Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3202

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
HAA 24/6236 en HAA 24/6237
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:159 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging navorderingsaanslag vennootschapsbelasting wegens ontbreken verkapte winstuitdeling

Belanghebbende, een vennootschap die appartementen verkocht aan haar aandeelhouder, werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting en naheffingsaanslagen dividendbelasting, inclusief vergrijpboetes en belastingrente. De Belastingdienst stelde dat sprake was van een verkapte winstuitdeling omdat de verkoopprijs van de appartementen aanzienlijk lager was dan de waarde in het economisch verkeer.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende gebonden was aan de contractuele verplichting om de appartementen tegen de afgesproken prijs te leveren, ook al was de marktwaarde gestegen. Er was geen sprake van een vermogensverschuiving met bevoordelingsbedoeling richting de aandeelhouder. De navorderingsaanslagen en boetes werden daarom vernietigd.

De rechtbank wees ook de stelling van de Belastingdienst af dat de koopovereenkomst niet meer geldig was vanwege het verstrijken van de leveringsdatum en de verbouwing van het pand. De proceskosten werden toegewezen aan belanghebbende en het betaalde griffierecht werd vergoed.

De uitspraak bevestigt dat een verkapte winstuitdeling niet snel kan worden aangenomen als er een geldige contractuele verplichting bestaat en benadrukt het belang van het bewijs van bevoordelingsbedoeling en vermogensverschuiving.

Uitkomst: De navorderingsaanslag vennootschapsbelasting en naheffingsaanslag dividendbelasting worden vernietigd wegens het ontbreken van een verkapte winstuitdeling.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 24/6236 en HAA 24/6237

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. R.A.W. Maat en mr. G. de Bont),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

HAA 24/6236
Verweerder heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 3.144.708, alsmede bij beschikkingen een vergrijpboete van € 84.796 en belastingrente van € 42.969.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag en de beschikkingen gehandhaafd.
HAA 24/6237
Verweerder heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een naheffingsaanslag dividendbelasting (Db) opgelegd, met een bedrag aan belasting van € 119.712, alsmede bij beschikkingen een vergrijpboete van € 47.884 en belastingrente van € 20.574.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag en de beschikkingen gehandhaafd.
Beide zaken
Belanghebbende heeft daartegen beroepen ingesteld.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend, bestaande uit, onder andere, de verminderingsbeschikking Db 2018. De aanslag Db 2018 is verminderd naar een bedrag aan belasting van € 101.755. De vergrijpboete en belastingrente zijn dienovereenkomstig verminderd tot respectievelijk € 30.702 en € 17.488. De nadere stukken zijn in afschrift verstrekt aan belanghebbende.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026 te Haarlem. De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaak van [naam 1] (HAA 25/2212). Al hetgeen in die zaak is aangevoerd, wordt geacht ook te zijn aangevoerd in de zaken van belanghebbende. Namens belanghebbende zijn verschenen haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en mr. [naam 6] .

Overwegingen

Feiten
1. Belanghebbende is opgericht op 12 oktober 1998 en heeft als doel het deelnemen in, het financieren van, het samenwerken met, en het besturen van vennootschappen en andere ondernemingen, het verlenen van adviezen en andere diensten, en het verkrijgen, exploiteren en vervreemden van registergoederen. Alle aandelen van belanghebbende worden gehouden door [naam 7] ( [naam 7] ). Tevens is [naam 7] bestuurder van belanghebbende.
2. Op 13 augustus 2009 is [Stichting] (Stichting) opgericht en heeft als doel het verkrijgen, vervreemden en financieren van registergoederen voor rekening en risico van de houders van de door die Stichting uit te geven certificaten. De bestuurder van de Stichting was [naam 8] , de vader van [naam 7] . De certificaten van de Stichting worden gehouden door [naam 7] en zijn echtgenote, [naam 1] . Vanaf 18 februari 2022 zijn [naam 7] en zijn echtgenote, [naam 1] , ook de bestuurders van de Stichting.
3. Op 1 november 2013 verkrijgt belanghebbende het voortdurend recht van erfpacht van een perceel grond met opstal (het woonhuis), gelegen aan de [adres] in [vestigingsplaats] . Het woonhuis bestaat uit een dubbele benedenwoning (vrij van huur) en een dubbele bovenwoning (verhuurd). De koopprijs voor het woonhuis betrof € 625.000.
4. In 2014 wordt de dubbele benedenwoning gesplitst van de dubbele bovenwoning. De dubbele benedenwoning is aan een derde verkocht voor € 695.000. De dubbele bovenwoning wordt door belanghebbende op de balans geactiveerd voor € 140.000. De dubbele bovenwoning is een (sociale) huurwoning en wordt verhuurd aan [naam 9] . [naam 10] is de partner van [naam 9] en medehuurder van de dubbele bovenwoning. De huur bedraagt € 696,33 per maand (€ 8.356 per jaar).
5. Door [taxatiebedrijf 1] is een waardeverklaring opgemaakt, waarin de waarde van de dubbele bovenwoning op 8 maart 2019 gesteld wordt op € 150.000.
6. Op 13 april 2016 wordt door belanghebbende het appartementsrecht van de dubbele bovenwoning verkocht aan [naam 11] (werknemer bij belanghebbende; [naam 11] ) en de Stichting. In de koopovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende overeengekomen:
“Verkoper verkoopt aan Koper, die van Verkoper koopt: het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woning gelegen op de tweede en derde verdieping van het gebouw, met balkons, plaatselijk bekend [adres] - [# 1] te [postcode] [vestigingsplaats] , kadastraal bekend gemeente [vestigingsplaats] , sectie V, complexaanduiding [[...]] , appartementsindex [# 1] , uitmakende een éénhonderd zesenvijftig/driehonderd veertiende (156/314) onverdeeld aandeel In de gemeenschap, bestaande uit het voortdurend recht van erfpacht van een perceel grond, eigendom van de gemeente [vestigingsplaats] , gelegen te [vestigingsplaats] aan [plaats] , met de rechten van de erfpachter op de zich op die grond bevindende opstal, bestaande uit het gebouw, plaatselijk bekend [adres] te [vestigingsplaats] , ten tijde van de splitsing In appartementsrechten kadastraal bekend gemeente [vestigingsplaats] , sectie V, nummer [# 2] , groot een are en drieëndertig centiare, hierna te noemen: het 'Verkochte';
De koopprijs voor het Verkochte bedraagt éénhonderdvijftigduizend euro (€ 150.000,00).
(…)

Levering

Artikel 9
De Leveringsakte zal worden verleden op 1 december 2016, of zoveel eerder of later als Koper en Verkoper nader zullen overeenkomen, ten overstaan van de Notaris.”
7. Op 18 september 2016 overlijdt [naam 9] onverwachts.
8. Op 25 november 2016 ondertekenen belanghebbende en [naam 10] (de overblijvende medehuurder) een ‘Termination Agreement’ tot beëindiging van de huur. [naam 7] betaalt op grond van deze overeenkomst een vergoeding van € 40.000 aan [naam 10] . De huur wordt per 1 juni 2017 beëindigd. [naam 10] is per 28 mei 2018 uitgeschreven als bewoner van dit adres.
9. Met betrekking tot de levering van de appartementen stuurt [naam 12] (kandidaat-notaris bij [notariskantoor] N.V.) op 28 november 2016 een e-mail aan [naam 11] , waarin, voor zover van belang, het volgende is geschreven:
“Zoals besproken leg ik dit dossier tot nader bericht even aan de kant. Ik hoor het graag als de nieuwe leveringsdatum bekend is.”
10. Op 11 januari 2017 heeft [naam 12] nogmaals een e-mail aan [naam 11] gestuurd, waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen:
“Ik was even benieuwd hoe het staat met dit dossier. Is de nieuwe leveringsdatum al bekend?”
11. Op 24 januari 2017 heeft [naam 11] hier, onder andere, het volgende op gereageerd:
“Hou het dossier nog maar heel even aan als je wilt. Zodra er een leverdatum bekend is laat ik het je weten!"
12. In 2017 worden er renovatie- en verbouwingswerkzaamheden verricht aan de dubbele bovenwoning. In totaal wordt er voor een bedrag van € 181.630 gerenoveerd en verbouwd. Deze kosten heeft [naam 7] voor zijn rekening genomen.
13. Op 13 juli 2017 heeft de gemeente [vestigingsplaats] een vergunning verleend om de dubbele bovenwoning te splitsen in twee appartementen. Op 3 november 2017 is de splitsingsakte gepasseerd, waarbij de dubbele bovenwoning gesplitst wordt in twee appartementen ( [adres] - [# 1] en [adres] - [# 3] ; de appartementen).
14. Ten behoeve van financiering voor belanghebbende zijn in opdracht van [bank] door [taxatiebedrijf 2] op 26 januari 2018 de appartementen in verhuurde staat getaxeerd op een waarde economisch verkeer van € 1.050.000.
15. Op 22 en 28 maart 2018 sluit [naam 7] (in privé) met nieuwe huurders twee huurovereenkomsten. [adres] - [# 1] wordt per 1 april 2018 verhuurd voor onbepaalde tijd voor € 1.925 per maand en [adres] - [# 3] wordt per 1 april 2018 voor onbepaalde tijd verhuurd voor € 2.100 per maand.
16. Op 17 april 2018 wordt door [naam 7] namens belanghebbende (als Verkoper) en voor zichzelf (als [naam 7] ) en [naam 11] voor zichzelf en als gevolmachtigde van de Stichting (als Koper) een contractovername ondertekend. In de contractovername is, onder andere, het volgende overeengekomen:
“- Verkoper en Koper op 13 april 2016 een koopovereenkomst hebben gesloten, hierna te noemen: de "koopovereenkomst", waarbij Verkoper het volgende registergoed heeft verkocht aan Koper voor een koopprijs van eenhonderdvijftigduizend euro (€ 150.000):
(...)
Koper en [naam 7] nadien zijn overeengekomen dat [naam 7] het verkochte zal verkrijgen, in verband waarmee Koper de rechten en verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst zal overdragen aan [naam 7] bij wijze van contractovememing als bedoeld in artikel 6:159 van Pro het Burgerlijk Wetboek
- Verkoper bereid is aan gemelde contractoverneming haar medewerking te verlenen

Verklaren te zijn overeengekomen

Koper draagt hierbij zijn rechtsverhouding jegens Verkoper uit hoofde van de koopovereenkomst over aan [naam 7] bij wijze van contractoverneming als bedoeld in artikel 6:159 van Pro het Burgerlijk Wetboek, welke overdracht door [naam 7] wordt aanvaard. Ten gevolge van gemelde contractoverneming gaan alle rechten en verplichtingen van Koper voortvloeiende uit de koopovereenkomst over op [naam 7] , voor zover niet ten aanzien van bijkomstige of reeds opeisbaar geworden rechten of verplichtingen anders is bepaald, aan welke contractoverneming Verkoper hierbij haar medewerking verleent.”
17. Bij akte van levering van 3 mei 2018 worden de appartementen door belanghebbende aan [naam 7] geleverd voor een prijs van € 150.000.
18. Op 19 juli 2019 heeft belanghebbende de aangifte Vpb 2018 ingediend. In de aangifte is een boekwinst van € 10.000 aangegeven voor de verkoop van de appartementen.
Verweerder heeft op 17 augustus 2019, conform de ingediende aangifte, de aanslag Vpb 2018 aan belanghebbende opgelegd.
19. Op 9 juli 2021 en 13 juli 2021 heeft verweerder een boekenonderzoek aangekondigd bij belanghebbende, inzake de levering van de appartementen.
20. Op 31 maart 2022 is door een tweetal taxateurs van het team Waardeonderzoek Belastingdienst Amsterdam een onderzoek uitgevoerd naar de taxatie door [taxatiebedrijf 2] van de appartementen. De taxateurs conformeren zich aan de getaxeerde waarde door [taxatiebedrijf 2] van € 1.050.000.
Geschil
21. In geschil is of verweerder terecht en tot de juiste bedragen de navorderingsaanslag Vpb 2018 en naheffingsaanslag Db 2018 aan belanghebbende heeft opgelegd. Meer specifiek is in geschil of:
  • aan de wettelijke vereisten is voldaan om over te kunnen gaan tot het opleggen van respectievelijk de navorderingsaanslag Vpb en naheffingsaanslag Db;
  • belanghebbende een verkapte winstuitdeling aan [naam 7] heeft gedaan;
  • belanghebbende de vereiste aangifte voor de Vpb heeft gedaan, en
  • de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd.
22. Belanghebbende heeft gesteld dat de navorderings- en naheffingsaanslag ten onrechte zijn opgelegd. Naast dat verweerder wettelijk gezien niet over kon gaan tot het opleggen van de navorderings- en naheffingsaanslag, viel er volgens belanghebbende in 2018 ook niks na te vorderen en na te heffen, omdat geen sprake is van een verkapte winstuitdeling. Van een bewuste bevoordeling door belanghebbende aan haar aandeelhouder is geen sprake en voor zover daar al sprake van zou zijn heeft die bevoordeling zich in 2016 of 2017 voorgedaan, maar in ieder geval niet in 2018. Daarnaast is het opleggen van de navorderings- en naheffingsaanslag in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, zodat dit ook vernietiging van de aanslagen tot gevolg dient te hebben. Ook de vergrijpboetes dienen vernietigd te worden.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderings- en naheffingsaanslag en vernietiging van de vergrijpboetes.
23. Verweerder heeft gesteld dat de navordering- en naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende zijn opgelegd, omdat belanghebbende een verkapte winstuitdeling aan [naam 7] heeft gedaan. Verweerder kon ook de navorderings- en naheffingsaanslag opleggen en dit is ook niet in strijd met het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel. Wel dient de naheffingsaanslag dividendbelasting verminderd te worden, omdat tussen belanghebbende en [naam 7] overeen is gekomen dat de verschuldigde dividendbelasting zal worden verhaald op haar aandeelhouder ( [naam 7] ). Verder heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte Vpb gedaan, zodat de bewijslast omgekeerd en verzwaard dient te worden. Ook de vergrijpboetes zijn volgens verweerder terecht opgelegd, maar deze dienen wel verminderd te worden gelet op de overschrijding van de redelijke termijn.
Ten aanzien van de naheffingsaanslag DB concludeert verweerder tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de naheffingsaanslag Db, vergrijpboete en belastingrente, overeenkomstig de verminderingsbeschikking. Voor de navorderingsaanslag Vpb concludeert verweerder tot gegrondverklaring van het beroep, vermindering van de vergrijpboete en vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover dit ziet op de vergrijpboete.
Beoordeling van het geschil
24. Verweerder stelt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte Vpb heeft gedaan nu sprake is van een verkapte winstuitdeling door belanghebbende aan haar aandeelhouders, waardoor de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Dit betekent, aldus verweerder, dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard. De rechtbank overweegt dat in een dergelijk geval op verweerder de bewijslast rust dat de vereiste aangifte niet is gedaan, hetgeen verweerder volgens de regels van normale bewijslastverdeling aannemelijk dient te maken (vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).
25. Verweerder stelt dat belanghebbende niet langer gebonden was aan de koopovereenkomst van 13 april 2016 omdat de leveringsdatum van 1 december 2016 verstreken is zonder dat partijen een nieuwe leveringsdatum overeen zijn gekomen en dat belanghebbende, vanwege de splitsing en verbouwing van de dubbele bovenwoning, niet meer hetzelfde goed kon overdragen als waar de koopovereenkomst betrekking op had. Dit betekent, aldus verweerder, dat op het moment van levering in 2018 uitgegaan moest worden van de waarde in het economisch verkeer op dat moment. Tussen partijen is niet in geschil dat die waarde € 1.050.000 was.
26. De rechtbank acht verweerder met deze stellingen niet in zijn bewijslast geslaagd. De rechtbank stelt in dit verband vast dat tussen partijen niet in geschil is dat op het moment dat de koopovereenkomst werd gesloten (13 april 2016) de daarin gemaakte afspraken, waaronder de koopprijs van € 150.000, zakelijk waren. Niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, is dat een van de partijen bij deze koopovereenkomst van 13 april 2016 zich vóór het moment van de contractsovername op 17 april 2018 op het standpunt heeft gesteld dat de koopovereenkomst niet langer geldig zou zijn of ontbonden zou zijn of moeten worden.
27. Anders dan verweerder betoogt is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende geen mogelijkheid had om eenzijdig onder haar verplichtingen op grond van de koopovereenkomst uit te komen, ook niet op het moment dat [naam 11] en de Stichting hun rechten en plichten uit de koopovereenkomst aan [naam 7] overdroegen. Dat belanghebbende vanwege het overlijden van [naam 9] , de uitkoop van [naam 10] , en de splitsing en verbouwing en de daardoor ontstane waardestijging van de bovenwoning, de mogelijkheid zou hebben gehad eenzijdig onder de oorspronkelijke koopovereenkomst van 13 april 2016 uit te komen, acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Ook andere omstandigheden waardoor belanghebbende niet langer aan de afspraken uit de koopovereenkomst was gebonden, hebben zich naar het oordeel van de rechtbank niet voorgedaan.
28. Naar het oordeel van de rechtbank maken ook de omstandigheden dat de leveringsdatum van 1 december 2016 was verstreken zonder dat partijen op dat moment een nieuwe datum zijn overeengekomen en dat de dubbele bovenwoning zodanig was gewijzigd dat niet langer hetzelfde goed door belanghebbende geleverd kon worden, niet dat de overeenkomst van 13 april 2016 niet langer zou gelden. Hooguit zouden de kopers (de Stichting en [naam 11] ) zich er op hebben kunnen beroepen dat sprake zou zijn van een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst door belanghebbende, maar dit is niet gebeurd.
29. Met de contractsovername hebben [naam 11] en de Stichting hun rechtsverhouding tot belanghebbende (met haar medewerking) overdragen aan [naam 7] . Deze overdracht heeft niet tot gevolg dat de overeengekomen afspraken in koopovereenkomst zijn komen te vervallen of belanghebbende de mogelijkheid had onder de koopovereenkomst van 13 april 2016 uit te komen.
30. Voor een verkapte winstuitdeling is vereist dat sprake is van een vermogensverschuiving van de vennootschap naar de aandeelhouder, waarbij de vennootschap verarmt en de aandeelhouder verrijkt, met de bedoeling laatstgenoemde te bevoordelen. Zowel de aandeelhouder als de vennootschap moeten zich bewust zijn geweest van de vermogensverschuiving en de bevoordelingsbedoeling. De vermogensverschuiving moet gedekt zijn door de in de vennootschap aanwezige winst(reserves) of worden gedaan in het vooruitzicht van te maken winst (winstanticipatie) (vgl. HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26).
31. Nu de rechtbank, zoals hiervoor is overwogen, van oordeel is dat belanghebbende ook in 2018 nog gehouden was de bovenwoning tegen een prijs van € 150.000 te leveren, ook al was de waarde in het economisch verkeer van die bovenwoning op dat moment € 1.050.000, is van een verkapte winstuitdeling geen sprake. Hoewel [naam 11] en de Stichting onder deze omstandigheden wellicht de mogelijkheid hadden van [naam 7] een vergoeding te vragen voor de medewerking aan de contractsovername, betekent dit niet dat belanghebbende zich hier een voordeel heeft laten ontgaan. Zij was immers gebonden aan de verplichting om de bovenwoning voor € 150.000 te leveren.
32. De beroepen dienen dan ook gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal gelet op het hiervoor overwogene de navorderingsaanslag, de naheffingsaanslag, de boetebeschikkingen en belastingrentebeschikkingen vernietigen.
Overige geschilpunten
33. Gelet op het voorgaande behoeven de overige geschilpunten ten aanzien van de navorderings- en naheffingsbevoegdheid, de vereiste aangifte en de boetes geen behandeling meer.
Proceskosten
34. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Nu deze beide zaken samenhangen met de zaak van [naam 1] met zaaknummer HAA 25/2212 zal 50% van deze vergoeding in deze zaken en de andere 50% in die met zaaknummer HAA 25/2212 worden toegekend.
35. Daarnaast bepaalt de rechtbank dat verweerder het door belanghebbende betaalde griffierecht van in totaal € 742 (tweemaal € 371) dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar;
  • vernietigt de navorderingaanslag Vpb 2018 en de daarbij opgelegde boetebeschikking en beschikking belastingrente;
  • vernietigt de naheffingsaanslag Db 2018 en de daarbij opgelegde boetebeschikking en beschikking belastingrente;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.600.
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 742 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Doesburg, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. G.H. de Soeten, leden, in aanwezigheid van mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 . het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).