Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4173

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
HAA 24/5038 en HAA 24/5040
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Waardering dividendvordering tegen slotkoers maand is in overeenstemming met goed koopmansgebruik

Belanghebbende, een Nederlandse tak van een beursgenoteerd concern, had dividend ontvangen van een Chinese dochtermaatschappij. De waardering van deze dividendvordering in vreemde valuta stond centraal in het geschil met de Belastingdienst. Belanghebbende hanteerde de slotkoers van de maand voorafgaand aan de transactie, terwijl de Belastingdienst de dagkoers van de transactie wilde toepassen.

De rechtbank overwoog dat het waarderingssysteem van belanghebbende, gebaseerd op interne boekhoudvoorschriften en een In-House-Bank-Agreement, bedrijfseconomisch gegrond is en niet in strijd met de deelnemingsvrijstelling of het totaalwinstbeginsel. De rechtbank verwierp het standpunt van de Belastingdienst dat het systeem onzakelijk zou zijn en dat actuele dagkoersen moesten worden gehanteerd.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de navorderingsaanslagen en stelde het verlies over 2016 vast. Tevens werd de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak bevestigt dat waardering tegen slotkoersen van de maand kan voldoen aan goed koopmansgebruik in fiscale waarderingsvraagstukken.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de navorderingsaanslagen worden vernietigd omdat de waardering tegen de slotkoers van de maand in overeenstemming is met goed koopmansgebruik.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/5039 en HAA 24/5040

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende,

(gemachtigden: mr. L.J.A. van den Tillaart, mr. J. Kastelein, mr. dr. T.M. Vergouwen, en mr. R. Waaijer, allen verbonden aan Meijburg & Co),
en

de inspecteur van de Belastingdienst Grote Ondernemingen te Utrecht, verweerder

Procesverloop

Met dagtekening 6 augustus 2022 en 30 juli 2022 heeft verweerder aan belanghebbende navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting opgelegd over de jaren 2015 en 2016 (de navorderingsaanslagen).
Op 5 september 2022 heeft belanghebbende bezwaar tegen de navorderingsaanslagen gemaakt. Deze bezwaren zijn bij uitspraak van 24 mei 2024 door verweerder afgewezen.
Belanghebbende is op 3 juli 2024 in beroep gekomen tegen de uitspraken op bezwaar. Dit beroep is aangevuld op 11 september 2024, op 3 september 2025, en op 24 oktober 2025. Verweerder heeft op 1 oktober 2024 een verweerschrift ingediend (aangevuld op 17 oktober 2025) en heeft de stukken waarop het geding betrekking heeft aan de rechtbank toegezonden.
Het onderzoek ter zitting vond plaats op 5 november 2025. Belanghebbende was daar vertegenwoordigd door haar werknemers [naam 1] , [naam 2] , en mr. [naam 3] , alsmede door haar gemachtigden mr. T.M. Vergouwen, mr. R. Waaijer, L.J.A. van den Tillaart, en [naam 4] . Namens verweerder waren [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] aanwezig.

Overwegingen

Feiten
1. [bedrijf 1] is een beursgenoteerd concern dat wereldwijd logistieke diensten verleent. Het hoofdkantoor zetelt in [stad] , [land] .
2. Belanghebbende vormt de Nederlandse tak van deze groep en houdt belangen in meer dan 200 dochtermaatschappijen, en via deze dochtermaatschappijen indirect in meer dan 500 deelnemingen. De dochterondernemingen keren (jaarlijks) dividend in hun lokale valuta uit aan belanghebbende.
3. Een van de dochtermaatschappijen van belanghebbende is het Chinese ‘ [bedrijf 2] Ltd’ (‘ [bedrijf 2] ’). Deze vennootschap heeft op 14 augustus 2015 een bruto dividend gedeclareerd van CNY 798.866.617,84. Op het dividend is 5% bronbelasting ingehouden, zodat een netto dividend resteerde van CNY 758.923.286,95. Dit dividend is uitbetaald op 11 november 2015 (CNY 500.000.000) en op 27 november 2015 (CNY 258.923.286,95).
4. Belanghebbende heeft zich in een In-House-Bank-Agreement verbonden om bij het concern een euro-bankrekening (‘IHB-account’) aan te houden. De inhouse bank maakt deel uit van het hoofdkantoor. In de In-House-Bank-Agreement, die onderworpen is aan de algemene betalingsvoorwaarden en procedures van het hoofdkantoor, heeft belanghebbende het hoofdkantoor geautoriseerd voor betalingen en ontvangsten die rechtstreeks voortkomen uit concerntransacties, en deze te boeken op haar IHB-account. Belanghebbende heeft het dividend van [bedrijf 2] in euro’s ontvangen op haar IHB-account.
5. De algemene betalingsvoorwaarden en procedures (‘General Terms and Conditions of Deutsche Post AG (DRAG) - In-house Banking and Payment Services’) houden onder meer in dat kasstromen in vreemde valuta op het IHB-account worden geboekt in euro’s tegen de koers van de laatste dag van de maand die aan de betaling of ontvangst vooraf ging.
6. Daarnaast gelden binnen [bedrijf 1] interne boekhoudvoorschriften (‘Corporate IFRS Accounting and Reporting Guideline’). Deze voorschriften bepalen dat vorderingen ten aanzien van transacties in een vreemde valuta worden gewaardeerd in euro’s tegen de koers van de laatste dag van de maand vóór de transactie. De commerciële en de fiscale jaarrekening van belanghebbende wordt op basis van deze voorschriften opgesteld.
7. Belanghebbende heeft het op 14 augustus 2015 gedeclareerde dividend als vordering geactiveerd en gewaardeerd tegen de CNY-EUR-koers van 31 juli 2015. Bij de betalingen in november 2015 is uitgegaan van de CNY-EUR-koers van 31 oktober 2015. Zij heeft in haar aangifte Vpb over 2015 een verlies op deze dividendvordering van € 2.443.779 gerapporteerd. De primitieve aanslagen zijn conform de ingediende aangiften vastgesteld.
8. Bij de navorderingsaanslag 2015 is verweerder afgeweken van de eerder in de primitieve aanslag vastgestelde belastbare winst. Waar belanghebbende een koersverlies in verband met de vordering op [bedrijf 2] in aanmerking neemt, constateert verweerder een positief koersresultaat. Verweerder komt hiertoe door de vordering en de betaling te waarderen tegen de CNY-EUR-dagkoers in plaats van de koers op de laatste dag van de voorafgaande maand. De tabel hieronder geeft cijfermatig de standpunten van partijen weer:
Belanghebbende
Verweerder
koers laatste dag voorafgaande maand
Dagkoers
Declaratie dividend en activering 14 augustus 2015
€ 111.479.312,10
€ 106.256.849,00
Betaling 11 november 2015
€ 71.835.665,84
€ 73.130.000,00
Betaling 27 november 2015
€ 37.199.849,28
€ 38.110.918,00
Koersresultaat
€ -/- 2.443.796,98
€ 4.984.069,00
De correctie is gelijk aan het verschil tussen beide uitkomsten en bedraagt (2.443.779 + 4.984.069 =) € 7.427.848.
9. Verweerder heeft de navorderingsaanslagen als volgt vastgesteld:
2015
2016
Aangegeven belastbare winst
€ 17.106.008
€ 51.728.876
Correctie
€ 7.427.848
(niet in geschil)
Vastgestelde belastbare winst
€ 24.533.856
€ 49.398.096
Belastbaar bedrag
€ 3.233.192
€ 49.398.096
Aftrek elders belast
€ 798.297
€ 1.113.279
Bedrag van de aanslag
€ 0
€ 11.226.244
Verrekende voorlopige aanslagen
€ 0
€ -/-10.760.274
Te betalen na correctie
€ 465.970
Eerder vastgesteld te betalen
€ -/- 248.151
Nagevorderde belasting
€ 0
€ 714.121
Belastingrente
€ 0
€ 240.444
Totaal verschuldigd
€ 0
€ 1.638.354
Geschil en standpunten van partijen
10. In geschil is welke valutakoers geldt voor de waardering (i) van de vordering op het moment waarop het dividend van [bedrijf 2] werd gedeclareerd, en (ii) van het betaalde dividend. Volgens belanghebbende is dat de slotkoers van de maand die aan de transactie voorafging, verweerder daarentegen stelt dat steeds de dagkoers van de transactie moet worden gehanteerd.
11. Belanghebbende stelt dat zij is gebonden aan zowel de ‘Corporate IFRS Accounting and Reporting Guideline’ als aan het In-House-bank-Agreement met de daarbij behorende algemene betalingsvoorwaarden en procedures. Zij herinnert eraan dat civielrechtelijke verhoudingen in het belastingrecht tot uitgangspunt worden genomen, en wijst erop dat zij op haar IHB-bankrekening niet meer heeft ontvangen dan het [bedrijf 2] dividend omgerekend naar euro’s tegen de eindemaandkoers. De interne boekhoudvoorschriften van de groep schrijven het gebruik van die einde-maandkoers dwingend voor bij de waardering van vorderingen en transacties in een andere valuta dan de euro. Zo wordt ook de jaarrekening van belanghebbende vastgesteld en de (van een goedkeurende accountantsverklaring voorziene) geconsolideerde groepsjaarrekening. De toepassing van de einde-maandkoers is bedrijfseconomisch geaccepteerd en het valt niet in te zien waarom hiervan voor de fiscale jaarrekening zou moeten worden afgeweken. Belanghebbende past de einde-maandkoers al decennia lang bestendig toe en als de ontvangst van het [bedrijf 2] dividend op dagkoers zou worden gewaardeerd ontstaat in 2015 dubbele belastingheffing. De conclusie van belanghebbende luidt dat de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd, en dat het met de belastbare winst over 2016 verrekende verlies moet worden vastgesteld op € 4.194.656. Ten slotte vraagt belanghebbende om een integrale vergoeding van haar proceskosten.
12. Verweerder betwist dat de interne boekhoudvoorschriften van de [bedrijf 1] groep in overeenstemming zijn met de ‘Corporate IFRS Accounting and Reporting Guideline,’ omdat de volatiliteit van de CNY-koers ten opzichte van de euro dat niet toelaat. Daarnaast zijn deze voorschriften volgens verweerder niet van betekenis voor het vaststellen van de in Nederland belastbare winst. Verweerder wijst erop dat belanghebbende gerechtigd is tot het [bedrijf 1] - [bedrijf 2] -dividend, zodat het dividend in zijn totaliteit bij haar tot uitdrukking moet komen en niet (gedeeltelijk) bij een ander concernonderdeel. Het door belanghebbende gehanteerde systeem is volgens verweerder niet in overeenstemming met goed koopmansgebruik en in strijd met de wettelijke regeling van de deelnemingsvrijstelling en het totaalwinstbeginsel; het systeem is onzakelijk en de totale winst van belanghebbende kan alleen juist worden vastgesteld met actuele dagkoersen. Volgens verweerder is het beroep ongegrond.
Beoordeling van het geschil
13. In navolging van Hoge Raad van 3 november 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1504), heeft belanghebbende het door [bedrijf 2] gedeclareerde dividend op haar fiscale balans geactiveerd. De rechtbank stelt voorop dat de waardering van deze vordering wordt beheerst door de regels van goed koopmansgebruik.
14. Belanghebbende voert aan dat binnen het [bedrijf 1] -concern concerntransacties in vreemde valuta’s al jarenlang worden gewaardeerd tegen de eurokoers van de laatste dag van de voorafgaande maand. Het bewerkstelligt dat valutarisico’s voornamelijk bij de inhouse bank worden geconcentreerd, en dat de administraties van alle concernonderdelen goed op elkaar aansluiten wat het afronden van de jaarrekeningen bevordert. Bij transacties die binnen een maand worden afgewikkeld ligt het koersrisico geheel bij het hoofdkantoor. Het is concernbeleid dat, zodra een dividend is gedeclareerd, de betaling meteen volgt. Er zijn echter situaties waarbij dat niet kan, zoals in dit geval waar de betaling van het gedeclareerde dividend later plaatsvond, omdat de goedkeuring van de Chinese fiscale autoriteiten om een verlaagd tarief bronbelasting toe te mogen passen op zich liet wachten.
15. De rechtbank overweegt dat belanghebbende valide bedrijfseconomische redenen heeft gegeven voor het waarderingssysteem waarbij vorderingen in vreemde valuta worden omgerekend tegen de euro-slotkoers van de maand voorafgaand aan de transactie. Bedrijfseconomische inzichten en de civielrechtelijke werkelijkheid zijn leidend, zolang dat geen strijd oplevert met een uitdrukkelijk in de belastingwetgeving gesteld voorschrift. De rechtbank overweegt, anders dan verweerder, dat het waarderingsvoorschrift niet in strijd komt met de deelnemingsvrijstelling en met het totaalwinstbeginsel, want belanghebbende heeft niet meer (vrijgesteld deelnemings-) dividend ontvangen dan het in haar aangifte verantwoorde bedrag. Het koersverloop van de CNY ten opzichte van de euro, verweerder noemt dat ‘grillig,’ verandert daaraan niets. Ook schrijft het hierboven aangehaalde arrest van 3 november 2023 niet voor dat vorderingen in vreemde valuta tegen dagkoersen moeten worden omgerekend. De In-House-Bank-Agreement vormt daarom een relevant gegeven bij de waardering van de dividendvordering op [bedrijf 2] . Belanghebbende past dat waarderingssysteem bestendig toe, onafhankelijk van de vermoedelijke uitkomst, en het systeem beantwoordt aan het realiteitsbeginsel en aan het eenvoudsbeginsel. Ook de verantwoording door belanghebbende van de ontvangen dividenden, conform de binnen het concern overeengekomen boeking in euro’s op het IHB-account tegen de koers van de laatste dag van de voorafgaande maand, is in overeenstemming met genoemde beginselen. De slotsom is dat het door belanghebbende gehanteerde systeem in overeenstemming is met goed koopmansgebruik.
16. Verweerder heeft nog aangevoerd dat de In-House-Bank-Agreement geen zakelijke overeenkomst zou zijn; de overeenkomst zou ertoe leiden dat belanghebbende zich ieder jaar winst laat ontgaan en daarom zijn de overeengekomen termen en condities niet
at arms’ length. De rechtbank stelt vast dat verweerder het bewijsrisico draagt van zijn stelling dat sprake is van een onzakelijke overeenkomst, en dat verweerder zijn stelling niet voldoende met feiten en omstandigheden heeft onderbouwd. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het waarderingssysteem in neutrale bewoordingen is gesteld; afhankelijk van de koersontwikkeling zal het systeem in het ene jaar een valutaverlies kunnen laten zien, en in het andere jaar een -winst. Dat belanghebbende zich door het waarderingssysteem structureel winst laat ontgaan, is niet aannemelijk geworden.
17. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het beroep gegrond worden verklaard.
Proceskosten
18. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, zal verweerder worden veroordeeld in de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep heeft moeten maken. Belanghebbende heeft gevraagd om integrale vergoeding van de daadwerkelijk door hem gemaakte proceskosten.
19. Het Besluit proceskosten bestuursrecht voorziet in een forfaitair vergoedingensysteem waarbij voor iedere proceshandeling een vaste vergoeding geldt. In bijzondere omstandigheden kan evenwel van dat forfaitaire vergoedingensysteem worden afgeweken. De uitzondering wegens bijzondere omstandigheden wordt terughoudend toegepast. In dit geval is van zodanige bijzondere omstandigheden geen sprake. De rechtbank stelt daarom de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van het hoorgesprek, met een waarde per punt van € 666; 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1 wegens het gewicht van de zaak). Ook dient verweerder het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de navorderingsaanslagen;
- stelt het met de belastbare winst van belanghebbende over 2016 te verrekenen verlies vast op € 4.194.656;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.200;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Snitker, voorzitter, mr. A.A. Fase, en
mr. M. van Doesburg, leden, in aanwezigheid van mr. F.C. Claushuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam .
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).