Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3469

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
C/15/374759
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige met prematuur perspectiefbesluit

De rechtbank Noord-Holland behandelde op 11 maart 2026 het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds juli 2023 in een gezinshuis verblijft. De GI had tevens een perspectiefbesluit genomen dat het opgroeiperspectief van de minderjarige niet langer bij de ouders ligt, maar bij het gezinshuis.

De ouders waren het eens met de verlenging van de maatregelen, maar niet met het perspectiefbesluit, dat zij prematuur en zonder voldoende onderzoek achten. De rechtbank constateerde dat de GI onvoldoende betrokkenheid en regie heeft getoond, waardoor de ouders geen eerlijke kans kregen om aan de gestelde doelen te werken. De omgang met de ouders is verminderd zonder gedegen onderzoek naar de ontregeling van de minderjarige na omgangsmomenten.

De orthopedagoog adviseerde dat de aanvaardbare termijn van onzekerheid over het opgroeiperspectief was overschreden, maar de rechtbank vond onvoldoende bewijs dat dit de ontwikkeling van de minderjarige daadwerkelijk schaadt. De rechtbank oordeelde dat het perspectiefbesluit prematuur is en niet onderschreven kan worden. De GI moet met meer inzet en betrokkenheid de ouders ondersteunen om noodzakelijke stappen te zetten.

De rechtbank verlengde de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor een jaar, oordeelde dat deze maatregelen noodzakelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor een jaar en wijst het prematuur genomen perspectiefbesluit af.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/374759 / JU RK 26-253
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
en
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna tezamen ook te noemen: de ouders,
en
[de gezinshuisouder 1] en [de gezinshuisouder 2] van Gezinshuis [Gezinshuis] ,
hierna te noemen: de gezinshuisouders,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 februari 2026;
  • de brief van de GI aan de ouders van 24 februari 2026 (perspectiefbesluit);
  • de ongedateerde brief van [orthopedagoog] , orthopedadoog “Advies rechtbank mbt ontwikkeling en perspectiefbepaling LR”;
  • aanvullende informatie (update ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing) van de GI, ontvangen op 27 februari 2026;
  • de brief van de GI aan de ouders over contact tijdens uithuisplaatsing van 27 februari 2026 (schriftelijke aanwijzing);
  • de brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) “Toetsing voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na twee jaar” van 9 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de ouders;
  • de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
  • [de gezinshuisouder 1] , gezinshuismoeder.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft sinds 21 juli 2023 in Gezinshuis [Gezinshuis] te [plaats] .
2.3.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 maart 2024 [de minderjarige]
onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna telkens verlengd, laatstelijk tot 18 maart 2026.
2.4.
Bij beschikking van 18 maart 2024 is [de minderjarige] , die toen al een klein jaar op vrijwillige basis in Gezinshuis [Gezinshuis] woonde, met een machtiging langer uithuisgeplaatst. De machtiging is daarna telkens verlengd, laatstelijk tot 18 maart 2026. In de beschikking van 6 mei 2025, waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing is verlengd tot 18 maart 2026 heeft de kinderrechter onder meer overwogen dat de GI in de komende periode in kaart moest brengen of een thuisplaatsing bij de ouders haalbaar zou zijn. Als dat niet het geval zou zijn en de GI niet langer zou toewerken naar een thuisplaatsing van [de minderjarige] , moest een perspectiefbesluit worden genomen.
2.5.
De Raad heeft in de brief van 9 maart 2026 vermeld geen advies over het verlengen van de kinderbeschermingsmaatregelen te kunnen uitbrengen, omdat de GI het verzoek daartoe te laat heeft ingediend.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft tevens een perspectiefbesluit genomen en de rechtbank verzocht dat besluit te toetsen. De GI heeft de verzoeken – schriftelijk en mondeling ter zitting – samengevat als volgt onderbouwd.
3.2.
[de minderjarige] woont sinds juli 2023 in gezinshuis [Gezinshuis] . Daar gaat het goed met [de minderjarige] en hij ontwikkelt zich positief. Het gezinshuis biedt [de minderjarige] de rust, voorspelbaarheid en verzorging die hij nodig heeft om zich veilig te voelen en zich verder goed te ontwikkelen. De communicatie tussen de gezinshuisouders en de ouders van [de minderjarige] gaat naar tevredenheid, waarbij de ouders ook hun medewerking verlenen, zoals toestemming voor school, opvang en identiteitsdocumenten.
3.3.
Toen [de minderjarige] thuis bij de ouders woonde, waren er zorgen over de lichamelijke verzorging van [de minderjarige] , dat hij te weinig aandacht kreeg van zijn ouders en de ruzies in het bijzijn van [de minderjarige] . Een ernstige en aanhoudende ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] wordt sinds de uithuisplaatsing met name gezien in relatie tot de omgang met de ouders. De omgangsmomenten tussen [de minderjarige] en zijn ouders leiden bij [de minderjarige] namelijk tot ernstige ontregeling, zoals intens huilen, overprikkeling, aanhankelijk gedrag, slecht slapen,
’s nachts huilend wakker worden en moeite hebben met eten en drinken. In de periode waarin geen omgang is, is [de minderjarige] stabiel en vrolijk. Er is veel gevarieerd ten aanzien van de omgangsmomenten, maar dat heeft niet tot een structurele verbetering van de ontregeling geleid. Daarbij is van belang dat de ouders beperkt leerbaar zijn en het hen, ondanks intensieve begeleiding, niet lukt om aan te sluiten bij de signalen, behoeftes en emotionele staat van [de minderjarige] . De ouders missen de opvoedingsvaardigheden om de zorg en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen. De orthopedagoog heeft geconcludeerd dat de aanvaardbare termijn waarin [de minderjarige] in onzekerheid kan verkeren over zijn opgroeiperspectief, ruim is overschreden. In het belang van [de minderjarige] moet daarom snel duidelijkheid komen hierover. De GI heeft geprobeerd een perspectiefonderzoek aan te vragen, maar er was te weinig omgang om dat onderzoek op te starten. Daarom heeft de GI het besluit genomen dat thuisplaatsing niet in het belang van [de minderjarige] is en dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] bij het gezinshuis ligt.
3.4.
De GI acht de verzochte verlenging van de maatregelen gelet op het voorgaande noodzakelijk om de ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] af te wenden en om de ingezette hulpverlening en bescherming te continueren. In het bijzonder zijn de verlenging van de maatregelen nodig om de omgang met de ouders van [de minderjarige] zorgvuldig te blijven monitoren en af te stemmen op wat het beste past bij [de minderjarige] en wat hij emotioneel aankan. Daarnaast is de verlenging van de maatregelen nodig om te onderzoeken hoe de huidige stabiele situatie voor [de minderjarige] duurzaam kan worden geborgd, al dan niet binnen een vrijwillig kader.

4.De standpunten

De ouders
4.1.
De ouders zijn het eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, maar niet met het perspectiefbesluit. De ouders zien dat [de minderjarige] het goed doet in het gezinshuis. Ook de twee oudere kinderen van de moeder wonen daar. De communicatie met de gezinshuisouders, en vooral de gezinshuismoeder, is goed en als er zaken geregeld moeten worden, dan hebben zij contact met elkaar. De ouders geven altijd hun toestemming voor bijvoorbeeld het aanvragen van een paspoort of de aanmelding voor een school. Wel vinden ze het heel vervelend dat ze zo weinig omgang met [de minderjarige] hebben. In de afgelopen periode hebben de ouders samen en ieder apart hulpverlening gevolgd om stappen te zetten in hun persoonlijke ontwikkeling. Ze zijn dan ook toe aan een uitbreiding van de omgang. In de beschikking van 14 maart 2025 heeft de kinderrechter de GI duidelijk de opdracht gegeven om te onderzoeken of de omgangsregeling uitgebreid kon worden en de mogelijkheden voor terugkeer van [de minderjarige] naar huis te beoordelen. Dat heeft de GI niet gedaan, integendeel: de omgang is nog minder geworden en de GI heeft zonder onderzoek bepaald dat [de minderjarige] niet meer thuis mag wonen. De ouders voelen zich dan ook overvallen en zijn ontstemd over het perspectiefbesluit en de schriftelijke aanwijzing waarin de omgang is verminderd. De ouders hebben geen enkel vertrouwen meer in de GI.
Het gezinshuis
4.2.
Namens het gezinshuis heeft de gezinshuismoeder naar voren gebracht dat [de minderjarige] het goed doet bij hen thuis. Hij is vrolijk, slaapt en eet goed en laat gedrag zien dat past bij zijn leeftijd. Alleen na de bezoeken van de ouders is [de minderjarige] enige tijd behoorlijk ontregeld. Dat is een belangrijk aandachtspunt. Desondanks is het ook belangrijk dat de contacten tussen [de minderjarige] en de ouders door blijven gaan en hun band behouden blijft. Het gezinshuis mist wel de betrokkenheid en de regie van de GI hierbij. Er is namelijk al geruime tijd geen vaste jeugdbeschermer betrokken, waardoor er veel beslissingen op de schouders van het gezinshuis terechtkomen. Wat wel fijn is en goed loopt is de ondersteuning die Praktijk [Praktijk] biedt rondom de omgangsmomenten.

5.De beoordeling

Het perspectiefbesluit
5.1.
De beslissing van de GI dat het opgroeiperspectief van een kind niet meer bij de ouders maar elders ligt, wordt het perspectiefbesluit genoemd. Een perspectiefbesluit kan aan het rechterlijk oordeel worden onderworpen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit. [1] De rechtbank ziet aanleiding om - in het kader van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] - het perspectiefbesluit van de GI van [de minderjarige] te toetsen en neemt hierbij het volgende in overweging.
5.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de GI die eerst bij [de minderjarige] betrokken was, te weten de Jeugd & Gezinsbeschermers Amsterdam, onvoldoende heeft kunnen aansluiten bij de ouders en niet voortvarend genoeg heeft gehandeld ten aanzien van de omgang en hulpverlening aan de ouders ter zake. In de beschikking van 6 mei 2025 is de huidige GI als GI aangesteld en zijn (wederom) ter overweging de volgende duidelijke handelwijzen aan de GI meegegeven:
  • in overleg met de gezinshuisouders, de ouders en de GI werken aan verdere opbouw van de omgang, waarbij het belang van [de minderjarige] centraal staat en
  • onderzoek doen naar het perspectief van [de minderjarige] .
De GI heeft hier helaas niet aan voldaan. Daarbij is van belang dat de GI het afgelopen jaar conform het Handelingskader heeft gehandeld, wat betekent dat er geen vaste jeugdbeschermer betrokken is geweest en er slechts op afstand regie is gevoerd. Concreet voor deze zaak betekent dit dat de situatie van [de minderjarige] van een afstand is gemonitord en voornamelijk informatie is opgehaald bij de hulpverleners die betrokken zijn. De rechtbank acht dit een zeer kwalijke gang van zaken, omdat juist deze ouders, met de doelen die gesteld zijn, behoefte hebben aan stevige regievoering van de GI. Hierdoor heeft de GI deze (kwetsbare) ouders geen echte kans gegeven om goed te werken aan de doelen vanuit de ondertoezichtstelling en te profiteren van passende hulpverlening. Zo is er onvoldoende gewerkt aan de grootste zorg omtrent [de minderjarige] , te weten zijn hevige ontregeling na een omgangsmoment met zijn ouders. De GI heeft daarbij niet dan wel onvoldoende geprobeerd inzichtelijk te krijgen waar de heftige reactie van [de minderjarige] vandaan komt en welke hulpverlening ingezet kan worden om dat tegen te gaan. De omgang, die al minimaal was, is vervolgens met de schriftelijke aanwijzing van 27 februari 2026 nog verder teruggebracht. De ontregeling van [de minderjarige] na een omgangsmoment is zorgwekkend en zeker een punt van aandacht, maar het ligt op de weg van de GI om daar eerst goed en zorgvuldig onderzoek naar te doen en de ouders in het eventuele te volgen traject mee te nemen. Dat vraagt om betrokkenheid en stevige regie van een vaste jeugdbeschermer, wat niet is gebeurd. Dit klemt temeer nu het gevolg van de beperkte omgang is dat er geen perspectiefonderzoek kan plaatsvinden.
5.3.
Volgens het advies van de orthopedagoog is voor [de minderjarige] de aanvaardbare termijn waarin hij in onzekerheid kan verkeren over zijn opgroeiperspectief verstreken en heeft hij nu behoefte aan duidelijkheid. Verdere vertraging werkt volgens de orthopedagoog nadelig voor de emotionele, sociale en cognitieve ontwikkeling van [de minderjarige] . De rechtbank ziet in het advies van de orthopedagoog, die wordt gevolgd door de GI, echter onvoldoende onderbouwing voor deze conclusie. De rechtbank begrijpt dat het voor [de minderjarige] ’s ontwikkeling belangrijk is dat hij rust, voorspelbaarheid en duidelijkheid nodig heeft om zich veilig te ontwikkelen, maar niet gebleken is dat de onduidelijkheid over zijn opgroeiperspectief al bij [de minderjarige] leidt tot een onaanvaardbare ontwikkelingsschade. Zo is niet gebleken dat [de minderjarige] onduidelijkheid ervaart over waar hij bijvoorbeeld woont of wie zijn ouders zijn. Dit is ook niet zo vreemd, want hij is pas drie jaar en woont al jaren bij de gezinshuisouders. [de minderjarige] ’s ontregeling rondom de omgang biedt hier ook onvoldoende aanwijzing voor mede omdat onduidelijk is wat de oorzaak daarvan is. Daarbij is van belang dat alle betrokkenen, dus ook de ouders, het met elkaar eens zijn dat [de minderjarige] goed zit bij de gezinshuisouders. De ouders geven [de minderjarige] in het verlengde daarvan ook voldoende emotionele toestemming om daar te zijn en (voorlopig) op te groeien. Dat de aanvaardbare termijn al ruim is overschreden is de rechtbank dan ook niet voldoende gebleken.
5.4.
De rechtbank is gelet op al het voorgaande van oordeel dat het perspectiefbesluit prematuur genomen is en zal het perspectiefbesluit daarom niet onderschrijven. De komende periode ligt het op de weg van de GI om met meer inzet en betrokkenheid te proberen om de ouders in staat te stellen de noodzakelijke stappen te zetten rondom de omgang, wat wellicht weer leidt tot de mogelijkheid van een perspectiefonderzoek. De stappen die gezet moeten worden door de ouders voor een eventuele (gedeeltelijke) thuisplaatsing zijn groot en de kans bestaat dat die niet haalbaar zijn voor de ouders. De ouders moeten echter wel een eerlijke kans krijgen voordat geconcludeerd wordt dat [de minderjarige] niet meer bij hen gaat opgroeien. Deze zorgvuldigere en eerlijke aanpak zal (mogelijk) ook in positieve zin bijdragen aan het acceptatieproces van de ouders in het geval de conclusie uiteindelijk toch is dat het niet in het belang van [de minderjarige] is dat hij weer thuis gaat wonen.
De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing
5.5.
Op basis van de mondelinge behandeling en de stukken is de kinderrechter van
oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en dat deze maatregelen ook noodzakelijk zijn in het belang van (de verzorging en opvoeding) van [de minderjarige] . De rechtbank legt hieronder uit waarom.
5.6.
De zorgen over de persoonlijke en gezamenlijke problematiek van de ouders zijn nog steeds aanwezig. De ouders hebben weliswaar naar voren gebracht dat zij zowel individueel als gezamenlijk stappen hebben gezet, maar beseffen ook dat zij nog een lange weg te gaan hebben. In het kader van de ondertoezichtstelling kan hier verder aan gewerkt worden, alsmede aan wat in rechtsoverweging 5.2. is opgenomen.
5.7.
Duidelijk is dat [de minderjarige] zich fijn voelt bij het gezinshuis en zich daar positief ontwikkelt. Hier wonen ook zijn biologische broer en zus, waardoor zijn band met hen behouden blijft. De gezinshuisouders hebben verder een goede verstandhouding en communicatie met de ouders. Het is dan ook in het belang van [de minderjarige] om de plaatsing in het gezinshuis te borgen met een machtiging tot uithuisplaatsing.
5.8.
De rechtbank constateert dat het advies van de Raad, zoals uitgevoerd moet worden in geval van een verlengingsverzoek van een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na een periode van twee jaar, niet voorhanden is aangezien een verzoek daartoe (te) laat door de GI was ingediend. Desondanks is de rechtbank ervan overtuigd dat de hierboven genoemde bevindingen ertoe leiden dat de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk zijn.
5.9.
De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van een jaar. [2]
5.10.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige]tot 18 maart 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]in een gezinsgerichte voorziening tot 18 maart 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door,
mr. S. Ok, mr. A.K. Mireku, en mr. M.M. Cuypers, kinderrechters, in aanwezigheid van
J.B. Stevens als griffier, en op schrift gesteld op 1 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148.
2.Artikelen 1:260, eerste lid, en 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.