ECLI:NL:RBNHO:2026:2912

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
15-301794-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Europees Verdrag betreffende uitleveringArt. 2 Europees Verdrag betreffende uitleveringArt. 5 UitleveringswetArt. 8 UitleveringswetArt. 9 Uitleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitlevering naar Oekraïne ontoelaatbaar wegens dreigende schending fundamentele rechten

De rechtbank Noord-Holland behandelde het verzoek tot uitlevering van een persoon aan Oekraïne wegens verdenking van diefstal met geweld en deelname aan een criminele organisatie. Het verzoek was ingediend door de Oekraïense autoriteiten en ondersteund met diverse documenten, waaronder beslissingen van Oekraïense rechtbanken en bewijsstukken.

Tijdens de zitting op 17 februari 2026 betoogde de raadsvrouw van de opgeëiste persoon dat uitlevering ontoelaatbaar is vanwege de oorlogssituatie in Oekraïne, die leidt tot een dreigende flagrante schending van het recht op leven en het verbod op onmenselijke behandeling (artikelen 2 en 3 EVRM). De rechtbank nam dit standpunt over, mede gelet op rapporten over slechte detentieomstandigheden, luchtaanvallen op gevangenissen en het ontbreken van effectieve rechtsmiddelen (artikel 13 EVRM Pro).

De rechtbank oordeelde dat de stukken voldoende waren en dat aan de voorwaarden voor uitlevering volgens de Uitleveringswet en het Verdrag was voldaan, waaronder dubbele strafbaarheid en geen sprake van ne bis in idem of verjaring. Desondanks werd de uitlevering afgewezen vanwege het risico op schending van fundamentele rechten. De gevangenhouding van de opgeëiste persoon werd geschorst onder voorwaarden, maar niet opgeheven.

Deze uitspraak benadrukt het belang van bescherming van fundamentele rechten bij uitleveringsverzoeken, zeker in conflictgebieden waar detentieomstandigheden ernstig tekortschieten.

Uitkomst: De uitlevering van de opgeëiste persoon aan Oekraïne is ontoelaatbaar verklaard vanwege een dreigende flagrante schending van fundamentele rechten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Straf
Locatie Haarlem
Meervoudige strafkamer
Uitlevering
Parketnummer: 15-301794-25
Zittingsdatum: 17 februari 2026
Uitspraakdatum: 3 maart 2026
Uitspraakvan de rechtbank Noord-Holland op de vordering van de officier van justitie, strekkende tot het in behandeling nemen van het verzoek van de Oekraïense autoriteiten tot uitlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] (Oekraïne)
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in het Justitieel Complex Schiphol,
hierna te noemen: de opgeëiste persoon.

1.De relevante schriftelijke stukken

1.1.
Het verzoek tot uitlevering
In het dossier bevindt zich een gewaarmerkt verzoek tot uitlevering van de hierboven aangeduide opgeëiste persoon, afkomstig van de Oekraïense autoriteiten van 21 november 2025, met kenmerk 19/1/2-23301-25, en gericht aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland (het uitleveringsverzoek). Dit verzoek is in de Oekraïense taal opgesteld en in het Engels vertaald.
Uitlevering wordt gevraagd voor strafvervolging van de opgeëiste persoon voor de strafbare feiten die zijn opgenomen in de bij het uitleveringsverzoek gevoegde “Reporting on suspicion of committing criminal offenses” van 21 januari 2020, te weten het meermalen plegen van diefstallen met geweld en deelname aan een criminele organisatie.
1.2
De overige stukken van het dossier
Door de verzoekende staat zijn, naast het uitleveringsverzoek, de volgende stukken overlegd:
  • een in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlage over de naleving door Oekraïne van internationale en Europeesrechtelijke verdragsverplichtingen met betrekking tot detentieomstandigheden in tijden van oorlog, namelijk een “Annex to the request on Ukraine’s execution of its obligations under international treaties and the practice of ECHR in assessing measures taken by the Government of Ukraine to ensure safe conditions for convicted persons taken into custody during material law”;
  • een in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlage met een “Copy of the decision of the Shevchenkivskyi District court of Kyiv cityon choosing a preventative measure in the form of detention in custody for [opgeëiste persoon]” van 16 september 2022;
  • een in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlage met een “Copy of the decision of the Schevchenkivskyi District Court of Kyiv Cityon correcting a clerical error” van 2 februari 2024;
  • een in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlage met een overzicht van de Oekraïense toepasselijke rechtsvoorschriften, namelijk een “extract form the Criminal Code of Ukraine”;een in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlage over verjaringstermijnen, namelijk een “Certificate on the statute of limitations for criminal prosecution of [opgeëiste persoon]”;
  • een in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlage met een “Reporting on suspicion of committing criminal offenses” van 21 januari 2020;
  • een in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlage met een “Resolution on the announcement of a wanted suspect” van 16 april 2020;
  • een in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlage met een “Certificate on evidence of the guilt of the suspect [opgeëiste persoon] in committing criminal offences provided for in Part 4 of Art. 187, Art. 257 of Pro the Criminal Code of Ukraine”;
  • in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlagen met gegevens ter vaststelling van de identiteit van de opgeëiste persoon, namelijk een “Conclusion on verification of [opgeëiste persoon]’s belonging to Ukrainian nationality”, “Information about the person” en een “Certifacte about the person”.
  • een in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlage met een “Copy of the ruling on separating the materials of the pre-trail investigation” van 15 april 2020.
Verder maken de navolgende stukken deel uit van het dossier:
  • een proces-verbaal van voorlopige aanhouding van de opgeëiste persoon ex artikel 14, tweede lid, van de Uitleveringswet (hierna: UW), van 10 november 2025;
  • een bevel tot inverzekeringstelling van de opgeëiste persoon van 10 november 2025;
  • een bevel tot bewaring van de opgeëiste persoon van 12 november 2025;
  • een bevel tot voortzetting van de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon van 27 november 2025;
  • de vordering van de officier van justitie zoals bedoeld in art. 23, eerste lid, UW, van 27 november 2025;
  • de ter zitting van 17 februari 2026 overlegde schriftelijke samenvatting van de opvatting van de officier van justitie zoals bedoeld in artikel 26, tweede lid, UW;
  • de door de raadsvrouw ter zitting van 17 februari 2026 overlegde pleitnotities met bijlagen (deels voor de zitting reeds per mail aan de rechtbank toegezonden).

2.Het onderzoek ter zitting

2.1.
De behandeling
Op 17 februari 2026 heeft de rechtbank op de openbare zitting gehoord:
  • de officier van justitie mr. J.A. Huibers, en
  • de opgeëiste persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort.
2.2
De identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft op de zitting verklaard dat hij de persoon is die genoemd en nader aangeduid wordt in het uitleveringsverzoek en dat hij de Oekraïense nationaliteit bezit. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring.
2.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het verzoek tot uitlevering toelaatbaar moet worden verklaard.
2.4
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft betoogd dat als gevolg van de oorlog die in Oekraïne woedt er een dreigende flagrante schending is van het recht op leven van de opgeëiste persoon en dat hem een onmenselijke of vernederende behandeling wacht waardoor de rechten als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) worden geschonden. De raadsvrouw heeft er op gewezen dat in heel Oekraïne luchtaanvallen plaatsvinden, waarbij ook gevangenissen worden geraakt en gedetineerden om het leven zijn gekomen of gewond zijn geraakt. Een plaatsing in een gevangenis in het westen van Oekraïne, zoals de Oekraïense autoriteiten als mogelijkheid hebben aangegeven, is geen vrijwaring van dit gevaar. Daarbij komt dat er in de gevangenissen nauwelijks schuilkelders aanwezig zijn.
De raadsvrouw heeft bovendien gewezen op een Deens rapport gedateerd december 2024, getiteld ‘Ukraine Prison conditions, 2024 update’. Dit rapport gaat, voor zover hier van belang, in op de impact van de oorlog op het gehele gevangenissysteem in Oekraïne waardoor detentieomstandigheden in het hele land slechter worden. Er is gebrek aan voedsel, water en andere essentialia, zoals elektra, verwarming, generatoren, warme kleding, bedden, sanitaire benodigdheden en medicijnen.
De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat de regio Kiev en het district Shevchenkivskyi, waar de onderliggende strafzaak tegen de opgeëiste persoon speelt, zijn gelegen in een gebied met een verhoogd veiligheidsrisico. Zij heeft daarbij verwezen naar nieuwsberichten waaruit volgt dat zich in dit gebied strategisch belangrijke industriële complexen en datacentra bevinden. Deze locaties zijn herhaaldelijk doelwit geweest van drone- en raketaanvallen door de Russische strijdkrachten. Dat betekent dat de opgeëiste persoon gevaar loopt als hij van de gevangenis naar de rechtbank of het politiebureau wordt gebracht en als hij daar aanwezig is om terecht te staan of te worden gehoord. Berechting in een andere regio biedt ook geen soelaas, omdat Rusland het gehele grondgebied aanvalt.
De oorlogssituatie in Oekraïne leidt volgens de raadsvrouw tot grote vertragingen van de gerechtelijke procedure en de opgeëiste persoon zal op afstand moeten worden bijgestaan door een advocaat. De garanties die de autoriteiten van Oekraïne geven zijn, gelet op de oorlogssituatie en het krijgsrecht, in de praktijk niet na te leven en daartegen valt geen rechtsmiddel in te brengen.
Bovendien is vanwege de oorlog ook de gedwongen terugkeer van vluchtelingen naar Oekraïne niet mogelijk en verricht de Dienst Terugkeer en Vertrek van het Ministerie van Asiel en Migratie geen actieve vertrekhandelingen ten aanzien van deze vluchtelingen.
De raadsvrouw heeft geconcludeerd dat er sprake is van een dreigende flagrante schending van de artikelen, 2, 3 en 6 EVRM zonder dat daarvoor een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro openstaat. Gelet op het voorgaande verzoekt de raadsvrouw de uitlevering van de opgeëiste persoon naar Oekraïne ontoelaatbaar te verklaren.

3.De beoordeling van het verzoek tot uitlevering

3.1
Toepasselijke wetten en verdragen
Op het uitleveringsverzoek is de Uitleveringswet en het Europees Verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1965, 9) van toepassing (hierna: het Verdrag).
3.2
De genoegzaamheid van de stukken
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de stukken niet genoegzaam zijn en dat de uitlevering om die reden ontoelaatbaar moet worden verklaard, subsidiair, dat de officier van justitie moet worden bevolen om de Oekraïense autoriteiten te verzoeken de stukken aan te vullen. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat in de stukken de noodzakelijke vermelding van tijd en plaats van het eerste feit ontbreekt. Daarnaast ontbreken rechtsvoorschriften waaruit de strafbaarheid van deelneming aan diefstal met geweld kan worden afgeleid, terwijl uit de bewoordingen van het uitleveringsverzoek volgt dat van een dergelijke deelneming evenwel sprake is.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Het eerste feit betreft de verdenking van deelname aan een criminele organisatie in de periode “early 2019”. Dit feit zou hebben plaatsgevonden in de regio van Kiev en zou voortvloeien uit de andere vijf feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht. In samenhang met de andere feiten, waarbij in de stukken expliciet namen, tijden en plaatsen zijn genoemd, acht de rechtbank de tijd- en plaatsbepaling van het eerste feit voldoende nauwkeurig. De rechtbank is voorts van oordeel dat de tekst van de bijgevoegde rechtsvoorschriften een voldoende verklaring omtrent de inhoud van het recht is voor de beoordeling van het uitleveringsverzoek. Het subsidiaire verzoek van de raadsvrouw om de Oekraïense autoriteiten te verzoeken de stukken op dit punt aan te vullen, wijst de rechtbank dan ook af.
De rechtbank concludeert dat de overgelegde stukken voldoen aan de eisen van artikel
18 van de UW en artikel 12, tweede lid, van het Verdrag. De stukken zijn dan ook genoegzaam.
3.3
Dubbele strafbaarheid
Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, UW en artikel 2, eerste lid, van het Verdrag kan uitlevering ten behoeve van strafvervolging alleen worden toegestaan als zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar dat van Nederland, een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd voor het strafbare feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht.
De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht zijn volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Oekraïens recht strafbaar. Ter zake van die feiten kan ingevolge die bepalingen telkens een vrijheidsstraf worden opgelegd met een maximum van ten minste een jaar of met een zwaardere straf.
Ook naar Nederlands recht zijn de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht strafbaar, te weten als:
  • deelneming aan een criminele organisatie, strafbaar gesteld bij artikel 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), en
  • diefstal met geweld en braak door twee of meer verenigde personen, strafbaar gesteld bij artikel 312 Sr Pro.
Voor elk van deze feiten kan naar Nederlands recht een vrijheidsstraf van een jaar of van langere duur worden opgelegd.
Dit betekent dat is voldaan aan de in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, UW en artikel 2, eerste lid, van het Verdrag gestelde vereisten voor toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering.
3.4
Ne bis in idem en verjaring
Uitlevering van de opgeëiste persoon wordt ingevolge artikel 9 UW Pro niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan – kort gezegd – de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd of heeft terechtgestaan of voor een feit dat naar Nederlands recht is verjaard. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 november 2025 betreffende de opgeëiste persoon, is van een dergelijke situatie geen sprake. Evenmin is naar Oekraïens of Nederlands recht sprake van verjaring.
3.5
Vervolging wegens een politiek delict
Op grond van artikel 11 UW Pro vindt uitlevering niet plaats voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten. Daarvoor zijn geen aanwijzingen.
3.6
Onschuld van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft op de zitting niet beweerd dat hij onverwijld kan aantonen onschuldig te zijn aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht.
3.7
Dreigende schending EVRM
Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is in uitleveringszaken - gelet op het systeem van de UW, zoals daarvan blijkt uit de artikelen 8 en 10 en de geschiedenis van de
totstandkoming van die wet - het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet
worden geweigerd wegens
een gegrond vermoedendat bij inwilliging van het verzoek de
opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele
rechten als bedoeld in onder meer de artikelen 2 en 3 EVRM voorbehouden aan de
minister van Justitie en Veiligheid en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek
tot uitlevering moeten afwijzen.
Op dit uitgangspunt kan een uitzondering worden gemaakt als naar aanleiding van een op de zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan:
a. a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een
flagranteinbreuk op
enighem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht en tevens
b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro respectievelijk artikel 2, derde lid aanhef en onder a, Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten ten dienste staat (HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463).
Onder meer met verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 oktober 2025 [1] heeft de raadsvrouw gemotiveerd betoogd dat sprake is van een dreigende flagrante schending van de artikelen 2, 3 en 6 EVRM zonder dat daarvoor een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro openstaat.
Het verweer van de raadsvrouw slaagt, voor zover dit betrekking heeft op de artikelen 2, 3 en 13 EVRM. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Voldoende staat vast dat de toestand in de gevangenissen in Oekraïne als gevolg van de oorlog van een dusdanige aard is dat ernstig moet worden gevreesd voor een onmenselijke of vernederende behandeling. De luchtaanvallen, in combinatie met een gebrek aan middelen, zoals voldoende schuilkelders om zich daartegen te beschermen, doen ernstig vrezen voor het leven van de opgeëiste persoon.
Zoals de raadsvrouw terecht heeft betoogd is vanwege de oorlog ook de gedwongen terugkeer van vluchtelingen naar Oekraïne niet mogelijk en verricht de Dienst Terugkeer en Vertrek van het Ministerie van Asiel en Migratie geen actieve vertrekhandelingen ten aanzien van deze vluchtelingen. Ten aanzien van Oekraïners geldt de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en het daarbij behorende Uitvoeringsbesluit van de Europese Unie [2] en kan (bij het niet voldoen aan de formele voorwaarden voor verblijf op basis van genoemde Richtlijn) asiel worden aangevraagd. Wanneer van gedwongen terugkeer van vluchtelingen naar Oekraïne vanwege de oorlog geen sprake kan zijn, kan er ook geen sprake zijn van uitlevering aan Oekraïne van een gedetineerde persoon, die voor zijn veiligheid geheel is overgeleverd aan een detentiesysteem waarvan onvoldoende vast staat dat het zijn leven kan garanderen en hem kan vrijwaren van onmenselijke of vernederende behandeling. Dat de rechtbank er op moet vertrouwen dat de Oekraïense autoriteiten zich voor de veiligheid en een menselijke behandeling van de opgeëiste persoon inspannen is geen reden om daarover anders te oordelen. De dreiging komt voornamelijk van buiten en stelt de Oekraïense autoriteiten in dat opzicht voor een zware zo niet onmogelijke opgaaf. Tegen die dreigende flagrante schending valt geen enkel reëel rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro in te brengen.
De officier van justitie heeft in respons op het verweer van de raadsvrouw gewezen op een (niet-gepubliceerde) uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 juli 2025 met parketnummer 15/371457-24, waarbij de uitlevering naar Oekraïne toelaatbaar werd geacht. Naar het oordeel van de rechtbank gaat een vergelijking van de onderhavige zaak met de door de officier van justitie aangehaalde zaak niet op. Blijkens de motivering van de rechtbank in de uitspraak van 17 juli 2025, is daar – anders dan in de onderhavige zaak – niet het verweer gevoerd dat er sprake was van een dreigende
flagranteschending van fundamentele rechten.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de uitlevering van de opgeëiste persoon op dit moment ontoelaatbaar moet worden verklaard. Gelet op dit oordeel behoeft het verweer van de raadsvrouw dat ook sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro geen bespreking.

4.De uitleveringsdetentie

In de systematiek van de UW en in het bijzonder artikel 37, lid 1 onder a, ligt besloten dat een ontoelaatbaarverklaring door de rechtbank niet zonder meer het einde van de uitleveringsdetentie met zich brengt. Tegen de uitspraak van de rechtbank staat immers beroep in cassatie open bij de Hoge Raad, zodat de ontoelaatbaarverklaring nog niet onherroepelijk is. Daarbij moet worden opgemerkt dat de UW niet de mogelijkheid kent om in de cassatiefase alsnog de gevangenhouding te bevelen. Naar het oordeel van de rechtbank is het vluchtgevaar, zoals zij dat eerder heeft aangenomen, onverkort aanwezig en is daarin aanleiding gelegen om de gevangenhouding van de opgeëiste persoon te laten voortduren. Het verzoek tot opheffing van het bevel tot gevangenhouding zal daarom worden afgewezen. De rechtbank ziet echter aanleiding om de gevangenhouding van de opgeëiste persoon te schorsen. Het vluchtgevaar kan voldoende worden ondervangen door het stellen van voorwaarden, zoals opgenomen in het bevel tot schorsing van de gevangenhouding.

5.Slotsom.

Op de beslissing zijn de volgende verdrags- en wetsartikelen van toepassing:
- 1, 2 en 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering;
- 2, 5, 18, 26 en 28 van de Uitleveringswet;
- 140 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

6.De beslissing.

De rechtbank:
verklaart ontoelaatbaarde uitlevering aan Oekraïne van
[opgeëiste persoon]geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] (Oekraïne), ter strafvervolging van de feiten omschreven in het hiervoor genoemde uitleveringsverzoek;
wijst afhet verzoek tot opheffing van het bevel tot gevangenhouding;
schorstde gevangenhouding, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Deze uitspraak is gewezen door
mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,
mr. G.D. Kleijne en mr. A. Stronkhorst, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.J. van der Velden,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 maart 2026.

Voetnoten

2.UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2022/382 VAN DE RAAD van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.