Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4228

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/15/374490
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen over verdeling en verkoop woning in kort geding tussen erfgenamen

Partijen zijn broers en zussen en gezamenlijk eigenaar van een woning die door gedaagde met haar twee minderjarige kinderen wordt gehuurd. Er bestaat een geschil over de vraag of zij overeenstemming hebben bereikt over het vertrek van gedaagde uit de woning en de verkoop van de woning in onverhuurde staat aan een derde.

De voorzieningenrechter oordeelt dat eisers onvoldoende spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen, mede gezien het belang van gedaagde om in de woning te blijven. De situatie is al jarenlang onveranderd, gedaagde betaalt de lasten en de vermeende schade van eisers is onvoldoende concreet onderbouwd.

Ook is onvoldoende aannemelijk dat een definitieve overeenkomst tot stand is gekomen over de verdeling en verkoop. De vorderingen worden daarom afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af wegens onvoldoende spoedeisend belang en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/374490 / KG ZA 26-63
Vonnis in kort geding van 29 april 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[eiser sub 2],
te [woonplaats] ,
3.
[eiseres sub 3],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. R.G.N. le Roy,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. T. Sistermanns.
De zaak in het kort
Partijen zijn broers en zussen. Zij hebben een geschil over de (wijze van) verdeling van de gezamenlijk toebehorende woning die gedaagde met haar twee minderjarige kinderen huurt. Partijen twisten over de vraag of zij overeenstemming hebben bereikt over het vertrek van gedaagde uit de woning en de verkoop en levering van de woning in onverhuurde staat aan een derde. De voorzieningenrechter komt niet aan deze vraag toe omdat [eisers] daarbij geen spoedeisend belang hebben. De vorderingen worden dan ook afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 februari 2026 met producties,
- de mondelinge behandeling, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en ter gelegenheid waarvan door de advocaat van [eisers] een eiswijziging en door de advocaat van [gedaagde] spreekaantekeningen in het geding zijn gebracht.
1.2.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 maart 2026 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tijdens de behandeling heeft de raadsman van [eisers] verzocht de behandeling van dit kort geding achter gesloten deuren te laten plaatsvinden. Dit verzoek is op de mondelinge behandeling afgewezen. Partijen hebben vervolgens op vragen van de voorzieningenrechter en op elkaar gereageerd.
1.3.
Aan het einde van de mondelinge behandeling is partijen met hun instemming nog de tijd gegeven om de zaak te schikken. Voor het geval dat niet mocht lukken (welk geval zich heeft voorgedaan), is reeds bij gelegenheid van die zitting vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn broers en zussen en (gezamenlijk) erfgenamen van de nalatenschap van hun moeder, [erflaatster] (hierna: de moeder). De moeder is op 15 oktober 2023 overleden.
2.2.
De nalatenschap van de moeder is verdeeld, behoudens de onroerende zaak aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] (hierna: de woning). Partijen zijn elk voor 1/4e deel (gezamenlijk) eigenaar van de woning.
2.3.
De woning is in 2016 door de moeder aangeschaft na een relatiebreuk van [gedaagde] , zodat [gedaagde] daar met haar twee minderjarige kinderen kon wonen. In verband hiermee hebben de moeder en [gedaagde] een huurovereenkomst gesloten.
2.4.
[gedaagde] huurt sinds november 2016 de woning met haar twee kinderen. De huidige huurprijs bedraagt een bedrag van € 875,00 inclusief servicekosten per maand.
2.5.
Ter afwikkeling van de nalatenschap hebben partijen meermaals overleg gehad over de verkoop en levering van de woning aan een derde. Partijen twisten of zij overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de woning en daarmee het vertrek van [gedaagde] uit de woning en de verkoop en levering van de woning aan een derde in onverhuurde staat.
2.6.
Bij brief van 18 november 2025 heeft mr. Le Roy [gedaagde] verzocht om binnen
14 dagen te laten weten of zij vrijwillig zal meewerken aan verkoop van de woning in onverhuurde staat. Onder andere bij e-mail van 19 december 2025 van mr. Sistermans heeft hij namens [gedaagde] bevestigd dat [gedaagde] zich beroept op de haar toekomende huurbescherming.
2.7.
Tot op heden verblijven [gedaagde] en haar kinderen in de woning.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen bij vonnis, na eiswijziging, enigszins samengevat, uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van de met haar gemaakte afspraken met
betrekking tot de verkoop en levering van de woning, indien en voor zover nodig onder
gelasting van de wijze van verdeling of subsidiair zelf de verdeling vast te stellen met
betrekking tot de onverdeelde gemeenschap, zijnde de woning gelegen aan de
[adres] te ( [postcode] ) te [woonplaats] ;
en/of (daarbij) (meer subsidiair) ex artikel 3:300 BW Pro vervangende toestemming te verlenen
voor de verkoop en levering van de woning, met de bepaling dat dit vonnis in de plaats wordt gesteld van de van [gedaagde] benodigde handtekening wanneer [gedaagde] nalaat vrijwillig mee te werken, dan wel een in goede justitie passende voorziening te treffen;
2. en voorts [gedaagde] te veroordelen:
- tot nakoming van haar verplichting tot vergoeding aan [eisers] van het door hen geleden (en te lijden) financiële nadeel, zoals beschreven onder randnummer 8 van de dagvaarding, dan wel een zodanige in goede justitie passende voorziening te treffen;
- [gedaagde] te veroordelen tot de kosten van deze procedure, inclusief nakosten, met de bepaling dat deze bedragen en kosten binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis dienen te worden voldaan.
3.2.
[eisers] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] gehouden is tot nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst over de verdeling van de woning in onverhuurde staat. [gedaagde] had op grond van de overeenstemming de woning eind 2024 al moeten verlaten. [gedaagde] laat de afspraken echter steeds stranden. [eisers] zijn [gedaagde] langere tijd op allerlei manieren tegemoet gekomen en zijn dan ook verrast door het beroep van [gedaagde] op huurbescherming. [eisers] wensen [gedaagde] te houden aan de gemaakte afspraken. Van hen kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij financieel nadeel lijden en dat zij feitelijk het gebruik van de woning door [gedaagde] bekostigen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten. Kort gezegd, betwist [gedaagde] dat zij overeenstemming met [eisers] omtrent de verdeling van de woning heeft bereikt. Zij doet daarnaast een beroep op haar toekomende huurbescherming. [gedaagde] wil graag in de woning blijven wonen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In geschil is of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen waarbij [gedaagde] zich tegenover [eisers] verplicht heeft de woning vrijwillig te verlaten en te zullen meewerken aan verkoop van de woning in onverhuurde staat aan een derde.
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisers] daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
[eisers] hebben op dit moment onvoldoende spoedeisend belang bij hun vorderingen
4.3.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eisers] het recht hebben om uit de onverdeeldheid te komen. Op dit moment hebben [eisers] echter onvoldoende spoedeisend belang bij hun vorderingen, mede gezien het zware belang van [gedaagde] om nog enige tijd in onverdeeldheid te blijven.
4.4.
De huidige situatie is al jarenlang onveranderd. [gedaagde] betaalt alle vaste lasten van de woning en vooralsnog zijn er geen aanwijzingen dat [gedaagde] de kosten niet meer zal/kan dragen. De door [eisers] aangevoerde stelling dat hierdoor hun belastingschade in verband met box 3 nog verder oploopt, is onvoldoende concreet onderbouwd om op basis daarvan een spoedeisend belang vast te stellen. De vermeende schade is niet recent ontstaan en op de zitting is gebleken dat die vermeende schade voor dit belastingjaar ook reeds is geleden. Daarbij komt dat [eisers] tegelijkertijd profiteren van de voortdurende waardestijging van de woning en zij de woning ook in verhuurde staat te koop zouden kunnen zetten. [eisers] hebben daarom onvoldoende belang en hun vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.
4.5.
De voorzieningenrechter begrijpt verder dat [eisers] mogelijk baat zouden kunnen hebben bij de verkoop van de woning in onverhuurde staat, maar dit laat onverlet dat niet valt uit te sluiten dat [gedaagde] mogelijk een beroep toekomt op huurbescherming.
Ten overvloede
4.6.
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Om een voorziening te kunnen treffen zoals gevorderd dient te worden beoordeeld of het aannemelijk is dat de rechter die in een eventueel aanhangig te maken bodemprocedure geconfronteerd wordt met hetzelfde feitencomplex, zal oordelen dat een met de gevraagde voorziening overeenstemmende of vergelijkbare vordering zal slagen. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in een kort geding procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.7.
De voorzieningenrechter acht het bij wijze van voorlopig oordeel onvoldoende aannemelijk dat tussen [eisers] enerzijds en [gedaagde] anderzijds een definitieve overeenkomst over de verdeling van de woning in onverhuurde staat tot stand is gekomen. Uit wat [eisers] hebben aangevoerd kan de rechtbank niet afleiden dat zij (al dan niet stilzwijgend) een overeenkomst met [gedaagde] hebben gesloten zoals zij stellen. Uit de geciteerde correspondentie lijkt te volgen dat [gedaagde] graag tot een oplossing wil komen en bereid is om mee te werken aan een proces dat uiteindelijk tot verkoop zou kunnen leiden, maar dan alleen onder omstandigheden die voor haar en haar kinderen uitvoerbaar en verantwoord zijn. Dat [gedaagde] zonder voorbehoud met een overeenkomst heeft ingestemd, blijkt echter niet.
4.8.
Voor zover [eisers] aan hun vordering ten grondslag leggen dat zij niet langer in een onverdeelde gemeenschap hoeven te blijven, is dat geen voldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen zoals gevorderd.
Conclusie
4.9.
Op grond van al het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vorderingen van [eisers] dan ook afwijzen.
Proceskosten
4.10.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het enkele feit dat [eisers] in het ongelijk zijn gesteld maakt niet dat sprake is van een onnodig gevoerde procedure waardoor van voornoemd standpunt afgeweken moet worden.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.