Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3277

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
11950952 \ CV EXPL 25-3267
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWBoek 6, titel 5, afdeling 2B BWArt. 22 RvArt. 139 RvRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over precontractuele informatieplicht en oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomst

In deze civiele zaak vordert de eisende partij betaling van een bedrag vermeerderd met rente en incassokosten van de gedaagde, die verstek liet gaan. De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, waarbij de kantonrechter ambtshalve toetst of aan de wettelijke precontractuele informatieplichten is voldaan.

De eisende partij heeft nagelaten te stellen en te onderbouwen hoe zij aan deze informatieplichten heeft voldaan, waardoor de kantonrechter niet kan vaststellen op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen en of essentiële informatie duidelijk is verstrekt. Tevens is het rente- en incassokostenbeding in de algemene voorwaarden voorlopig als oneerlijk beoordeeld, omdat het de wettelijke handelsrente overschrijdt en buitengerechtelijke kosten onbegrensd en zonder vereiste ingebrekestelling in rekening brengt.

De kantonrechter geeft de eisende partij eenmalig de mogelijkheid om bij akte nadere toelichting te geven over de totstandkoming van de overeenkomst en de naleving van de informatieplichten, alsmede over het oordeel omtrent de oneerlijkheid van de bedingen. Bij uitblijven van een volledige reactie zal de kantonrechter passende gevolgen verbinden. De zaak wordt aangehouden tot de rolzitting van 23 april 2026.

Uitkomst: De kantonrechter houdt de zaak aan en geeft de eisende partij gelegenheid tot nadere toelichting over precontractuele informatieplichten en oneerlijke bedingen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 11950952 \ CV EXPL 25-3267
Uitspraakdatum: 26 maart 2026
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser] B.V.
te [plaats 1]
de eisende partij
gemachtigde: Te-Recht Gerechtsdeurwaarders & Incasso B.V.
tegen
[gedaagde]
te [plaats 2]
de gedaagde partij
niet verschenen
De procedure
1.1. De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van
€ 3.167,82, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten en te verminderen met deelbetalingen.
2.2.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Boek 6, titel 5, afdeling 2B van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. [1]
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.3.
De eisende partij heeft niet gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten. De eisende partij heeft namelijk nagelaten een concrete toelichting te geven op de wijze van totstandkoming van de overeenkomst en hoe zij in die situatie heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen (op afstand, buiten de verkoopruimte of binnen de verkoopruimte) en of aan de gedaagde partij op duidelijke en begrijpelijke wijze de hiervoor bedoelde essentiële informatie is verstrekt.
2.4.
Weliswaar heeft de eisende partij producties bij de dagvaarding overgelegd, maar zonder toe te lichten welke delen daarvan relevant zijn voor welk standpunt. Producties kunnen stellingen enkel ondersteunen en niet vervangen. Het is niet aan de kantonrechter om eigenhandig op zoek te gaan naar informatie. [2] Het is dus aan de eisende partij om concreet aan te geven welke informatie in welke productie/welke schermafdruk te vinden is (bijvoorbeeld door de relevante onderdelen in de producties te onderstrepen of te arceren).
De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat het ontbreken van een dergelijke onderbouwing in eventuele vervolgzaken [3] kan leiden tot het afwijzen van de vordering.
2.5.
In dit geval en bij wijze van uitzondering zal de eisende partij echter eenmalig in de gelegenheid worden gesteld bij akte toe te lichten op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen (op afstand, buiten de verkoopruimte of binnen de verkoopruimte) en hoe zij daarbij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.6.
De kantonrechter moet onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. [4] Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.7.
Op de overeenkomst(en) zijn de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing verklaard: ‘Algemene voorwaarden [eiser] B.V., [plaats 1]’ (hierna: de algemene voorwaarden).
2.8.
Artikel 5, onder c van de algemene voorwaarden betreft een rente- en incassokostenbeding. Dat luidt als volgt:
‘c. Indien niet binnen de overeengekomen betalingstermijn is betaald, wordt de contractspartij geacht van rechtswege in verzuim te zijn en heeft De Heus zonder nadere ingebrekestelling het recht vanaf de vervaldatum een rente in rekening te brengen zoals door De Heus bepaald is, welke rente echter gemaximeerd is tot de wettelijke rente op handelsvorderingen vermeerderd met 2%, alsmede aanspraak te maken op alle op de inning van haar vordering vervallen kosten, waaronder de gerechtelijke en buitengerechtelijke incassokosten.’
2.9.
De bedongen rente is hoger dan de wettelijke handelsrente. Het rentebeding is daarom vermoedelijk oneerlijk. De kantonrechter is voornemens om het beding te vernietigen en de gevorderde wettelijke rente af te wijzen. De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten.
2.10.
Daarnaast wordt in dit beding ten nadele van de consument afgeweken van het bepaalde in artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Er wordt immers van uitgegaan dat alle kosten verschuldigd zijn. Daarbij is ook geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Tot slot volgt uit de tekst van het beding dat de incassokosten al verschuldigd zijn zodra het verzuim is ingetreden, terwijl de wettekst voorschrijft dat éérst nog een zogenoemde veertiendagenbrief moet worden verstuurd. Het incassokostenbeding is daarom eveneens vermoedelijk oneerlijk. De kantonrechter is voornemens om het beding te vernietigen en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten af te wijzen. De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten.
Conclusie
2.11.
De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld bij akte toe te lichten op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen (op afstand, buiten de verkoopruimte of binnen de verkoopruimte) en hoe zij daarbij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten. In deze akte kan zij zich eveneens uitlaten over het voorshands uitgesproken oordeel omtrent de oneerlijkheid van de hiervoor genoemde bedingen.
2.12.
Als aan de hierboven bedoelde opdracht niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen verbinden die hij geraden acht.
2.13.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 23 april 2026 om de eisende partij in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel zoals hiervoor is overwogen;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677).
2.Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404.
3.Ingeleid met een dagvaarding vanaf 1 mei 2026.
4.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).