Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Het verloop van de procedure
2.De voorafgaande veroordeling
27 juni 2006 tot en met 25 juli 2006;
3.De vordering van het openbaar ministerie
€ 2.032.418,05en aan de veroordeelde de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
4.Het standpunt van de verdediging
5.De beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
25 juli 2006 (valsheid in geschrift), 17 april 2011 (opdracht geven tot valsheid in geschrift) en 9 augustus 2006 tot en met 3 oktober 2016 (witwassen). De feiten hebben dus grotendeels vóór 1 juli 2011 plaatsgevonden. Dit betekent dat de oude bepaling van artikel 36e Sr van toepassing is, tenzij de nieuwe bepaling voor de veroordeelde gunstiger is. Dat is volgens de rechtbank niet het geval. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de oude bepaling van artikel 36e Sr in deze zaak van toepassing is.
voordeelzou hebben verkregen uit het witwassen van de geldbedragen. De enkele stelling van de officier van justitie dat ‘sprake moet zijn geweest van een witwas-fee’, is hiervoor ontoereikend.