Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3652

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 1533
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2 Verordening op de heffing en invordering van leges 2022Art. 5 Verordening op de heffing en invordering van leges 2022Uniforme administratieve voorwaarden UAV 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen legesaanslag bouwvergunning voor grootschalig woningbouwproject ongegrond verklaard

Belanghebbende heeft een vergunning gekregen voor de sloop van een kantoorpand en de bouw van 823 woningen met parkeerplaatsen en commerciële ruimten. De bouwsom werd geschat op €100.000.000, waarop een legesaanslag van €1.012.462 werd opgelegd. Belanghebbende betwistte de aanslag, stellende dat de legesverordening geen duidelijke definitie van bouwsom bevat en dat ten tijde van de aanslag geen definitieve bouwsom bekend was.

De rechtbank oordeelt dat de definitie van bouwkosten in de legesverordening voldoende duidelijk is en dat verweerder terecht mocht uitgaan van de door belanghebbende opgegeven geschatte bouwsom. De aanslag is gebaseerd op het maximumtarief van 2,5% van de bouwkosten, wat gerechtvaardigd is gezien de omvang van het project. Daarnaast is vastgesteld dat de opbrengsten van de leges niet hoger zijn dan de geraamde lasten.

Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de legesverordening onverbindend is of dat de aanslag onterecht is. Ook is de rolverdeling tussen gemeente en Cocensus voldoende toegelicht. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

Uitkomst: Het beroep tegen de legesaanslag voor de bouwvergunning wordt ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1533

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. G. van der Linden RT),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Cocensus, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan belanghebbende een aanslag leges opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Voorafgaand aan de zitting heeft verweerder nadere stukken ingediend die in het digitale dossier zijn opengesteld voor de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026 te Haarlem . Namens belanghebbende is de gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] .

Overwegingen

Feiten
1. Belanghebbende heeft op 29 juli 2022 een aanvraag/melding omgevingsvergunning ingediend voor de sloop van een kantoorpand en daarvoor in de plaats de ontwikkeling en realisatie van 696 huurwoningen, 5.800 m² bruto vloeroppervlakte (bvo) voor niet-wonen en 288 parkeerplaatsen. Een en ander te realiseren op het perceel, plaatselijk bekend als [adres] te [gemeente] . Op het aanvraagformulier is een geschatte bouwsom voor het bouwen van woningen vermeld van € 100.000.000.
2. Op 18 maart 2023 heeft belanghebbende een gewijzigde aanvraag ingediend. De gewijzigde aanvraag betreft het realiseren van een appartementengebouw met 823 woningen, 218 parkeerplaatsen waarvan 87 dubbelparkeerplaatsen en 5.000 m² bvo commerciële ruimte met een maximale bouwhoogte van 53 meter en het kappen van 43 bomen ten behoeve van het project.
3. Per brief van 15 februari 2024 hebben Burgemeester en Wethouders van de gemeente [gemeente] (BenW) meegedeeld dat de vergunning werd verleend voor het realiseren van 823 appartementen, 218 parkeerplaatsen en 5.000 m² bvo commerciële ruimte op het perceel [adres] in [gemeente] . In de brief wordt verder meegedeeld dat aan belanghebbende een aanslag leges zal worden opgelegd.
4. Met dagtekening 12 april 2024 heeft verweerder belanghebbende de onderhavige aanslag opgelegd. De aanslag is groot € 1.012.462. In de uitspraak op bezwaar is dit bedrag als volgt gespecificeerd:
2.3.1.1 Activiteit bouwen € 1.003.000
2.3.3.3 Buitenplanse afwijking bouw (wabo-projectbesluit) € 8.889
2.3.8 Activiteit uitweg/inrit € 436
2.3.9 Activiteit kappen
€ 137
€ 1.012.462
Geschil5. In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd, waarbij meer specifiek in geschil is of de leges ter zake van de activiteit bouwen terecht zijn geheven.
6. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de leges ter zake van de activiteit bouwen ten onrechte zijn geheven en heeft daarvoor aangevoerd dat de desbetreffende verordening onverbindend is omdat die geen deugdelijke heffingsmaatstaf voor het heffen van bouwleges bevat. Dienaangaande stelt belanghebbende dat op het moment dat het belastbare feit zich voordeed geen aanneemsom bekend was en voor de fysieke realisatie van het project nog geen verplichtingen waren aangegaan. Verder is van zelfbouw geen sprake en is het ambtshalve vaststellen van de bouwsom, vanwege twijfel aan de opgegeven hoogte daarvan, niet aan de orde geweest en kan die volgens belanghebbende ook niet meer aan de orde komen.
De geraamde baten van de legesheffing mogen niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake. Belanghebbende heeft hierover aangevoerd dat van de begrote kosten van beschikkingen van € 3.304.146 en van omgevingsbeleid van € 1.196.850 geen specificaties zijn gegeven en dat zij twijfelt aan het bedrag van de geraamde baten van € 5.662.000. Door grote projecten, zoals het onderhavige, kunnen de baten hoger uitvallen. Volgens belanghebbende dient verweerder de twijfel weg te nemen en volgens belanghebbende is het enkele kijken naar ontwikkelingen in voorgaande jaren daarvoor onvoldoende.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en, naar de rechtbank begrijpt, tot vernietiging van aanslag.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslag terecht is opgelegd en heeft daarvoor – kort weergegeven – aangevoerd dat de heffingsmaatstaf in de Tarieventabel voldoende duidelijk is en de door belanghebbende opgegeven bouwsom kan worden aangemerkt als een raming van de bouwkosten.
Verder stelt verweerder dat uit onder meer de programmabegroting voldoende duidelijk naar voren komt dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde lasten.
Wat betreft de rolverdeling tussen de Gemeente en Cocensus verwijst verweerder naar het desbetreffende aanwijzingsbesluit en het mandaatbesluit.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
8. Binnen de gemeente [gemeente] worden leges geheven op grond van de Verordening op de heffing en invordering van leges 2022 (hierna: de Verordening) en de daarbij behorende Tarieventabel.
9. Op grond van artikel 2, aanheft en onder a, van de Verordening worden leges geheven ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een dienst of het nemen van een besluit. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Verordening worden de leges geheven naar de naar de maatstaven en tarieven die zijn opgenomen in de bij de verordening behorende tarieventabel (hierna: de Tarieventabel).
10. Op grond van onderdeel 2.3.1.1 van de Tarieventabel bedraagt het tarief van de aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, 2,50% van de bouwkosten met een minimum van € 150 en een maximum van € 1.003.000.
11. Onderdeel 2.1.1.2 van de tarieventabel bevat de volgende begripsomschrijving van bouwkosten:
“De aannemingssom inclusief omzetbelasting, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme administratieve voorwaarden, welke als bijlage aan deze verordening is gehecht, voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de kosten die voortvloeien uit aangegane verplichtingen voor de fysieke realisatie (het bouwen) van de bouwwerken, de omzetbelasting daarin niet begrepen, en indien het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, de omzetbelasting daarin niet begrepen;
Bij twijfel over de juistheid van de hoogte van de opgegeven bouwkosten kan het college van burgemeester en wethouders de hoogte van de bouwkosten ambtshalve vaststellen op advies van een bouwtechnisch ambtenaar en/of op advies van een extern deskundige.”
12. Op grond van onderdeel 2.3.3.3 van de Tarieventabel wordt het tarief voor een bouwactiviteit met een buitenplanse afwijking verhoogd met € 8.889. Op grond van de onderdelen 2.3.8 en 2.3.9 van de Tarieventabel bedraagt het tarief voor het maken van een uitrit of inrit € 436 en voor het vellen van houtopstand € 137.
13. Dat voorafgaand aan het opleggen van aanslag het belastbare feit zich heeft voorgedaan, namelijk het in behandeling nemen van de aanvraag om een omgevingsvergunning, is tussen partijen niet in geschil. Tussen partijen is ook niet in geschil dat bij het vaststellen van de aanslag de tarieven volgens de Tarieventabel zijn toegepast. Het geschil spitst zich toe op de verbindendheid van de Verordening. Volgens belanghebbende is de Verordening onverbindend omdat de Verordening, meer in het bijzonder de Tarieventabel, geen deugdelijke maatstaf voor het heffen van bouwleges bevat. De rechtbank volgt belanghebbenden hierin niet. Naar het oordeel van de rechtbank is de begripsomschrijving van bouwkosten in de Tarieventabel duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. De argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd betreffen ook niet de begripsomschrijving van de Tarieventabel, maar betreffen de kwalificatie van het door belanghebbende zelf bij de aanvraag opgegeven bedrag aan geschatte bouwkosten. De rechtbank verstaat de beroepsgrond van belanghebbende daarom zo, dat bij het indienen van de aanvraag nog geen aanneemsom bekend was en ook nog geen verplichtingen voor de fysieke realisatie van het project waren aangegaan, en daarom geen sprake is van bouwkosten in de zin van de Tarieventabel. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de beroepsgronden van belanghebbenden niet strekken tot onverbindendheid van de Verordening, maar ertoe strekken dat onderdeel 2.1.1.2 van de Tarieventabel wel verbindend is, maar in het onderhavige geval niet van toepassing is. De rechtbank volgt belanghebbende ook hierin niet en overweegt daartoe het hierna volgende.
14. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning met een bouwactiviteit dient de aanvrager de (geschatte) bouwkosten op te geven. De bouwkosten worden in aanmerking genomen indien en voorzover die voldoen aan de begripsomschrijving in de Tarieventabel. De bewijslast voor de hoogte van de bij de aanvraag op te geven bouwkosten ligt in eerste instantie bij de aanvrager. Als het bestuursorgaan gerede twijfels heeft bij de juistheid van het door de aanvrager opgegeven bedrag, ligt het op de weg van het bestuursorgaan om nader onderzoek te doen naar de hoogte van de bouwkosten, ongeacht of dat onderzoek zou leiden tot een hoger of een lager bedrag aan bouwkosten. Noemt de aanvrager bij de aanvraag een (geschat) bedrag aan bouwkosten, dan kan het bestuursorgaan er in redelijkheid van uitgaan dat dit de (geschatte) aanneemsom is of het (geschatte) bedrag waarvoor de aanvrager verplichtingen jegens derden is aangegaan. Dit is slechts anders als zich omstandigheden voordoen waaronder aan de juistheid van het bedrag in redelijkheid moet worden getwijfeld.
15. Vaststaat dat belanghebbende in de aanvraag een bedrag aan bouwkosten heeft opgegeven van € 100.000.000. Met inachtneming van het bovenstaande kon verweerder ervan uitgaan dat dit de (geschatte) aanneemsom is of het (geschatte) totaalbedrag van de inmiddels aangegane verplichtingen. Dat, naar belanghebbende ter zitting heeft aangevoerd, het opgegeven bedrag van € 100.000.000 niet meer was dan “een schot voor de boeg” en de bouw vanwege een nog lopende procedure nog niet is gestart, maakt dit niet anders. Omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn tot het instellen van een nader onderzoek naar de juistheid van het bedrag zijn niet gesteld of gebleken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat volgens de Tarieventabel de bouwleges 2,50% van de bouwkosten zijn en in dit geval het daarvoor geldende maximumbedrag van € 1.003.000 is geheven. Pas als de bouwkosten lager zouden zijn dan € 40.120.000, zou dit een lager bedrag aan leges tot gevolg hebben. Bij de opgegeven bouwkosten van € 100.000.000 gaat het om de bouw van 823 appartementen, 218 parkeerplaatsen en 5.000 m² bvo commerciële ruimte. De parkeerplaatsen en de commerciële ruimte niet meegerekend komen de bouwkosten van één appartement uit op ongeveer € 121.000. Gelet op de huidige woningmarkt acht de rechtbank aannemelijk dat de werkelijke bouwkosten nog aanmerkelijk hoger zullen zijn dan € 100.000.000.
16. Volgens belanghebbende heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de baten van de legesheffing niet uitgaan boven de lasten ter zake. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, dat wanneer een belanghebbende de limietoverschrijding aan de orde stelt, de heffingsambtenaar inzicht dient te verschaffen in de desbetreffende ramingen. Indien de belanghebbende ten aanzien van één of meer posten in de raming in twijfel trekt of de post kan worden aangemerkt als een "last ter zake", dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(en) te verstrekken, teneinde - naar vermogen - deze twijfel weg te nemen.
17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de door hem ingediende programmabegroting voldoende inzicht gegeven in de ramingen en daarmee ook alleszins aannemelijk gemaakt dat de leges niet toereikend zijn om de kosten van de desbetreffende gemeentelijke diensten te dekken. Belanghebbende heeft niet specifiek één of meer kostenposten genoemd die mogelijk niet kunnen worden aangemerkt als “last ter zake”. Haar klacht dat de geraamde baten onvoldoende zijn onderbouwd faalt. Een prognose van het aantal bouwaanvragen en de daarbij behorende bouwsommen is nu eenmaal met veel onzekerheden omgeven, en een (ruwe) schatting op basis van historische gegevens van de baten is dan ook voldoende. Deze beroepsgrond faalt daarom ook.
18. Belanghebbende heeft aangevoerd dat verweerder niet is ingegaan op de rolverdeling tussen de functionarissen van de Gemeente en Cocensus. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het aanwijzingsbesluit en het mandaatbesluit daarin voldoende inzicht gegeven en ook voldoende aannemelijk gemaakt dat de bevoegdheden tot heffing en invordering van de gemeentelijk belastingen zijn gemandateerd aan de heffingsambtenaar en de invorderingsambtenaar en ondermandaat is verleend aan de directeur van Cocensus. Van strijdigheid met enige wettelijke regel is niet gebleken.
19. Op grond van het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
20. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van
H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de datum van verzending;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
e redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).