ECLI:NL:RBNHO:2026:3555
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen schorsing rijbewijs na alcoholconstatering
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het CBR van 11 februari 2026 waarbij hem een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid is opgelegd en zijn rijbewijs is geschorst vanwege een alcoholgehalte van 595 µg/l vastgesteld op 25 januari 2026.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker als bestuurder van het voertuig moet worden aangemerkt, gelet op de omstandigheden waaronder hij werd aangetroffen door de politie, waaronder het feit dat hij op de bestuurdersstoel zat en geen jas droeg bij een temperatuur van -7 graden Celsius. Verzoeker betwist dit en stelt dat een ander de bestuurder was, maar zijn verhaal wordt niet ondersteund door verifieerbare gegevens.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de toepasselijke wettelijke bepalingen geen ruimte laten voor belangenafwegingen op grond van persoonlijke omstandigheden, zoals het verlies van inkomen door schorsing van het rijbewijs. Verzoeker heeft ook geen bewijs geleverd van schulden door de maatregel.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het CBR-besluit tot schorsing van het rijbewijs wordt afgewezen.