Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3725

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
HAA 26/1698
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen inhouding op AOW-uitkering wegens beslag

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) om maandelijks een bedrag van € 242,15 in te houden op haar AOW-uitkering vanwege een door een deurwaarder gelegd beslag. De voorzieningenrechter beoordeelt dat de SVB verplicht is medewerking te verlenen aan het executoriaal beslag en de geldigheid of hoogte van het beslag niet mag toetsen.

Uit de stukken blijkt dat de beslagvrije voet door de deurwaarder is vastgesteld op € 1.316,- en dat de SVB het bedrag zodanig heeft aangepast dat verzoekster netto dit bedrag ontvangt. Daarmee is de SVB binnen de grenzen van het beslag gebleven. Verzoekster kan de geldigheid van het beslag of de beslagvrije voet betwisten bij de deurwaarder of de burgerlijke rechter.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en kent geen proceskosten toe. Tevens is het verzoek om vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht toegewezen. De uitspraak is zonder zitting gedaan en bindt niet in het bodemgeding.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de inhouding op de AOW-uitkering wordt afgewezen omdat de SVB binnen de grenzen van het beslag is gebleven.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/1698

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder

(gemachtigde: mr. J.A.H. Koning, in dienst bij verweerder)

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende haar bezwaar tegen het besluit van verweerder van 23 februari 2026 om vanaf maart 2026 maandelijks € 242,15 in te houden op verzoeksters AOW-uitkering in verband met het door Stam gerechtsdeurwaarders op 12 februari 2026 gelegde beslag. Verzoekster heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter over de juistheid van het besluit heeft een voorlopig karakter en bindt in het bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Beroep op betalingsonmacht
3. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter telefonisch verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Bij brief van 8 april 2026 heeft de griffier dit verzoek voorlopig toegewezen. De voorzieningenrechter blijft bij de eerder genomen beslissing. Het beroep op betalingsonmacht slaagt. Verzoekster is geen griffierecht verschuldigd.
Beoordeling van het verzoek
4. Verzoekster stelt in haar verzoek dat verweerder een bedrag wil inhouden voor niet bestaande schulden. Stam gerechtsdeurwaarders is volgens verzoekster de schuldige en heeft niet geïnformeerd naar inkomsten en uitgaven. Er is sprake van financiële nood bij verzoekster vanwege medische kosten. Verweerder had beter moeten opletten en kon Stam gerechtsdeurwaarders niet klakkeloos volgen, aldus verzoekster.
5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat indien een deurwaarder executoriaal beslag heeft gelegd op een AOW-uitkering om een door een rechter vastgestelde vordering te incasseren, verweerder verplicht is om volledige medewerking te verlenen aan (uitvoering van) het gelegde beslag. [1] Verweerder mag de geldigheid van dit beslag of de hoogte van de door de deurwaarder vastgestelde beslagvrije voet niet beoordelen.
6. Het gaat hier om een beslissing van verweerder over de gewijzigde betaling van verzoeksters AOW-uitkering in verband met het gelegde beslag. Bij de beoordeling van die beslissing moet het gelegde beslag en de hoogte van de beslagvrije voet als een gegeven worden aanvaard. De bestuursrechter moet zijn toetsing beperken tot de vraag of verweerder bij het nemen van die betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag.
7. Uit de gedingstukken blijkt dat Stam gerechtsdeurwaarders de beslagvrije voet heeft vastgesteld op € 1.316,-. Verweerder heeft besloten om vanaf maart 2026 € 242,15 in te houden op de AOW-uitkering en heeft dat toegelicht met een berekening. Dit betekent volgens het besluit dat verzoekster netto € 1.316,- per maand krijgt uitgekeerd. Dit bedrag is gelijk aan de beslagvrije voet. Verweerder is dus binnen de grenzen van het beslag gebleven.
8. Voor zover de gronden van het verzoek betrekking hebben op de geldigheid van het beslag, dan wel de door Stam gerechtsdeurwaarders vastgestelde beslagvrije voet, dient verzoekster zich te wenden tot de deurwaarder en bij geschil tot de burgerlijke (executie)rechter.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het voorgaande is het verzoek kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af en treft geen voorziening. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vergelijk ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2687.