Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3478

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/15/313116 / FA RK 21-761
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:172 BWArt. 1:165 BWArt. 3:185 BWArt. 3:194 BWArt. 1:94 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing partneralimentatie en vaststelling verdeling wettelijke gemeenschap van goederen na echtscheiding

De rechtbank Noord-Holland heeft op 2 april 2026 uitspraak gedaan in een civiele zaak betreffende personen- en familierecht tussen een man en een vrouw na hun echtscheiding. De vrouw verzocht om partneralimentatie, maar dit verzoek werd afgewezen omdat zij haar aanvullende behoefte niet had onderbouwd. De rechtbank kon daardoor niet vaststellen welk bedrag zij nodig had en of de man draagkracht had om bij te dragen.

Daarnaast stelde de rechtbank de wijze van verdeling van de wettelijke algehele gemeenschap van goederen vast. Partijen waren het over een aantal vermogensbestanddelen eens, zoals de voormalige echtelijke woning, die aan de man werd toegewezen onder voorwaarden, en de inboedel, die werd verdeeld op basis van feitelijk bezit zonder verrekening. Over andere zaken, zoals de waarde van een woning in het buitenland en de verdeling van schulden, werden taxaties en nadere afspraken gelast.

De rechtbank oordeelde verder over diverse specifieke vermogensbestanddelen, waaronder een eenmanszaak, gouden sieraden, vorderingen in verband met de toeslagenaffaire, letselschadevergoeding en diverse schulden. Sommige verzoeken werden toegewezen, zoals de toedeling van de activa van de eenmanszaak aan de man met de verplichting schulden te dragen, terwijl andere werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs of onderbouwing. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en bevat tevens instructies voor het informeren over de toeslagenaffaire en het instellen van hoger beroep.

Uitkomst: Het verzoek om partneralimentatie is afgewezen en de verdeling van de wettelijke gemeenschap van goederen is vastgesteld met diverse specifieke bepalingen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
partnerbijdrage, verdeling
zaaknummer / rekestnummer: C/15/313116 / FA RK 21-761 en
C/15/317200 / FA RK 212832
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 2 april 2026
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen de man,
advocaat voorheen mr. M.C. Tijsterman, gevestigd te Hoofddorp, thans mr. P.J.H. Vinke, gevestigd te Hoofddorp,
tegen
[de vrouw] ,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J. 't Hart, gevestigd te Haarlem,

1.De procedure

1.1.
In deze zaak is eerder een beschikking afgegeven op 1 december 2021. Voor een weergave van het verloop van de procedure, de feiten tot de datum van deze beschikking en de verzoeken van partijen verwijst de rechtbank naar de inhoud hiervan.
1.2.
In voormelde beschikking heeft de rechtbank:
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen van partijen, te weten [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , bij de man zal zijn;
- een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld waarbij [de minderjarige 2] ten minste eenmaal per twee weken gedurende minimaal twee uur begeleid contact heeft met de vrouw, vanaf het moment dat de (gezinsmanager van de) GI dit begeleid contact heeft georganiseerd;
- bepaald dat de man tegenover de vrouw het recht heeft om in de woning aan [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als hij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont. Hij dient voor dat gebruik een vergoeding te betalen aan de vrouw ter hoogte van hetgeen de vrouw aan gebruikerslasten en meer dan de helft van de eigenaarslasten betaalt, voor zover die lasten zien op de periode vanaf de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand tot zes maanden nadien;
- de beslissing over de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna: partnerbijdrage) en de verdeling pro forma aangehouden tot 1 maart 2022 en de advocaten van partijen verzocht de rechtbank schriftelijk te informeren over de resultaten van de mediation en de daaraan te verbinden gevolgen.
1.3.
Het huwelijk tussen partijen is op [datum] ontbonden door inschrijving van voormelde beschikking in de registers van de burgerlijke stand.
1.4.
Bij bericht van 15 november 2023, ingekomen op 4 december 2023, heeft de vrouw de rechtbank laten weten dat de mediaton is beëindigd zonder resultaat. De vrouw verzoekt een nieuwe zitting te plannen.
1.5.
Bij e-mail van 28 december 2023 heeft de man de inhoud van het bericht van de vrouw van 15 november 2023 bevestigd. De man verzoek eveneens een nieuwe zitting te plannen.
1.6.
Nadien heeft de rechtbank nog ontvangen:
- de brief, met bijlagen, van de vrouw van 26 februari 2024;
- de akte verder procederen, met bijlagen, van de man van 15 oktober 2024;
- de berichten, met bijlage, van de man van 30 oktober 2024 en 5 november 2024;
1.7.
De voortgezette behandeling heeft plaatsgevonden op 5 november 2024 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten. Ten behoeve van de vrouw is bijstand verleend door een tolk Marokkaans-Arabisch, [tolk] .
1.8.
De rechtbank heeft de beslissing over de partnerbijdrage en de verdeling vervolgens pro forma aangehouden tot 3 december 2024 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om met elkaar in overleg te gaan. Op verzoek van partijen is de pro forma aanhouding nadien meerdere malen verlengd in afwachting van berichten van partijen omtrent het resultaat van hun overleg.
1.9.
Bij bericht van 22 januari 2026 heeft de man de rechtbank laten weten dat het partijen niet is gelukt om overeenstemming te bereiken. De man verzoek de rechtbank een beschikking te wijzen.
1.10.
Bij bericht van 22 januari 2026 heeft de vrouw bevestigd dat het partijen niet is gelukt om overeenstemming te bereiken. De vrouw verzoekt een nieuwe zitting te plannen. Hiertoe stelt de vrouw dat de afgelopen jaren meerdere stukken zijn overgelegd en dat partijen in het kader van hoor en wederhoor de gelegenheid dienen te krijgen hierop te reageren. Met name de akte verder procederen met 25 producties van de man is volgens de vrouw nog onbesproken gebleven.
1.11.
De rechtbank ziet geen aanleiding om nu opnieuw een zitting te houden. De man heeft zijn akte verder procederen ruim voor de zitting op 5 november 2024 ingediend en de vrouw heeft uitgebreid verweer kunnen voeren tegen de verzoeken van de man. Aan het beginsel van hoor- en wederhoor is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Zij wijst daarom nu deze (eind)beschikking).

2.De verdere beoordeling

Partnerbijdrage
2.1.
Aan de rechtbank ligt nog voor het verzoek van de vrouw om een door de man te betalen partnerbijdrage van € 800,00 per maand vast te stellen.
2.2.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Volgens de man is niets bekend over de inkomenspositie van de vrouw, terwijl op haar de verplichting rust om de rechtbank van informatie te voorzien. Lukt dit niet, dan ligt het verzoek van de vrouw voor afwijzing gereed. Maar ook als de vrouw haar inkomenspositie wel inzichtelijk maakt, ontbreekt bij de man de draagkracht om een partnerbijdrage te betalen, aldus nog steeds de man.
2.3.
De rechtbank overweegt dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 3, sub a, van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd is om van het verzoek met betrekking tot de partnerbijdrage kennis te nemen. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
2.4.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om een partnerbijdrage afwijzen. Het is aan de vrouw om te onderbouwen dat zij niet in staat is om in haar levensonderhoud te voorzien. Dat heeft zij niet gedaan. Zo heeft de vrouw nagalaten haar relevante inkomensgegevens aan de rechtbank over te leggen. De rechtbank kan daardoor niet vaststellen welk bedrag de vrouw nodig heeft om haar kosten te kunnen betalen (haar behoefte). Aannemend dat de vrouw in ieder geval enige behoefte heeft, kan de rechtbank evenmin vaststellen in hoeverre zij zelf kan voorzien in die behoefte en, dus, welk deel van de man zou moeten bijdragen indien zijn draagkracht dat zou toelaten. Aan de vraag of de man draagkracht heeft om een bijdrage aan de vrouw te betalen, komt de rechtbank daarom niet toe. Wel merkt de rechtbank op dat het op het eerste gezicht lijkt dat de man geen draagkracht heeft om naast de bijdrage voor [de minderjarige 2] ook een bijdrage aan de vrouw te betalen.
Verdeling
2.5.
Verder liggen nog aan de rechtbank voor de verzoeken van partijen om de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen te verdelen, waarbij zij ieder een eigen (wijze van) verdeling voorstaan.
2.6.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
2.7.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.
2.8.
Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.
2.9.
Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna geen nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, eerste lid, van het Verdrag.
2.10.
Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd.
2.11.
Nu geen van de uitzonderingen van artikel 4, tweede lid, van het Verdrag zich heeft voorgedaan, werd krachtens het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het recht van de eerste gewone verblijfplaats, te weten het recht van Nederland, van toepassing op het huwelijksvermogensregime.
2.12.
Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.
2.13.
De rechtbank stelt vast dat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben laten opstellen en dat zij voor 1 januari 2018 zijn getrouwd. Dat betekent dat door het huwelijk van partijen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen is ontstaan.
2.14.
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is de gemeenschap op
11 februari 2021 ontbonden. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde peildatum) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen.
2.15.
De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van feitelijke verdeling.
2.16.
Volgens beide partijen of één van hen bestond de ontbonden gemeenschap op
11 februari 2021 uit de volgende bestanddelen:
a. a) voormalige echtelijke woning aan [adres]
b) hypothecaire geldlening bij de ING Bank
c) inboedel
d) auto van het merk [merk] met kenteken [kenteken]
e) motor van het merk [merk]
f) bankrekeningen
g) woning te [plaats] in [land]
h) (activa en passiva) eenmanszaak van de man ‘ [eenmanszaak] ’
i. i) gouden sieraden
j) vorderingen op de Belastingdienst in verband met de toeslagenaffaire
k) letselschadevergoeding
l) lening bij [naam]
m) Tozo-schuld
n) belastingschulden
o) schuld bij Eneco
p) declaraties boekhouder
q) hypotheekachterstand
r) verschillende (huishoudelijke) schulden
2.17.
Partijen zijn het ter zitting eens geworden over de verdeling van een aantal vermogensbestanddelen. Voor die bestanddelen zal de rechtbank geen beslissing opnemen in het dictum, omdat er in dat geval op grond van artikel 3:185 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) geen taak is weggelegd voor de rechter.
Ad a en b) voormalige echtelijke woning en hypothecaire geldlening
2.18.
Partijen zijn het erover eens dat de man de gelegenheid moet krijgen om de woning over te nemen. Gelet hierop zal de rechtbank de woning aan de man toedelen onder de opschortende voorwaarde dat de man in staat is de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire lening en dat de eventuele over- of onderwaarde van de woning (waarde woning – hypotheekschuld) bij helfte wordt gedeeld dan wel gedragen.
2.19.
Voor wat betreft de waarde van de woning overweegt de rechtbank als volgt. Partijen zijn het erover eens dat in opdracht van partijen gezamenlijk een taxatie van de woning moet plaatsvinden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de waarde dient te worden bepaald tegen het moment gelegen zo dicht mogelijk tegen het moment van feitelijke verdeling. Als het partijen niet lukt om gezamenlijk een taxateur aan te wijzen, dan dient de vrouw binnen één week na de beschikkingsdatum drie taxateurs aan de man voor te stellen waaruit de man binnen één week een taxateur dient te kiezen. Binnen één week nadien dienen partijen deze taxateur een opdracht tot taxatie van de woning te verstrekken. Beide partijen mogen bij de taxatie aanwezig zijn en de door de taxateur vastgestelde waarde is bindend tussen partijen. De kosten van de taxatie dienen partijen bij helfte te dragen.
2.20.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor de op de waarde van de woning in mindering te brengen hypotheekschuld dient te worden uitgegaan van de stand van de hypotheek op 1 januari 2021. De hypotheekaflossingen na deze datum heeft de man immers alleen betaald.
2.21.
Partijen zij het erover eens dat de man tot vier maanden na de taxatiedatum de gelegenheid heeft om de overname van de woning te financieren en de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.
2.22.
Als de woning aan de man wordt toebedeeld, dient hij de kosten in verband daarmee te dragen.
2.23.
Indien de verdeling van de woning niet uiterlijk vier maanden na de taxatiedatum heeft plaatsgevonden, moet de woning te koop worden gezet bij de makelaar die de taxatie van de woning heeft verricht. Partijen zijn gehouden de adviezen van de makelaar op te volgen voor wat betreft de vraag- en laatprijs, alsmede alle verdere adviezen van de makelaar. De verkoopopbrengst dient na aftrek van de verkoopkosten ter aflossing van de hypothecaire lening te worden aangewend. Een eventuele overwaarde dienen partijen bij helfte te delen en een eventuele restschuld dienen partijen bij helfte te dragen, waarbij de hypotheekaflossingen die de man heeft verricht na 1 januari 2021 moeten worden verrekend met het aandeel van de vrouw hierin.
2.24.
Aangezien nog niet duidelijk is of de man de woning kan overnemen en door partijen diverse uitvoeringshandelingen zullen moeten worden verricht, zal de rechtbank ten aanzien van de voormalige echtelijke woning de wijze van verdeling vaststellen. Beide partijen dienen hun medewerking te verlenen aan alle voor het vorenstaande benodigde uitvoerings- en rechtshandelingen.
2.25.
De man stelt dat hij na de peildatum 11 februari 2021 diverse investeringen in de voormalige echtelijke woning heeft moeten doen. De man heeft € 12.199,- geïnvesteerd in de keuken, omdat verschillende apparaten defect waren en sommige kasten moesten worden vervangen. Daarnaast heeft de man moeten investeren in de badkamer, elektra, oplaadpunt, schilderwerk, rolluik, cv-convector, nieuwe schutting en verzorging van bomen voor een totaalbedrag van € 39.464,-. De investering in de badkamer met € 24.000,- was noodzakelijk aangezien de waterleiding in de vloer gesprongen bleek te zijn. De man is van mening dat deze investeringen door de gemeenschap aan hem moeten worden vergoed.
2.26.
De vrouw voert hiertegen verweer en is van mening dat de man de door hem gestelde investeringen in de voormalige echtelijke woning onvoldoende heeft aangetoond met onderliggende stukken. Daarbij heeft de man het genot van de investeringen in de woning en komen de investeringen reeds aan de man ten goede vanwege het waardeverhogende effect hiervan. De vrouw verzoekt van haar kant om een gebruiksvergoeding van de man voor het exclusieve gebruik van de voormalige echtelijke woning. De gebruiksvergoeding dient volgens de vrouw te worden berekend aan de hand van de overwaarde van de woning en een marktconforme rente.
2.27.
De rechtbank zal voormelde verzoeken van partijen afwijzen en overweegt daartoe als volgt. In beginsel geldt dat partijen op grond van artikel 3:172 BW Pro naar evenredigheid van hun aandeel moeten bijdragen in de uitgaven ten behoeve van het gemeenschappelijk goed. Nu de voormalige echtelijke woning gemeenschappelijk eigendom is, moeten beide partijen voor de helft bijdragen in de eigenaarslasten. Hierover vallen ook de vermeende investeringen door de man in de voormalige echtelijke woning, voor zover deze investeringen noodzakelijk waren en niet vergoedt worden door de verzekering. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de man sinds de peildatum 11 februari 2021 alle
eigenaars- en gebruikerslasten voldoet. Daartegenover staat echter dat de vrouw op grond van artikel 1:165 BW Pro ten laste van de man aanspraak kan maken op een gebruikersvergoeding vanwege het gemis van gebruik en genot van de woning. De rechtbank vindt het praktisch en redelijk om deze bedragen tegen elkaar weg te strepen zodat zij over en weer in dit kader niets van elkaar te vorderen hebben.
Ad c) inboedel
2.28.
De man verzoekt te bepalen dat de inboedel die de vrouw feitelijk onder zich heeft aan haar wordt toebedeeld en de inboedel die de man feitelijk onder zich heeft aan hem wordt toebedeeld, zonder nadere verrekening over en weer.
2.29.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man de inboedel behoudt en dat hij de vrouw hiervoor een vergoeding dient te betalen van € 5.000,-.
2.30.
Het is de rechtbank op grond van de stukken en dat wat ter zitting is besproken niet duidelijk geworden wat de omvang van de gehele inboedel is, welke waarde de inboedelgoederen vertegenwoordigen en wie welk deel van de inboedel feitelijk onder zich heeft. Het lag op de weg van partijen om de rechtbank dit inzicht te verschaffen. De rechtbank zal bij gebrek aan deze informatie bepalen dat de inboedelgoederen worden toegedeeld aan degene die deze feitelijk onder zich heeft, zonder nadere verrekening over en weer.
Ad d) [merk]
2.31.
De man stelt dat hij de [merk] zakelijk heeft gekocht. De man heeft de auto na de scheiding verkocht voor € 4.000,-. Na aftrek van de BTW resteerde een netto verkoopopbrengst van € 3.200,-. Volgens de man heeft de vrouw recht op de helft van dit bedrag.
2.32.
De vrouw stelt dat de [merk] privé van partijen was. Nu de man de [merk] heeft verkocht voor € 4.000,- dient hij volgens de vrouw nog een bedrag van € 2.000,- aan haar te vergoeden.
2.33.
De rechtbank kan niet vaststellen of de [merk] een zakelijke auto betrof. In de jaarstukken van de onderneming van de man staat de [merk] niet vermeld en de man heeft geen andere stukken overgelegd waaruit dit blijkt. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de [merk] privé van partijen was. Tussen partijen is niet in geschil dat de man de [merk] na de peildatum 11 februari 2021 heeft verkocht voor € 4.000,-. Dit betekent dat de man nog een bedrag van € 2.000,- aan de vrouw dient te vergoeden.
Ad e) motor
2.34.
De man stelt dat de motor op de peildatum 11 februari 2021 in pand is gegeven. De € 3.000,- die de man daarvoor heeft gekregen, zijn opgegaan aan de kosten van de huishouding. Na de peildatum heeft de man de schuld afgelost met een bedrag van € 3.270,-. De man stelt voor dat de motor aan hem wordt toebedeeld en dat de aflossing van de schuld voor zijn rekening komt zonder dat verder met de vrouw wordt afgerekend.
2.35.
De vrouw verzoekt de motor aan de man toe te delen tegen een waarde van € 3.250,-
2.36.
De rechtbank maakt uit de overeenkomst van pandlening op dat de man de motor voor de peildatum 11 februari 2021 in pand heeft gegeven bij [VOF] en dat hij hiervoor een bedrag van € 3.000,- heeft ontvangen. De man heeft onbetwist gesteld dat hij dit bedrag heeft aangewend om huwelijkse schulden te voldoen. Na de peildatum heeft de man op 13 april 2021 de motor weer teruggekocht voor een bedrag van € 3.270,-. Nu de man per saldo voor eigen rekening een huwelijkse schuld van partijen heeft voldaan, zal de rechtbank de motor aan de man toedelen zonder nadere verrekening van de waarde met de vrouw.
Ad f) bankrekeningen
2.37.
Partijen zijn het erover eens dat zij ieder hun eigen bankrekeningen voorzetten, met verdeling van de saldi op de peildatum 11 februari 2021 bij helfte. Partijen zullen elkaar over en weer inzage verschaffen in de saldigegevens op 11 februari 2021.
Ad g) woning in [land]
2.38.
De vrouw is voor 50% mede-eigenaar van een woning te [plaats] in [land] .
2.39.
Partijen zijn het erover eens dat het aandeel van de vrouw in de woning in [land] aan haar moet worden toebedeeld, onder de verplichting om de helft van de waarde van dit aandeel in de woning aan de man te vergoeden.
2.40.
Partijen verschillen van mening over de waarde van de woning. De man wijst erop dat de woning op dit moment te koop staat voor ongeveer € 200.000,- en verzoekt voor de waarde hierbij aan te sluiten. De vrouw stelt dat de waarde van de woning € 60.000,- bedraagt. Ter onderbouwing wijst de vrouw op een Marokkaans taxatierapport van 26 maart 2022.
2.41.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te sluiten bij de door partijen genoemde waardes. De door de man gestelde vraagprijs voor de woning kan niet gelijkgesteld worden aan de waarde in het kader van de verdeling en het door de vrouw aangehaalde taxatierapport is te gedateerd. Voor de waarde van de woning in het kader van de verdeling moet – zoals eerder vermeld – worden uitgegaan van de waarde op het moment van feitelijke verdeling.
Nu onduidelijkheid bestaat over de waarde van de woning in [land] , zal de rechtbank bepalen dat in opdracht van partijen gezamenlijk een taxatie van de woning moet plaatsvinden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de waarde dient te worden bepaald tegen het moment gelegen zo dicht mogelijk tegen het moment van feitelijk verdeling. In dit verband dient de vrouw binnen twee weken na de beschikkingsdatum drie taxateurs in [land] aan de man voor te stellen waaruit de man vervolgens binnen één week een taxateur dient te kiezen. Binnen één week nadien dienen partijen de gekozen taxateur een opdracht tot taxatie van de woning in [land] te verstrekken. Als de man geen keuze maakt dan kan de vrouw zelf opdracht tot taxatie geven aan één van de door haar voorgestelde taxateurs. De door de taxateur vastgestelde waarde is bindend tussen partijen en de kosten van de taxatie dienen partijen bij helfte te delen. De helft van de getaxeerde waarde komt gelet op de eigendomsverhouding van de woning aan de vrouw toe. De vrouw dient dan ook de helft van de waarde van haar aandeel in de woning in [land] aan de man te vergoeden.
Ad h) eenmanszaak van de man
2.42.
De man exploiteert de eenmanszaak ‘ [eenmanszaak] ’. Voor een eenmanszaak geldt dat dit op zichzelf geen goed is dat in de gemeenschap van goederen valt en dus niet als zodanig kan worden verdeeld. Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen. Het ondernemingsvermogen bestaande uit activa en passiva valt in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. De activa kunnen worden verdeeld. Een schuld is geen goed en kan als zodanig niet worden verdeeld. In het kader van de verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap zijn in beginsel beide partijen ieder voor de helft draagplichtig met betrekking tot de schulden ook als deze verband houden met de exploitatie van een onderneming in de vorm van een eenmanszaak.
2.43.
De vrouw verzoekt de activa van de eenmanszaak aan de man toe te delen onder de verplichting om de schulden die betrekking hebben op de eenmanszaak voor zijn rekening te nemen. De rechtbank stelt vast dat de man in de stukken heeft ingestemd met dit verzoek van de vrouw. Daarbij heeft de man aangegeven dat de waarde van zijn onderneming negatief lijkt te zijn, maar dit heeft hem er niet van weerhouden om met het voorstel van de vrouw in te stemmen. Dit in aanmerking nemende volgt de rechtbank de man niet in zijn ter zitting gewijzigde standpunt dat alsnog een waardering van zijn onderneming dient plaats te vinden omdat er meer schulden zouden zijn. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook toewijzen.
Ad i) gouden sieraden
2.44.
De vrouw stelt dat de man de gouden sieraden van partijen in zijn bezit heeft. De vrouw verzoekt de sieraden aan de man toe te delen, behoudens de sieraden op de door haar overgelegde foto onder productie 5. De sieraden die de vrouw wenst te ontvangen zijn nog geen 1/3e deel van de aanwezige sieraden. De vrouw acht het redelijk om de waarde van de sieraden minus de aan haar toekomende sieraden op € 175.000,- vast te stellen. De man dient in dit verband een bedrag van € 87.500,- aan de vrouw te vergoeden, zo betoogt de vrouw.
2.45.
De man betwist dat hij de sieraden in zijn bezit heeft. Volgens de man zijn enkele sieraden verpand en heeft de vrouw de overige sieraden onder zich. De sieraden dienen volgens de man getaxeerd te worden waarna de waarde van de sieraden bij helfte dient te worden verdeeld.
2.46.
De rechtbank kan op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken niet vaststellen welke sieraden er precies aanwezig zouden moeten zijn. Verder is het voor de rechtbank volstrekt onduidelijk wie de sieraden thans in zijn of haar bezit heeft. Partijen wijzen in dit verband naar elkaar en een deel van de sieraden zou verpand zijn. De rechtbank kan gelet hierop niet overgaan tot verdeling van (de waarde van) de sieraden. De verzoeken van partijen daartoe zullen dan ook worden afgewezen. De rechtbank merkt hierbij nog wel op dat de partij die in het kader van een verdeling een goed verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in dit goed verbeurt aan de andere partij (artikel 3:194, tweede lid, BW) en zij geeft partijen uitdrukkelijk in overweging om, ter voorkoming van verdere escalatie, dit punt alsnog in onderling overleg met elkaar te regelen.
Ad j) vorderingen op de Belastingdienst in verband met de toeslagenaffaire
2.47.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man op 12 april 2021 een bedrag van € 30.000,- van de Belastingdienst heeft ontvangen in verband met de toeslagenaffaire en dat hij de helft van dit bedrag, te weten € 15.000,-, aan de vrouw dient te vergoeden. Tegen de door de vrouw gevorderde wettelijke rente vanaf 1 december 2021 is geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank dit zal toewijzen.
2.48.
De rechtbank is ter zitting duidelijk geworden dat de man als contactpersoon fungeert voor de Belastingdienst en dat de vrouw niet goed op de hoogte wordt gehouden van de ontwikkelingen in het kader van de toeslagenaffaire. Gelet hierop zal de rechtbank aanvullend bepalen dat de man de vrouw op de hoogte dient te houden van de stand van zaken, dat de man ontvangen correspondentie over de toeslagenaffaire aan de vrouw dient door te sturen en dat de man de helft van eventueel nog te ontvangen schadevergoedingsbedragen onverwijld aan de vrouw dient over te maken.
Ad k) letselschadevergoeding
2.49.
De man voert aan dat hij op 7 mei 2019 slachtoffer is geworden van een verkeersongeval. In verband met dit ongeval is aan de man een schadevergoeding uitgekeerd van € 45.000,-, bestaande uit € 12.062,- aan materiele schadevergoeding en € 32.938,- aan immateriële schadevergoeding. De materiele schade bestond onder meer uit schade aan de auto van de man. De man stelt zich op het standpunt dat de materiele schadevergoeding deel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap en de immateriële schadevergoeding niet. Voor de peildatum 11 februari 2021 is een bedrag van € 20.000,- aan de man uitgekeerd, waaronder de materiele schadevergoeding. Na de peildatum is nog een bedrag van € 25.000,-. Dit bedrag betreft volgens de man volledig een vergoeding voor de immateriële schade die de man heeft geleden en komt niet voor verdeling in aanmerking.
2.50.
De vrouw stelt dat het gehele schadevergoedingsbedrag bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld.
2.51.
Artikel 1:94, derde lid, BW bepaalt dat goederen (en schulden) die aan één van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. De vraag wanneer een goed verknocht is, kan niet in zijn algemeenheid worden beantwoord, maar is steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Wanneer één van de echtgenoten een vergoeding ontvangt voor schade die deze echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval, zoals in dit geval de man, is niet reeds daarmee sprake van verknochtheid. Uit vaste rechtspraak ten aanzien van de verknochtheid van letselschade-uitkeringen valt af te leiden dat ten aanzien van immateriële schade over het algemeen wordt aangenomen dat deze verknocht is, zodat deze buiten de gemeenschap moet worden gehouden bij echtscheiding.
2.52.
De rechtbank maakt uit de stukken op dat de man in verband met een ongeval op 7 mei 2019 een bedrag van € 45.000,- uitgekeerd heeft gekregen in verband met materiele en immateriële schade en dat zijn auto op 7 mei 2019 is gerepareerd voor een bedrag van € 12.062,-. Voor de peildatum 11 februari 2021 heeft de man een bedrag van € 20.000,- uitgekeerd gekregen en na de peildatum een bedrag van € 25.000,-. Partijen zijn het erover eens dat het voor de peildatum uitgekeerde bedrag in het kader van de verdeling van de saldi op de bankrekeningen zal worden meegenomen. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat het na de peildatum uitgekeerde bedrag zag op immateriële schade, te weten verlies aan verdiencapaciteit aan de zijde van de man. Deze immateriële schadevergoeding is naar het oordeel van de rechtbank aan de man verknocht en valt niet in de gemeenschap.
Ad l) lening bij [naam]
2.53.
De vrouw stelt dat partijen leningen hebben afgesloten bij [naam] van in totaal € 9.400,- om in hun kosten te voorzien ten tijde van het faillissement van de man. Volgens de vrouw zijn partijen ieder voor de helft draagplichtig voor deze leningen. Ter onderbouwing overlegt de vrouw vier leningsovereenkomsten.
2.54.
De man betwist het bestaan van deze leningen bij [naam] .
2.55.
De rechtbank constateert dat de door de vrouw overgelegde leningsovereenkomsten met [naam] alleen door haar zijn ondertekend en niet zijn gedateerd. In het licht van de betwisting van de leningen door de man, is dit onvoldoende om aan te nemen dat er op de peildatum 11 februari 2021 daadwerkelijk leningen bij de heer Barrakouane openstonden die aan de gemeenschap verbonden zijn.
Ad m) Tozo-schuld
2.56.
De man stelt dat het gezin in 2020 deels heeft geleefd van een zogenoemde
Tozo-uitkering. Deze uitkering moet volgens de man worden terugbetaald. De schuld is opgebouwd uit twee bedragen, te weten € 3.994,49 en € 4.001,63. De man stelt voor dat hij zorgdraagt voor de terugbetaling van het totaalbedrag van € 7.996,12 en dat de vrouw de helft van dit bedrag aan hem vergoedt.
2.57.
De vrouw stelt dat deze schuld in het kader van de toeslagenaffaire is kwijtgescholden.
2.58.
De rechtbank constateert dat de vrouw niet betwist dat partijen in 2020 een
Tozo-uitkering hebben ontvangen en dat zij de uitgekeerde bedragen van € 3.994,49 en € 4.001,63 in beginsel moeten terugbetalen. De vrouw heeft haar stelling dat deze schulden zijn kwijtgescholden onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft weliswaar een brief van de gemeente [gemeente] van 12 januari 2022 overgelegd waaruit blijkt dat Tozo-schulden zijn kwijtgescholden, maar dit betreffen andere schulden/bedragen dan die de man noemt. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat ook de door de man genoemde bedragen van € 3.994,49 en € 4.001,63 zijn kwijtgescholden. Dit betekent dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de Tozo-schuld op de peildatum 11 februari 2021 van in totaal € 7.996,12.
Ad n) belastingschulden
2.59.
De man stelt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de belastingschuld van in totaal € 43.634,-. De man wijst op een schuldenoverzicht van 10 mei 2022 waaruit blijkt dat op deze datum nog een bedrag aan belastingschulden opstond van € 13.624,-. Daarnaast moet over 2018 nog een bedrag aan ten onrechte ontvangen kindgebonden budget van € 951,- terugbetaald worden, is er een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringwet 2018 van € 1.342,-., is er een navorderingsaanslag inkomstenbelasting premie volksverzekeringen 2018 van € 7.137,- en is er een naheffingsaanslag omzetbelasting 2018 en 2019 van in totaal € 20.580,-. De man stelt voor dat hij zorgdraagt voor de aflossing van het totaalbedrag van € 43.634,- en dat de vrouw de helft van dit bedrag aan hem vergoedt.
2.60.
De vrouw betwist dat er nog belastingschulden openstaan. Uit het door de man overgelegde schuldenoverzicht van 10 mei 2022 blijkt dat hij tegen veel aanslagen bezwaar heeft gemaakt. De uitkomst hiervan is de vrouw niet bekend. Daarnaast vermoedt de vrouw dat er aanslagen zijn kwijtgescholden in verband met de toeslagenaffaire.
2.61.
De rechtbank is van oordeel dat de man het door hem gestelde bedrag aan belastingschulden op de peildatum 11 februari 2021 van in totaal € 43.634,- onvoldoende heeft onderbouwd. Zo blijkt uit het door de man overgelegde schuldenoverzicht van 10 mei 2022 dat tegen alle daar genoemde schulden bezwaar is gemaakt en kennelijk heeft dit bezwaar op sommige punten succes gehad, zo bleek uit de verklaring van de man ter zitting. In de resultaten van het bezwaar heeft de man echter geen inzage geven, zodat de rechtbank geen concrete bedragen kan noemen. Het voorgaande laat onverlet dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de niet-zakelijke belastingschulden die zien op de periode tot 11 februari 2021. Voor zover de man meer dan de helft van deze schulden heeft afgelost, heeft hij voor het meerdere een regresvordering op de vrouw.
Ad o) schuld bij Eneco
2.62.
De vrouw stelt dat de man gehouden is om € 926,34 aan haar te voldoen vanwege de incasso van Eneco over de periode nadat de vrouw de woning heeft verlaten. Volgens de vrouw heeft de man deze gebruikerslasten daadwerkelijke gebruikt en stond de vrouw op het contract zodat het bij haar werd geïncasseerd.
2.63.
De man betwist het bestaan van deze schuld.
2.64.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw het bestaan van deze vordering onvoldoende heeft onderbouwd. De vrouw heeft geen stukken ingebracht waaruit blijkt dat zij een bedrag van € 926,34 aan Eneco heeft betaald.
Ad p) declaraties boekhouder
2.65.
De man stelt dat hij declaraties van de boekhouder heeft ontvangen en betaald. Die hebben betrekking op de periode voor de peildatum 11 februari 2021, maar zijn betaald na de peildatum. Het gaat om een totaalbedrag van € 15.091,12. De helft hiervan dient volgens de man voor rekening van de vrouw te komen.
2.66.
De vrouw stelt dat dit een zakelijke schuld van de man betreft.
2.67.
De rechtbank gaat ervan uit dat de boekhouder voornamelijk werkzaamheden ten behoeve van de onderneming van de man heeft verricht. De man kan deze zakelijke kosten als bedrijfskosten opvoeren in zijn boekhouding. De man heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom de kosten van de boekhouder voor rekening van partijen in privé dienen te komen. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen.
Ad q) hypotheekachterstand
2.68.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man de achterstand in de hypotheekbetalingen op de peildatum 11 februari 2021 van € 5.203,92 heeft betaald en dat de vrouw in dit verband nog een bedrag van € 2.601,96 aan de man dient te vergoeden.
Ad r) verschillende (huishoudelijke) schulden
2.69.
De man stelt diverse (huishoudelijke) schulden van in totaal € 13.595,63 te hebben betaald. Volgens de man dient de vrouw de helft van deze kosten aan hem te vergoeden.
2.70.
De vrouw heeft deze vordering betwist.
2.71.
De rechtbank zal deze post afwijzen en zij legt hierna uit waarom. Deze post is een verzamelpost voor 24 verschillende posten met bedragen variërend tussen € 64,00 en € 2.505,00. Ter onderbouwing van deze post heeft de man niet meer aangevoerd dan dat het gaat om een totaalbedrag van € 13.595,63 en dat de vrouw de helft van de door de man betaalde kosten aan hem moet vergoeden. Verder heeft de man, kennelijk ter onderbouwing van het bestaan van zijn vordering, als productie 27 overgelegd een aantal bescheiden met de omschrijving “
rekeningen, facturen, betalingsregelingen, dwangbevelen, vonnissen, et cetera”. De rechtbank kan daaruit niet afleiden dat de man een vordering op de vrouw heeft zoals door hem gesteld.
Verder is de man kennelijk uit het oog verloren dat het uitgangspunt in een procedure als deze is dat een procespartij zijn stellingen voldoende kenbaar en duidelijk in de processtukken moet laten verwoorden, in dit geval door zijn advocaat (zie o.a. HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE7628). Dit brengt met zich dat een procespartij niet kan volstaan met een enkele verwijzing naar de door hem in het geding gebrachte stukken, maar dat zij concreet moet maken welke stellingen zij op basis van die stukken inneemt en waar die stellingen in de stukken steun vinden of onderbouwd worden. Dit op een zodanige wijze dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen hij zich dient te verweren. Dat heeft de man niet gedaan.
2.72.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissingen.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
wijst het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud af;
3.2.
gelast de wijze van verdeling van de voormalige echtelijke woning aan [adres] zoals vermeld onder overwegingen 2.18 tot en met 2.24;
3.3.
deelt de inboedelgoederen die de man feitelijk onder zich heeft aan hem toe en deelt de inboedelgoederen die de vrouw feitelijk onder zich heeft aan haar toe, zonder nadere verrekening over en weer;
3.4.
bepaalt dat de man een bedrag van € 2.000,- aan de vrouw dient te voldoen ter verdeling van de verkoopopbrengst van de auto van het merk [merk] met kenteken
[kenteken] ;
3.5.
deelt de motor van het merk [merk] toe aan de man, zonder nadere verrekening van de waarde met de vrouw;
3.6.
gelast de wijze van verdeling van de woning te [plaats] in [land] zoals vermeld onder overwegingen 2.39 tot en met 2.41;
3.7.
deelt de activa van de eenmanszaak ‘ [eenmanszaak] ’ aan de man toe, onder de verplichting om alle schulden van deze eenmanszaak voor zijn rekening te nemen en als eigen schulden te voldoen, zonder nadere verrekening van de waarde met de vrouw;
3.8.
bepaalt dat de man een bedrag van € 15.000,- aan de vrouw dient te voldoen in verband met door hem ontvangen schadevergoeding in het kader van de toeslagenaffaire, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2021 tot de dag waarop dit bedrag is voldaan;
3.9.
bepaalt dat de man de vrouw op de hoogte dient te houden van de stand van zaken in het kader van de toeslagenaffaire, dat de man ontvangen correspondentie over de toeslagenaffaire aan de vrouw dient door te sturen en dat de man de helft van eventueel nog te ontvangen schadevergoedingsbedragen onverwijld aan de vrouw dient over te maken;
3.10.
bepaalt dat het na de peildatum 11 februari 2021 aan de man uitgekeerde schadevergoedingsbedrag van € 25.000,- in verband met zijn ongeval op 7 mei 2019 aan hem verknocht is en om die reden buiten de verdeling van de huwelijksgemeenschap valt;
3.11.
bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de Tozo-schuld op de peildatum 11 februari 2021 van in totaal € 7.996,12;
3.12.
wijst ten aanzien van de verdeling het meer of anders verzocht af;
3.13.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Gisolf, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C. Horio op 2 april 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv Pro openlijk bekend is gemaakt.