Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3509

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
HAA 25/2394
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 5 Parkeerverordening 2023 gemeente HaarlemArt. 17 Parkeerverordening 2023 gemeente Haarlem
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing beroep tegen weigering parkeervergunning en dwangsom niet tijdig beslissen

Eiser vroeg een bewonersparkeervergunning aan voor zijn nieuwe woning, maar het college weigerde deze op grond van een omgevingsvergunning die het adres uitsloot van parkeerrechten. Eiser maakte bezwaar en stelde het college in gebreke wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel en de hardheidsclausule niet slaagt, omdat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt.

Wel is geoordeeld dat de ingebrekestelling van 14 december 2024 prematuur was, maar de mail van 1 maart 2025 wel als geldige ingebrekestelling moet worden aangemerkt. Hierdoor heeft het college dwangsommen verbeurd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. De rechtbank bepaalt dat het college aan eiser €677,- aan dwangsommen moet vergoeden.

Het beroep is daarmee gedeeltelijk gegrond: de weigering van de parkeervergunning blijft in stand, maar het college moet de dwangsommen vergoeden. Tevens moet het college het griffierecht van €194,- aan eiser vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter E.J. van Keken op 7 april 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard: de parkeervergunning wordt geweigerd, maar het college moet €677,- aan dwangsommen en €194,- griffierecht aan eiser vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2394

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem

(gemachtigde: E.S. Ruesen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een parkeervergunning te verlenen en om de weigering eiser een dwangsom toe te kennen wegens niet tijdig beslissen. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag om een parkeervergunning. Hij doet een beroep op het vertrouwensbeginsel en op de hardheidsclausule. Daarnaast vindt eiser dat er dwangsommen zijn verbeurd. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de gronden van eiser tegen de weigering om een parkeervergunning te verlenen niet slagen. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel en de hardheidsclausule slaagt niet. Wel slaagt het beroep van eiser voor zover dat ziet op de dwangsom wegens het niet tijdig beslissen. Het college heeft de mail van 1 maart 2025 ten onrechte niet erkend als ingebrekestelling. Dit betekent dat het college dwangsommen aan eiser heeft verbeurd. Eiser krijgt gedeeltelijk gelijk en het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 12 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor een bewonersparkeervergunning. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 14 augustus 2024 afgewezen. Op 1 september 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Op 14 december 2024 heeft eiser het college in gebreke gesteld.
2.1.
Met het bestreden besluit van 8 april 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Tevens is besloten dat er geen dwangsom is verbeurd.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft zijn beroep nader aangevuld. Eiser heeft apart bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op het verbeuren van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Het beroep van eiser heeft mede betrekking op de dwangsom.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Op 16 april 2018 heeft het college een omgevingsvergunning verleend met het oog op de verbouwing en splitsing van het pand aan [adres 1] in [plaats] (hierna: de omgevingsvergunning). Door de splitsing ontstonden twee woningen: de benedenverdieping aan [adres 1] en de bovenverdieping aan [adres 2] . Tot juni 2024 woonde eiser in de benedenverdieping aan [adres 1] . In juni 2024 heeft eiser de bovenverdieping gekocht en is hij naar boven verhuisd. Als bewoner van [adres 1] beschikte eiser over een bewonersparkeervergunning. Bij brief van 8 augustus 2024 heeft het college eiser bericht dat deze bewonersparkeervergunning per 22 augustus 2024 wordt ingetrokken omdat hij niet meer op dat adres woont. Bij besluit van 14 augustus 2024 heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat uit de omgevingsvergunning volgt dat dit adres is uitgesloten van parkeer(vergunning)rechten. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
Het bestreden besluit
4. In het bestreden besluit stelt het college dat de parkeervergunning op grond van artikel 5, derde lid, van de Parkeerverordening 2023 gemeente Haarlem (hierna: de Parkeerverordening) moest worden geweigerd. De reden hiervoor is dat in de omgevingsvergunning het voorschrift is opgenomen dat [adres 2] is uitgesloten van parkeerrechten en daaraan een verklaring ‘afzien van parkeerrechten’ is verbonden. Het ontbreken van parkeerdruk ter plaatse of het niet kunnen parkeren binnen 300 meter van de woning zijn geen toetsingscriteria. De lijst met adressen waarvoor parkeerrechten zijn uitgesloten (hierna: de lijst), waarop het adres van eiser abusievelijk niet stond vermeld, vormt niet het toetsingskader. Er is geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, niet ten aanzien van andere bewoners van [straatnaam] en ook niet ten aanzien van de vorige bewoner van [adres 2] . Ten slotte is er volgens de bezwarencommissie geen aanleiding om ten gunste van eiser de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 17 van Pro de Parkeerverordening toe te passen.
4.1.
In het bestreden besluit van 8 april 2025 heeft het college verder geoordeeld dat aan eiser geen dwangsommen zijn verbeurd, omdat de ingebrekestelling van 14 december 2024 prematuur is ingediend.
Is sprake van schending van het vertrouwensbeginsel?
5. Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Eiser stelt dat hij aan het gevoerde beleid ten tijde van de aankoop van zijn woning het gerechtvaardigd vertrouwen heeft verleend dat hij een parkeervergunning kon krijgen. Hij wijst in dit verband op een viertal punten. Zo heeft de vorige bewoonster van [adres 2] jarenlang wel een parkeervergunning gehad. Verder stond de woning niet op de lijst van uitgesloten woningen. Ook heeft het na zijn verhuizing nog twee maanden geduurd voordat zijn parkeervergunning is ingetrokken. Ten slotte stelt eiser dat hij nog tot twee keer toe een aanslagbiljet heeft ontvangen voor de al ingetrokken vergunning.
5.1.
Volgens vaste jurisprudentie moeten voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen worden doorlopen. Allereerst moet de betrokkene aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Als beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent namelijk niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. Die zwaarder wegende belangen kunnen zijn gelegen in strijd met de wet, het algemeen belang en belangen van derden. [1]
De eerste stap: is sprake van een toezegging?
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser aannemelijk gemaakt dat sprake is van een toezegging. Hiertoe overweegt de rechtbank dat op de website van de gemeente Haarlem een lijst is geplaatst met de adressen die zijn uitgezonderd van parkeerrechten. Op het moment dat eiser zijn woning kocht, stond het adres van eiser niet op die lijst. Het college heeft dit niet betwist. Mede gelet op het feit dat de vorige bewoonster van de woning wel een parkeervergunning had gekregen, is het aannemelijk dat deze twee gedragingen van het college bij eiser inderdaad de indruk hebben gewekt van een welbewuste standpuntbepaling van het college. De rechtbank volgt het college niet in zijn standpunt dat het eiser kan worden aangerekend dat hij heeft nagelaten onderzoek te doen naar de parkeerrechten op zijn toekomstige woonadres. Juist omdat eiser bekend was met de omgevingsvergunning heeft hij immers de lijst geraadpleegd. Dat de lijst volgens het college slechts bedoeld is om inwoners te informeren over de uitsluiting van hun adres van het parkeerrecht en geen juridische status heeft, maakt dit niet anders. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het burgerperspectief bepalend is [2] . Op deze lijst was geen voorbehoud van onvolledigheid en/of onjuistheid opgenomen, of anderszins aangegeven dat bij eventuele onjuistheden het bepaalde in een omgevingsvergunning leidend is. Daarom volgt de rechtbank eiser in zijn stelling dat hij niet kon weten dat zijn adres alsnog was uitgesloten van parkeerrechten.
De tweede stap: kan deze gedraging aan het college worden toegerekend?
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de toezegging toe te rekenen is aan het college als bevoegd gezag. Het college heeft ter zitting uitgelegd dat medewerkers van de gemeente aan de hand van verleende omgevingsvergunningen de toepasselijke adressen handmatig verwerken in de lijst. Het wel of niet plaatsen van een adres op de lijst is een handeling van ambtenaren die onder het gezag van het college vallen.
De derde stap: moeten de gerechtvaardigde verwachtingen worden gehonoreerd?
5.4.
Bij de derde stap maakt de rechtbank een afweging tussen de door eiser en het college aangevoerde belangen. De belangen van eiser zijn gelegen in het kunnen parkeren dichtbij zijn woning. Verder stelt hij dat zijn woning minder waard is geworden en dat hij zijn woning mogelijk niet had gekocht als hij had geweten dat hij geen parkeervergunning kan krijgen voor deze woning. In dit verband wijst eiser op ontwikkelingen op het gebied van het parkeerbeleid, waardoor het voor hem in de toekomst mogelijk moeilijker wordt om zonder parkeervergunning parkeerruimte op straat te vinden. Het college heeft gewezen op het algemeen belang van het zo goed mogelijk beheren van de schaarse ruimte en de daarmee verband houdende regulering van de parkeerdruk. Verder hecht het college belang aan het rechtszekerheidsbeginsel op grond waarvan omwonenden of andere belanghebbenden moeten kunnen vertrouwen wat er in een omgevingsvergunning is vastgelegd.
5.5.
De rechtbank stelt vast dat hoewel eiser in een gereguleerd gebied woont, hij gratis kan parkeren in het ongereguleerde gebied dat op korte afstand (ongeveer 50 meter naar het oosten en ongeveer 75 meter naar het zuiden) van zijn woning begint. De omstandigheid dat de parkeerdruk in dit gebied hoog is, is aannemelijk. Deze omstandigheid is echter onvoldoende om tot de conclusie te leiden dat het voor hem onmogelijk of onredelijk bezwarend is om de afstand tussen zijn auto en huis (te voet of per fiets) af te leggen.
5.6.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat zijn financiële belangen zwaarder wegen dan de door het college aangevoerde belangen. Hij heeft zijn mogelijke schade of waardeverlies niet concreet onderbouwd. Op mogelijke toekomstige ontwikkelingen op het gebied van de parkeerregulering kan niet worden vooruitgelopen. Die ontwikkelingen kunnen om die reden geen rol spelen in deze procedure.
5.7.
Hoewel de rechtbank ziet dat de weigering van de parkeervergunning ongemak kan opleveren voor eiser, is dit niet zodanig dat dit leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit onevenredig is in verhouding met de door het besluit te dienen doelen zoals die door het college uiteen zijn gezet. De derde stap, de belangenafweging, valt daarom in het nadeel van eiser uit. Dit betekent dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
Is er aanleiding om ten gunste van eiser de hardheidsclausule toe te passen?
6. Eiser voert aan dat de weigering hem een parkeervergunning te verlenen, leidt tot een onbillijke situatie. Het college stelt zich op het standpunt dat uit de stukken of uit hetgeen eiser anderszins naar voren heeft gebracht, niet is gebleken dat eiser in een dusdanige situatie verkeert, dat toepassing van de regelgeving zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In artikel 17 van Pro de Parkeerverordening is bepaald dat het college (delen van) hoofdstuk II van deze verordening buiten toepassing kan laten of daarvan kan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Zoals de rechtbank bij haar belangenafweging heeft overwogen, is niet gebleken dat het bestreden besluit leidt tot onbillijkheid van overwegende aard voor eiser. Het college heeft daarom op goede gronden geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule.
Is sprake van een geldige ingebrekestelling?
7. Eiser stelt dat de ingebrekestelling die hij op 14 december 2024 heeft gestuurd niet als prematuur moet worden aangemerkt omdat deze slechts vier dagen voor het verlopen van de beslistermijn is ingediend. Verder stelt hij dat als de ingebrekestelling van 14 december 2024 wel prematuur zou zijn, de mail van 1 maart 2025 wel tijdig was. Volgens eiser is een ingebrekestelling vormvrij en kon hij deze dus ook per mail versturen. De mail van 1 maart 2025 had daarom als (tweede) ingebrekestelling moeten worden aangemerkt.
7.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college met dagtekening 14 augustus 2024. De laatste dag van de beslistermijn voor de beslissing op bezwaar was op 18 december 2024. De ingebrekestelling van 14 december 2024 was dus te vroeg.
7.2.
Volgens vaste rechtspraak [3] kan een te vroeg ingediende ingebrekestelling niet als een ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden aangemerkt. Met het college is de rechtbank van oordeel dat de brief van eiser van 14 december 2024 geen ingebrekestelling is. De brief is vier dagen te vroeg gestuurd. Een uitzondering geldt als sprake is van een ingebrekestelling die abusievelijk één dag te vroeg is ingediend [4] . Dat is hier niet aan de orde.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat de mail van eiser aan de gemeente van 1 maart 2025 zowel voor wat betreft de vorm als voor wat betreft de inhoud wel als een ingebrekestelling kan worden aangemerkt.
7.4.
Uit de Circulaire Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen [5] volgt dat een ingebrekestelling elektronisch kan worden ingediend als de aanvraag waar de ingebrekestelling op ziet, ook elektronisch kon worden toegediend. In dit geval stond voor de oorspronkelijke aanvraag van eiser de elektronische weg open. Hoewel een parkeervergunning eigenlijk via DiGiD moet worden aangevraagd, heeft een medewerker van de Afdeling Vergunningen, Toezicht & Handhaving iets anders gecommuniceerd. In zijn mail van 12 augustus 2024 heeft hij aan eiser geschreven “U kunt eventueel wel een bewonersparkeervergunning bij ons aanvragen en tegen de afwijzing hiervan in bezwaar gaan. (…) Mocht u hiervoor kiezen, kunt u de aanvraag voor uw vergunning via de mail doen.” Dit betekent dat eiser ook de ingebrekestelling per mail heeft kunnen sturen. Dat hij dit niet beveiligd via Zivver heeft gedaan, maakt dit niet anders. Niet in geschil is immers dat het college de mail van 1 maart 2025 in goede orde heeft ontvangen. Als dat aan de ingebrekestelling in de weg had gestaan, had het bovendien op de weg van het college gelegen om eiser daarvan zo spoedig mogelijk in kennis te stellen en hem een hersteltermijn te bieden voor het op de juiste wijze indienen van de ingebrekestelling. Dat is niet gebeurd.
7.5.
Uit de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen volgt dat aan de inhoud van de ingebrekestelling geen bijzondere wettelijke eisen zijn gesteld. Volgens de wetgever is van een ingebrekestelling in de zin van de wet sprake, indien voldoende duidelijk is op welk te nemen besluit zij betrekking heeft [6] . De Circulaire onderschrijft dit. Hierin staat dat de wet de eis stelt dat een ingebrekestelling schriftelijk moet geschieden, verder is zij vormvrij. Voorts moet het vereiste van ingebrekestelling materieel worden opgevat.
7.6.
In de mail van 1 maart 2025 schrijft eiser in het kader van zijn bezwaarprocedure aan de senior juridisch adviseur van de gemeente Haarlem : “Aangezien ik jullie in deze zaak reeds op 14 december in gebreke heb gesteld en de daaropvolgende periode van 2 weken is verlopen zijn jullie met dit besluit nu al 9 weken in gebreke. Ik neem dan ook aan dat het besluit van jullie kant op zeer korte termijn wordt genomen.” Door het gebruiken van de term “in gebreke gesteld” en het verwijzen naar de termijn van twee weken kan, zoals de Circulaire voorschrijft, worden afgeleid dat eiser het college heeft willen manen binnen een bepaalde termijn alsnog een beslissing op zijn bezwaar te nemen omdat hij anders recht heeft op een dwangsom. Verder blijkt uit de mailwisseling tussen eiser en de medewerker van de gemeente dat het voor de medewerker duidelijk is met wie zij correspondeert en over welk besluit het gaat. Aan het vereiste dat voldoende duidelijk moet zijn op welk te nemen besluit de ingebrekestelling betrekking heeft, is in die zin ook voldaan [7] .
7.7.
Een ingebrekestelling kan, behalve prematuur, ook onredelijk laat zijn ingediend. Op grond van artikel 4:17, zesde lid, van de Awb is het bestuursorgaan onder meer geen dwangsom verschuldigd als het onredelijk laat in gebreke is gesteld. In dit geval is daarvan geen sprake. De tijd die is verstreken tussen de laatste dag van de beslistermijn op 18 december 2024 en de ingebrekestelling op 1 maart 2025 bedraagt twee maanden en elf dagen. Mede gelet op het feit dat eiser zich in die periode meerdere keren tot de gemeente heeft gewend en om een vlotte besluitvorming heeft verzocht, acht de rechtbank dit geen onredelijk lange periode.
7.8.
Nu de mail van 1 maart 2025 als een geldige ingebrekestelling wordt aangemerkt, is 15 maart 2025 de laatste dag van de twee weken termijn en is 16 maart 2025 de eerste dag waarover een dwangsom is verschuldigd. Er is vanaf 16 maart 2025 tot en met het bestreden besluit van 8 april 2025 een periode van 24 dagen verstreken. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag en de daaropvolgende tien dagen € 35 per dag. Het college heeft in totaal € 677,- aan dwangsommen verbeurd.

Conclusie en gevolgen

Het beroep van eiser is ongegrond voor zover dat is gericht tegen de weigering hem een parkeervergunning te verlenen. Dit betekent dat de weigering in stand blijft. Het beroep van eiser is gegrond voor zover het college de mail van eiser van 1 maart 2025 niet heeft erkend als ingebrekestelling met bijbehorende dwangsom van € 677,-. Dit betekent dat het beroep gedeeltelijk gegrond is, eiser gelijk krijgt voor wat betreft de dwangsom niet tijdig beslissen en ongelijk over zijn parkeervergunning. Eiser wordt daarom vergoed in zijn griffiekosten. Het college moet die aan hem vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover eiser geen dwangsom wegens niet tijdig beslissen is toegekend;
- gelast het college aan eiser een bedrag van € 677,- aan verbeurde dwangsommen te vergoeden;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- draagt het college op het door eisers betaalde griffierecht van € 194,00 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. I.W. Neleman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2026.
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.