Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3645

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 1531
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 229b Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen legesaanslag huisnummerbesluit bij woningbouwproject ongegrond verklaard

Belanghebbende ontving een vergunning voor de sloop van een kantoorpand en de bouw van 823 woningen. Vervolgens nam het college van B en W een huisnummerbesluit met 840 nieuwe adressen en legde een legesaanslag van €77.448 op. Belanghebbende stelde dat zij geen huisnummerbesluit had aangevraagd en dat de legesverordening onverbindend was.

De rechtbank oordeelde dat de aanvraag van een huisnummerbesluit vormvrij is en uit mailverkeer bleek dat belanghebbende op het besluit had aangedrongen, wat als aanvraag kon worden gezien. De vermeende juridische onjuistheid in de legesverordening was niet relevant voor deze zaak omdat de situatie waarop die betrekking had zich niet voordeed.

Verder was verweerder erin geslaagd met een programmabegroting aannemelijk te maken dat de geraamde legesbaten niet hoger waren dan de lasten. Belanghebbende had geen concrete kostenposten aangewezen die onterecht waren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

De uitspraak werd gedaan door rechter G.H. de Soeten op 26 maart 2026 te Haarlem. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Het beroep tegen de legesaanslag voor het huisnummerbesluit wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1531

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. G. van der Linden RT),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Cocensus, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan belanghebbende een aanslag leges opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Voorafgaand aan de zitting heeft verweerder nadere stukken ingediend die in het digitale dossier zijn opengesteld voor de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026 te Haarlem . Namens belanghebbende is de gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] .

Overwegingen

Feiten
1. Belanghebbende heeft op 29 juli 2022 een aanvraag/melding omgevingsvergunning ingediend voor de sloop van een kantoorpand en daarvoor in de plaats de ontwikkeling en realisatie van 696 huurwoningen, 5.800 m² bruto vloeroppervlakte (bvo) voor niet-wonen en 288 parkeerplaatsen. Een en ander te realiseren op het perceel, plaatselijk bekend als [adres 1] te [plaats] .
2. Op 18 maart 2023 heeft belanghebbende een gewijzigde aanvraag ingediend. De gewijzigde aanvraag betreft het realiseren van een appartementengebouw met 823 woningen, 218 parkeerplaatsen waarvan 87 dubbelparkeerplaatsen en 5.000 m² bvo commerciële ruimte met een maximale bouwhoogte van 53 meter en het kappen van 43 bomen ten behoeve van het project.
3. Per brief van 15 februari 2024 hebben Burgemeester en Wethouders van de gemeente Haarlem (BenW) meegedeeld dat de vergunning werd verleend voor het realiseren van 823 appartementen, 218 parkeerplaatsen en 5.000 m² bvo commerciële ruimte op het perceel [adres 1] in [plaats] . In de brief wordt verder meegedeeld dat aan belanghebbende een aanslag leges zal worden opgelegd.
4. Op 22 februari 2024 hebben BenW een huisnummerbesluit genomen. Het besluit hield in het laten vervallen van [adres 1] , namelijk de kantoorfunctie op begane grond tot en met de 6e etage ter grootte van 14.690 m² en de vaststelling van 840 nieuwe adressen, namelijk de 823 te realiseren appartementen en een ruimte voor bijeenkomsten.
5. Met dagtekening 15 maart 2024 heeft verweerder belanghebbende de onderhavige aanslag opgelegd. De aanslag bedraagt € 77.448, als volgt gespecificeerd:
Huisnummerbesluit: [#]
Betreffende leges huisnummering t.b.v.:
[adres 2] (134 x € 92,20) € 12.354,80
[adres 3] (541 x € 92,20) € 49.880,20
[adres 4] (165 x € 92,20)
€ 15,213,00
€ 77,448,00
Geschil6. In geschil is of de aanslag terecht is opgelegd.
7. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslag ten onrechte is opgelegd en heeft daarvoor – kort weergegeven – aangevoerd dat zij geen huisnummerbesluit heeft aangevraagd en dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat het tarief van de desbetreffende leges zo is vastgesteld dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake, als bedoeld in artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet. Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat in artikel 3, zesde lid, van de Verordening naamgeving en nummering (adressen) Haarlem 2019 (hierna: de Naam- en nummerverordening) staat dat er leges geheven mogen worden door BenW. Volgens belanghebbende is deze verordening daarom onverbindend omdat niet BenW bevoegd zijn tot het heffen van leges maar de heffingsambtenaar.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag.
8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslag terecht is opgelegd en heeft daarvoor gewezen op mailverkeer tussen partijen waaruit volgens verweerder duidelijk blijkt dat belanghebbende heeft gevraagd om een huisnummerbesluit. Verder stelt verweerder dat uit onder meer de programmabegroting voldoende duidelijk naar voren komt dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde lasten.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
9. Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij geen huisnummerbesluit heeft aangevraagd. De rechtbank overweegt dat het aanvragen van een nummeraanduiding vormvrij is. Voor een rechtsgeldige aanvraag is niet vereist dat de aanvrager daartoe een speciaal daarop gerichte brief verstuurt of gebruikt maakt van een speciaal daartoe bestemd formulier. Als de aanvrager het bestuursorgaan een bericht stuurt waaruit in redelijkheid kan worden opgemaakt dat de aanvrager een nummeraanduiding wenst, dan kan het bestuursorgaan dat bericht opvatten als een verzoek tot het nemen van een daartoe strekkend besluit.
10. Op 18 februari 2026 heeft verweerder nadere stukken ingediend. Deze stukken geven een overzicht van mailverkeer tussen partijen aangaande het nemen van een huisnummerbesluit. Hieruit komt naar voren dat door belanghebbende bij verweerder werd aangedrongen op het zo spoedig mogelijk nemen van een huisnummerbesluit. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder deze berichten van belanghebbende in redelijkheid aanmerken als een aanvraag tot het nemen van een huisnummerbesluit. Deze beroepsgrond van belanghebbende faalt daarom.
11. Na het in 10 gegeven oordeel merkt de rechtbank nog op dat verweerder heeft gewezen op artikel 3, zesde lid, van de Naam- en nummerverordening. Belanghebbende heeft daartegen aangevoerd dat die bepaling onverbindend is omdat niet BenW maar de heffingsambtenaar bevoegd is tot het heffen van leges. Dit standpunt van belanghebbende is op zichzelf juist. Waar in het laatste zinsdeel van dit artikellid staat “waarbij burgemeester en wethouders leges heffen”, had daar moeten staan “ter zake waarvan leges worden geheven”. Dit kan evenwel niet leiden tot vernietiging van de onderhavige aanslag omdat deze bepaling ziet op de situatie dat geen nummeraanduiding is aangevraagd, maar voor het verlenen van een omgevingsvergunning wel een nummeraanduiding is vereist. Deze situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor. Zoals overwogen in 10 is immers wel sprake van het aanvragen van een nummeraanduiding en wordt dus aan een oordeel over het wel of niet kunnen toepassen van genoemd artikelonderdeel niet toegekomen. Of en in hoeverre die bepaling onverbindend is of mogelijk leidt tot onverbindendheid van andere bepalingen binnen de gemeentelijke regelgeving, behoeft daarmee ook geen verdere beoordeling.
12. Volgens belanghebbende heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de baten van de legesheffing niet uitgaan boven de lasten ter zake. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, dat wanneer een belanghebbende de limietoverschrijding aan de orde stelt, de heffingsambtenaar inzicht dient te verschaffen in de desbetreffende ramingen. Indien de belanghebbende ten aanzien van één of meer posten in de raming in twijfel trekt of de post kan worden aangemerkt als een "last ter zake", dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(en) te verstrekken, teneinde - naar vermogen - deze twijfel weg te nemen.
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de door hem ingediende programmabegroting voldoende inzicht gegeven in de ramingen en daarmee ook alleszins aannemelijk gemaakt dat de leges niet toereikend zijn om de kosten van de desbetreffende gemeentelijke diensten te dekken. Belanghebbende heeft niet één of meer kostenposten genoemd die mogelijk niet kunnen worden aangemerkt als “last ter zake”. Haar klacht dat de geraamde baten onvoldoende zijn onderbouwd faalt. Een prognose van het aantal bouwaanvragen en de daarbij behorende bouwsommen is nu eenmaal met veel onzekerheden omgeven, en een (ruwe) schatting op basis van historische gegevens van de baten is dan ook voldoende. Deze beroepsgrond faalt daarom ook.
14. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
15. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van
H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam .
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de datum van verzending;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
e redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).