ECLI:NL:RBNHO:2026:411

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
11610963 \ CV EXPL 25-838
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:233 BWArt. 6:96 BWArt. 237 RvArt. 242 RvRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing huurachterstand met vernietiging oneerlijke algemene voorwaarden

Intermaris verhuurt sinds 2010 een woning aan twee huurders die een huurachterstand hebben opgebouwd. De verhuurder vordert betaling van deze achterstand, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De huurders betwisten de huurachterstand niet, waardoor de hoofdsom wordt toegewezen.

De kantonrechter toetst ambtshalve de toepasselijke algemene voorwaarden op oneerlijke bedingen conform artikel 6:233 BW Pro en de Richtlijn 93/13/EEG. De bedingen over buitengerechtelijke kosten en rente worden als oneerlijk beoordeeld vanwege het ontbreken van een maximum, het verschuldigd zijn zonder ingebrekestelling en de cumulatie met boetes. Deze bedingen worden vernietigd, waardoor de buitengerechtelijke kosten en rente worden afgewezen.

De proceskosten worden toegewezen aan de verhuurder, aangezien de huurders grotendeels in het ongelijk zijn gesteld. De kantonrechter veroordeelt de huurders hoofdelijk tot betaling van de huurachterstand en proceskosten, verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders gevorderde af.

Uitkomst: Huurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, maar de oneerlijke bedingen in de algemene voorwaarden worden vernietigd waardoor buitengerechtelijke kosten en rente worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11610963 \ CV EXPL 25-838 (BvdL)
Vonnis van 15 januari 2026
in de zaak van
de stichting
STICHTING INTERMARIS,
te Hoorn,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Intermaris,
gemachtigde: Bosveld Beverwijk B.V.,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
gemachtigde: mr. E.B. Doganer,

2.2. [gedaagde 2] ,

te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gemachtigde: mr. S.N. Peijnenburg.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert een verhuurder betaling van een huurachterstand. De huurders betwisten de huurachterstand niet, zodat deze vordering wordt toegewezen.
De kantonrechter heeft de toepasselijke algemene voorwaarden ambtshalve getoetst en oordeelt dat deze oneerlijke bedingen bevatten, zodat deze bedingen worden vernietigd en de buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente worden afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de conclusie van antwoord met eis in reconventie en producties van [gedaagde 2]
- het incidenteel vonnis van 17 juli 2025
- het tussenvonnis van 23 oktober 2025
- de mondelinge behandeling van 15 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Intermaris verhuurt met ingang van 6 januari 2010 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning aan het [adres] in [plaats] (hierna: de woning). De huur bedraagt € 609,56 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd.
2.2.
Op deze huurovereenkomst zijn van toepassing de Algemene Huurvoorwaarden Woningstichting Wherestad versie juli 2009 (hierna: de algemene voorwaarden).
2.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben (een deel van) de huur niet betaald. Intermaris heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aangemaand op 23 december 2024 om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen.

3.Het geschil

3.1.
In de dagvaarding vorderde Intermaris ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning en hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 2.361,91 (de huurachterstand tot en met maart 2025 vermeerderd met € 2,60 voor wettelijke rente en € 221,27 voor buitengerechtelijke incassokosten).
Op de zitting heeft Intermaris haar vordering tot ontbinding en ontruiming ingetrokken en de gevorderde huurachterstand vermeerderd, in die zin dat aan huurachterstand tot en met mei 2025 wordt gevorderd een bedrag van € 2.367,20.
Intermaris legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tekortschieten in de nakoming van de huurovereenkomst.
3.2.
[gedaagde 2] heeft bij antwoord verweer gevoerd, met name tegen de aanvankelijk gevorderde ontbinding en ontruiming, en een tegenvordering ingesteld. Deze tegenvordering heeft [gedaagde 2] op de zitting ingetrokken. [gedaagde 1] heeft op de zitting zijn standpunten naar voren gebracht.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Na de wijziging van eis vordert Intermaris hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van huurachterstand, vermeerderd met de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
De huurachterstand wordt toegewezen zoals gevorderd
4.2.
Op de zitting hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet betwist dat er berekend tot en met mei 2025 sprake is van een huurachterstand van € 2.367,20. Ook staat vast dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tegenover Intermaris hoofdelijk aansprakelijk zijn voor betaling van de huur. Dat betekent dat ieder van hen kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. De omstandigheid dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] afspraken hebben gemaakt over de mate waarin zij in hun onderlinge verhouding moeten bijdragen aan de lasten die verbonden zijn aan de woning, is in hun huurverhouding met Intermaris niet relevant. Dit betekent dat de vordering van Intermaris zal worden toegewezen.
4.3.
Het is partijen niet gelukt om tijdens de procedure een betalingsregeling af te spreken. Als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toch nog een betalingsregeling willen afspreken, moeten zij daarvoor contact opnemen met de gemachtigde van Intermaris.
De wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen
4.4.
Omdat het hier gaat om een professionele verhuurder en consument-huurders, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de algemene voorwaarden bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument (in de zin van artikel 3 van Pro de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten). Dit kan immers gevolgen hebben voor (de hoogte van) de vordering. Artikel 6:233 onder Pro a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is.
4.5.
Bedingen waaraan de huurder gebonden is zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, zijn oneerlijk als deze in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de rechten en plichten die de huurder op grond van de overeenkomst heeft, aanzienlijk verstoren in het nadeel van de huurder. [1] Het gaat om een beoordeling van de bedingen op het moment dat de overeenkomst werd gesloten. Of de verhuurder de huurder ook daadwerkelijk aan die bedingen houdt, of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is niet relevant. Als een beding wegens onredelijkheid wordt vernietigd, kan de verhuurder niet terugvallen op een eventuele wettelijke regeling over het zelfde onderwerp.
4.6.
Intermaris stelt zich op het standpunt dat de algemene voorwaarden geen onredelijk bezwarende bedingen bevatten. De kantonrechter volgt Intermaris niet in dat standpunt en licht dit als volgt toe.
4.7.
De bedingen inzake de buitengerechtelijke kosten in artikel 4.4 van de huurovereenkomst en in artikel 13 van Pro de algemene voorwaarden leiden tot een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de verhuurder en de huurders omdat:
- er geen maximum bedrag aan kosten is opgenomen;
- de kosten zonder ingebrekestelling verschuldigd zijn;
- er naast deze kosten ook op grond van artikel 15 van Pro de algemene voorwaarden nog een boete verschuldigd kan zijn.
Gelet hierop wordt ten nadele van de consument-huurders afgeweken van artikel 6:96 BW Pro en het Rapport Voorwerk II. Daarom zijn deze bedingen oneerlijk en worden deze vernietigd. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
4.8.
Het rentebeding in artikel 6.1 van de algemene voorwaarden is op zichzelf niet oneerlijk, maar in combinatie met het rentebeding in artikel 4.4 van de huurovereenkomst en met het boetebeding in artikel 15 van Pro de algemene voorwaarden wel. Dit betekent dat het rentebeding wordt vernietigd en de gevorderde rente wordt afgewezen.
De proceskosten
4.9.
Het beding in artikel 13 van Pro de algemene voorwaarden ziet ook op de proceskosten. Voor zover Intermaris op grond hiervan aanspraak kan maken op gerechtelijke kosten die boven het liquidatietarief uitkomen, is dit beding oneerlijk. Dit heeft echter geen gevolg voor de proceskostenveroordeling in deze procedure, omdat de kantonrechter op grond van de artikelen 237 en 242 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten moet veroordelen en deze proceskosten niet lager mogen worden vastgesteld dan het liquidatietarief.
4.10.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Intermaris worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
385,00
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.040,45

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om te betalen aan Intermaris een bedrag van € 2.367,20 aan achterstallige huur tot en met mei 2025,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.040,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, r.o. 3.8.2.