Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4221

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
11901516 CV EXPL 25-6548
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:268 lid 2 BWArt. 7:268 lid 3 BWArt. 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering voortzetting huur na overlijden huurder wegens niet voldoen verzwaarde motiveringsplicht

Pré Wonen verhuurde sinds 2000 een standplaats aan de overleden huurder. Na het overlijden van de huurder werd de partner als huurder aangemerkt. Na diens overlijden vroeg eiser voortzetting van de huurovereenkomst, wat Pré Wonen weigerde vanwege verkoopplannen.

Eiser stelde dat hij ruim vijf jaar samenwoonde met de overleden huurder en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, wat onderdeel zou zijn van de woonwagencultuur. Pré Wonen betwistte dit en stelde dat eiser niet zijn hoofdverblijf had in het gehuurde, onvoldoende financiële waarborg bood en geen huisvestingsvergunning had.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldeed aan de verzwaarde stelplicht om een duurzame gemeenschappelijke huishouding aan te tonen. De overgelegde verklaringen en bankafschriften boden onvoldoende bewijs. Ook was onvoldoende gesteld over het duurzame karakter van het samenwonen. Daarom werd de vordering afgewezen.

De gevorderde ontruiming werd toegewezen, waarbij rekening werd gehouden met het belang van minderjarige kinderen, maar geen noodsituatie werd vastgesteld. De veroordeling werd niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat eiser de woning mocht blijven gebruiken totdat onherroepelijk op de vordering was beslist.

Eiser werd veroordeeld in de proceskosten van Pré Wonen, terwijl de kosten in reconventie werden begroot op nihil.

Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huur wordt afgewezen en de ontruiming van de standplaats wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11901516 \ CV EXPL 25-6548
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. S.J.M. Jaasma,
tegen
STICHTING PRÉ WONEN,
te Velserbroek,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Pré Wonen,
gemachtigde: mr. D.A. Fransen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties
- het tussenvonnis waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het bericht van 17 maart 2026 met producties van [eiser]
- het bericht van 20 maart 2026 met producties van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van Pré Wonen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Pré Wonen verhuurde sinds 14 december 2000 aan mevrouw [betrokkene 1] (verder: [betrokkene 1]) de standplaats aan de [adres] te [plaats]. [betrokkene 1] was de oma van [eiser]. [betrokkene 1] is gaan samenwonen met de heer [betrokkene 2] (verder: [betrokkene 2]). Na het overlijden van [betrokkene 1] werd [betrokkene 2] als huurder aangemerkt.
2.2.
[bedrijf] B.V. (verder: [bedrijf]) is beheerder van de standplaatsen en de contactpersoon voor de huurders van Pré Wonen.
2.3.
Op 7 april 2025 overleed [betrokkene 2].
2.4.
Op 23 april 2025 heeft [bedrijf] van [eiser] een verzoek ontvangen om voortzetting van de huurovereenkomst.
2.5.
Pré Wonen heeft [eiser] medegedeeld de huurovereenkomst niet voort te willen zetten omdat Pré Wonen voornemens is om de standplaats te verkopen.
2.6.
Op 25 april 2025 heeft [bedrijf] de erven van [betrokkene 2] verzocht de standplaats te ontruimen en leeg op te leveren.
2.7.
Op 6 mei 2025 heeft [bedrijf] [eiser] bericht dat zijn verzoek niet wordt gehonoreerd.
2.8.
Op 15 juli 2025 heeft [bedrijf] de erven van [betrokkene 2] in de gelegenheid gesteld om de standplaats op 31 juli 2025 op te leveren.
2.9.
Op 2 augustus 2025 heeft [eiser] opnieuw een verzoek om voortzetting van de huur ingediend, welk verzoek op 9 september 2025 werd afgewezen.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat hij wordt aangemerkt als voortzettende huurder onder dezelfde voorwaarden als de overleden huurder [betrokkene 2].
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat hij ruim vijf jaar samenwoonde met [betrokkene 2] en met hem een gezamenlijke huishouding voerde. Er was sprake van wederkerigheid en zij deelden de kosten van de huishouding. Verder heeft [eiser] aangevoerd dat het onderdeel van de woonwagencultuur is om in familieverband samen te wonen en voor elkaar te zorgen tot de dood.
3.3.
Pré Wonen voert verweer. Pré Wonen concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser]. Pré Wonen betwist dat [eiser] zijn hoofdverblijf heeft gehad in het gehuurde. Ook betwist Pré Wonen dat sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Zo heeft [eiser] niets gesteld over de intentie van het samenwonen met [betrokkene 2], over hoe de vaste lasten verdeeld worden of hoe de gezamenlijk invulling wordt gegeven aan sociale activiteiten. Verder betwist Pré Wonen dat [eiser] beschikt over voldoende financiële middelen om de huur te kunnen voldoen. Tot slot beschikt [eiser] niet over de benodigde huisvestingsvergunning.
in reconventie
3.4.
Pré Wonen vordert – samengevat – [eiser] te veroordelen het gehuurde te verlaten op straffe van een dwangsom en [eiser] te veroordelen in de kosten van ontruiming.
3.5.
[eiser] voert verweer en stelt dat zijn belang en dat van zijn kinderen (die deels bij hem verblijven) om behoud van het gehuurde zwaarder wegen dan het belang van Pré Wonen bij ontruiming. Verder schrijft de wet voor dat een verzoeker tot voortzetting van de huur in het gehuurde mag verblijven totdat onherroepelijk is beslist op de vordering.
3.6.
Op de stellingen van partijen, zowel in conventie als in reconventie, wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
4.2.
Gesteld noch gebleken is dat [eiser] zijn vordering niet tijdig, te weten binnen de termijn van zes maanden na het overlijden van [betrokkene 2], heeft ingesteld [1] , zodat hij ontvankelijk is in zijn vordering.
4.3.
Na het overlijden van [betrokkene 2] kan [eiser] alleen als voortzettende huurder worden aangemerkt als [eiser] zijn hoofdverblijf in het gehuurde had en met [betrokkene 2] een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde. Daarnaast moet [eiser] vanuit financieel oogpunt voldoende waarborg bieden voor behoorlijke nakoming van de huur en moet [eiser] een huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 8 van Pro de Huisvestigingswet kunnen overleggen. Als hieraan niet is voldaan, moet de vordering tot voortzettende huur worden afgewezen. [2]
4.4.
Bij de beoordeling of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding moeten alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd, zoals het feitelijk gebruik van de woning door de huurder en de medebewoner en de omstandigheid dat zij al dan niet (1) gezamenlijk voorzien in de kosten van de huisvesting en/of de kosten van levensonderhoud, (2) gezamenlijk (of op grond van een afgesproken verdeling) huishoudelijke taken verrichten, (3) gezamenlijk de maaltijden bereiden en gebruiken, (4) gezamenlijk invulling geven aan vrije tijd en (5) gezamenlijk deelnemen aan het sociaal verkeer. Ten aanzien van de gemeenschappelijke huishouding geldt verder dat op [eiser] een verzwaarde stelplicht rust.
4.5.
[eiser] heeft niet aan de verzwaarde stelplicht voldaan. De door [eiser] in het geding gebrachte verklaringen van omwonenden betreffen niets meer dan een vooraf opgestelde tekst dat [eiser] daar woonde en een gezamenlijk huishouden voerde met [betrokkene 2] en verantwoordelijkheden deelden. Een dergelijke algemene niet verder onderbouwde verklaring is, gezien de betwisting van Pré Wonen en de verzwaarde stelplicht onvoldoende. Verder heeft [eiser] bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat [eiser] maandelijks bedragen overmaakte aan VWPFS. Zonder nader toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk geworden waar die betalingen betrekking op hebben of hoe die betalingen kunnen aantonen dat sprake was van een gemeenschappelijk huishouden met [betrokkene 2]. Ook de in het geding gebrachte regelmatige betalingen aan een restaurant, bakkerij, supermarkt, vishandel en slager zijn, zonder nadere toelichting die ook hier ontbreekt, niet voldoende om aan te kunnen tonen dat sprake is geweest van een gemeenschappelijk huishouden met [betrokkene 2]. Bovendien dateert een deel van de transacties van ná het overlijden van [betrokkene 2] en is een deel ervan ook niet in de buurt gedaan van het gehuurde. Ook wat betreft het gezamenlijk deelnemen aan sociale activiteiten is onvoldoende gesteld. De enkele stelling dat zij samen maaltijden nuttigen is onvoldoende evenals de stelling dat [betrokkene 2] verder niet veel nodig had. Dat [betrokkene 2] volgens [eiser] actief was in een muziekbandje en met diverse andere ouderen uit de buurt regelmatig contact had, draagt niet bij aan een onderbouwing van een gemeenschappelijke huishouding. Verwijzing naar diverse jurisprudentie maakt het voorgaande niet anders omdat [eiser] onvoldoende heeft toegelicht waarom de aangehaalde jurisprudentie op zijn situatie van toepassing zou moeten zijn. Verwijzingen naar de woonwagencultuur doen verder niets af aan het feit dat [eiser] aan de verzwaarde stelplicht moet voldoen.
4.6.
Gelet op het bovenstaande heeft [eiser] niet voldaan aan de op hem rustende verzwaarde stelplicht voor wat betreft de gemeenschappelijke huishouding. Er wordt dan niet toegekomen aan bewijslevering hieromtrent. Verder heeft [eiser] niets gesteld over het duurzame karakter van het samenwonen met [betrokkene 2], zodat ook aan dat vereiste voor voortzetting van de huur niet is voldaan. Omdat aan deze twee vereisten al niet is voldaan, zullen de overige vereisten (hoofdverblijf, financiële waarborg en beschikken over een huisvestingsvergunning) onbesproken blijven, waarbij de kantonrechter wel opmerkt dat het nog maar de vraag is of [eiser] aan die vereisten voldoet.
4.7.
Omdat niet aan de wettelijke voorwaarden om de huur te mogen voortzetten is voldaan, zal de vordering van [eiser] worden afgewezen.
4.8.
De door Pré Wonen gevorderde ontruiming zal worden toegewezen. Hierbij is eerst
gekeken naar de belangen van de minderjarige kinderen, want die zijn zeer belangrijk. [3] Dat betekent echter niet dat een woning met een huurder met minderjarige kinderen niet mag worden ontruimd. De ouders van een minderjarig kind zijn in principe zelf verantwoordelijk voor de omstandigheden die tot ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook in de eerste plaats op de weg van de ouders zelf om de nadelige effecten van ontruiming voor hun kind zoveel mogelijk te beperken. Als er een noodsituatie dreigt, bijvoorbeeld omdat het kind letterlijk op straat komt te staan, dan kan dat – mede afhankelijk van de overige omstandigheden – een belemmering voor ontruiming zijn.
4.9.
In dit geval woont de oudste zoon van [eiser] voor meer dan de helft bij [eiser] en de jongste zoon verblijft regelmatig bij [eiser]. De kinderen verblijven dus ook deels bij hun moeder. Niet gesteld of gebleken is dat bij een ontruiming een noodsituatie dreigt. Daarom zal de gevorderde ontruiming worden toegewezen.
4.10.
De veroordeling wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [eiser] heeft namelijk het wettelijke recht om de woning te gebruiken totdat onherroepelijk op zijn vordering tot het voortzetten van de huur is beslist. [4] Hiervan kan worden afgeweken als sprake is van overduidelijk misbruik van hoger beroep of cassatie of andere voor Pré Wonen zwaarwegende omstandigheden dan wel een onevenredigheid in de wederzijdse belangen. [5] Hierover is niets gesteld door Pré Wonen. Omdat de veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, zullen de gevorderde dwangsommen ook worden afgewezen. De dwangsommen zullen overigens ook worden afgewezen omdat Pré Wonen betoogt dat zij de dwangsom wil gebruiken voor de extra kosten die een ontruiming met zich meebrengt en een dwangsom niet is bedoeld als voorschot op een schadevergoeding.
4.11.
De gevorderde vergoeding voor de kosten voor ontruiming zal worden afgewezen, omdat de met de ontruiming gemoeide kosten slechts toewijsbaar zijn als zij in redelijkheid zijn gemaakt, wat niet op voorhand kan worden beoordeeld.
4.12.
[eiser] is zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Pré Wonen in conventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
720,00
4.13.
Omdat de vordering in conventie en reconventie nauw verband met elkaar houden en gelijktijdig zijn behandeld, is aanleiding om de kosten in reconventie in dit geval te bepalen op nihil.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Pré Wonen van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen in conventie en reconventie voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart de veroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.4.
veroordeelt [eiser] binnen twee weken na betekening van het vonnis de standplaats aan [adres] te [plaats] te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin bevindende personen of zaken, voor zover deze geen eigendom zijn van Pré Wonen,
5.5.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten begroot op nihil,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:268 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW)
2.Artikel 7:268 lid 2 en Pro 3 (BW)
3.Artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind (verder: IVRK)
4.Artikel 7:268 lid 2 BW Pro
5.vgl. hof Den Haag 19 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:974