.
Kosten van de kozijnen (met glas), Keralit en container bedragen € 33.425 inclusief btw
4.9.
Met het rapport van TOP Expertise hebben [eisers] de kosten van het alsnog laten uitvoeren van deze werkzaamheden (het plaatsen van de kozijnen met glas, het Keralit en de container) voldoende concreet onderbouwd. De omstandigheid dat [gedaagde] niet bij het onderzoek door TOP Expertise aanwezig was, is op zichzelf onvoldoende om aan de bevindingen van de (partij)deskundige afbreuk te doen. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om concreet toe te lichten wat er niet klopt aan de bevindingen van de partijdeskundige (en desgewenst een contra-expertise te laten plaatsvinden).
4.10.
Ten aanzien van de kozijnen (met glas) en de container heeft [gedaagde] zijn betwisting onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. Het bezwaar van [gedaagde] tegen de post ‘Keralit’ (ter hoogte van € 5.150,-) gaat evenmin op. Anders dan [gedaagde] betoogt, gaat de deskundige van TOP Expertise er niet vanuit dat de gehele gevel van de aanbouw moet worden bekleed met Keralit. Uit de in het rapport opgenomen foto met pijlen (op pagina 6 van het rapport), blijkt dat de deskundige ervan uitgaat dat (alleen) de houten delen van de twee dakkapellen moeten worden vervangen door Keralit, alsmede de boeiboorden, en dus niet de gehele gevel. Het betoog van [gedaagde] dat de deskundige daarmee meer werkzaamheden berekent dan is opgenomen in de overeenkomst tussen partijen, volgt de rechtbank niet. In de omschrijving van de uit te voeren opdracht in de overeenkomst is immers vermeld “Uitbouw bekleden met Keralit”. Weliswaar is vervolgens “Dakkapel” (dus enkelvoud) vermeld, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat het alleen zou gaan om de dakkapel op de tweede verdieping, zoals [gedaagde] stelt. In dat geval had het voor de hand gelegen dat dat uitdrukkelijk zou zijn vermeld (zoals wel het geval is bij het vervangen van de kozijnen). Daarbij komt dat het bekleden van een dakkapel met Keralit tweemaal is vermeld in de kostenopbouw in de offerte, eenmaal na “Kozijnen 1e verdieping” en eenmaal na “Kozijn 2e verdieping”, waaruit [eisers] (juist) kunnen hebben afgeleid dat het gaat om twee dakkapellen. Verder betoogt [gedaagde] dat uit het feit dat het Keralit een materiaalwaarde had van € 850,-, blijkt dat het niet ging om de hele aanbouw, maar alleen (een) dakkapel. Dit bedrag is echter niet terug te vinden in de overeenkomst, zodat [eisers] daaruit ook niets hebben kunnen afleiden.
4.11.
Het voorgaande betekent de kosten voor het alsnog uitvoeren van de overeengekomen werkzaamheden € 33.425,- (inclusief btw) onvoldoende betwist zijn en daarom vaststaan. Op grond van artikel 6:277 lid 1 BW Pro is [gedaagde] in beginsel aansprakelijk voor deze schade.
4.12.
Het betoog dat deze kosten niet in verhouding staan tot het oorspronkelijk werk en daarom in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid, wordt niet gevolgd. In zijn offerte heeft [gedaagde] voor het plaatsen van de kozijnen met glas en het Keralit zelf een bedrag van (€ 27.000,- exclusief btw is) € 32.670,- inclusief btw in rekening gebracht, zodat van een onaanvaardbare wanverhouding alleen al daarom geen sprake is.
Op dit bedrag strekt het niet-betaalde deel van de aanneemsom in mindering
4.13.
Op het bedrag van de herstelkosten strekt in mindering het deel van de aanneemsom dat [eisers] nog niet hebben betaald. De schade van [eisers] moet namelijk vastgesteld worden door een vergelijking te maken tussen de werkelijke situatie, en de hypothetische situatie waarin [gedaagde] zijn verplichtingen volledig zou zijn nagekomen. In die hypothetische situatie zouden [eisers] de volledige aanneemsom verschuldigd zijn geweest.
4.14.
De afgesproken aanneemsom bedraagt € 55.055,-. Het betoog van [gedaagde] dat uit de optelsom van de in de overeenkomst genoemde betalingstermijnen een hoger bedrag volgt, slaagt niet. De prijsafspraak is uitdrukkelijk gemaakt in de overeenkomst en de betalingstermijnen vormen daarvan percentage. Kennelijk is bij het berekenen van die termijnen een (reken)fout gemaakt. Dat ook [gedaagde] er van uit ging dat de aanneemsom € 55.055,- bedraagt wordt bovendien bevestigd door het feit dat hij op 3 november 2022 een factuur heeft gestuurd aan [eisers] voor dat bedrag.
4.15.
Vast staat dat [eisers] € 41.848,55 en € 11.159,61 hebben betaald op de aanneemsom. Daarnaast hebben [eisers] op 28 oktober 2022 € 1.500,- per bank overgemaakt aan [gedaagde]. Volgens [gedaagde] kan deze laatstgenoemde betaling niet worden toegerekend aan de aanneemsom, maar was dit een betaling van [eisers] in verband met aanpassing van de overeenkomst. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] dit betoog onvoldoende heeft onderbouwd. Eerdere versies van de overeenkomst zijn niet overgelegd en het betoog van [gedaagde] dat hij met de betaling van € 1.500,- gecompenseerd werd voor het aanpassen van de overeenkomst ten behoeve van het bouwdepot van [eisers], is ook niet verder toegelicht. In ieder geval staat vast dat [gedaagde] voor deze betaling geen andere werkzaamheden heeft verricht in de woning van [eisers]. Daarom zal de rechtbank de bankbetaling van € 1.500,- van [eisers] aan [gedaagde] toerekenen aan de aanneemsom. Dat betekent dat [eisers] op de aanneemsom van € 55.055,- in totaal (€ 41.848,55 + € 11.159,61 + € 1.500,- is) € 54.508,16 hebben betaald, zodat resteert € 546,84.
4.16.
[eisers] hebben aangevoerd dat zij daarenboven op enig moment € 1.300,- contant hebben voldaan. [gedaagde] heeft dat weersproken. Ter zitting hebben [eisers] toegelicht dat zij dit bedrag hebben betaald aan een onderaannemer van [gedaagde]. Gesteld noch gebleken is dat zij [gedaagde] daarvan op de hoogte hebben gebracht. [gedaagde] heeft daarmee dus ook geen rekening kunnen houden bij het betalen van de betreffende onderaannemer. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de gestelde contante betaling aan de onderaannemer, voor zover die heeft plaatsgevonden (hetgeen verder in het midden kan blijven) niet in mindering strekt op de aanneemsom. Dat betekent dat [eisers] nog € 546,84 hadden moeten voldoen aan [gedaagde] indien hij de werkzaamheden zou hebben afgerond. Dit bedrag strekt in mindering op de vordering van [eisers].
Lateien zijn niet overeengekomen, dus [gedaagde] hoeft die kosten niet te vergoeden
4.17.
De door TOP Expertise berekende kosten voor het plaatsen van (stalen) lateien boven de kozijnen, hoeven niet door [gedaagde] te worden vergoed. Het bezwaar van [gedaagde] dat die werkzaamheden niet inbegrepen waren in de overeenkomst, slaagt. De stelling van [eisers] dat [gedaagde] had moeten waarschuwen dat de muren moesten worden voorzien van lateien, is onvoldoende concreet onderbouwd. [gedaagde] heeft daartegenover aangevoerd dat de lateien behoren tot de constructie van de muren (en niet tot de kozijnen) en dat er voor hem geen aanleiding was om te vermoeden dat de oorspronkelijke constructie van de muren niet voldeed of dat daaraan aanpassing nodig was. [eisers] hebben daarop onvoldoende concreet gereageerd. Weliswaar is het rapport van TOP Expertise vermeld dat de lateien ontbreken, maar daarin is niet vermeld dat (en waarom) dat voor [gedaagde] duidelijk had moeten zijn geweest en/of hij daarvoor had behoren te waarschuwen. Omdat [eisers] hun standpunt onvoldoende concreet hebben onderbouwd wordt dit deel van de vordering afgewezen.
Geen verzuim voor verhelpen lekkage, afwerking plafond/koof, sauswerk en kitwerk
4.18.
Vast staat dat [eisers] aan [gedaagde] opdracht hebben gegeven om de lekkage in de badkamer te verhelpen en dat [gedaagde] daartoe ook werkzaamheden heeft verricht (het vervangen van een douchbak en een leiding). In het rapport van TOP Expertise is vermeld dat de werkzaamheden de lekkage echter niet hebben verholpen. Inmiddels heeft een derde de lekkage verholpen, waarbij een deel van het plafond van de daaronder gelegen toilet en de aftimmering van een standleiding is verwijderd. Dat moet volgens het rapport hersteld worden. Ook voldoet het kitwerk van [gedaagde] volgens het rapport van TOP Expertise niet aan de daaraan te stellen eisen. In het rapport zijn de herstelkosten begroot op in totaal € 2.680,-.
4.19.
Ten aanzien van deze gestelde tekortkoming verkeerde [gedaagde] echter niet in verzuim, zodat [eisers] niet met succes vergoeding van deze schade kunnen vorderen. [2] Pas voor het eerst in hun brief van 24 mei 2024 hebben [eisers] aan [gedaagde] gemeld dat de werkzaamheden niet goed waren uitgevoerd. [eisers] hebben [gedaagde] geen termijn gesteld om de werkzaamheden alsnog zelf goed uit te voeren. In de brief van 24 mei 2024 hebben zij direct aanspraak gemaakt op vergoeding van de schade.
4.20.
Het betoog van [eisers] dat sprake was van een fatale termijn die afliep op 5 maart 2023 (120 dagen na 20 oktober 2022) kan [eisers] niet baten. Nog daargelaten dat vast staat dat [gedaagde] niet direct in oktober 2022 kon beginnen met de werkzaamheden in de schuur door toedoen van [eisers] (maar pas in december 2022), hadden [eisers] [gedaagde] er op moeten wijzen dat de werkzaamheden niet correct had uitgevoerd en dat zij nog steeds lekkage ervaarden. Zonder die mededeling bestond er voor [gedaagde] immers geen aanleiding om in de badkamer opnieuw werkzaamheden uit te voeren.
4.21.
Het standpunt van [eisers] dat zij uit de houding of de mededelingen van [gedaagde] mochten afleiden dat een ingebrekestelling zinloos zou zijn, slaagt evenmin. Weliswaar was sinds juni/juli 2023 geen sprake van (goede) communicatie met [gedaagde], maar daarvóór verliep die communicatie wel goed. [eisers] hebben onvoldoende concreet gesteld dat op dat moment een ingebrekestelling zinloos zou zijn geweest. Het voorgaande betekent dat [eisers] geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van de schade van € 2.680,-.
[gedaagde] moet de kosten van TOP Expertise en de BIK vergoeden
4.22.
De kosten van het expertiserapport van TOP Expertise ter hoogte van € 2.722,50 komen wel voor vergoeding in aanmerking. Dit zijn namelijk redelijke kosten die [eisers] hebben gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. [3]
4.23.
[eisers] vorderen daarnaast vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten uit het Rapport BGK-Integraal 2013, met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. [eisers] hebben gesteld dat de buitengerechtelijke werkzaamheden bestaan uit het sturen van aanmaningen, het voeren van schikkingsonderhandelingen en het doen van schikkingsvoorstellen. [gedaagde] heeft betwist dat de sommaties kunnen worden aangemerkt als buitengerechtelijke werkzaamheden, maar heeft de stellingen over de schikkingsonderhandelingen en -voorstellen niet weersproken. Daarom staat vast dat sprake is van buitengerechtelijke werkzaamheden. De door [eisers] gevorderde vergoeding (€ 875,-) is niet hoger dan het wettelijke tarief, zodat zij op die vergoeding in beginsel aanspraak kunnen maken.
Tussenconclusie: vordering [eisers] bedraagt € 36.475,66; beroep op verrekening
4.24.
De tussenconclusie van het voorgaande is dat [eisers] in beginsel betaling van [gedaagde] kunnen vorderen van een bedrag aan hoofdsom van (€ 33.425,- - € 546,84 + € 2.722,50 is) € 35.600,66 en de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 875,-, dus in totaal € 36.475,66, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 30 oktober 2024.
4.25.
[gedaagde] beroept zich op verrekening van dit bedrag met het nog openstaande bedrag van de hoofdovereenkomst van € 1.289,90 en zijn meerwerkfactuur van 16 juni 2025 ter hoogte van € 31.188,11, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2025. Het beroep op verrekening van de nog openstaande aanneemsom slaagt niet, omdat daarmee al rekening is gehouden bij het berekenen van de hoogte van de schadevergoeding (zie overweging 4.13 en verder van dit vonnis). Over het gestelde meerwerk overweegt de rechtbank als volgt.
Er is sprake van meerwerk door [gedaagde]
4.26.
Tussen partijen bestaat discussie over de volgende werkzaamheden, die volgens [gedaagde] zijn verricht en geen onderdeel uitmaken van de overeenkomst:
Kasten op maat (€ 6.775,-)
Bedframe op maat (€ 375,-)
Trap op maat (€ 1.250,-)
Constructiebalk aanpassen trapopening (€ 375,-)
Elektra draden aanleggen schuur (€ 5.250,-)
Internetkabels aanleggen (€ 75,-)
Meterkast op maat (€ 475,-)
Upunor waterleidingen aanleggen (€ 545,-)
PVC afvoeren 40 mm aanleggen (€ 275,-)
Buiten keukenblok verplaatsen en plaatsen (€ 450,-)
Boiler aansluiten en plaatsen (€ 285,-)
Lattenwand buiten op maat (€ 3.750,70)
Lattenwand beitsen (€ 562,-)
Twee openslaande deuren op maat (€ 595,75)
Binnen woonkamer twee zitjes op maat bij schouw/TV (€ 425,35)
Naden dichtsmeren schuur (€ 375,-)
Marmeren bureaublad plaatsen schuur (€ 125,-)
Voorrijkosten (€ 3.811,50)
Totaal: € 25.775,30 exclusief btw (€ 31.188,11 inclusief btw).
4.27.
Partijen twisten over de vraag of deze werkzaamheden onderdeel uitmaken van de overeenkomst en dus van de afgesproken aanneemsom van € 55.055,-. Het gaat hierbij om uitleg van de overeenkomst. Hoe in een contract de verhouding van partijen is geregeld kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
4.28.
In de overeenkomst is vermeld dat de opgedragen werkzaamheden onder meer bestaan uit “
Garage renoveren: isoleren en aftimmeren tot extra leefruimte” voor een bedrag van € 11.000,-. Ter zitting hebben [eisers] hierover gesteld dat zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst met [gedaagde] door de schuur zijn gelopen, met [gedaagde] hebben besproken welk eindresultaat zij voor ogen hadden en vervolgens met [gedaagde] hebben afgesproken dat alle benodigde werkzaamheden onderdeel uitmaakten van de overeenkomst. Zij hebben dat betoog echter onvoldoende concreet onderbouwd. Zij hebben geen toereikende verklaring gegeven voor het feit dat de in 4.26 genoemde concrete werkzaamheden - zoals het leveren en plaatsen van op maat gemaakte meubels en een trap, het aanleggen van elektrakabels en internetkabels, het plaatsen en aansluiten van een keukenblok, het leveren en plaatsen van op maat gemaakte openslaande deuren en het realiseren van een lattenwand buiten - niet in de offerte zijn vermeld. Zij hebben vervolgens wel met de offerte ingestemd.
4.29.
[eisers] mochten er niet op vertrouwen dat deze werkzaamheden onderdeel uitmaakten van het “
isoleren en aftimmeren” van de schuur. [gedaagde] heeft voldoende toegelicht dat “
isoleren en aftimmeren” inhoudt het verwijderen van oude wandplaten, het plaatsen van raggelwerk en isolatie en het plaatsen gipsplaten voor de muren en plafonds, op beide verdiepingen van de schuur. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat de omvang van de in 4.26 genoemde werkzaamheden, bovenop het daadwerkelijk isoleren en aftimmeren van de schuur, zo omvangrijk zijn, dat hij daarvoor nooit een bedrag van in totaal € 11.000,- zou hebben kunnen offreren, ook gelet op de hoge materiaalkosten. Ook daarom hebben [eisers] niet mogen verwachten dat de in 4.26 genoemde werkzaamheden onderdeel uitmaakten van de afgesproken aanneemsom. Het verweer van [eisers] dat geen sprake is van meerwerk omdat alle verrichte werkzaamheden zijn inbegrepen in de aanneemsom van € 55.055,- slaagt dus niet.
4.30.
Dat ook de voorrijkosten niet inbegrepen waren in de aanneemsom, heeft [gedaagde] bedongen in de overeenkomst. Dat is immers vermeld onder “meerwerk”. [eisers] hadden dus moeten begrijpen dat [gedaagde] ook op die kosten aanspraak zou kunnen maken bovenop de afgesproken aanneemsom.
[eisers] zijn voor het meerwerk een redelijke prijs verschuldigd
4.31.
[eisers] hebben onvoldoende concreet betwist dat zij voor de in 4.26 genoemde werkzaamheden aan [gedaagde] opdracht hebben gegeven, zodat dit vaststaat. Wel hebben zij weersproken dat [gedaagde] hen ervoor heeft gewaarschuwd dat dit zou leiden tot een verhoging van de aanneemsom. De rechtbank is echter van oordeel dat [eisers] hebben moeten begrijpen dat deze toevoegingen aan de opdracht zouden leiden tot een prijsverhoging. Ook als wordt aangenomen dat [eisers] geen deskundigheid hebben op het gebied van dergelijke verbouwingen, zoals zij aanvoeren, hebben zij moeten begrijpen dat deze concrete uitbreidingen van de werkzaamheden niet zonder extra kosten konden plaatsvinden. Zij hadden moeten begrijpen dat daarvoor extra materiaal nodig was, maar ook extra arbeidsuren van [gedaagde] en/of door hem ingeschakelde derden.
4.32.
Als onvoldoende weersproken staat vast dat [gedaagde] [eisers] niet vooraf heeft gewaarschuwd over de
hoogtevan de meerkosten. Ook is voor het meerwerk geen richtprijs overeengekomen. Anders dan [eisers] veronderstellen kan de aanneemsom van de hoofdopdracht niet (ook) worden aangemerkt als een richtprijs voor de meerwerkopdracht. Daarover zijn tussen partijen geen afspraken gemaakt. Daarom zijn [eisers] in beginsel in verband met de toevoegingen een redelijke prijs verschuldigd (artikelen 7:755 en 7:752 BW).
Gedeeltelijk vernietiging meerwerk wegens schenden informatieplicht; korting 20%
4.33.
Omdat [eisers] als consumenten moeten worden aangemerkt en [gedaagde] handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, is sprake van een consumentenovereenkomst en moet beoordeeld worden of de meerwerkovereenkomst voldoet aan de Richtlijn consumentenrechten, geïmplementeerd in artikel 6:230g e.v. BW. Deze bepalingen van consumentenbescherming zijn strenger dan, en gaan voor op artikel 7:755 BW Pro. De rechtbank moet ambtshalve onderzoeken of aan (onder andere) essentiële informatieplichten is voldaan en voorts of zij ambtshalve een sanctie moet toepassen. Die sanctie moet doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De sanctie kan, in geval van een voldoende ernstige schending van een of meer essentiële informatieplichten bestaan uit de vernietiging van de overeenkomst (op grond van artikel 3:40 lid 2 BW Pro) of uit gedeeltelijke vernietiging met vermindering van de (betalings)verplichtingen van de consument.
4.34.
Door geen meerwerkprijs te noemen, noch de manier waarop de meerwerkprijs zou worden berekend, heeft [gedaagde] de in artikel 6:230m lid 1 onder e BW (ten aanzien van overeenkomsten op afstand en buiten de verkoopruimte) opgenomen essentiële informatieplicht geschonden.
4.35.
Partijen zijn ter zitting in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. Partijen hebben zich niet (gemotiveerd) tegen gedeeltelijke vernietiging van de meerwerkopdracht verzet. Omdat sprake is van één (voldoende ernstige) schending van een essentiële informatieplicht, zal de rechtbank de meerwerkopdracht gedeeltelijk vernietigen, in zoverre dat op de betalingsverplichting van [eisers] een korting van 20% wordt toegepast. [4] Dat betekent dat [eisers] 80% zijn verschuldigd van de redelijke prijs voor het verrichte meerwerk. Van de overige 20% van de redelijke prijs kan [gedaagde] geen betaling verlangen. Daarmee is sprake van een voldoende doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie.
Hoogte van de redelijke prijs; voornemen benoemen deskundige
4.36.
Wat de redelijke prijs voor het meerwerk is, staat echter nog niet vast. [eisers] hebben namelijk betwist dat de door [gedaagde] genoemde prijzen in de meerwerkfactuur van 16 juni 2025 redelijk zijn. Ook hebben zij betwist dat [gedaagde] een bedframe heeft gemaakt en kabels heeft geleverd/aangelegd.
4.37.
Gelet op de betwisting door [eisers] ter zitting, krijgt [gedaagde] gelegenheid bij akte met bescheiden nader te onderbouwen dat hij (of een door hem ingeschakelde derde) een bedframe heeft gemaakt en kabels heeft geleverd/aangelegd. [eisers] kunnen daarop desgewenst in de conclusie na deskundigenbericht (zie hierna) reageren.
4.38.
Over de vraag welke prijs redelijk is voor de in 4.26 genoemde werkzaamheden, heeft de rechtbank behoefte aan deskundige voorlichting. TOP Expertise heeft in haar rapport geen bevindingen vermeld over de werkzaamheden van [gedaagde] in de schuur. Daarom is de rechtbank van plan één deskundige te benoemen en de deskundige de navolgende vragen te stellen:
Wat is een redelijke prijs voor de in 4.26 genoemde afzonderlijke werkzaamheden, uitgaande van de begin 2023 in de branche gangbare prijzen?
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
4.39.
De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich - bij voorkeur eensluidend - uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en over de aan de deskundige voor te leggen vragen. De rechtbank zal daartoe de zaak naar rol verwijzen voor akte aan de zijde van beide partijen gelijktijdig.
4.40.
De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geding (en het gegeven dat de stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit de redelijke prijs blijkt, rusten op [gedaagde]) aanleiding om het voorschot op de kosten van de deskundige ten laste van [gedaagde] te brengen. Dit neemt niet weg dat nadat het onderzoek door de deskundige heeft plaatsgevonden en indien de uitkomst van het onderzoek door de deskundige daartoe aanleiding geeft, anders kan worden beslist over de verdeling van de kosten van de deskundige (artikel 244 Rv Pro).
4.41.
De rechtbank zal in afwachting van het deskundigenbericht iedere verdere beslissing aanhouden.

5.De beslissing

De rechtbank
In conventie en reconventie
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van
1 april 2026voor:
  • akte van [gedaagde] met de in 4.37 genoemde inhoud;
  • akte van beide partijen gelijktijdig, met de in 4.39 genoemde inhoud;
5.2.
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bruin en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026
.
1538

Voetnoten

1.Hoge Raad 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1827.
2.Artikel 6:74 lid 2 BW Pro.
3.Artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro.
4.Hierbij zoekt de rechtbank aansluiting bij de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten, vastgesteld door het LOVCK op 15 december 2021, laatstelijk gewijzigd op 6 februari 2025.