Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4101

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
11863356 \ CV EXPL 25-5762
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:230a BWArt. 7:290 BWArt. 7:292 BWArt. 7:294 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kantonrechter oordeelt dat gehuurde bedrijfsruimte valt onder 7:290 BW en verklaart opzeggingsbrief nietig

Eisers, exploitanten van een keukenzaak, vorderden dat de huurovereenkomst voor de bedrijfsruimte zou worden gekwalificeerd als een 7:230a-bedrijfsruimte, waardoor hun opzeggingsbrief rechtsgeldig zou zijn en de huurovereenkomst per 31 december 2025 zou eindigen. Gedaagde betwistte dit en stelde dat het gehuurde een 7:290-bedrijfsruimte betreft, met een zwaarder beschermingsregime.

De kantonrechter onderzocht de aard van het gehuurde, de afspraken tussen partijen, de feitelijke inrichting en het gebruik van de ruimte. Uit onder meer de afspraken over verkoopactiviteiten, het concurrentiebeding, de inrichting als voor publiek toegankelijke winkel en het feit dat daadwerkelijk keukens worden verkocht, concludeerde de rechter dat sprake is van een 7:290-bedrijfsruimte.

Omdat de opzeggingsbrief van eisers geen opzeggingsgronden bevatte, is deze opzegging nietig volgens artikel 7:292 BW Pro. Hierdoor is de huurovereenkomst niet geëindigd en worden de vorderingen van eisers afgewezen. Eisers zijn veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De opzeggingsbrief is nietig omdat geen opzeggingsgronden zijn vermeld, waardoor de huurovereenkomst niet is geëindigd en de vorderingen van eisers worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11863356 \ CV EXPL 25-5762
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [plaats] ,
2.
[eiser 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te Amersfoort,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigden: mr. A.W. Booij en N. Wentink
De zaak in het kort
Tussen partijen is in geschil of sprake is van een 7:230a- of 7:290-bedrijfsruimte. De kantonrechter oordeelt dat sprake is van een 7:290-bedrijfsruimte. Niet in geschil is dat in de opzeggingsbrief van 24 december 2024 geen opzeggingsgronden zijn vermeld. De opzegging is om die reden nietig. Gelet hierop worden de vorderingen van [eisers] afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 juli 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord van 5 november 2025, met producties;
- het tussenvonnis van 12 november 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 24 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisers] hebben (vanuit de vennootschap onder firma [bedrijf 1] V.O.F.) tot 1 januari 2011 in de bedrijfsruimte gelegen aan het adres [adres] [nummer 1] / [nummer 2] te [plaats] (hierna: de bedrijfsruimte) een keukenwinkel geëxploiteerd.
2.2.
De rechtsvoorganger van [gedaagde] heeft op of omstreeks 8 september 2010 aan [eisers] kenbaar gemaakt de bedrijfsruimte te willen huren. In een brief van 9 september 2010 van de rechtsvoorganger van [gedaagde] aan [eisers] staat daarover:
(…) Teneinde het mogelijk te maken dat wij aldaar één van onze showrooms gaan exploiteren, zijn in de bespreking een aantal afspraken en toezeggingen gemaakt.
(Afkort. EK = [gedaagde] Keuken Groep – Afkort. [bedrijf 1] – [bedrijf 1] )
(…)2. vestigingsvergunning keuken detailzaak
- [bedrijf 1] zal de documenten overleggen
3. service op orders [bedrijf 1]
- de service op orders van [bedrijf 1] wordt door [bedrijf 1] geheel opgepakt en opgelost (…)
4. lopende orders [bedrijf 1] per 01-01-2011
- worden volledig in beheer en voor rekening en risico van [bedrijf 1] afgewerkt
5. exploitatie keuken detailzaak door [bedrijf 1] (of diens rechtsopvolgers)
- zonder schriftelijke toestemming is aan [bedrijf 1] of diens rechtsopvolgers niet toegestaan een keuken detailzaak te exploiteren (…).
[eisers] hebben de afspraken ondertekend.
2.3.
Vervolgens heeft de rechtsvoorganger van [gedaagde] met [eisers] een huurovereenkomst gesloten voor de bedrijfsruimte met als ingangsdatum 1 januari 2011.
2.4.
Op 13 september 2010 hebben [eisers] een brief gestuurd naar hun leveranciers:
“(…) Na jarenlang hard werken in je eigen keukenzaak, kun je soms ineens toe zijn aan iets heel anders. Niet dat we ons daar nu zo van bewust waren, de diverse geluiden in de markt ten spijt, kunnen we ons gelukkig prijzen dat de verkoop bij ons op het moment best lekker loopt. Echter, enkele weken terug werden we benaderd door de broers [gedaagde] . (…) Het pand waar [bedrijf 1] in gevestigd is voldeed volledig aan hun wensen. Gelet op de toekomst, waarin het voor de kleinere zelfstandige zeker niet makkelijker zal worden, leek het ons verstandig om deze kans aan te pakken, en inderdaad ons pand te huur aan te bieden. (…) Dit betekent dat [bedrijf 1] vanaf 1 januari 2011 geen showroom meer zal hebben, en de verkoop van keukens zal vanaf die datum gestaakt worden. De lopende orders en service zullen nog wel door ons worden afgehandeld. De [gedaagde] Keukengroep zal per 1 januari 2011 starten met een ingrijpende interne verbouwing van het pand, waarna zo snel mogelijk met de verkoop van keukens gestart zal worden. (…)”
Een brief met soortgelijke strekking (met als datum 14 september 2010) hebben [eisers] ook aan hun klanten gestuurd.
2.5.
Met ingang van 1 januari 2021 heeft [gedaagde] met [eisers] een nieuwe huurovereenkomst gesloten voor de bedrijfsruimte. Partijen hebben in de huurovereenkomst opgenomen dat de huurovereenkomst een voortzetting is van de onder r.o. 2.3 genoemde overeenkomst. Op de overeenkomst zijn de Algemene bepaling huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW van toepassing verklaard.
2.6.
In de huurovereenkomst staat verder:
(…) 1.2 Het gehuurde zal door of vanwege huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als showroomruimte voor keukens en aanverwante artikelen.
1.3
Het is huurder niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder een andere bestemming aan het gehuurde te geven dan omschreven in 1.2.
(…)
3.1
Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 5 jaar, ingaande op 01 januari 2021 en lopende tot en met 31 december 2025.
3.2
Na het verstrijken van de in 3.1 genoemde periode wordt deze overeenkomst, wanneer deze niet tijdig wordt opgezegd, voortgezet voor een aansluitende periode van 5 jaar, derhalve tot en met 31 december 2020. Deze overeenkomst wordt vervolgens voortgezet voor aansluitende perioden van telkens 4 jaar.
3.3
Beëindiging van deze overeenkomst vindt plaats door opzegging tegen het einde van een huurperiode met inachtneming van tenminste 12 maanden.
3.4
Opzegging dient te geschieden bij deurwaardersexploot of per aangetekend schrijven. (…)
9.8
Het is huurder toegestaan gebruik te maken van de regeling omtrent de koopzondagen, zoals opgenomen in de betreffende nota samengesteld door de Gemeente [gemeente] . (…)
2.7.
Op 24 december 2024 hebben [eisers] de huurovereenkomst opgezegd tegen 31 december 2025.
2.8.
[gedaagde] heeft niet met de opzegging ingestemd. Zij heeft bij brief van 24 januari 2025 laten weten dat sprake is van een 7:290-bedrijfsruimte en dat de opzegging niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
2.9.
Op 28 februari 2025 stellen [eisers] dat de bedrijfsruimte enkel mag worden gebruikt als showroom.
2.10.
[gedaagde] heeft vervolgens aangegeven:
(…) Wij blijven bij het eerder ingenomen standpunt dat het gehuurde gelegen aan de [adres] [nummer 1] / [nummer 2] in [plaats] onder het huurregime van winkelruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro valt. De door uw cliënten gedane opzegging van de huurovereenkomst is niet rechtsgeldig, nu niet aan de wettelijke vereisten voor de opzegging worden voldaan.
Het is voor beide partijen altijd duidelijk geweest dat het gehuurde zou worden gebruikt als showroom van een verkooppunt voor keukens aan particulieren. De naam van de hurende entiteit [gedaagde] B.V. geeft ook aan dat het gehuurde bedoeld is voor verkoopactiviteiten aan particulieren. Daarnaast geldt dat in het uittreksel in de Kamer van Koophandel als omschrijving van de activiteiten staat vermeld: “winkel in keukens”. Het was voor beide partijen bij het aangaan van de huurovereenkomst volstrekt duidelijk dat vanuit het gehuurde een winkel voor de verkoop van keukens aan particulieren zou worden geëxploiteerd. Wij zouden ook nooit een bedrijfsruimte huren die alleen gebruikt mag worden als showroom zonder dat er vanuit het gehuurde verkoopactiviteiten mogen plaatsvinden. Het is juist altijd de bedoeling van beide partijen geweest dat er vanuit het gehuurde keukens worden verkocht.
Het gehuurde is ook altijd ingericht geweest als een voor het publiek toegankelijk lokaal voor de verkoop van keukens. (…) Duidelijk is verder dat het gehuurde voor het publiek vrij toegankelijk is en klanten kunnen de winkel zonder problemen bezoeken, hun keuken uitzoeken en die bij ons in het gehuurde bestellen.
In uw brief wordt daarnaast opgemerkt dat uw cliënten niet zouden weten of er een dergelijke voor publiek toegankelijk lokaal aanwezig is in het gehuurde. Die opmerking komt ons op zijn minst erg vreemd voor. Uw cliënt de heer Koole bezoekt het gehuurde sinds he begin van de huurovereenkomst regelmatig en vraagt dan aan ons onder meer hoe het met de business en de verkoop gaat. (…)

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen te verklaren voor recht dat de tussen partijen gesloten huurovereenkomst ziet op een 7:230a-bedrijfsruimte en dat de huuropzegging rechtsgeldig is gedaan waardoor de huurovereenkomst per 31 december 2025 is geëindigd. Daarnaast vorderen zij veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van het gehuurde, vermeerderd met een gebruiksvergoeding en de proceskosten.
3.2.
[eisers] leggen aan de vordering ten grondslag dat sprake is van een 7:230a-bedrijfsruimte. Om die reden is opzegging rechtsgeldig. Met de rechtsvoorganger van [gedaagde] is namelijk de bestemming van het gehuurde besproken, te weten een showroom voor keukens en aanverwante artikelen. Een showroom is geen verkoopruimte. Dit is ook vastgelegd in de huurovereenkomst. De huurovereenkomst vormt het uitgangspunt. Van een voor een publiek toegankelijk lokaal is bovendien geen sprake. Voorts wordt in het gehuurde niet tot daadwerkelijke aankoop van een roerende zaak overgegaan.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een 290-bedrijfsruimte en wel om het volgende.
Inleiding; huurregime 7:230a of 7:290 BW
4.2.
Partijen verschillen van mening over de vraag of het gehuurde is aan te merken als bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro of in de zin van artikel 7:230a BW. Wanneer sprake is van een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW, dan geldt dat de huurder van zo’n bedrijfsruimte minder bescherming geniet, dan wanneer deze huurder een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro zou huren. Indien partijen besluiten af te spreken dat het gehuurde een bedrijfsruimte is in de zin van artikel 7:230a BW, terwijl het gehuurde feitelijk een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro is, dan kan de huurder desondanks een beroep doen op de bescherming die het beschermingsregime van 7:290 BW biedt.
4.3.
Onder bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 lid 2 sub a BW Pro wordt verstaan - voor zover voor deze zaak van belang - een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan die krachtens overeenkomst van huur en verhuur is bestemd voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, een en ander indien in de verhuurde ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreeks de levering van roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig. Wil er sprake zijn van 290-bedrijfsruimte dan moet het gehuurde volgens de huurovereenkomst bestemd zijn voor de uitoefening van een bedrijf als bedoeld in lid 2.
4.4.
Beslissend is daarbij hetgeen partijen, mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde, bij het sluiten van de huurovereenkomst omtrent het gebruik van het gehuurde voor ogen heeft gestaan. [1] Bij de beoordeling van de vraag wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst omtrent het gebruik van het gehuurde voor ogen heeft gestaan, zijn de keuze voor een modelovereenkomst en de kwalificatie van de bedrijfsruimte in de overeenkomst – op zichzelf bezien – niet doorslaggevend. Welk gebruik van het gehuurde partijen voor ogen heeft gestaan kan eveneens blijken uit de aard en de inrichting van het gehuurde en het feitelijk gebruik daarvan, zodat ook deze omstandigheden moeten worden meegewogen. Bij de kwalificatie van het gehuurde dient ook het soort onderneming dat in het gehuurde wordt geëxploiteerd in ogenschouw te worden genomen.
Er is sprake van een 7:290-bedrijfsruimte
4.5.
De kantonrechter stelt vast dat de
titelvan de huurovereenkomst er op wijst dat huurder en verhuurder bij het sluiten van de huurovereenkomst het gehuurde wilden bestemmen als 230a-bedrijfsruimte voor een showroom en niet (mede) als verkoopruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro. Immers, de (door beide partijen) ondertekende huurovereenkomst vermeldt expliciet in de kop dat het gaat om kantoor-/ bedrijfsruimte en
nietom bedrijfsruimte ex. 7:290 BW – dus niet om bedrijfsruimte voor een kleinhandelsbedrijf/detailhandel voor verkoop of showroom met verkoop. Zoals gezegd is de kop van de huurovereenkomst echter niet doorslaggevend voor de vraag welk huurregime van toepassing is.
4.6.
Verder staat in de bestemmingsclausule expliciet vermeldt dat het gehuurde
uitsluitendmag worden gebruikt als “
showroomruimte voor keukens en aanverwante artikelen” en dat het aan de huurder zonder voorafgaande schriftelijke toestemming niet is toegestaan om een andere bestemming aan het gehuurde te geven. Een showroom valt onder 230a-bedrijfsruimten en is niet bedoeld als verkooplocatie. Een showroom kan echter onder omstandigheden bedoeld zijn voor méér dan bezichtigingen, maar dan moet daarvoor wel een duidelijke aanwijzing zijn.
4.7.
Die aanwijzingen zijn in deze zaak een gegeven. Uit de afspraken die de rechtsvoorganger van [gedaagde] met [eisers] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft gemaakt (zie r.o. 2.2), blijkt genoegzaam dat partijen óók verkoop van keukens (detailhandel) hebben beoogd. Partijen zijn immers een concurrentiebeding overeengekomen. Een dergelijk beding zou niet zijn overeengekomen, althans dat zou niet logisch zijn geweest, als enkel een showroom zou zijn beoogd. Verder zouden [eisers] de documenten van de vereiste vergunningen aan de rechtsvoorganger van [gedaagde] verstrekken en zouden [eisers] , althans hun toenmalige onderneming, alle lopende orders afhandelen. Ook hebben [eisers] in september 2010 aan hun leveranciers bericht dat
(…) De [gedaagde] Keukengroep zal per 1 januari 2011 starten met een ingrijpende interne verbouwing van het pand, waarna zo snel mogelijk met de verkoop van keukens gestart zal worden.(…)”. Een brief met soortgelijke strekking hebben [eisers] ook naar hun relaties gestuurd. In deze brief staat immers:
“(…) dit vanwege de locatie van onze showroom wat voor [gedaagde] Keuken Groep een gewenstverkooppuntvormt in de regio Amsterdam- Noord Holland. (...) Alle verkoopactiviteiten van [bedrijf 1] lopen door tot en met 31 december 2010. De lopende orders en service worden door ons gehaald afgehandeld (…). Na een interne verbouwing zal de showroom in het voorjaar 2011 worden heropend onder de naam [gedaagde] Keukens. (…)(onderstreping kantonrechter). Dat slechts een showroom – zonder verkoopactiviteiten – voor ogen stond is aldus hiermee niet gebleken.
4.8.
Daar komt bij dat partijen initieel een huurtermijn van 5 jaren zijn overeengekomen, hetgeen een indicatie vormt dat partijen een 7:290-bedrijfsruitme voor ogen hebben gehad. [2] Verder staat in artikel 9.8 van de huurovereenkomst dat de huurder ( [gedaagde] ) gebruik mag maken van de regeling omtrent de koopzondagen, zoals is samengesteld door de gemeente [gemeente] . Bovendien hebben [eisers] in het verleden (in 2022) bij [gedaagde] een keuken gekocht. Ook toen hebben [eisers] niet geprotesteerd dat in weerwil van de huurovereenkomst detailhandel in het gehuurde plaatsvindt.
4.9.
[eisers] hebben nog betoogd dat in het gehuurde geen betalingen worden verricht en dat niet tot daadwerkelijke aankoop van een roerende zaak wordt overgegaan. Deze stellingen treffen geen doel. Voor de kwalificatie is niet vereist dat levering van roerende zaken, bijvoorbeeld het leveren van een meubel, in het gehuurde moet plaatsvinden. Verder geldt dat bij de beoordeling van ‘een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening’ niet vereist is dat in het gehuurde een als zodanig kenbare inrichting aanwezig is om klanten te ontvangen, maar voldoende is dat een verkooppunt voor het publiek aanwezig is. Dat is hier in het geval. [gedaagde] heeft als onvoldoende gemotiveerd betwist gesteld dat in het gehuurde keukens worden gekocht en dat koopovereenkomsten in het gehuurde tot stand komen met een natte handtekening. Deze koopovereenkomsten leiden tot rechtstreekse levering van keukens (zonder tussenkomst van derden) aan klanten. In het gehuurde worden dus niet alleen keukenopstellingen getoond, maar kan ook daadwerkelijk tot aanschaf van een keuken worden overgegaan. Dat betaling pas achteraf (bij levering) per bankoverschrijving plaatsvindt, maakt dit naar het oordeel van de kantonrechter niet anders. Het gehuurde is bovendien tijdens de gebruikelijke winkelopeningstijden voor iedereen toegankelijk.
4.10.
[eisers] hebben tot slot nog betoogd dat de gemeente op de plek van het gehuurde geen detailhandel toestaat, maar dit is nergens uit gebleken. Daar komt bij dat [eisers] in het verleden zelf de documenten van de vereiste vergunningen aan de rechtsvoorganger van [gedaagde] hebben verstrekt.
De opzegging van de huurovereenkomst is nietig
4.11.
Doordat de kantonrechter van oordeel is dat het gehuurde een bedrijfsruimte is in de zin van artikel 7:290 BW Pro is het (strengere) huurregime van die afdeling op de overeenkomst van toepassing. Uit de wet [3] volgt dat in de opzeggingsbrief – op straffe van nietigheid - de opzeggingsgronden moeten worden vermeld. Niet in het geschil is dat in de opzeggingsbrief geen opzeggingsgronden staan vermeld. Dit betekent dat de opzegging nietig is en dat de huurovereenkomst door de opzegging niet ten einde is gekomen.
4.12.
De vorderingen van [eisers] worden daarom afgewezen.
Proceskosten
4.13.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2,5 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
864,00
Uitvoerbaar bij voorraad
4.14.
De kantonrechter zal dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing van de kantonrechter moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

Voetnoten

1.Zie HR 24 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1198 (
2.Artikel 7:292 BW Pro.
3.Artikel 7:294 BW Pro.