Uitspraak
Koninklijke Vezet B.V., te Warmenhuizen,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Noord-Holland
Een werknemer vorderde een verklaring voor recht dat zijn ex-werkgever tekortgeschoten was in haar re-integratieverplichtingen en betaling van loon tijdens ziekte na het einde van de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst was geëindigd op 22 mei 2024, waarna de werknemer een Ziektewet-uitkering ontving die door de werkgever als eigenrisicodrager werd betaald.
De kantonrechter oordeelde dat de vorderingen over de periode na het einde van de arbeidsovereenkomst geen grondslag hadden en daarom werden afgewezen. De vorderingen over de periode tijdens de arbeidsovereenkomst werden niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een wettelijk vereiste deskundigenverklaring van het UWV. Daarnaast was er geen belang bij de gevorderde verklaring omdat geen aanspraken of schadevergoeding werden gesteld.
De vorderingen die betrekking hadden op de Ziektewet-uitkering waren eveneens niet-ontvankelijk omdat deze in een bestuursrechtelijke procedure bij het UWV behandeld moeten worden. De werknemer had geen bezwaar gemaakt tegen de beslissingen van het UWV en de termijn daarvoor was verstreken.
De kantonrechter stelde vast dat de werknemer kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht had gemaakt door vorderingen in te dienen die evident kansloos waren, ondanks waarschuwingen vooraf. De werknemer werd veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1.154,00, maar niet tot volledige proceskosten wegens het ontbreken van een benadeling door de ex-werkgever.
Uitkomst: Vorderingen werknemer worden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard; werknemer veroordeeld tot betaling van proceskosten.