Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4007

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
C/15/371652
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 1:265d BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking kinderrechter over machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige bij ouder met gezag

De zaak betreft een beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De gecertificeerde instelling (GI) had de minderjarige aanvankelijk geplaatst in een pleegzorgvoorziening, maar beëindigde deze plaatsing door de minderjarige bij de vader met gezag te plaatsen. Hierdoor verviel de eerdere machtiging tot uithuisplaatsing in de pleegzorgvoorziening.

De GI verzocht vervolgens om een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader, onderbouwd met een positief ambulant spoedhulptraject. Echter, de GI uitte ook zorgen over de veiligheid bij de vader, waaronder vermoedelijk middelengebruik en onbereikbaarheid voor de GI. De moeder verzocht afwijzing van de machtiging bij de vader en toewijzing van de machtiging tot plaatsing in een pleeggezin, vanwege acute veiligheidszorgen en het gedrag van de vader.

De kinderrechter oordeelde dat de eerdere machtiging tot uithuisplaatsing in pleegzorg was vervallen door de feitelijke beëindiging van de plaatsing bij de vader. De machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader werd voor de duur van één maand verleend, met het oog op het verkrijgen van meer inzicht in de thuissituatie en het middelengebruik van de vader. De behandeling van het overige verzoek werd aangehouden. De beschikking is direct uitvoerbaar bij voorraad en tegen de beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing bij vader verleend voor één maand; ander verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummers: C/15/371652 / JU RK 25-1593 & C/15/375010 / JU RK 26-311
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een (verlenging) machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak met zaaknummer C/15/371652 / JU RK 25-159 van
de gecertificeerde instelling
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Velserbroek,
en in de zaak met zaaknummer C/15/375010 / JU RK 26-311 van
de gecertificeerde instelling
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Enschede,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.E. Oud, kantoorhoudende te Krommenie,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. M.A.V. Daansen, kantoorhoudende te Amsterdam,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking inzake C/15/371652 / JU RK 25-1593 van 19 november 2025 en de daarin genoemde de stukken;
  • het verzoekschrift inzake C/15/375010 / JU RK 26-311 van 17 februari 2026 met bijlagen.
1.2.
De verzoeken zijn gelijktijdig behandeld op de zitting met gesloten deuren op 25 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de advocaat van de vader;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] verblijft inmiddels bij de vader.
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 september 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 4 september 2026.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 november 2025 een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 19 mei 2026, en heeft de beslissing op het verzoek voor het overige aangehouden.

3.De verzoeken

C/15/375010 / JU RK 26-311
3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de ouder met gezag, de vader, te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Op 19 november 2025 is [de minderjarige] met een machtiging tot uithuisplaatsing bij zijn oma (vaderszijde) geplaatst. In januari 2026 bleek deze plaatsing niet langer houdbaar, vanwege de fysieke en mentale overbelasting van de oma. De GI heeft daarop besloten een ambulant spoedhulptraject (ASH) in te zetten, om onderzoek te doen naar de mogelijkheden van een plaatsing van [de minderjarige] bij de vader. Dit traject is positief afgerond. De GI verwacht dat de vader met steun van zijn netwerk en wekelijkse begeleiding in de thuissituatie de zorg voor [de minderjarige] kan dragen en verzoekt daarom een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader met gezag.
C/15/371652 / JU RK 25-1593
3.3.
De GI handhaaft haar resterende verzoek en verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.4.
Ter zitting heeft de GI naar voren gebracht niet meer achter de plaatsing van [de minderjarige] bij de vader te staan en daarom het aangehouden verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te handhaven. Sinds het verzoek van 17 februari 2026, waarin werd verzocht [de minderjarige] met een machtiging bij zijn vader uit huis te plaatsen, is veel gebeurd. De GI heeft zorgen over de emotieregulatievaardigheden van de vader, zijn communicatie met de moeder en het effect daarvan op [de minderjarige] . Ook is de vader grillig in het contact met de GI en heeft de GI daarom onvoldoende zicht op de thuissituatie bij de vader. Verder zijn grote zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] bij de vader. Er zijn signalen dat de vader verdovende middelen in het bijzijn van [de minderjarige] gebruikt en dan ook flink onder invloed daarvan is. De GI vindt het daarom beter als [de minderjarige] met de aangehouden machtiging tot uithuisplaatsing bij een pleeggezin gaat verblijven.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is verzocht om afwijzing van het verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader, en om toewijzing van het aangehouden verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin. Er zijn acute veiligheidszorgen om [de minderjarige] in de thuissituatie bij de vader. De moeder maakt zich zorgen om het drank- en cocaïnegebruik van de vader. De afgelopen weken hebben meerdere incidenten bij de vader plaatsgevonden, waaronder een incident waarbij de vader live is gegaan op TikTok, waarbij hij onder invloed was en zijn geslachtsdeel heeft laten zien in het bijzijn van [de minderjarige] . Daarnaast bestaat een patroon waarbij de vader steeds dwingender wordt in het contact richting de moeder. De vader is erg onberekenbaar en dat is niet goed voor [de minderjarige] . De moeder ziet het liefst dat [de minderjarige] weer bij haar komt wonen, maar dat verzoek ligt nu niet voor. De moeder is gestart met een traject bij de Brijder en slikt medicatie voor haar alcoholgebruik.
4.2.
Namens de vader is verzocht om toewijzing van het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader, en om afwijzing van het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing in een pleeggezin. Het gaat goed met [de minderjarige] bij de vader en hij ervaart rust en stabiliteit. De vader heeft kinderopvang voor [de minderjarige] geregeld. Het ASH traject dat bij hem is ingezet, is positief verlopen.

5.De beoordeling

C/15/371652 / JU RK 25-1593
5.1.
De kinderrechter overweegt dat [de minderjarige] in januari 2026 bij de vader met gezag is geplaatst, waarmee de feitelijke uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de oma is beëindigd. De vraag die de kinderrechter in dit geval dan ook eerst dient te beantwoorden is, of door deze beëindiging de op 19 november 2025 verleende machtiging en het daarmee samenhangende aangehouden deel van het verzoek, is komen te vervallen.
5.2.
De kinderrechter stelt vast deze vraag niet duidelijk wordt beantwoord in de wet en wetsgeschiedenis. Duidelijk is dat de machtiging vervalt indien deze na verloop van drie maanden niet ten uitvoer is gelegd [1] , maar dat is hier niet aan de orde. De rechtbank overweegt verder dat uit rechtspraak [2] volgt dat een door de GI beëindigde uithuisplaatsing binnen drie maanden en binnen de looptijd van de aanvankelijk gegeven machtiging daartoe, niet kan herleven zonder tussenkomst van de kinderrechter. Dat zou onverenigbaar zijn met de door de wetgever beoogde rechtsbescherming van de ouders en de minderjarige. Deze rechtspraak ziet echter op het beëindigen van de uithuisplaatsing op grond van artikel 1:265d van het Burgerlijk Wetboek. Indien de GI op grond van dat artikel over is gegaan tot beëindiging van de uithuisplaatsing, vervalt daarmee de machtiging. In dit geval is de situatie anders; de GI heeft feitelijk de uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg beëindigd door [de minderjarige] te plaatsen bij de ouder met gezag. De kinderrechter is van oordeel dat deze rechtspraak van overeenkomstige toepassing is op onderhavige situatie. Ook in dit geval is de uithuisplaatsing in de voorziening voor pleegzorg effectief beëindigd. Als deze feitelijke handeling van de GI niet met zich zou brengen dat de machtiging daarmee is komen te vervallen, dan zou dat betekenen dat de GI, zonder enige tussenkomst van de kinderrechter, de bevoegdheid zou behouden om de minderjarige wederom uit huis te plaatsen. Naar het oordeel van de kinderrechter is dat eveneens onverenigbaar met de beoogde rechtsbescherming voor de ouders en minderjarige. Dit betekent dat naar het oordeel van de kinderrechter de machtiging die is verleend bij beschikking van 19 november 2025 en het daarmee samenhangende aangehouden gedeelte van de machtiging, is komen te vervallen. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
C/15/375010 / JU RK 26-311
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [3] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De thuissituatie bij de moeder is op dit moment nog onvoldoende stabiel en veilig voor [de minderjarige] . De moeder heeft naar voren gebracht dat ze hard aan zichzelf aan het werken is, maar ook ziet dat ze nog een weg te gaan heeft voordat zij de zorg over [de minderjarige] zelfstandig op zich kan nemen. Terug naar de moeder is op dit moment dan ook niet in het belang van [de minderjarige] . Ter zitting is duidelijk geworden dat de GI de situatie bij de vader ook niet langer veilig en in het belang van [de minderjarige] vindt. Er zijn signalen van flink alcohol- en drugsgebruik waar [de minderjarige] bij is, de vader is heel dwingend naar de moeder en heeft een kort lontje bij de GI. De GI heeft daarnaast sinds kort geen zicht meer op de thuissituatie bij de vader, omdat hij onbereikbaar is voor de GI. Desgevraagd heeft de GI ook aangegeven geen directe zorgen te hebben over de opvoedvaardigheden van de vader en zijn relatie met [de minderjarige] .
5.5.
Gezien de onmogelijkheid van terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder en de zorgen en de onduidelijkheid over de thuissituatie van de vader, ziet de kinderrechter aanleiding om het verzoek voor kortere duur toe te wijzen, te weten voor de duur van één maand. Binnen deze maand is het nodig dat zicht komt op de thuissituatie en het middelengebruik van de vader, zodat duidelijk wordt of de plaatsing van [de minderjarige] bij de vader voldoende veilig en in zijn belang is. De kinderrechter benadrukt het belang van de aanwezigheid van de vader bij de volgende zitting. De kinderrechter verzoekt de GI om aan de rechtbank en alle belanghebbenden uiterlijk één week voor het aflopen van de termijn, en in ieder geval voor de mondelinge behandeling, een schriftelijke update met de stand van zaken en het standpunt ten aanzien van het resterende deel van het verzoek te overleggen.
5.6.
De kinderrechter verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader voor de duur van een maand, te weten tot 25 april 2026, en houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan.
5.7.
De kinderrechter verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
C/15/371652 / JU RK 25-1593
6.1.
verklaart het resterende deel van het verzoek van de GI niet-ontvankelijk;
C/15/375010 / JU RK 26-311
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [de minderjarige] bij de ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 25 maart 2026 tot 25 april 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting medio april 2026, tegen welke zitting de moeder, mr. D.E. Oud, de vader, mr. M.A.V. Daansen en de GI dienen te worden opgeroepen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 door A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en op schrift gesteld op 10 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, derde lid, Burgerlijk Wetboek.
3.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.