Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3539

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/15/374394
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot medewerking verkoop gezamenlijke woning na relatiebeëindiging

Partijen zijn na hun echtscheiding gezamenlijk eigenaar van een woning die verkocht moet worden. Tijdens een eerder kort geding zijn afspraken gemaakt over de verkoop, maar deze hebben niet geleid tot verkoop. De man vordert dat de vrouw meewerkt aan de verkoop en dat zij hem de netto kosten van zijn overbruggingshypotheek vergoedt. De vrouw betwist het spoedeisend belang en voert aan dat zij voldoende heeft meegewerkt en vragen heeft gesteld die het proces niet onredelijk verstoren.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang aanwezig is vanwege de aflossingstermijn van de overbruggingshypotheek. De vrouw moet meewerken aan de verkoop, waaronder het opvolgen van makelaarsadviezen en het toestaan van een Te koop-bord, ondanks haar privacybezwaar. De vrouw krijgt de mogelijkheid de woning zelf over te nemen bij een bod van € 800.000 of lager, mits zij tijdig een financieringsverklaring overlegt.

De vordering tot vergoeding van de netto kosten van de overbruggingshypotheek wordt afgewezen omdat de man geen nieuwe afspraak heeft gesteld die dit rechtvaardigt. De vordering van de vrouw tot medewerking van de man aan verkoop onder haar voorwaarden wordt afgewezen. De voorzieningenrechter compenseert de proceskosten tussen partijen.

Uitkomst: De voorzieningenrechter veroordeelt de vrouw tot medewerking aan de verkoop van de woning en wijst de vordering tot vergoeding van hypotheeklasten af.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/374394 / KG ZA 26-57
Vonnis in kort geding van 7 april 2026
in de zaak van
[de man],
te [plaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. S.L. Fronik,
tegen
[de vrouw],
te [plaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.E. Muller.
De zaak in het kort
Na het verbreken van de relatie moet de gezamenlijke woning van partijen worden verkocht. Tijdens een vorig kort geding zijn hier afspraken over gemaakt. Deze hebben echter niet tot de verkoop van de woning geleid. Beide partijen vorderen nu dat de ander mee moet werken aan de verkoop van de woning. Ook vordert de man in conventie dat de vrouw maandelijks hem de netto kosten van zijn overbruggingshypotheek vergoedt.
Partijen zijn het erover eens dat de woning verkocht moet worden. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de man voor wat betreft de verkoop van de woning daarom in gewijzigde vorm toe. Hij wijst de vordering tot vergoeding van de netto kosten van de overbruggingshypotheek af, want de man heeft niet gesteld op grond van welke afspraak de vrouw deze kosten weer zou moeten dragen. De vordering van de vrouw wijst de voorzieningenrechter af.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 31
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie
- de brief van de man ter overlegging van producties 32 tot en met 36
- de mondelinge behandeling van 23 maart 2026, waarbij de advocaat van de man spreekaantekeningen heeft overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] (hierna: de woning).
2.2.
Op 22 juli 2020 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is vervolgens op 13 november 2020 in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats] ingeschreven.
2.3.
Partijen hebben de woning in eerste instantie onverdeeld gelaten. Tijdens de mondelinge behandeling in een kort gedingprocedure hebben partijen afspraken gemaakt, die zijn opgenomen in het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 14 april 2025. [1] Partijen zijn, voor zover hier relevant, het volgende overeengekomen:

Als de vrouw de woning niet kan overnemen:
  • Als de vrouw de woning niet kan overnemen dan wordt de woning te koop gezet via [bedrijf 1] te [plaats], uiterlijk binnen één week na 1 september 2025. De vrouw geeft hieraan haar medewerking, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag;
  • Partijen volgen de adviezen van de makelaar op voor wat betreft de verkoopprijs en de verkoopstrategie. Partijen geven hun volledige medewerking aan de makelaar, de verkoop en de levering;
  • De vrouw zal tot levering van de woning de volledige hypotheeklasten van de woning blijven voldoen, een en ander zoals partijen gewend waren;
  • De man voldoet vanaf 1 september 2025 de volledige netto kosten van de overbruggingshypotheek.”
2.4.
De vrouw heeft op 1 september 2025 aan de man bericht dat zij een nieuwe financieel adviseur heeft en de man op de hoogte zou houden. Na een reactie van de man heeft zij gemeld dat zij de financiering voor de overname van de woning niet rond had.
2.5.
Op 2 september 2025 heeft de man de verkoopofferte van [bedrijf 1] naar de vrouw gemaild.
2.6.
Op 7 september 2025 heeft de vrouw op de e-mail van de man gereageerd dat zij een volledige uitleg over de verkoopprijs en -strategie wil. Ook wil zij in elke stap van het verkoopproces betrokken worden.
2.7.
Per e-mail van 8 september 2025 heeft (de advocaat van) de man de vrouw om medewerking aan de verkoop verzocht.
2.8.
De vrouw heeft via haar advocaat op de e-mail van 8 september 2025 gereageerd. Naar aanleiding hiervan heeft de man op 12 september 2025 het vonnis in kort geding van 14 april 2025 aan de vrouw laten betekenen en de dwangsommen aangezegd.
2.9.
Op 16 september 2025 heeft de vrouw vragen aan de makelaar van [bedrijf 1] gesteld. Zij heeft daarover met de makelaar een afspraak gemaakt op 25 september 2025.
2.10.
De man heeft op 17 september 2025 de vrouw gewezen op de dwangsom van € 500,00. De vrouw heeft hierop gereageerd dat zij voldoende aan de verkoop van de woning meewerkte.
2.11.
Op 30 september 2025 heeft de vrouw de verkoopopdracht van [bedrijf 1] ondertekend.
2.12.
De woning is op 23 oktober 2025 voor de verkoop aangemeld. Er is niet veel interesse in de woning geweest.
2.13.
De bank heeft de overbruggingshypotheek van de man verlengd tot 31 december 2026.
2.14.
Wegens de tegenvallende interesse in de woning heeft de makelaar partijen op 7 januari 2026 onder andere geadviseerd de vraagprijs van de woning te verlagen van € 950.000,00 naar € 900.000,00 en een Te koop-bord te plaatsen. Partijen hebben vervolgens om een toelichting hierop gevraagd. De vrouw heeft de volgende dag onder andere het volgende, voor zover relevant, aan de makelaar geschreven:

Het plaatsen van een te koop-bord aan het raam heeft voor mij helaas niet de voorkeur. Omdat ik samen met de kinderen in de woning woon, geeft dit mij een onveilig en onprettig gevoel. Om die reden kan ik hier niet mee instemmen en ik hoop op jullie begrip hiervoor.
Daarnaast wil ik graag nog even stilstaan bij de vraagprijs. Zoals eerder besproken is € 950.000,- bewust gekozen als startprijs, met de intentie om de woning uiteindelijk voor een hoger bedrag te verkopen. Aangezien de woning vlak voor de feestdagen te koop is gezet, vind ik het niet verrassend dat er in die periode weinig reacties zijn geweest. Daarom wil ik de vraagprijs van € 950.000,- graag handhaven en eerst afwachten wat dit in de komende periode oplevert.
2.15.
De makelaar van [bedrijf 1] heeft op 8 januari 2026 via een e-mail zijn toelichting op zijn advies gegeven. Over het plaatsen van een Te koop-bord heeft hij, voor zover relevant, het volgende geschreven:

Wat betreft het plaatsen van een te-koopbord: deze locatie is zeer zichtbaar voor voorbijgangers. Ik begrijp dat er mogelijk een gevoel van onveiligheid speelt, maar uit mijn eigen ervaring en die van collega's zijn er geen bekende incidenten of problemen met te koopborden. Daar hoeven jullie je wat mij betreft geen zorgen over te maken.
2.16.
Op 10 januari 2025 heeft de vrouw op de toelichting van de makelaar gereageerd dat zij het niet eens is met zijn advies om de vraagprijs van de woning naar € 900.000,00 te verlagen en dat zij niet met het Te koop-bord kan instemmen.
2.17.
De makelaar heeft per e-mail van 14 januari 2026 aan partijen aangegeven dat hij de situatie met partijen onwerkbaar vindt.
2.18.
Wegens verdere onenigheid tussen partijen over het verkoopproces heeft de makelaar van [bedrijf 1] op 22 januari 2026 de verkoopopdracht aan partijen terug gegeven.
2.19.
Partijen hebben contact opgenomen met [bedrijf 2]. De makelaar van [bedrijf 2] heeft op 5 maart 2026 partijen bericht dat de vrouw bereid is om de verkoop van de woning te hervatten en haar medewerking hieraan onder de volgende voorwaarden te verlenen:

1) Er wordt geen Te Koop-bord geplaatst, ivm privacy van [de vrouw] en de kinderen;
2) Indien er een koopovereenkomst tot stand komt dan garandeert [de vrouw] dat ze de woning, leeg en ontruimd, zal verlaten, uiterlijk zes maanden na het tekenen van de koopovereenkomst;
3) [de vrouw] zal volledige medewerking geven aan de bezichtigingen maar heeft het recht om bezichtigingen op woensdagen, na kantooruren en in het weekend te weigeren;
4) Er in eerste instantie een vraagprijs gehanteerd wordt van € 875.000,-, (hoewel mijn advies € 850.000,- zou zijn);
5) De verkoop pas concreet kan aanvangen vanaf 23 maart 2026 ivm zakelijk verblijf in het buitenland.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
De man vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. de vrouw veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het in de verkoop geven van de woning aan [bedrijf 1] te [plaats], dan wel aan een andere door de man aan te wijzen makelaar, tegen een door de makelaar vast te stellen vraagprijs, bij gebreke waarvan het in deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming, en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw ter zake het in de verkoop geven bij een door eiser aan te wijzen makelaar;
II. de vrouw beveelt om medewerking te verlenen aan de makelaar en de woning beschikbaar te stellen voor de makelaar, fotograaf, bezichtigingen en alles wat de makelaar nodig acht, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of deel daarvan dat de vrouw haar medewerking weigert;
III. de vrouw beveelt tot het terstond opvolgen van de adviezen van de makelaar, waaronder adviezen van de makelaar ten aanzien van de verkoopprijs, bij gebreke waarvan het in deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming, en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw ter uitvoering van het advies van de makelaar;
IV. de vrouw veroordeelt om terstond medewerking te verlenen aan de acceptatie van een bod – direct nadat naar het oordeel van de makelaar een aanvaardbaar bod is gedaan – bij gebreke waarvan het in deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming, en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw ter zake het bod;
V. de vrouw veroordeelt om terstond medewerking te verlenen aan de verkoop – direct nadat een naar het oordeel van de makelaar aanvaardbaar bod is gedaan – en levering van het woonhuis staande en gelegen aan de [adres] ([postcode]) [plaats], bij gebreke waarvan het in deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming, en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw ter zake de verkoop en levering;
VI. de vrouw veroordeelt om de woning uiterlijk twee weken voor levering leeg en bezemschoon achter te laten en de sleutels bij de transporterend notaris te deponeren op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of deel daarvan dat de vrouw haar medewerking weigert;
VII. de vrouw veroordeelt om met ingang van de datum van dit vonnis en tot aan levering van de woning aan een derde de netto kosten van de overbruggingshypotheek van € 405,49 per maand aan de man te vergoeden;
Subsidiair:
VIII. aan de onderdelen I, III, IV en V (subsidiair) een dwangsom te verbinden van € 500,00 per dag of deel daarvan dat de vrouw haar medewerking onthoudt, voor zover uw rechtbank de (primair) gevraagde vervangende toestemming op deze punten weigert;
Primair en subsidiair:
IX. de vrouw veroordeelt in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
De man legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. De man is na ruim twee jaar nog steeds gebonden aan de woning en de bijbehorende hoofdelijke hypotheekschuld en de overbruggingshypotheek. Van hem kan niet verwacht worden nog langer samen met de vrouw in een eenvoudige gemeenschap te zitten.
Partijen hebben afspraken gemaakt voor het geval de vrouw de woning niet kon overnemen. Zij zou meewerken aan de verkoop van de woning. De vrouw werkt echter niet mee en moet daarom daartoe worden veroordeeld, aldus de man. Zij heeft verzuimd de adviezen van de makelaar van [bedrijf 1] te volgen. De man heeft er geen vertrouwen in dat in onderling overleg met de vrouw alsnog tot een verkoop van de woning kan worden gekomen. Voor wat betreft de betaling van de lasten voor de overbruggingshypotheek beroept de man zich op een afspraak tussen partijen.
3.3.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
De vrouw voert daarvoor het volgende aan. Zij betwist het spoedeisend belang van de man. Partijen hebben namelijk meermaals de verdeling van de woning uitgesteld, mede in het belang van de kinderen die de vrouw inmiddels fulltime verzorgt. Daarnaast heeft de vrouw de man in de tussentijd financieel gecompenseerd. Bovendien heeft zij meegewerkt aan het overbruggingskrediet als gevolg waarvan de man in privé een woonark heeft kunnen aanschaffen.
De vrouw heeft verder naar haar mening tot en met januari 2026 haar volledige medewerking aan de verkoop van de woning verleend. Tegelijkertijd voelt zij zich gerechtigd om vragen te stellen en om duidelijkheid en uitleg te vragen over zaken die haar
raken en aantoonbaar niet goed of onduidelijk verlopen, zoals de verlaging van de verkoopprijs en het plaatsen van een Te koop-bord.
3.4.
Op de stellingen van partijen zal de voorzieningenrechter hierna, voor zover van belang, nader ingaan.
In reconventie
3.5.
De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man veroordeelt medewerking te verlenen aan het in de verkoop geven van de woning staande en gelegen aan de Zijlstraat no. 100A te ([postcode]) [plaats] aan [bedrijf 2] (kantoorhoudende aan de Oude Zijlvest nummer 37 te [plaats]), dan wel aan een andere makelaar indien partijen dat in onderling overleg overeenkomen, tegen een vraagprijs van € 875.000,00, alsmede te bepalen dat mocht uiterlijk 1 juni 2026 voornoemde woning nog niet verkocht zijn, de vraagprijs per 1 juni 2026 wordt verlaagd naar € 850.000,00 en waarbij bij het voorgaande de navolgende voorwaarden gelden:
a. de makelaars houdt partijen gelijktijdig en transparant schriftelijk op de hoogte houdt van alle communicatie over de woning, en
b. er wordt geen Te koop-bord geplaatst in verband met de privacy van de vrouw en de kinderen van partijen, en
c. de vrouw geeft volledige medewerking aan bezichtigingen, zulks met het recht deze op woensdagen, na kantooruren en in weekend te weigeren, en
d. indien er een koopovereenkomst tot stand komt, dan garandeert de vrouw dat de woning leeg en ontruimd wordt verlaten. Wel zullen partijen in nader overleg treden over de opleverdatum waarbij een redelijke termijn van uiterlijk 8 maanden gehanteerd wordt, en
e. de vrouw (het aandeel van de man in) de woning overneemt, als de waarde van de woning is bepaald op € 800.000,00 (aangezien de verlaagde startprijs) en de kosten koper voor de vrouw zijn;
II. de man veroordeelt in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.6.
De vrouw legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Partijen zijn voornemens om gezamenlijk een schriftelijke verkoopopdracht te verstrekken aan [bedrijf 2] te [plaats]. Als uitgangspunt geldt daarbij een te starten verkoopprijs van € 875.000,00. Mocht dit uiterlijk 1 juni 2026 nog niet tot de verkoop van de woning hebben geleid, stelt de vrouw voor de vraagprijs per 1 juni 2026 te verlagen naar € 850.000,00. De verkoop komt verder tot stand onder de door haar gevorderde voorwaarden.
3.7.
De man betwist de vordering. Op de stellingen van partijen zal de voorzieningenrechter hierna, voor zover van belang, nader ingaan.

4.De beoordeling

4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zal de voorzieningenrechter deze gezamenlijk behandelen.
4.2.
De voorzieningenrechter zal de vorderingen in conventie van de man grotendeels toewijzen zoals vermeld in de beslissing en de vordering in reconventie van de vrouw afwijzen. Hij zal hierna toelichten hoe hij tot zijn oordeel is gekomen.
Een spoedeisend belang is aanwezig
4.3.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat de partijen daarbij een spoedeisend belang hebben. Het spoedeisend belang in deze zaak vloeit alleen al voort uit het feit dat de overbruggingshypotheek van de man uiterlijk op 31 december 2026 moet worden afgelost.
De vrouw moet meewerken aan de verkoop van de woning
4.4.
Partijen zijn het erover eens dat de woning moet worden verkocht. Zij hebben daartoe tijdens de mondelinge behandeling in kort geding van 10 februari 2025 afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in het vonnis van 14 april 2025. Partijen hebben afgesproken dat zij de adviezen van de makelaar voor wat betreft de verkoopprijs en de verkoopstrategie zouden opvolgen én hun volledige medewerking zouden verlenen aan de makelaar, de verkoop en de levering van de woning. Deze afspraken hebben echter niet tot verkoop van de woning geleid. De vrouw heeft in weerwil van de afspraken de verkoopopdracht aan [bedrijf 1] pas op 30 september 2025 ondertekend. Daarnaast heeft zij voor en na ondertekening van de verkoopopdracht vragen aan de makelaar gesteld die het verkoopproces hebben vertraagd. Ook weigerde de vrouw een Te koop-bord bij de woning te plaatsen ondanks dat de makelaar had aangegeven dat dit nodig was.
Het staat de vrouw uiteraard vrij om vragen aan de makelaar te stellen en verzoeken te doen, maar dit mag het verkoopproces niet onredelijk verstoren. De vrouw zal dan ook moeten gedogen dat een Te koop-bord wordt geplaatst als de makelaar dit voor de verkoop wenselijk vindt. Het door de vrouw gestelde privacybelang moet hiervoor wijken. Ook zal de vrouw voor wat betreft de te hanteren verkoop- en laatprijs het advies van de makelaar moeten volgen. Dat advies is voor partijen bindend. De makelaar hoeft voor wat betreft de vraag- en laatprijs alleen rekening te houden met gelijkluidende aanwijzingen van partijen.
De beslissing in conventie zal in gewijzigde vorm worden toegewezen
4.5.
Gelet op het feit dat partijen allebei [bedrijf 2] hebben benaderd voor een verkoopopdracht, zal de voorzieningenrechter bepalen dat de vrouw binnen twee dagen na betekening van dit vonnis haar medewerking moet verlenen aan het in de verkoop geven van de woning aan [bedrijf 2]. Daarbij speelt mee dat [bedrijf 1] de opdracht heeft teruggegeven.
4.6.
De voorzieningenrechter zal de onder II. gevorderde dwangsom matigen en maximeren zoals vermeld in de beslissing.
4.7.
De vrouw heeft aangegeven dat zij de woning zelf wil overnemen voor een waarde van € 800.000,00. De vordering onder IV. zal de voorzieningenrechter daarom toewijzen met toevoeging van de voorwaarde dat indien de makelaar partijen adviseert een bod van € 800.000,00 of lager te accepteren dan wel de vraagprijs te verlagen tot maximaal € 800.000,00, de vrouw de gelegenheid krijgt om binnen drie dagen kenbaar te maken of zij de woning voor dat bod of tegen die vraagprijs wil overnemen. Om onnodige vertraging in het verkoopproces te voorkomen geldt dit alleen als de vrouw vóór 1 mei 2026 aan de makelaar een schriftelijke verklaring van een erkende Nederlandse geldverstrekker of hypotheekadviseur heeft overgelegd waaruit volgt dat zij de woning voor € 800.000,00 kan overnemen. De kosten van toedeling aan de vrouw komen in dat geval voor haar rekening.
4.8.
De voorzieningenrechter zal de vordering onder VI. toewijzen met inachtneming van een termijn van één week voor de levering van de woning en de gevorderde dwangsom tot een maximum beperken zoals vermeld in de beslissing.
4.9.
De voorzieningenrechter zal om executieproblemen te voorkomen in plaats van de door de man gevorderde vervangende toestemming hem machtigen om mede namens de vrouw op te treden als zij binnen de aan haar in de beslissing gestelde termijnen niet haar medewerking heeft gegeven.
4.10.
Omdat de voorzieningenrechter de vorderingen in conventie van de man op de hiervoor genoemde wijze zal toewijzen, zal hij de vordering van de vrouw in reconventie afwijzen.
De vordering in conventie omtrent de netto kosten van de overbruggingshypotheek is niet toewijsbaar
4.11.
De man vordert in conventie onder VII. dat de vrouw de netto kosten van de overbruggingshypotheek van € 405,49 per maand tot aan de levering van de woning aan de man moet vergoeden. De voorzieningenrechter zal deze vordering afwijzen, want zij is ongegrond. Partijen hebben namelijk tijdens het vorige kort geding afgesproken dat de man vanaf 1 september 2025 de volledige netto kosten van de hypotheek zal voldoen. De man vordert dat in weerwil van deze afspraak de vrouw deze kosten weer moet betalen. Hij heeft echter niet aannemelijk gemaakt op grond van welke andere afspraak de vrouw dit zou moeten doen. Verder heeft de man geen andere feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat deze voorlopige voorziening moet worden gegeven. De stelling van de man dat de vrouw er sinds 1 september 2025 financieel op vooruit is gegaan, is daarvoor onvoldoende.
De voorzieningenrechter zal de beslissing in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren
4.12.
Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard omdat de man er belang bij heeft dat het verkoopproces nu voortvarend door de makelaar kan worden opgepakt.
De voorzieningenrechter zal de proceskosten tussen partijen compenseren
4.13.
Gelet op de relatie tussen partijen zal de voorzieningenrechter de proceskosten in conventie en reconventie tussen hen zo compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt. De omstandigheden die partijen hebben aangevoerd, geven geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt de vrouw om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het in de verkoop geven van het woonhuis staande en gelegen aan de [adres] ([postcode]) [plaats] aan [bedrijf 2] te [plaats], tegen een door de makelaar vast te stellen vraagprijs,
5.2.
beveelt de vrouw om medewerking te verlenen aan de makelaar en de woning beschikbaar te stellen voor de makelaar, fotograaf, bezichtigingen en alles wat de makelaar nodig acht, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of deel daarvan dat de vrouw haar medewerking weigert, met een maximum van € 10.000,00,
5.3.
beveelt de vrouw tot het terstond opvolgen van de adviezen van de makelaar, waaronder adviezen van de makelaar ten aanzien van de verkoopprijs, plaatsen van Te koop-borden, bezichtigingen en termijn van levering,
5.4.
veroordeelt de vrouw om terstond medewerking te verlenen aan de acceptatie van een bod – direct nadat naar het oordeel van de makelaar een aanvaardbaar bod is gedaan – met dien verstande dat indien de makelaar adviseert een bod van € 800.000,00 of lager te accepteren dan wel de vraagprijs te verlagen tot maximaal € 800.000,00, de vrouw de gelegenheid krijgt om binnen drie dagen nadat de makelaar dit schriftelijk aan haar heeft bericht schriftelijk aan de makelaar kenbaar te maken of zij de woning tegen die prijs wil overnemen, in welk geval de notariële toedeling van de woning aan haar binnen drie maanden moet plaatsvinden,
5.5.
bepaalt dat de vrouw aan het bepaalde onder 5.4 genoemd alleen rechten kan ontlenen voor overname van de woning als zij vóór 1 mei 2026 aan de makelaar een schriftelijke verklaring van een erkende Nederlandse geldverstrekker of hypotheekadviseur overlegt waaruit volgt dat zij de woning voor een bedrag van € 800.000,00 kan overnemen,
5.6.
veroordeelt de vrouw om – direct nadat een naar het oordeel van de makelaar aanvaardbaar bod is gedaan en de vrouw binnen de aan haar onder 5.4 gestelde termijn niet kenbaar heeft gemaakt dat zij de woning wil overnemen – op eerste verzoek van de makelaar of notaris binnen een door hen gestelde termijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning,
5.7.
veroordeelt de vrouw om de woning uiterlijk één week voor de levering leeg en bezemschoon achter te laten en de sleutels aan de makelaar af te geven op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of deel daarvan dat de vrouw daarmee in gebreke is, met een maximum van € 25.000,00,
5.8.
machtigt de man om, indien de vrouw binnen de aan haar onder 5.1, 5.3, 5.4 en 5.6 gestelde termijnen niet haar medewerking verleent aan de in die bepalingen genoemde rechtshandelingen, mede namens haar deze rechtshandelingen te verrichten,
5.9.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.10.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen zo dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.11.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.12.
wijst de vordering van de vrouw af,
5.13.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
1835

Voetnoten

1.Rb. Noord-Holland 14 april 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:5409.