Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4689

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
AWB - 26 _ 37
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10ea UBLBArt. 10e UBLBArt. 10eb UBLB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing 30%-regeling bij helikopterpiloot met opleidingsperiode bevestigd

Belanghebbende trad op 18 februari 2025 in dienst bij een Nederlands bedrijf als helikopterpiloot met een opleidingsperiode waarin zij een lager loon ontving. Na afronding van de opleiding zou het loon stijgen tot boven de looneis van de 30%-regeling. Verweerder weigerde de toepassing van de regeling vanwege het lagere initiële loon.

De rechtbank beoordeelde of bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst aan de looneis was voldaan. Gezien de gelijktijdige arbeidsovereenkomst en opleidingsovereenkomst, de hoge slagingskans van de opleiding en de kwalificaties van belanghebbende, was het vrijwel zeker dat zij de opleiding succesvol zou afronden en het hogere loon zou ontvangen.

De rechtbank concludeerde dat het verwachte jaarloon bij aanvang van de arbeidsovereenkomst boven de wettelijke norm lag, waardoor de weigering van de 30%-regeling onterecht was. Het beroep werd gegrond verklaard, de beschikking gewijzigd en verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep toe en bepaalt dat de 30%-regeling terecht wordt toegepast ondanks de opleidingsperiode met lager loon.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/37

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Bij beschikking van 2 september 2025 heeft verweerder het verzoek van belanghebbende om toepassing van artikel 10ea, eerste lid, onderdeel a (hierna: de 30%-regeling) van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: UBLB) afgewezen.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026 te Haarlem.
Belanghebbende is verschenen bijgestaan door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] en mr. [naam 3] .

Overwegingen

Feiten
1. Belanghebbende is geboren op 6 november 1992 en woonde tot haar vestiging in Nederland in [stad] ( [land 1] ).
2. Op 18 februari 2025 is belanghebbende een schriftelijke arbeidsovereenkomst aangegaan met [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). In de overeenkomst, waarin belanghebbende is aangeduid als “de vlieger”, is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 1: Ingangsdatum Pro en duur van de arbeidsovereenkomst

1. De vlieger treedt met ingang van 1 april 2025 in dienst van [bedrijf] , in de functie van First Officer.
2. Deze arbeidsovereenkomst wordt afgesloten voor bepaalde tijd, te weten voor de duur van 12 maanden en zal derhalve, behoudens tussentijdse opzegging door een van beide partijen, van rechtswege eindigen op 1 april 2026. Deze arbeidsovereenkomst heeft een omvang van 100% van voltijd 36 uur per week. De eerste maand van het dienstverband geldt als de wettelijke proeftijd.
3. Bij aanvang van de arbeidsovereenkomst start de vlieger met de initiële opleiding voor het helikoptertype [#] en zal daartoe gelijktijdig met de ondertekening van deze arbeidsovereenkomst een opleidingsovereenkomst met [bedrijf] aangaan.
4. Het dienstverband eindigt op de datum waarop de MFO van [bedrijf] , na advies van de beoordelingscommissie genoemd in Bijlage 7, beslist dat de vlieger niet binnen de door [bedrijf] gestelde termijn na aanvang van de arbeidsovereenkomst erin is geslaagd de initiële opleiding als genoemd in dit artikel onder (3) en de daarbij behorende routetraining met goed gevolg te voltooien, zonder dat daartoe enige opzegging vereist is.

Artikel 2: Salaris Pro

1. Het aanvangssalaris gedurende de initiële opleiding als bedoeld in artikel 1 onder Pro (3) en
De daarbij behorende route opleiding bedraagt het wettelijke minimumloon zijnde € 2.147,67 bruto per maand. Zodra de vlieger na voltooiing van zijn type-opleiding
zijn linecheck met succes heeft voltooid, doch uiterlijk 2 maanden na het bijschrijven van de type bevoegdverklaring op het vliegbrevet, bedraagt het salaris € 6.086,53 bruto per maand, zijnde stap 1 van de First Officer salarisschaal.”
3. Tegelijk met de arbeidsovereenkomst is belanghebbende met [bedrijf] een opleidingsovereenkomst aangegaan. De artikel 5 en Pro 6 van deze overeenkomst luiden als volgt:

Artikel 5: Mogelijkheid Pro tot voortzetting arbeidsovereenkomst

Indien de in artikel 1 bedoelde Pro opleiding en de daarbij behorende routetraining met succes door de vlieger is voltooid, heeft [bedrijf] het recht de vlieger voortzetting van zijn arbeidsovereenkomst met [bedrijf] aan te bieden, ingeval de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met de vlieger is aangegaan.”

Artikel 6: Gevolgen Pro niet aanvaarden voortzetting arbeidsovereenkomst

De vlieger is de opleidingskosten ad € 80.000,00 in zijn geheel aan [bedrijf] verschuldigd, in het geval de vlieger een aanbod tot voortzetting van de arbeidsovereenkomst - ingeval de
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan - niet aanvaardt door een oorzaak of
reden die in de risicosfeer van de vlieger ligt en / of om reden(en) die voor [bedrijf] niet
aanvaardbaar is / zijn. De opleidingskosten ad € 80.000,00 zijn alsdan onmiddellijk opeisbaar en dienen door de vlieger voor het eind van de arbeidsovereenkomst aan [bedrijf] te worden betaald.”
4. Belanghebbende heeft de opleiding met goed gevolg afgerond. Per brief van [bedrijf] van 2 oktober 2025 werd haar meegedeeld dat haar salaris met ingang van 3 september 2025 zou worden verhoogd tot € 6.129,13 per maand.
5. Op 4 juni 2025 is het verzoek tot toepassing van de 30%-regeling ingediend. Bij de onderhavige beschikking heeft verweerder het verzoek afgewezen en na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft verweerder de beschikking gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. Het beroepschrift is gedagtekend 30 december 2025 en is op 5 januari 2026 bij de rechtbank ontvangen.

Geschil6. In geschil is of de toepassing van de 30%-regeling terecht is geweigerd.

7. Belanghebbende betoogt dat zij recht heeft op toepassing van de 30%-regeling en heeft daarvoor aangevoerd dat het looncriterium ziet op het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en de bijbehorende loonstructuur, en niet op tijdelijke afwijkingen die samenhangen met een opleidings- of inwerkperiode. De inwerkperiode bij [bedrijf] vormt een integraal onderdeel van de bestaande dienstbetrekking en kan niet worden aangemerkt als een afzonderlijke overeenkomst of een zelfstandige rechtsverhouding. Het gedurende deze periode ontvangen loon heeft een tijdelijk en ondergeschikt karakter en dient uitsluitend ter facilitering van de overgang naar de volledige operationele functie van piloot. Volgens belanghebbende genoot zij in 2025 een gegarandeerd inkomen, inclusief de inwerkperiode, van € 53.433,06, terwijl het volledige structurele jaarinkomen op basis van de huidige schaal € 73.038,36 bedraagt. Beide bedragen liggen, aldus nog steeds belanghebbende, ruimschoots boven de wettelijke norm.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en, naar de rechtbank begrijpt, tot zodanige wijziging van de beschikking dat toepassing van de 30%-regeling wordt toegekend.
8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de 30%-regeling terecht is afgewezen, en heeft daarvoor aangevoerd dat op de datum waarop belanghebbende bij [bedrijf] in dienst trad het loon op jaarbasis € 25.772 bedroeg en daarmee niet werd voldaan aan de looneis. De eis van schaarste op de Nederlandse arbeidsmarkt is per 1 januari 2022 vervallen en geldt alleen nog voor bepaalde beroepsgroepen waartoe belanghebbende volgens verweerder niet behoort.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
9. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende een specifieke deskundigheid heeft in de zin van artikel 10e, tweede lid, onderdeel b, sub 1, van het UBLB.
Deze vraag is beperkt tot de vraag of is voldaan aan de looneis van het eerste lid van artikel 10eb UBLB. Ingevolge het eerste lid van dit artikel, zoals dat gold per 1 januari 2025, bezit een werknemer specifieke deskundigheid indien het loon op jaarbasis meer bedraagt dan € 46.660.
10. In zijn arrest van 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1670, overwoog de Hoge Raad het volgende:
“2.3.3. Aan de 30%-bewijsregel heeft mede de gedachte ten grondslag gelegen dat door vergroting van het netto besteedbare loon van de betrokken werknemer een faciliteit wordt geboden die het bedrijfsleven beter in staat stelt schaarse specifieke deskundigheid aan te trekken. Het strookt met deze gedachte om aan de hand van de feiten ten tijde van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst te beoordelen of de betrokken werknemer over de vereiste specifieke deskundigheid beschikt. Op dat moment staat immers de binnenlandse (aspirant-)werkgever in concurrentie tot buitenlandse (aspirant-)werkgevers en heeft hij baat bij het bestaan van de faciliteit (zie onderdeel 3.4.3 van het arrest BNB 2006/264). Daarbij sluit aan dat het tijdstip van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst eveneens maatgevend is als het erom gaat aan de hand van welke wettelijke voorschriften de aanwezigheid van specifieke deskundigheid moet worden beoordeeld.”
11. Ingevolge het hierboven aangehaalde arrest dient aan de hand van de feiten ten tijde van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst, te worden beoordeeld of is voldaan aan de looneis. Dit heeft tot gevolg dat alseen arbeidsovereenkomst is gesloten waarmee niet aan de looneis wordt voldaan, een latere wijziging van de arbeidsovereenkomst er niet toe leidt dat de 30%-regeling, met terugwerkende kracht of vanaf dat latere moment, alsnog kan worden toegepast.
12. De rechtbank is op basis van de feiten ten tijde van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst van oordeel dat voldaan is aan de looneis. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
13. Gelet op de vaststaande feiten onder 2 en 3 zijn de arbeids- en opleidingsovereenkomst gelijktijdig overeengekomen bij de aanvang van het dienstverband met [bedrijf] . Volgens de arbeidsovereenkomst ontving belanghebbende een loon van € 2.147,67 bruto per maand, en na het afronden van de opleiding een loon van € 6.129,13 bruto per maand. Het loon van € 6.129,13 staat vermeld in artikel 2 van Pro de arbeidsovereenkomst en was dus reeds bij het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst overeengekomen.
14. Eiseres heeft voorts gemotiveerd uiteengezet dat bij het aangaan van de dienstbetrekking het zo goed als zeker was dat zij de opleiding met goed gevolg zou afronden en dat de opleiding moest worden gezien als een inwerkperiode. Verweerder heeft een en ander niet weerspoken. De rechtbank volgt belanghebbende dan ook in haar betoog. Aannemelijk is dat [bedrijf] , gelet op de hoge kosten die met de opleiding zijn gemoeid, alleen mensen aanneemt van wie vrijwel zeker is dat zij de opleiding met goed gevolg zullen afronden Daarbij geldt een strenge selectie voor de piloten van [bedrijf] voordat er een dienstbetrekking wordt aangegaan. Alle piloten die bij [bedrijf] in dienst komen moeten de interne opleiding volgen, ongeacht de kwalificaties en ervaring van de piloten. Naar de rechtbank begrijpt hadden alle door [bedrijf] aangenomen helikopterpiloten - zonder uitzondering - de opleiding binnen enkele maanden met goed gevolg afgerond en hebben zij de dienstbetrekking bij [bedrijf] dan ook steeds voortgezet. Er gold dus een slagingspercentage van 100. Ook voor belanghebbende bestond de verwachting dat zij de opleiding met goed gevolg zou afronden en is de dienstbetrekking voortgezet. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat o.a. blijkens de in bezwaar overgelegde verklaring van de ‘Chief Pilot’ van [bedrijf] , belanghebbende op initiatief van [bedrijf] is aangeworven uit [land 1] omdat zij voldeed aan de kwalificaties om helikopterpiloot te worden bij het bedrijf in Nederland. Zoals voorts blijkt uit de door belanghebbende ingediende stukken beschikte zij bij indiensttreding bij [bedrijf] over vliegbrevetten als helikopterpiloot en als vliegtuigpiloot en beschikte zij daarnaast over universitaire diploma’s op het gebied van lucht- en ruimtevaartkunde, aerodynamica en vliegtuigbouw. Ook had zij voorafgaande aan de dienstbetrekking in Nederland al een aantal jaren ervaring als helikopterpiloot in [land 1] en [land 2] . Om in [land 2] te kunnen vliegen had zij aldaar een soortgelijke opleiding als thans aan de orde met goed gevolg afgerond. Het volgen van de opleiding bij [bedrijf] was in het geval van belanghebbende een formaliteit om in Nederland te kunnen blijven vliegen. De rechtbank is gelet op dit alles van oordeel dat reeds bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst het zo goed als zeker was dat belanghebbende de opleiding binnen enkele maanden met succes zou afronden en haar dienstverband bij [bedrijf] zou voortzetten.
15. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat bij het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en [bedrijf] vaststond dat belanghebbende op enig moment een bruto salaris van € 6.086,53 per maand zou gaan verdienen. Uit het verhandelde ter zitting begrijpt de rechtbank dat de opleiding 3 tot 5 maanden zou duren. Ervan uitgaande dat de opleiding maximaal 5 maanden zou duren en in deze 5 maanden het maandloon € 2.147 zou bedragen en in de daaropvolgende 7 maanden het maandloon € 6.086,53 zou bedragen, was het bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst te verwachten loon op jaarbasis meer dan € 46.640. Hiermee is voldaan aan de looneis. Niet in geschil is dat aan de overige voorwaarden is voldaan voor toepassing van de 30%-regeling. Verweerder heeft de toepassing van de 30%-regeling daarom ten onrechte geweigerd. Het beroep dient gegrond te worden verklaard.
Proceskosten
16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Ter zitting heeft belanghebbende een formulier proceskosten overgelegd waarop zij € 36,40 aan reiskosten en € 363,43 aan verletkosten heeft vermeld. Bij het formulier heeft belanghebbende een stuk overgelegd waaruit blijkt dat zij voor het bijwonen van de zitting een dag verlof heeft moeten opnemen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van het bedrag aan reiskosten te twijfelen en gelet op de hoogte van het inkomen van belanghebbende acht de rechtbank het bedrag aan verletkosten, voor 9,25 uren verlof, niet te hoog. Mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de proceskostenvergoeding vast op € 399,83.

Beslissing

De rechtbank:
₋ verklaart het beroep gegrond;
₋ vernietigt de uitspraak op bezwaar;
₋ wijzigt de beschikking en wijst het verzoek om toepassing van de 30%-regeling toe;
₋ bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
₋ veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 399,83, en
₋ draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van
H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de datum van verzending;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
e redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).