ECLI:NL:RBNHO:2026:3306

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
15/215941-24 (P)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 47 SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot medeplegen doodslag met voorwaardelijke jeugddetentie en taakstraf

Op 26 juni 2024 heeft de verdachte samen met anderen het slachtoffer in een steeg te Alkmaar aangevallen, waarbij hij het slachtoffer meerdere keren sloeg en met een geschoeide voet hard in het gezicht trapte, wat leidde tot ernstige verwondingen zoals breuken in het gezicht en een hersenschudding.

De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte medepleegde aan een poging tot doodslag. De verdediging voerde vrijspraak aan, maar dit werd verworpen vanwege het bewijs, waaronder verklaringen van medeverdachten en WhatsApp-berichten.

De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van twee maanden met een proeftijd van twee jaar, een leerstraf van 30 uur (Tools4U Verlengd) en een werkstraf van 90 uur, met aftrek van voorarrest. De rechtbank legde bijzondere voorwaarden op zoals contact met de jeugdreclassering en begeleiding.

De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van €11.018,52, bestaande uit materiële en immateriële schade, waarbij de ouders van de verdachte hoofdelijk werden veroordeeld tot betaling. De rechtbank wees een schadevergoedingsmaatregel af vanwege de jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van het delict.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twee maanden voorwaardelijke jeugddetentie, leer- en werkstraf, en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/215941-24 (P)
Uitspraakdatum: 18 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen met gesloten deuren van 3 en 4 februari 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] , en van wat:
- de verdachte en zijn raadsman mr. F.J. ten Seldam, advocaat te Limmen;
- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
- [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens de Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna: de jeugdreclassering);
- de aangever [de benadeelde partij] (hierna: het slachtoffer of de benadeelde partij) en zijn raadsvrouw mr. M.F. van der Sleen, advocaat te Alkmaar, en
- de ouders van de verdachte
naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 26 juni 2024 te Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door
verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [de benadeelde partij] opzettelijk
van het leven te beroven,
- die [de benadeelde partij] onder dreiging van (gebruik van) een taser naar een steeg, althans een
afgelegen plek, heeft meegenomen en/of
- meermaals met gebalde vuisten in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd, althans
het lichaam, van die [de benadeelde partij] heeft geslagen ten gevolge waarvan die [de benadeelde partij] ten val is
gekomen en/of
- meermalen met kracht tegen/in/op het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam,
heeft geslagen terwijl die [de benadeelde partij] op de grond lag en/of
- meermalen met kracht en/of met geschoeide voet tegen/in/op het gezicht en/of
het hoofd, althans het lichaam, heeft geschopt en/of getrapt terwijl [de benadeelde partij] op de
grond lag,
- ( daarbij) 'maak hem dood, sla hem dood', althans woorden van gelijke strekking,
heeft geroepen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 juni 2024 te Alkmaar
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [de benadeelde partij] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten
- een breuk in de voor- en zijwand van de kaak(bijholte) en/of
- een breuk in de voor- en zijwand van de voorhoofdholte(s) en/of
- een breuk in de neus,
heeft toegebracht, door
- meermaals met gebalde vuisten in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd, althans
het lichaam, te slaan ten gevolge waarvan die [de benadeelde partij] ten val is gekomen en/of
- meermalen met kracht tegen/in/op het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam,
te slaan terwijl die [de benadeelde partij] op de grond lag en/of
- meermalen met kracht en/of met geschoeide voet tegen/in/op het gezicht en/of
het hoofd, althans het lichaam, te schoppen en/of te trappen terwijl [de benadeelde partij] op de
grond lag.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt, met de officier van justitie maar anders dan de verdediging, wel tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.2.
Bewijsmotivering medeplegen poging doodslag
De verdachte heeft verklaard dat het plan op 26 juni 2024 was om het slachtoffer in een steeg te krijgen en hem daar te dwingen een filmpje op zijn telefoon over te zetten op de telefoon van de broer van de verdachte. De verdachte geeft toe dat hij het slachtoffer in de steeg heeft geslagen en geschopt, maar heeft op de zitting, anders dan eerder bij de rechter-commissaris, aangegeven dat zijn schop terecht kwam tegen de armen van het slachtoffer, omdat deze zijn armen gebruikte om zijn hoofd te beschermen. Volgens de verdediging heeft de verdachte ook in zijn eerdere verklaring bedoeld te zeggen dat zijn schop tegen de armen van het slachtoffer was aangekomen.
De rechtbank verwerpt dit verweer en beschouwt de op de zitting gegeven nadere nuancering en uitleg door de verdachte van zijn eerdere verklaring bij de rechter-commissaris op 5 juli 2024, als ongeloofwaardig. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen. Uit het proces-verbaal van bevindingen waarin een WhatsApp-gesprek tussen de verdachte en de medeverdachte [de medeverdachte 1] is uitgeschreven, blijkt dat de verdachte uit eigen beweging typt dat hij het slachtoffer ‘een penalty’ heeft gegeven en dat hij daardoor de neus van het slachtoffer heeft gebroken. De verdachte geeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris desgevraagd ook aan dat het klopt dat bij de “penalty” gedacht moet worden aan een schop tegen het hoofd. Hieruit concludeert de rechtbank dat de trap van de verdachte met kracht moet zijn gegeven en in het gezicht van het slachtoffer terecht is gekomen. Uit de verklaring van de medeverdachte [de medeverdachte 2] leidt de rechtbank bovendien af dat de verdachte aan kwam rennen voordat hij het slachtoffer een trap in het gezicht gaf en dat het slachtoffer door deze trap zijn bewustzijn verloor. De medeverdachte omschrijft deze trap onder andere als ‘een harde voetbaltrap’ die, als deze tegen een voetbal zou zijn gegeven, de bal minimaal 20 meter verder zou hebben gebracht. Daarnaast heeft de verdachte ook zelf verklaard dat hij het slachtoffer meerdere keren heeft geslagen en heeft geschopt. Het letsel van het slachtoffer bestaat uit meerdere breuken in het gezicht en een hersenschudding.
Conclusie
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande dat de verdachte bij zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard door met een aanloop en met geschoeide voet het slachtoffer hard in het gezicht te trappen. Dusdanig excessief geweld op het hoofd kan tot de dood leiden, omdat onder andere de slapen en de nekwervels het hoofd kwetsbaar maken. De rechtbank komt hiermee tot een bewezenverklaring van het medeplegen van een poging doodslag. Dat de verdachte nog jong was en daarom de gevolgen van zijn handelen wellicht niet goed kon overzien, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niets aan af.
3.3.3.
Partiële vrijspraak
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat het slachtoffer onder bedreiging van een taser naar de steeg is meegenomen. In het dossier wordt weliswaar gesproken over de aanwezigheid van een taser, maar op het moment dat het slachtoffer deze waarnam bevond hij zich al in de steeg. Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte of een van de medeverdachten bewoordingen als ‘maak hem dood’ of ‘sla hem dood’ heeft geroepen tijdens het schoppen en slaan van het slachtoffer. Hoewel de rechtbank de verklaring van het slachtoffer als een gedetailleerde en consistente verklaring beschouwt, wordt de verklaring van het slachtoffer op dit punt niet ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. Dat een medeverdachte heeft verklaard dat mogelijk de woorden ‘sla hem’ zijn gebruikt, beschouwt de rechtbank als woorden van dusdanig andere strekking, dat deze verklaring niet kan worden gebruikt als voldoende steunbewijs op dit punt.
De rechtbank zal de verdachte dan ook in zoverre vrijspreken van het primair tenlastegelegde.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 26 juni 2024 te Alkmaar tezamen en in vereniging anderen ter uitvoering van het door
verdachte voorgenomen misdrijf om [de benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven,
- die [de benadeelde partij] onder dreiging naar een steeg heeft meegenomen en
- met gebalde vuist in het gezicht van die [de benadeelde partij] heeft geslagen ten gevolge waarvan die [de benadeelde partij] ten val is gekomen en
- meermalen (met kracht) in het gezicht en tegen het hoofd heeft geslagen terwijl die [de benadeelde partij] op de grond lag en
- meermalen (met kracht) en met geschoeide voet in het gezicht en tegen het hoofd en het lichaam heeft geschopt terwijl [de benadeelde partij] op de grond lag,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op: poging tot medeplegen van doodslag.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6.Motivering van de sancties

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een leerstraf voor de duur van 30 uur, bestaande uit Tools4U Verlengd en een werkstraf voor de duur van 150 uur met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft (subsidiair) bepleit om de verdachte te veroordelen tot een leerstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geëist door de officier van justitie.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging doodslag. De verdachte is samen met zijn oudere broer de aanstichter geweest van het geweld op 26 juni 2024. Dankzij hen stond een groep jongeren het slachtoffer op te wachten in een steeg en werd het slachtoffer door de broer van de verdachte onder bedreiging naar de steeg toe geleid onder het voorwendsel om één-op-één te praten. Het slachtoffer kon geen kant op en moest zich in zijn eentje zien te verweren tegen een grote groep oudere jongens. De verdachte is daarbij degene geweest die het slachtoffer niet alleen heeft geslagen, maar ook een harde trap in zijn gezicht heeft gegeven. Een van de medeverdachten verklaart hierover dat het slachtoffer door deze trap even bewusteloos raakte en omschrijft de trap als een ‘harde voetbaltrap’. Het is extra kwalijk dat de verdachte de dag daarna op WhatsApp de indruk geeft trots te zijn op het uitdelen van een – in zijn eigen woorden – penalty. De verdachte had beter moeten weten dan op deze buitenproportionele manier te reageren op een ‘kniel en zeg sorry’ filmpje.
De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem (samen met anderen) pijn en letsel toegebracht. Het fysieke letsel van het slachtoffer bestaat uit meerdere breuken in het gezicht en een hersenschudding. De verdachte mag van geluk spreken dat zijn handelen geen fatale gevolgen heeft gehad.
De ervaring leert bovendien dat slachtoffers van misdrijven als deze vaak langdurig psychische klachten ondervinden. Uit de vordering tot schadevergoeding en de door het slachtoffer op de zitting zelf voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring, blijkt ook dat de gebeurtenissen op 26 juni 2024 traumatiserend zijn geweest en het nog jonge leven van het slachtoffer hebben veranderd. Het slachtoffer is nog steeds vaak bang, op zijn hoede en vertrouwt anderen minder snel. Er is bij het slachtoffer PTSS vastgesteld, waarvoor hij al een jaar in behandeling is geweest maar met onvoldoende resultaat. Hij staat nu op de wachtlijst voor intensievere begeleiding. Verder ervaart het slachtoffer nog dagelijks hoofdpijn, misselijkheid, duizeligheid en concentratieproblemen.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 6 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld;
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 15 januari 2026 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad voor de Kinderbescherming. De Raad adviseert de verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarden naar school gaan volgens rooster en meewerken aan begeleiding vanuit Straatgeluid en CTRL Care, met daarbij de leerstraf Tools4U Verlengd. Op de zitting heeft de Raad begeleiding door de jeugdreclassering als bijzondere voorwaarde toegevoegd aan het advies.
Met betrekking tot de aan de verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank verder nog het volgende overwogen.
Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat in beginsel alleen een jeugddetentie kan volstaan. Uit het rapport van de Raad blijkt echter dat de kans op herhaling laag is. De verdachte laat tegenover hulpverleners en op school een betere houding zien en wil graag de vaardigheden die hij heeft geleerd beter kunnen toepassen in nieuwe situaties. De rechtbank acht, in lijn met de standpunten van de verdediging, de Raad en de officier van justitie, daarom een onvoorwaardelijke jeugddetentie niet passend bij de kwetsbaarheid van de verdachte en de positieve ontwikkeling die de verdachte sinds het delict laat zien. De rechtbank komt daarom net als de officier van justitie uit op een voorwaardelijke jeugddetentie, maar dan voor de duur van twee maanden. De rechtbank acht daarbij als bijzondere voorwaarden verplicht contact met de jeugdreclassering, het hebben en behouden van een dagbesteding en meewerken aan begeleiding van Straatgeluid en CTRL Care van belang. Op die manier kan het hulpverleningskader, dat vanuit de schorsingsvoorwaarden tot stand is gekomen, worden voortgezet en blijven gedurende de proeftijd van twee jaar zo veel mogelijk dezelfde hulpverleners bij de verdere voortgang van de verdachte betrokken.
Daarnaast dient aan de verdachte ook een onvoorwaardelijk strafdeel, in de vorm van een leer- en werkstraf te worden opgelegd. De Raad heeft in het rapport en op de terechtzitting toegelicht dat de verdachte moeite heeft om geleerde vaardigheden in nieuwe situaties toe te passen en baat heeft bij veel herhaling om dit alsnog te bewerkstelligen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de verdachte te veroordelen tot het verrichten van de leerstraf Tools4U in de verlengde variant (in uren te bepalen op 30 uur). Ook acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 90 uren noodzakelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht.
De werkstraf en de voorwaardelijke jeugddetentie kennen een kortere duur dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank ziet hiertoe aanleiding vanwege de nog jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van het plegen van het feit en de overschrijding van de redelijke termijn.

7.Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [de benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 54.871,47 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Op de terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partij toegelicht dat het gevorderde bedrag voor de beschadigde Nike schoenen (onderdeel van de schadepost ‘beschadigde spullen en gemist genot’) wordt bijgesteld van € 189,95 naar € 169,95. Het totaal gevorderde bedrag komt daarmee uit op € 54.851,47. De gestelde schade bestaat uit:
- de mantelzorg door de ouders: € 8.208,-;
- de kosten van het verstrekken van medische informatie: € 15,93;
- reiskosten: € 20,59;
- beschadigde spullen en gemist genot: € 1.606,95 en
- smartengeld: € 45.000,-.
Met betrekking tot de materiële schade waarvoor geen bewijsstukken kunnen worden overgelegd, is de rechtbank verzocht gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid. [1] De benadeelde partij verzoekt de toe te wijzen schade hoofdelijk op te leggen. De vordering moet worden beschouwd als een voorschot op de definitief te bepalen schade, omdat het slachtoffer nog niet volledig is hersteld.
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier heeft het standpunt ingenomen dat de gehele vordering hoofdelijk kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft namens de ouders bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, ook omdat de vordering laat is ingediend. Subsidiair moet de vordering volledig dan wel gedeeltelijk worden afgewezen, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Er is nog geen sprake van een medische eindsituatie en er kan niet worden vastgesteld in hoeverre de huidige klachten in causaal verband staan met het tenlastegelegde. De aanbeveling om bij ernstige verwijtbaarheid of opzet het smartengeld te verhogen mist toepassing, omdat in dit geval sprake is van risicoaansprakelijkheid van de ouders.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Vordering gericht tegen de ouders van de verdachte
De rechtbank stelt vast dat de vordering betrekking heeft op gedragingen van een minderjarige die ten tijde van het bewezenverklaarde feit de leeftijd van veertien jaar nog niet had bereikt. In verband met de leeftijd van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit worden de vorderingen daarom op grond van artikel 51g lid 4 van het Wetboek van Strafvordering geacht te zijn ingediend tegen de (gezaghebbende) ouder(s) van de verdachte. De rechtbank constateert dat beide ouders met het gezag over de verdachte zijn belast. Dat was ook het geval ten tijde van het bewezenverklaarde.
Geen onevenredige belasting strafgeding
Mede gelet op het grote belang dat benadeelde partijen erbij hebben op een eenvoudige wijze schadeloos gesteld te worden voor de schade die zij door een strafbaar feit hebben geleden, moet worden voorkomen dat de strafrechter vaker dan nodig gebruik maakt van de bevoegdheid een benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat de strafrechter vindt dat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. [2] Anders dan door de verdediging is bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de vordering te laat is ingediend of dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 1.018,52 rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Hieronder zet de rechtbank uiteen hoe deze materiële schade is opgebouwd.
Mantelzorg ouders
Voor de mantelzorg die door de ouders van het slachtoffer is verleend, is een totaalbedrag van € 8.208,- gevorderd. Deze gevorderde schade wordt betwist door de verdediging. De rechtbank stelt vast dat deze gevorderde schade inderdaad onvoldoende is onderbouwd om voor volledige toewijzing in aanmerking te komen. Het is echter voorstelbaar dat het slachtoffer gedurende een korte periode na de pleegdatum mantelzorg nodig heeft gehad. Op basis van de overgelegde medische informatie gaat de rechtbank uit van één uur per dag gedurende een periode van twee weken. De rechtbank is met de benadeelde partij van oordeel dat € 18,- per uur een redelijk bedrag is voor het uitvoeren van mantelzorg. De rechtbank zal, gelet op de gegeven onderbouwing, conform de vordering uitgaan van een bedrag van € 18,- per uur en zal deze schadepost daarom toewijzen tot een bedrag van € 252,- (veertien maal één uur per dag à € 18,-).
Kosten medische informatie
Voor de kosten van het verstrekken van medische informatie is € 15,93 gevorderd. Deze kosten zijn door de verdediging betwist. De rechtbank stelt vast dat deze schadepost is onderbouwd met een factuur. De rechtbank zal de vordering daarom in zoverre toewijzen.
Reiskosten
Verder is namens de benadeelde partij € 20,59 aan reiskosten gevorderd. Deze kosten zijn door de verdediging betwist vanwege een gebrek aan onderbouwing. Uit de overgelegde stukken blijkt dat er meerdere sessies bij Praktijk WIJS hebben plaatsgevonden en dat de benadeelde partij op 24 en 26 juni en op 1 en 2 juli 2024 het ziekenhuis in Alkmaar heeft bezocht. De rechtbank zal de vordering daarom ook in zoverre toewijzen.
Beschadigde spullen en gemist genot
Schoenen
Namens de benadeelde partij is € 169,95 gevorderd voor de schoenen die hij tijdens het delict droeg en die hierdoor beschadigd zijn geraakt. De rechtbank is, de betwisting door de verdediging in aanmerking genomen, van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan of en in hoeverre de schoenen van de benadeelde partij door het strafbare feit beschadigd zijn geraakt. Het dossier bevat slechts een printscreen van het type schoenen die de benadeelde op 26 juni 2024 droeg en foto’s van deze schoenen vóór 26 juni 2024 toen zij nog niet beschadigd waren. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
T-shirt en sportbroek
Ook is namens de benadeelde partij € 30,- gevorderd voor de kleding die door het delict beschadigd is geraakt. De verdediging heeft ook deze schadepost betwist. De rechtbank constateert dat het dossier een foto bevat van de benadeelde partij van direct na het delict. Op deze foto zijn bloedspatten op de kleding zichtbaar. Deze schadepost is derhalve onvoldoende betwist, zodat de rechtbank de vordering in zoverre zal toewijzen.
Telefoon
Namens de benadeelde partij is € 700,- gevorderd voor de telefoon die tijdens de gebeurtenissen beschadigd is geraakt. Ook deze schadepost is door de verdediging betwist wegens onvoldoende onderbouwing. Uit het politieverhoor van medeverdachte [de medeverdachte 3] blijkt echter dat hij de telefoon van het slachtoffer direct na afloop van het delict in handen kreeg en zag dat de telefoon “helemaal kapot en gebarsten” was, waarna hij de telefoon vlakbij het slachtoffer heeft neergelegd. De benadeelde partij heeft bovendien een factuur van deze telefoon van 12 november 2023 à € 800,- overgelegd. De rechtbank beschouwt deze schadepost daarmee als voldoende onderbouwd en zal de vordering daarom ook in zoverre toewijzen.
Fatbike
Namens de benadeelde partij is € 650,- gevorderd voor de fatbike die tijdens het delict beschadigd is geraakt. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat deze schadepost onvoldoende is onderbouwd. Uit het dossier blijkt inderdaad dat het alarm van de fatbike tijdens het delict is afgegaan, maar verdere details of foto’s van schade van de fatbike ontbreken. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of en in hoeverre de fatbike beschadigd is geraakt en of een reparatie van de fatbike nog tot de mogelijkheden behoorde. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Gemist genot
Verder is namens de benadeelde partij € 57,- gevorderd, gelijk aan twee maanden contributie van de sportschool van de benadeelde aangezien hij gedurende deze periode niet kon kickboksen door zijn klachten. De rechtbank is, gegeven de betwisting van deze schade door de verdediging van oordeel dat deze schadepost onvoldoende is onderbouwd. Hoewel het begrijpelijk is dat de benadeelde vanwege zijn letsel enige tijd minder of geen gebruik heeft kunnen maken van zijn sportschoolabonnement, had het door de betwisting van deze schade op de weg van de benadeelde gelegen om deze schade nader te onderbouwen, bijvoorbeeld met een factuur van zijn sportschool. De rechtbank acht de benadeelde partij daarom in zoverre niet-ontvankelijk in de vordering.
Smartengeld
Tot slot is namens de benadeelde partij een bedrag van € 45.000,- gevorderd aan immateriële schade. Vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Anders dan de verdediging heeft gesteld, hoeft er geen sprake te zijn van een medische eindsituatie om immateriële schadevergoeding toe te kennen. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat het ontbreken van een medische eindsituatie in de weg staat aan het gebruik van de zogenaamde Rotterdamse schaal [3] . De rechtbank zal de omvang van de immateriële schadevergoeding vaststellen op basis van de huidige beschikbare medische informatie over de benadeelde partij. Bovendien staat naar het oordeel van de rechtbank, met de door de benadeelde partij gegeven motivering en onderbouwende stukken, vast dat het (psychisch) letsel van de benadeelde partij is veroorzaakt door de poging doodslag gepleegd op 26 juni 2024, waarmee het causale verband een gegeven is.
De rechtbank ziet aanleiding om wat de schedelbeschadiging betreft aan te sluiten bij de in de Rotterdamse schaal benoemde categorie B (meerdere breuken van botten in het gezicht), omdat uit de medische stukken blijkt dat er sprake is van een deviatie (scheefstand) van de neus van het slachtoffer die blijvend van aard is. Omdat deze deviatie op dit moment minimaal is, er verder geen sprake is van misvorming in het gezicht en nog onduidelijk is of een neuscorrectie na het achttiende levensjaar nodig zal zijn, acht de rechtbank een bedrag billijk dat lager is dan de geadviseerde bandbreedte.
Ten aanzien van de PTSS-klachten zal de rechtbank de verdediging volgen in het subsidiaire standpunt om aan te sluiten bij categorie c (middelzwaar), omdat de zware mishandeling nog geen twee jaar geleden heeft plaatsgevonden en onduidelijk is hoe de PTSS-klachten zich verder zullen ontwikkelen en voortduren.
Anders dan door de benadeelde partij is gesteld, gaat de rechtbank voorbij aan de toepassing van de aanbeveling om bij blijvend letsel bij kinderen jonger dan veertien jaar het smartengeld met 25% te verhogen, omdat, zoals hiervoor weergegeven, de deviatie van de neus van de benadeelde op dit moment minimaal van aard is en vooralsnog niet vaststaat hoe het toestandsbeeld van de benadeelde eruit ziet na 26 juni 2026.
Gelet op de ernst van het feit en de nog jonge leeftijd van het slachtoffer, acht de rechtbank een bedrag van € 10.000,- als immateriële schadevergoeding billijk, zodat de rechtbank de vordering ook in zoverre zal toewijzen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding de aanbevelingen van de Rotterdamse schaal in acht genomen, voor zover deze van toepassing zijn. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Conclusie
Samengevat zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 11.018,52, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de ouders van de verdachte in zoverre zullen zijn bevrijd. Daarnaast moeten de ouders van de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 45, 47, 63, 77a, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van
twee maanden.
Beveelt dat deze jeugddetentie
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich meldt bij de Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te Alkmaar, en zich gedurende de proeftijd en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd onderwijs volgens het schoolrooster zal volgen en zal meewerken aan het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding, voor zover de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
- meewerkt aan begeleiding vanuit Straatgeluid en CTRL Care, zo frequent en zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. De begeleiding dient gericht te zijn op het leren herkennen van probleemsituaties en het leren toepassen van aangeleerde vaardigheden in nieuwe situaties.
Geeft opdracht aan De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te [adres] , een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van
30 (dertig) uren, in de vorm van een leerstraf, te weten Tools4U Verlengd, aangeboden door of namens de Raad voor de Kinderbescherming, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 15 (vijftien) dagen jeugddetentie.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
90 (negentig) urentaakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen jeugddetentie.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij]geleden schade tot een bedrag van € 11.018,52 (elfduizend en achttien euro en tweeënvijftig eurocent), bestaande uit € 10.000,- voor de immateriële en € 1.018,52 voor de materiële schade, en veroordeelt de ouders van de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, de ouders van de verdachte in zoverre zullen zijn bevrijd.
Veroordeelt de ouders van de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. N. Cuvelier, voorzitter,
mr. E.C.M. van Mierlo en mr. E.G. van Roest, rechters, allen tevens kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.A.C. Sinnige,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 februari 2026.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
2.ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.1.
3.Rotterdamse schaal: