Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3200

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
HAA 25/2212
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:159 BWArt. 2.17 Wet IB 2001Art. 4.12 Wet IB 2001Art. 4.43 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging navorderingsaanslag wegens ontbreken verkapte winstuitdeling

Belanghebbende en haar fiscaal partner, die DGA is van een vennootschap, stonden in geschil met de Belastingdienst over een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2018. De inspecteur stelde dat sprake was van een verkapte winstuitdeling doordat de vennootschap appartementen verkocht aan een prijs ver onder de economische waarde.

De rechtbank oordeelde dat de vennootschap op grond van een contractuele verplichting gehouden was de appartementen te leveren tegen de afgesproken prijs van €150.000, ook al was de waarde in het economisch verkeer gestegen tot €1.050.000. Er was geen sprake van een bewuste bevoordeling of vermogensverschuiving die een verkapte winstuitdeling zou vormen.

De navorderingsaanslag en de belastingrentebeschikking werden daarom vernietigd. De rechtbank wees ook de proceskosten toe aan belanghebbende en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan haar wordt vergoed. De uitspraak kan worden aangevochten bij het gerechtshof Amsterdam binnen zes weken.

Uitkomst: De navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2018 en de belastingrentebeschikking worden vernietigd wegens het ontbreken van een verkapte winstuitdeling.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2212

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigden: mr. R.A.W. Maat en mr. G. de Bont),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een navorderingsaanslag aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.784 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 798.082. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is belastingrente in rekening gebracht ten bedrage van € 31.662.
Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 3 maart 2021 de aanslag verminderd ter zake van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang tot een bedrag van € 678.370. Dienovereenkomstig heeft verweerder de belastingrente verminderd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend, bestaande uit, onder andere, de verminderingsbeschikking IB/PVV. Bij de berekening van het bedrag van de verminderingsbeschikking IB/PVV heeft verweerder een bedrag van € 101.755 aan ingehouden dividendbelasting verrekend. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd tot € 10.793. Deze nadere stukken zijn in afschrift verstrekt aan belanghebbende.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026 te Haarlem. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken van [bedrijf 1] B.V. (HAA 25/2212 en HAA 24/6237). Al hetgeen in die zaken is aangevoerd, wordt geacht ook te zijn aangevoerd in de zaak van belanghebbende. Namens belanghebbende zijn verschenen haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en mr. [naam 5] .

Overwegingen

Feiten
1. [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ) is opgericht op 12 oktober 1998 en heeft als doel het deelnemen in, het financieren van, het samenwerken met, en het besturen van vennootschappen en andere ondernemingen, het verlenen van adviezen en andere diensten, en het verkrijgen, exploiteren en vervreemden van registergoederen. Alle aandelen van belanghebbende worden gehouden door [naam 6] ( [naam 6] ). Tevens is [naam 6] bestuurder van [bedrijf 1] .
2 . Op 13 augustus 2009 is [stichting] (Stichting) opgericht en heeft als doel het verkrijgen, vervreemden en financieren van registergoederen voor rekening en risico van de houders van de door die Stichting uit te geven certificaten. De bestuurder van de Stichting was [naam 7] , de vader van [naam 6] . De certificaten van de Stichting worden gehouden door [naam 6] en zijn echtgenote, belanghebbende. Vanaf 18 februari 2022 zijn [naam 6] en belanghebbende ook de bestuurders van de Stichting.
3. Op 1 november 2013 verkrijgt [bedrijf 1] het voortdurend recht van erfpacht van een perceel grond met opstal (het woonhuis), gelegen aan de [adres] in [woonplaats] . Het woonhuis bestaat uit een dubbele benedenwoning (vrij van huur) en een dubbele bovenwoning (verhuurd). De koopprijs voor het woonhuis betrof € 625.000.
4. In 2014 wordt de dubbele benedenwoning gesplitst van de dubbele bovenwoning. De dubbele benedenwoning is aan een derde verkocht voor € 695.000. De dubbele bovenwoning wordt door [bedrijf 1] op de balans geactiveerd voor € 140.000. De dubbele bovenwoning is een (sociale) huurwoning en wordt verhuurd aan [naam 8] . [naam 9] is de partner van [naam 8] en medehuurder van de dubbele bovenwoning. De huur bedraagt € 696,33 per maand (€ 8.356 per jaar).
5. Door [taxatiebedrijf 1] is een waardeverklaring opgemaakt, waarin de waarde van de dubbele bovenwoning op 8 maart 2019 gesteld wordt op € 150.000.
6. Op 13 april 2016 wordt door [bedrijf 1] het appartementsrecht van de dubbele bovenwoning verkocht aan [naam 10] (werknemer bij belanghebbende; [naam 10] ) en de Stichting. In de koopovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende overeengekomen:
“Verkoper verkoopt aan Koper, die van Verkoper koopt: het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woning gelegen op de tweede en derde verdieping van het gebouw, met balkons, plaatselijk bekend [adres] - [# 1] te [postcode] [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie V, complexaanduiding [[...]] , appartementsindex 2, uitmakende een éénhonderd zesenvijftig/driehonderd veertiende (156/314) onverdeeld aandeel In de gemeenschap, bestaande uit het voortdurend recht van erfpacht van een perceel grond, eigendom van de gemeente [woonplaats] , gelegen te [woonplaats] aan [plaats] , met de rechten van de erfpachter op de zich op die grond bevindende opstal, bestaande uit het gebouw, plaatselijk bekend [adres] te [woonplaats] , ten tijde van de splitsing In appartementsrechten kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie V, nummer [# 2] , groot een are en drieëndertig centiare, hierna te noemen: het 'Verkochte';
De koopprijs voor het Verkochte bedraagt éénhonderdvijftigduizend euro (€ 150.000,00).
(…)

Levering

Artikel 9
De Leveringsakte zal worden verleden op 1 december 2016, of zoveel eerder of later als Koper en Verkoper nader zullen overeenkomen, ten overstaan van de Notaris.”
7. Op 18 september 2016 overlijdt [naam 8] onverwachts.
8. Op 25 november 2016 ondertekenen [bedrijf 1] en [naam 9] (de overblijvende medehuurder) een ‘Termination Agreement’ tot beëindiging van de huur. [naam 6] betaalt op grond van deze overeenkomst een vergoeding van € 40.000 aan [naam 9] . De huur wordt per 1 juni 2017 beëindigd. [naam 9] is per 28 mei 2018 uitgeschreven als bewoner van dit adres.
9. Met betrekking tot de levering van de appartementen stuurt [naam 11] (kandidaat-notaris bij [notariskantoor] N.V.) op 28 november 2016 een e-mail aan [naam 10] , waarin, voor zover van belang, het volgende is geschreven:
“Zoals besproken leg ik dit dossier tot nader bericht even aan de kant. Ik hoor het graag als de nieuwe leveringsdatum bekend is.”
10. Op 11 januari 2017 heeft [naam 11] nogmaals een e-mail aan [naam 10] gestuurd, waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen:
“Ik was even benieuwd hoe het staat met dit dossier. Is de nieuwe leveringsdatum al bekend?”
11. Op 24 januari 2017 heeft [naam 10] hier, onder andere, het volgende op gereageerd:
“Hou het dossier nog maar heel even aan als je wilt. Zodra er een leverdatum bekend is laat ik het je weten!"
12. In 2017 worden er renovatie- en verbouwingswerkzaamheden verricht aan de dubbele bovenwoning. In totaal wordt er voor een bedrag van € 181.630 gerenoveerd en verbouwd. Deze kosten heeft [naam 6] voor zijn rekening genomen.
13. Op 13 juli 2017 heeft de gemeente [woonplaats] een vergunning verleend om de dubbele bovenwoning te splitsen in twee appartementen. Op 3 november 2017 is de splitsingsakte gepasseerd, waarbij de dubbele bovenwoning gesplitst wordt in twee appartementen ( [adres] - [# 1] en [adres] - [# 3] ; de appartementen).
14. Ten behoeve van financiering voor [bedrijf 1] zijn in opdracht van [bank] door [taxatiebedrijf 2] op 26 januari 2018 de appartementen in verhuurde staat getaxeerd op een waarde economisch verkeer van € 1.050.000.
15. Op 22 en 28 maart 2018 sluit [naam 6] (in privé) met nieuwe huurders twee huurovereenkomsten. [adres] - [# 1] wordt per 1 april 2018 verhuurd voor onbepaalde tijd voor € 1.925 per maand en [adres] - [# 3] wordt per 1 april 2018 voor onbepaalde tijd verhuurd voor € 2 .100 per maand.
16. Op 17 april 2018 wordt door [naam 6] namens [bedrijf 1] (als Verkoper) en voor zichzelf (als [naam 6] ) en [naam 10] voor zichzelf en als gevolmachtigde van de Stichting (als Koper) een contractovername ondertekend. In de contractovername is, onder andere, het volgende overeengekomen:
“- Verkoper en Koper op 13 april 2016 een koopovereenkomst hebben gesloten, hierna te noemen: de "koopovereenkomst", waarbij Verkoper het volgende registergoed heeft verkocht aan Koper voor een koopprijs van eenhonderdvijftigduizend euro (€ 150.000):
(...)
Koper en [naam 6] nadien zijn overeengekomen dat [naam 6] het verkochte zal verkrijgen, in verband waarmee Koper de rechten en verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst zal overdragen aan [naam 6] bij wijze van contractovememing als bedoeld in artikel 6:159 van Pro het Burgerlijk Wetboek
- Verkoper bereid is aan gemelde contractoverneming haar medewerking te verlenen

Verklaren te zijn overeengekomen

Koper draagt hierbij zijn rechtsverhouding jegens Verkoper uit hoofde van de koopovereenkomst over aan [naam 6] bij wijze van contractoverneming als bedoeld in artikel 6:159 van Pro het Burgerlijk Wetboek, welke overdracht door [naam 6] wordt aanvaard. Ten gevolge van gemelde contractoverneming gaan alle rechten en verplichtingen van Koper voortvloeiende uit de koopovereenkomst over op [naam 6] , voor zover niet ten aanzien van bijkomstige of reeds opeisbaar geworden rechten of verplichtingen anders is bepaald, aan welke contractoverneming Verkoper hierbij haar medewerking verleent.”
17. Bij akte van levering van 3 mei 2018 worden de appartementen door [bedrijf 1] aan [naam 6] geleverd voor een prijs van € 150.000.
18. Op 25 februari 2020 heeft belanghebbende haar aangifte IB/PVV 2018 ingediend en een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.784 aangegeven. Belanghebbende heeft geen belastbaar inkomen uit aanmerking belang aangegeven. Ook haar echtgenoot [naam 6] heeft geen belastbaar inkomen uit aanmerking belang in zijn aangifte aangegeven.
19. Met dagtekening 9 april 2020 heeft verweerder aan belanghebbende de definitieve aanslag IB/PVV 2018 opgelegd conform de ingediende aangifte.
20. Op 9 juli 2021 en 13 juli 2021 heeft verweerder een boekenonderzoek aangekondigd bij [bedrijf 1] inzake de levering van de appartementen.
21. Op 31 maart 2022 is door een tweetal taxateurs van het team Waardeonderzoek Belastingdienst Amsterdam een onderzoek uitgevoerd naar de taxatie door [taxatiebedrijf 2] van de appartementen. De taxateurs conformeren zich aan de getaxeerde waarde door [taxatiebedrijf 2] van € 1.050.000.
22. Ten tijde van het boekenonderzoek hebben de gemachtigde van belanghebbende en verweerder meermaals contact met elkaar gehad. Bij e-mail van 21 april 2023 heeft de gemachtigde van belanghebbende aangegeven dat in het kader van de aanslagregeling met betrekking tot het inkomen uit aanmerking belang op basis van artikel 2 .17 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) wordt gekozen om dit bestanddeel volledig bij belanghebbende, en niet bij haar echtgenoot [naam 6] , in aanmerking te nemen.
23. Op 23 mei 2023 is het definitieve controlerapport van het boekenonderzoek naar [bedrijf 1] gestuurd. Daarin heeft verweerder aangekondigd dat een navorderingsaanslag Vennootschapsbelasting, een naheffingsaanslag dividendbelasting en vergrijpboetes zal opleggen aan [bedrijf 1] . Op diezelfde datum is het definitieve controlerapport van het boekenonderzoek naar belanghebbende gestuurd en is hierin aangekondigd dat verweerder een navorderingsaanslag IB/PVV zal opleggen aan belanghebbende.
Geschil
24. In geschil is of verweerder terecht en tot het juiste bedrag de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2018 aan belanghebbende heeft opgelegd. Meer specifiek is in geschil of:
  • aan de wettelijke vereisten is voldaan om over te kunnen gaan tot het opleggen van de navorderingsaanslag;
  • belanghebbende een voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten, en
  • belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan.
25. Belanghebbende heeft gesteld dat de navorderingsaanslag IB/PVV ten onrechte is opgelegd. Naast dat verweerder wettelijk gezien niet over kon gaan tot het opleggen van de navorderingsaanslag, viel er volgens belanghebbende in 2018 ook niks na te vorderen, omdat [bedrijf 1] geen verkapte winstuitdeling heeft gedaan en dus geen sprake is van inkomen uit aanmerking belang. Van een bewuste bevoordeling door [bedrijf 1] aan haar aandeelhouder is geen sprake en voor zover daar al sprake van zou zijn heeft die bevoordeling zich in 2016 of 2017 voorgedaan, maar in ieder geval niet in 2018. Daarnaast is het opleggen van de navorderingsaanslag in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, zodat dit ook vernietiging van de aanslag tot gevolg dient te hebben.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslag.
26. Verweerder heeft gesteld dat de navorderingaanslag IB/PVV terecht aan belanghebbende is opgelegd, omdat sprake is van een verkapte winstuitdeling. Verweerder kon ook de navorderingsaanslag opleggen en dit is ook niet in strijd met het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel. Wel dient de navorderingsaanslag verminderd te worden, omdat een onjuist bedrag aan voorheffing dividendbelasting is verrekend. Verder heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan, zodat de bewijslast omgekeerd en verzwaard dient te worden.
Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de navorderingsaanslag en belastingrente overeenkomstig de verminderingsbeschikking.
Beoordeling van het geschil
27. Verweerder stelt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan nu sprake is van een verkapte winstuitdeling door [bedrijf 1] aan haar aandeelhouders, waardoor de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Dit betekent, aldus verweerder, dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard. De rechtbank overweegt dat in een dergelijk geval op verweerder de bewijslast rust dat de vereiste aangifte niet is gedaan, hetgeen verweerder volgens de regels van normale bewijslastverdeling aannemelijk dient te maken (vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).
28. Verweerder stelt dat [bedrijf 1] niet langer gebonden was aan de koopovereenkomst van 13 april 2016 omdat de leveringsdatum van 1 december 2016 verstreken is zonder dat partijen een nieuwe leveringsdatum overeen zijn gekomen en daarnaast kon [bedrijf 1] , vanwege de splitsing en verbouwing van de dubbele bovenwoning, niet meer hetzelfde goed overdragen als waar de koopovereenkomst betrekking op had. Dit betekent, aldus verweerder, dat op het moment van de levering in 2018 uitgegaan moet worden van de waarde in het economisch verkeer op dat moment. Tussen partijen is niet in geschil dat die waarde € 1.050.000 was.
29. De rechtbank acht verweerder met deze stellingen niet in zijn bewijslast geslaagd. De rechtbank stelt in dit verband vast dat tussen partijen niet in geschil is dat op het moment dat de koopovereenkomst werd gesloten (13 april 2016) de daarin gemaakte afspraken, waaronder de koopprijs van € 150.000, zakelijk waren. Niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, is dat een van de partijen bij deze koopovereenkomst van 13 april 2016 zich vóór het moment van de contractsovername op 17 april 2018 op het standpunt heeft gesteld dat de koopovereenkomst niet langer geldig zou zijn of ontbonden zou zijn of moeten worden.
30. Anders dan verweerder betoogt is de rechtbank van oordeel dat [bedrijf 1] geen mogelijkheid had om eenzijdig onder haar verplichtingen op grond van de koopovereenkomst uit te komen, ook niet op het moment dat [naam 10] en de Stichting hun rechten en plichten uit de koopovereenkomst aan [naam 6] overdroegen. Dat [bedrijf 1] vanwege het overlijden van [naam 8] , de uitkoop van [naam 9] , en de splitsing en verbouwing en de daardoor ontstane waardestijging van de bovenwoning, de mogelijkheid zou hebben gehad eenzijdig onder de oorspronkelijke koopovereenkomst van 13 april 2016 uit te komen, acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Ook andere omstandigheden waardoor [bedrijf 1] niet langer aan de afspraken uit de koopovereenkomst was gebonden, hebben zich naar het oordeel van de rechtbank niet voorgedaan.
31. Naar het oordeel van de rechtbank maken ook de omstandigheden dat de leveringsdatum van 1 december 2016 was verstreken zonder dat partijen op dat moment een nieuwe datum zijn overeengekomen en dat de dubbele bovenwoning zodanig was gewijzigd dat niet langer hetzelfde goed door [bedrijf 1] geleverd kon worden, niet dat de overeenkomst van 13 april 2016 niet langer zou gelden. Hooguit zouden de kopers (de Stichting en [naam 10] ) zich er op hebben kunnen beroepen dat sprake zou zijn van een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst door [bedrijf 1] , maar dit is niet gebeurd.
32. Met de contractovername hebben [naam 10] en de Stichting hun rechtsverhouding tot [bedrijf 1] (met haar medewerking) overdragen aan [naam 6] . Deze overdracht heeft niet tot gevolg dat de overeengekomen afspraken in koopovereenkomst zijn komen te vervallen of dat [bedrijf 1] de mogelijkheid had onder de koopovereenkomst van 13 april 2016 uit te komen.
33. Op grond van het bepaalde in artikel 4.12, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001 is inkomen uit aanmerkelijk belang het gezamenlijke bedrag van (voor zover hier van belang) de voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (reguliere voordelen), verminderd met de aftrekbare kosten en verminderd met de persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 6 van de Wet IB 2001).
34. Ingevolge artikel 2 .17, vijfde lid, aanhef en letter b, van de Wet IB 2001, kwalificeert het inkomen uit aanmerkelijk belang als gemeenschappelijk inkomensbestanddeel. Voor zover de partners daarvoor geen onderlinge verhouding hebben gekozen, wordt dit gemeenschappelijke inkomensbestanddeel geacht bij de belastingplichtige en zijn partner ieder voor de helft op te komen (artikel 2 .17, derde lid, van de Wet IB 2001). In het onderhavige geval hebben belanghebbende en [naam 6] gekozen om het inkomensbestanddeel volledig bij belanghebbende op te laten komen.
35. Artikel 4.43, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt dat reguliere voordelen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn:
a. ontvangen;
b. verrekend;
c. ter beschikking gesteld;
d. rentedragend geworden of
e. vorderbaar en inbaar geworden.
36. Van een regulier voordeel is onder meer sprake in geval van een verkapte uitdeling van winst door een vennootschap aan de aandeelhouder van de vennootschap. Voor een verkapte winstuitdeling is vereist dat sprake is van een vermogensverschuiving van de vennootschap naar de aandeelhouder, waarbij de vennootschap verarmt en de aandeelhouder verrijkt, met de bedoeling laatstgenoemde te bevoordelen. Zowel de aandeelhouder als de vennootschap moeten zich bewust zijn geweest van de vermogensverschuiving en de bevoordelingsbedoeling. De vermogensverschuiving moet gedekt zijn door de in de vennootschap aanwezige winst(reserves) of worden gedaan in het vooruitzicht van te maken winst (winstanticipatie) (vgl. HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26).
37. Verweerder heeft gesteld dat [bedrijf 1] onzakelijk heeft gehandeld door mee te werken aan contractovername, zonder daar een vergoeding voor te verlangen. Hierdoor heeft [naam 6] voor een veel lagere prijs dan de waarde in het economisch verkeer de eigendom van de appartementen kunnen verkrijgen en is daardoor [bedrijf 1] verarmt. Dat [bedrijf 1] met de contractovername akkoord is gegaan kan enkel zijn ingegeven door de wens haar aandeelhouder ( [naam 6] ) als zodanig te bevoordelen.
38. Nu de rechtbank, zoals hiervoor is overwogen, van oordeel is dat [bedrijf 1] ook in 2018 nog gehouden was de bovenwoning tegen een prijs van € 150.000 te leveren, ook al was de waarde in het economisch verkeer van die bovenwoning op dat moment € 1.050.000, is van een verkapte winstuitdeling geen sprake. Hoewel [naam 10] en de Stichting onder deze omstandigheden wellicht de mogelijkheid hadden van [naam 6] een vergoeding te vragen voor de medewerking aan de contractsovername, betekent dit niet dat [bedrijf 1] zich hier een voordeel heeft laten ontgaan. Zij was immers gebonden aan de verplichting om de bovenwoning voor € 150.000 te leveren.
39. Het beroep dient dan ook gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal gelet op het hiervoor overwogene de navorderingsaanslag en belastingrentebeschikking vernietigen.
Overige geschilpunten
40. Gelet op het voorgaande behoeven de overige geschilpunten ten aanzien van de navorderingsbevoegdheid en de vereiste aangifte geen behandeling meer.
Proceskosten
41. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
Nu deze beide zaken samenhangen met de zaken van [bedrijf 1] met zaaknummers HAA 25/6236 en HAA 25/2637 zal 50% van dit bedrag in deze zaak en de andere 50% in die met zaaknummers HAA 25/6236 en HAA 25/2637 worden toegekend.
42. Daarnaast bepaalt de rechtbank dat verweerder het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 53 dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vernietigt de navorderingaanslag IB/PVV en de daarbij opgelegde beschikking belastingrente;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.600.
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Doesburg, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. G.H. de Soeten, leden, in aanwezigheid van mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 . het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).