7.3.Het oordeel van de rechtbank
Geen onevenredige belasting strafgeding
Mede gelet op het grote belang dat benadeelde partijen erbij hebben op een eenvoudige wijze schadeloos gesteld te worden voor de schade die zij door een strafbaar feit hebben geleden, moet worden voorkomen dat de strafrechter vaker dan nodig gebruik maakt van de bevoegdheid een benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat de strafrechter vindt dat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.Anders dan door de verdediging is bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de vordering te laat is ingediend of dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 1.018,52 rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Hieronder zet de rechtbank uiteen hoe deze materiële schade is opgebouwd.
Mantelzorg ouders
Voor de mantelzorg die door de ouders van het slachtoffer is verleend, is een totaalbedrag van € 8.208,- gevorderd. Deze gevorderde schade wordt betwist door de verdediging. De rechtbank stelt vast dat deze gevorderde schade inderdaad onvoldoende is onderbouwd om voor volledige toewijzing in aanmerking te komen. Het is echter voorstelbaar dat het slachtoffer gedurende een korte periode na de pleegdatum mantelzorg nodig heeft gehad. Op basis van de overgelegde medische informatie gaat de rechtbank uit van één uur per dag gedurende een periode van twee weken. De rechtbank is met de benadeelde partij van oordeel dat € 18,- per uur een redelijk bedrag is voor het uitvoeren van mantelzorg. De rechtbank zal, gelet op de gegeven onderbouwing, conform de vordering uitgaan van een bedrag van € 18,- per uur en deze schadepost daarom toewijzen tot een bedrag van € 252,- (veertien maal één uur per dag à € 18,-).
Kosten medische informatie
Voor de kosten van het verstrekken van medische informatie is € 15,93 gevorderd. De rechtbank zal de vordering in zoverre toewijzen, omdat deze schadepost niet inhoudelijk is betwist en deze kosten bovendien zijn onderbouwd met een factuur.
Reiskosten
Verder is namens de benadeelde partij € 20,59 aan reiskosten gevorderd. De rechtbank zal de vordering daarom ook in zoverre toewijzen, omdat deze schadepost niet inhoudelijk is betwist.
Beschadigde spullen en gemist genot
Schoenen
Namens de benadeelde partij is € 169,95 gevorderd voor de schoenen die hij tijdens het delict droeg en die hierdoor beschadigd zijn geraakt. De rechtbank is, de betwisting door de verdediging in aanmerking genomen, van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan of en in hoeverre de schoenen van de benadeelde partij door de zware mishandeling beschadigd zijn geraakt. Het dossier bevat slechts een printscreen van het type schoenen die de benadeelde op 26 juni 2024 droeg en foto’s van deze schoenen vóór 26 juni 2024 toen zij nog niet beschadigd waren. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
T-shirt en sportbroek
Ook is namens de benadeelde partij € 30,- gevorderd voor de kleding die door het delict beschadigd is geraakt. De verdediging heeft ook deze schadepost betwist. De rechtbank constateert dat het dossier een foto bevat van de benadeelde partij van direct na de zware mishandeling. Op deze foto zijn bloedspatten op de kleding zichtbaar. Deze schadepost is derhalve onvoldoende betwist, zodat de rechtbank de vordering in zoverre zal toewijzen.
Telefoon
Namens de benadeelde partij is € 700,- gevorderd voor de telefoon die tijdens de gebeurtenissen beschadigd is geraakt. Ook deze schadepost is door de verdediging betwist wegens onvoldoende onderbouwing. Uit het politieverhoor van de medeverdachte [de medeverdachte 1] blijkt echter dat hij de telefoon van het slachtoffer direct na afloop van het delict in handen kreeg en zag dat de telefoon “helemaal kapot en gebarsten” was, waarna hij de telefoon vlakbij het slachtoffer heeft neergelegd. De benadeelde partij heeft bovendien een factuur van deze telefoon van 12 november 2023 à € 800,- overgelegd. De rechtbank beschouwt deze schadepost daarmee als voldoende onderbouwd en zal de vordering daarom ook in zoverre toewijzen.
Fatbike
Namens de benadeelde partij is € 650,- gevorderd voor de fatbike die tijdens het delict beschadigd is geraakt. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat deze schadepost onvoldoende is onderbouwd. Uit het dossier blijkt inderdaad dat het alarm van de fatbike tijdens het delict is afgegaan, maar verdere details of foto’s van schade van de fatbike ontbreken. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of en in hoeverre de fatbike beschadigd is geraakt en of een reparatie van de fatbike nog tot de mogelijkheden behoorde. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Gemist genot
Verder is namens de benadeelde partij € 57,- gevorderd, gelijk aan twee maanden contributie van de sportschool van de benadeelde aangezien hij gedurende deze periode niet kon kickboksen door zijn klachten. De rechtbank is, gegeven de betwisting van deze schade door de verdediging, van oordeel dat deze schadepost onvoldoende is onderbouwd. Hoewel het begrijpelijk is dat de benadeelde vanwege zijn letsel enige tijd minder of geen gebruik heeft kunnen maken van zijn sportschoolabonnement, had het door de betwisting van deze schade op de weg van de benadeelde gelegen om deze schade nader te onderbouwen, bijvoorbeeld met een factuur van zijn sportschool. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Smartengeld
Tot slot is namens de benadeelde partij een bedrag van € 45.000,- gevorderd aan immateriële schade. Vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Anders dan de verdediging heeft gesteld, hoeft er geen sprake te zijn van een medische eindsituatie om toe te kunnen komen aan het toekennen van immateriële schadevergoeding. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat het ontbreken van een medische eindsituatie in de weg staat aan het gebruik van de zogenaamde Rotterdamse schaal. De rechtbank zal de omvang van de immateriële schadevergoeding vaststellen op basis van de huidige beschikbare medische informatie over de benadeelde partij. Bovendien staat naar het oordeel van de rechtbank, met de door de benadeelde partij gegeven motivering en onderbouwende stukken, vast dat het (psychisch) letsel van de benadeelde partij is veroorzaakt door de zware mishandeling gepleegd op 26 juni 2024, waarmee het causale verband een gegeven is.
De rechtbank ziet aanleiding om wat de schedelbeschadiging betreft aan te sluiten bij de in de Rotterdamse schaal benoemde categorie B (meerdere breuken van botten in het gezicht), omdat uit de medische stukken blijkt dat er sprake is van een deviatie (scheefstand) van de neus van het slachtoffer die blijvend van aard is. Omdat deze deviatie op dit moment minimaal is, er verder geen sprake is van misvorming in het gezicht en nog onduidelijk is of een neuscorrectie na het achttiende levensjaar nodig zal zijn, acht de rechtbank een bedrag billijk dat lager is dan de geadviseerde bandbreedte.
Ten aanzien van de PTSS-klachten zal de rechtbank de verdediging volgen in het subsidiaire standpunt om aan te sluiten bij categorie C (middelzwaar), omdat de zware mishandeling op dit moment nog geen twee jaar geleden heeft plaatsgevonden en het nog onduidelijk is hoe de PTSS-klachten zich verder zullen ontwikkelen en zullen voortduren.
Anders dan door de benadeelde partij is gesteld, gaat de rechtbank voorbij aan de toepassing van de aanbeveling om bij blijvend letsel bij kinderen jonger dan veertien jaar het smartengeld met 25% te verhogen, omdat, zoals hiervoor aangegeven, de deviatie van de neus van de benadeelde op dit moment minimaal van aard is en vooralsnog niet vaststaat hoe het toestandsbeeld van de benadeelde eruit ziet na 26 juni 2026. De rechtbank ziet wel aanleiding om aan te sluiten bij de aanbeveling om het smartengeld met 25% te verhogen omdat er bij de verdachten sprake is geweest van opzet op het toebrengen van letsel. Alles overziend acht de rechtbank een bedrag van € 10.000,- billijk, zodat de rechtbank de vordering ook in zoverre zal toewijzen. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Conclusie
Samengevat zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 11.018,52, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld nihil. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder punt 3.4. bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: het medeplegen van een zware mishandeling] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.