ECLI:NL:RBNHO:2026:2692

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
HAA 25/926
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 3.9 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OwArt. 1.26 Bestemmingsplan KoninginnebuurtArt. 1.27 Bestemmingsplan Koninginnebuurt
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning verbouwing winkel naar woonruimte in Haarlem

Eiser vroeg een omgevingsvergunning aan voor het verbouwen van een winkelruimte tot woonruimte op de begane grond van een pand in Haarlem. Het college weigerde de vergunning omdat het bouwplan in strijd zou zijn met de bestemming 'Tuin-3' van het bestemmingsplan Koninginnebuurt en omdat niet aan het Parapluplan Parkeernormen Haarlem 2018 werd voldaan.

De rechtbank oordeelt dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan strijdig is met de bestemming 'Tuin-3'. Volgens de rechtbank mag de bestemming 'Tuin-3' volledig worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken die een primaire woonfunctie kunnen hebben, mits deze ten dienste staan van het hoofdgebouw. De rechtbank volgt de uitleg dat een slaapkamer als uitbreiding van het hoofdgebouw kan worden gezien en dus niet strijdig is met het bestemmingsplan.

Ten aanzien van het Parapluplan stelt de rechtbank vast dat dit plan wel van toepassing is omdat het om een activiteit bouwen gaat. Echter, het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het niet bereid is af te wijken van het Parapluplan, terwijl eiser heeft voldaan aan het stappenplan in de Nota Parkeernormen en bereid is af te zien van parkeerrechten. Gezien het woningtekort en het feit dat het pand al geruime tijd leegstaat, is het college tekortgeschoten in haar motivering.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen over de omgevingsvergunning.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/926

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. G.M. Pierik),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, het college
(gemachtigde: mr. A.G. Kamphuis).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser. Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor de verbouwing van een winkelruimte naar een woonruimte op de begane grond van de [adres] in [plaats] . Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het bouwplan in strijd is met de bestemming ‘Tuin-3’. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het geen aanleiding ziet om af te wijken van het Parapluplan parkeernormen Haarlem 2018. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 2 november 2023 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 21 december 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 december 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , mr. G.M. Pierik, en mr. A.G. Kamphuis.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Ow in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Ow het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is in dit geval ingediend op 2 november 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Feiten en omstandigheden
4. Eiser heeft het pand in de jaren 70 gekocht. Op de begane grond bevond zich eerst een woonruimte. Omstreeks 1999 heeft eiser deze woning verbouwd en er een bedrijfsruimte van gemaakt. Deze heeft hij vervolgens verhuurd. Toen de huurder de huurovereenkomst had opgezegd, heeft eiser geprobeerd de ruimte opnieuw te verhuren als bedrijfsruimte maar dat is hem niet gelukt. Nu wil hij de ruimte op de begane grond weer gebruiken als woonruimte.
4.1.
Het college heeft de door eiser aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Daaraan heeft het ten grondslag gelegd dat het bouwplan deels in strijd is met het geldende bestemmingsplan ‘Koninginnebuurt’ (bestemmingsplan). Volgens het college is ook sprake van strijd met het geldende bestemmingsplan
Parapluplan Parkeernormen Haarlem 2018 (Parapluplan). Op het voorste gedeelte van het perceel, waar het hoofdgebouw is gevestigd, rust (voor zover van belang) de bestemming ‘Gemengd-2’. Op grond van artikel 5.1 bestemmingsplan is dit gedeelte bestemd voor wonen, kantoor, detailhandel of horeca. Op het achterste gedeelte van het perceel rust de bestemming ‘Tuin-3’. De voor Tuin-3 aangewezen gronden zijn op grond van artikel 12.1 sub b bestemmingsplan bestemd voor bijbehorende bouwwerken ten dienste van het hoofdgebouw. Op grond van artikel 12.2.1 sub a bestemmingsplan mogen de gronden met de bestemming Tuin-3 volledig worden bebouwd.
4.2.
Op het gedeelte van het perceel met de bestemming Tuin-3 wil eiser slaapkamers realiseren. Het college heeft de daartoe aangevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen (artikel 2.1, eerste lid, onder a Wabo) geweigerd wegens strijd met de bestemming Tuin-3 (artikel 2.1, eerste lid, onder c Wabo).
Is het bouwplan in strijd met de bestemming Tuin-3 van het bestemmingsplan Koninginnebuurt?
5. Eiser betoogt dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Hij stelt dat de gronden die de bestemming ‘Tuin-3’ hebben, volledig mogen worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken. Deze gronden mogen ook worden bebouwd met een bouwwerk dat een primaire woonfunctie heeft ten opzichte van het hoofdgebouw mits dit bouwwerk ten dienste staat van het hoofdgebouw. In deze zin zijn artikel 1.26 en artikel 12.1 van het bestemmingsplan niet strijdig met elkaar. Eiser wil slaapkamers realiseren en meent dat dit moet worden aangemerkt als een uitbreiding van het hoofdgebouw die ten dienste staat van het hoofdgebouw. De slaapkamer maakt immers mogelijk dat er wordt gewoond, maar de slaapkamer is niet zelfstandig als woning aan te merken, aldus eiser.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan wel in strijd is met de bestemming ‘Tuin-3’ omdat het bijbehorende bouwwerk niet ten dienste staat van het hoofdgebouw. Het college verwijst naar de artikelen 1.26 en 12.1 van de voorschriften behorend bij het bestemmingsplan. Op de bestemming ‘Tuin-3’komen primaire woonfuncties te liggen (slaapkamers). Daarvan kan niet worden gezegd dat het om een bouwwerk gaat dat ten dienste staat van het hoofdgebouw. ‘Ten dienste van’ dient volgens het college te worden begrepen als ‘ondergeschikt aan’.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning is beoordeeld op basis van artikel 2.1, eerste lid, sub a Wabo en, omdat de aanvraag volgens het college betrekking heeft op het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, tevens op artikel 2.1, eerste lid, sub c Wabo. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bouwplan niet in strijd is met bestemmingsplan Koninginnebuurt. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.
5.3.
Daar waar op het perceel de bestemming ‘Gemengd-2 rust, zijn op basis van artikel 5.1.1. planregels de daarvoor bestemde gronden bedoeld voor wonen of voor kantoor, detailhandel, horeca, etc. Daar waar op het perceel de bestemming ‘Tuin-3’ rust, is de daarvoor bestemde grond op basis van artikel 12.1 sub b bedoeld voor ‘bijbehorende bouwwerken ten dienste van het hoofdgebouw’. Uit het bestemmingsplan Koninginnebuurt volgt niet dat bijbehorende bouwwerken binnen de bestemming ‘Tuin-3’
ondergeschiktmoeten zijn aan het hoofdgebouw. Het bestemmingsplan gebruikt op dit punt de term ‘
ten dienste van’ maar geeft geen definitie van dit begrip. Voor de invulling van dit begrip sluit de rechtbank aan bij de systematiek van de planvoorschriften en de toelichting daarop. De rechtbank komt dan tot het oordeel dat de uitleg van het college tot een onjuiste toepassing van artikel 12.1 leidt. Bij een bijbehorend bouwwerk gaat het krachtens de in artikel 1.26 opgenomen definitie om een uitbreiding van het hoofdgebouw dan wel een functioneel met het hoofdgebouw verbonden bouwwerk. Hieruit volgt volgens de rechtbank niet dat een bijbehorend bouwwerk
ondergeschiktdient te zijn aan het hoofdgebouw dan wel geen primaire woonfunctie mag hebben. De bebouwing van de als Tuin-3 bestemde gronden wil eiser gebruiken voor het realiseren van slaapkamers. Dit gebruik kan worden gezien als een uitbreiding van het hoofdgebouw en een gebruik dat ten dienste staat van het hoofdgebouw. Het hoofdgebouw betreft een woning en een slaapkamer staat ten dienste van de woning. Deze uitleg wordt volgens de rechtbank ook ondersteund door de definitie van een bijbehorend bouwwerk te vergelijken met de definitie van een bijgebouw (artikel 1.27 bestemmingsplan). Een bijgebouw is volgens de definitie ‘een gebouw dat in bouwkundige en functionele zin ondergeschikt is aan en ten dienste staat van een hoofdgebouw’. Voor zover de planmaker heeft bedoeld om de bestemming Tuin-3 aan te wijzen voor aan het hoofdgebouw ondergeschikte bebouwing, had het in de rede gelegen om in sub b van artikel 12.1 te verwijzen naar bijgebouwen in plaats van naar bijbehorende bouwwerken. Met andere woorden: lezing van de definitie van bijbehorend bouwwerk uit artikel 1.26 in samenhang met de gebruiksregel van artikel 12.1 sub b leidt tot de conclusie dat het bouwplan van eiser niet in strijd is met de bestemming ‘Tuin-3’ van het bestemmingsplan Koninginnebuurt.
5.4.
Deze beroepsgrond slaagt.
Is het bestemmingsplan Parapluplan Parkeernormen Haarlem 2018 (Parapluplan) van toepassing?
6. Eiser betoogt, onder verwijzing naar de hiervoor besproken beroepsgrond, dat de realisering van een woning past binnen het bestemmingsplan en de bestemming ‘Gemengd-2’. Er kan op basis van het bestemmingsplan worden gewoond op de begane grond en met de aanvraag wordt geen nieuwe of extra woonruimte gecreëerd. Reeds daarom is het Parapluplan niet van toepassing. Ook wordt het pand niet vergroot. Maar ook al zou de bebouwing wel toenemen dan nog is het Parapluplan niet van toepassing. De parkeerbehoefte wijzigt niet ten opzichte van de vaststelling van het bestemmingsplan Koninginnebuurt. Artikel 3.2.1. van het Parapluplan dient zo gelezen te worden dat slechts wanneer een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor de activiteit bouwen
énde activiteit gebruik in strijd met het bestemmingsplan er voldoende parkeergelegenheid dient te worden gecreëerd. Het parapluplan is dus niet van toepassing, althans moet buiten toepassing worden gelaten. Een andere uitleg zou maken dat met de vaststelling van het Parapluplan bestaande rechten van eiser op basis van het bestemmingsplan Koninginnebuurt worden ontnomen.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het Parapluplan van toepassing is nu artikel 3.2.1 van het Parapluplan bepaalt dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en/of het gebruiken van gronden of bouwwerken in voldoende mate op eigen terrein ruimte moet zijn aangebracht om te kunnen parkeren. De aanvraag van eiser betreft de activiteit bouwen en reeds daarom volgt uit artikel 3.2.1 dat het Parapluplan van toepassing is. De vergunning is geweigerd omdat sprake is van strijd met dit Parapluplan nu in dit geval niet op eigen terrein geparkeerd kan worden. Afzien van parkeerrechten is in dit geval niet mogelijk.
6.2.
De rechtbank overweegt dat artikel 3.2.1 van het Parapluplan bepaalt dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of het gebruiken van gronden of bouwwerken geldt dat in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht en in stand worden gehouden op eigen terrein voor parkeer- of stallingsgelegenheid en laad- en losmogelijkheden overeenkomstig de 'Beleidsregels parkeernormen 2015’. Dit betekent dat ook in het onderhavige geval het Parapluplan van toepassing is. Weliswaar komt de rechtbank hiervoor tot het oordeel dat geen sprake is van gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan Koninginnebuurt, maar het gaat hier wel om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. De lezing van eiser dat het Parapluplan alleen van toepassing is bij een situatie waarin een vergunning wordt aangevraagd voor de activiteit bouwen
énvoor de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken, sluit niet aan bij de tekst van de planregel waarin expliciet wordt gesproken over een “en/of”-situatie.
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had het college in redelijkheid kunnen besluiten tot weigering van de vergunning omdat niet werd voldaan aan het Parapluplan Parkeernormen Haarlem 2018?
7. Eiser betoogt dat als wel aan het Parapluplan moet worden getoetst, een omgevingsvergunning verleend moet worden nu hij heeft voldaan aan het stappenplan dat in de Nota parkeernormen is opgenomen. Eiser was bereid om, conform de laatste stap van het stappenplan, af te zien van parkeerrechten.
7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat als hoofdregel geldt dat wanneer een initiatiefnemer niet in de parkeerbehoefte op eigen terrein kan voorzien, in beginsel ook niet meegewerkt kan worden aan het afzien van parkeerrechten. Afwijking van het Parapluplan is een discretionaire bevoegdheid waar het college in dit geval geen gebruik van wil maken. Alleen bij grotere projecten of in hele bijzondere gevallen (bijvoorbeeld zwaarwegende maatschappelijke belangen) is het college bereid mee te werken aan het afzien van parkeerrechten. Het toevoegen van een woning kan niet als een zwaarwegend maatschappelijk belang worden beschouwd. De aanvraag voor een omgevingsvergunning dient dan ook op grond van het Parapluplan te worden geweigerd.
7.2.
De rechtbank stelt voorop dat op basis van artikel 3.2.1 van het Parapluplan bij het verlenen van een omgevingsvergunning in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht en in stand worden gehouden op eigen terrein voor parkeergelegenheid. Op grond van artikel 3.2.2. van het Parapluplan dient het college deze regel toe te passen met inachtneming van de 'Beleidsregels parkeernormen 2015’, met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze beleidsregels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning waren de Beleidsregels parkeernormen 2015 vervangen door de Nota Parkeernormen, versie geldend van 9 augustus 2023 tot 28 oktober 2025 (de Nota). In paragraaf 6.1 wordt een stappenplan beschreven. Daarin valt te lezen:

De vastgestelde parkeerbehoefte moet in beginsel op eigen terrein worden opgelost. Indien dit niet volledig mogelijk blijkt te zijn, kan de initiatiefnemer onderzoeken of het mogelijk is om gebruik te maken van bestaande openbare parkeerplaatsen. Haarlem biedt deze mogelijkheid alleen voor het oplossen van de parkeerbehoefte van sociale woningbouw (zie paragraaf 3.2.7). Als het volledige stappenplan is doorlopen, wordt de parkeereis vastgesteld.”
7.3.
In de onderhavige situatie gaat het niet om sociale woningbouw zodat de parkeerbehoefte niet opgelost kan worden door gebruik te maken van openbare parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte moet dus op eigen terrein opgelost worden.
Paragraaf 6.5 van de Nota beschrijft de mogelijkheden die overblijven als de parkeerbehoefte toch niet op eigen terrein opgelost kan worden, als volgt.

“6.5 Wat als de parkeerbehoefte niet kan worden opgelost?

De situatie kan zich voordoen dat de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling niet volledig kan voorzien in de vastgestelde parkeerbehoefte. Dit kan bijvoorbeeld een gevolg zijn van een gebrek aan fysieke ruimte om parkeerplaatsen te realiseren of een gebrek aan financiële middelen om de aanleg van fiets- en autoparkeerplaatsen te kunnen bekostigen. Dit vormt in beginsel een weigeringsgrond voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning.

Als de bovenstaande situatie zich voordoet, dan zal de initiatiefnemer in eerste instantie zelf naar een oplossing moeten zoeken. De initiatiefnemer kan bijvoorbeeld onderzoeken of de invulling van het programma zodanig kan worden gewijzigd, dat het wel mogelijk is om de parkeerbehoefte volledig op te lossen.
Zoals opgenomen in paragraaf 3.2.8 worden alle adressen binnen een ruimtelijke ontwikkeling uitgesloten van openbare parkeerrechten (tenzij op basis van het stappenplan in paragraaf 6.1 anders is besloten). Het uitsluiten van parkeerrechten leidt ertoe dat de gemeente Haarlem, onder bepaalde eisen en randvoorwaarden, kan instemmen met een ontwikkeling waarin de parkeerbehoefte niet volledig is opgelost.
Eisen en randvoorwaarden met betrekking tot het uitsluiten van openbare parkeerrechten
Adressen uitsluiten van openbare parkeerrechten, terwijl niet op andere wijze is voorzien in de parkeerbehoefte, heeft veel impact op de toekomstige bewoners, werknemers en bezoekers. Om deze reden maakt het college van burgemeester en wethouders altijd een belangenafweging op basis waarvan wordt besloten of de betreffende ruimtelijke ontwikkeling doorgang kan vinden. Deze belangenafweging wordt alleen door het college gemaakt als de initiatiefnemer de onmogelijkheid om volledig in de parkeerbehoefte te voorzien heeft aangetoond, waarbij het volledige stappenplan uit paragraaf 6.1 moet zijn doorlopen.
Als uit de belangenafweging van het college volgt dat een ruimtelijke ontwikkeling doorgang kan vinden, terwijl de parkeerbehoefte niet volledig is opgelost, dan gelden in het vervolg de volgende randvoorwaarden:

De initiatiefnemer moet een verklaring afgeven kennis te hebben genomen van het beleidsuitgangspunt dat alle adressen binnen de ruimtelijke ontwikkeling zijn uitgesloten van openbare parkeerrechten (tenzij op basis van het stappenplan in paragraaf 6.1 anders is besloten);

De initiatiefnemer moet, indien van toepassing, de adressen (of bouwnummers als adressen nog niet bekend zijn) aanwijzen die op basis van het stappenplan in paragraaf 6.1 wel in aanmerking komen voor openbare parkeerrechten;

De adressen die worden uitgesloten van openbare parkeerrechten worden vastgelegd in de omgevingsvergunning en in koop- of huurovereenkomsten. De adressen worden op de gemeentelijke GROP-lijst opgenomen (geen recht op parkeervergunning, zie paragraaf 7.2).”
7.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet deugdelijk gemotiveerd waarom het niet bereid is om gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid die de Nota biedt als de parkeerbehoefte niet op eigen terrein kan worden opgelost, en waarom het van oordeel is dat met het toevoegen van een woning geen zwaarwegend maatschappelijk belang gemoeid is. Er is al jaren sprake van een tekort aan woningen en eiser is er, naar zijn zeggen, al gedurende ruim twee jaar niet in geslaagd het pand te verhuren voor gebruik als kantoor, detailhandel of horeca. Het pand heeft al die tijd leeg gestaan. Eiser heeft al aangegeven bereid te zijn om af te zien van parkeerrechten en aan de randvoorwaarden van paragraaf 6.5 van de Nota lijkt te (kunnen) worden voldaan.
7.4.
Deze beroepsgrond slaagt.
Overige beroepsgronden
8. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, behoeft het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel thans geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op hetgeen de rechtbank in overweging 5.2, 5.3 en overweging 7.3 en 7.4 heeft overwogen, zal het bestreden besluit worden vernietigd. Het beroep is dus gegrond. Het college zal worden opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank geeft het college zes weken om een nieuw besluit te nemen.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt om dezelfde reden ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser als beroepsmatige rechtsbijstandverlener een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op om binnen zes weken na de dag verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Bijzondere wet
Bestemmingsplan Koninginnebuurt
Artikel 1 begrippen Pro
1.26
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.
1.27
bijgebouw
een gebouw dat, zowel in bouwkundige als in functionele zin ondergeschikt is aan en ten dienste staat van een hoofdgebouw.
Artikel 5.1 Bestemmingsomschrijving
Artikel 5.1.1. Begane grond
wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep, gastouderopvang en/of bed & breakfast;
kantoor, detailhandel, dienstverlening, maatschappelijk overeenkomstig artikel 9 lid 1 sub Pro a, bedrijf t/m categorie b van de zoneringslijst;
Artikel 12 Tuin Pro 3
Artikel 12.1 bestemmingsomschrijving
De op de verbeelding voor 'Tuin - 3' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. tuinen en verhardingen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdbebouwing;
b. bijbehorende bouwwerken ten dienste van het hoofdgebouw;
c. bijbehorende voorzieningen, zoals waterlopen en waterpartijen, erfafscheidingen.
Artikel 12.2.1 gebouwen
de gronden mogen volledig worden bebouwd;
(…)
Parapluplan parkeernormen Haarlem 2018
3.2
Parkeren, laden en lossen
3.2.1
Aanbrengen ruimte voor parkeren, laden en lossen
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of het gebruiken van gronden of bouwwerken geldt dat in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht en in stand worden gehouden op eigen terrein voor parkeer- of stallingsgelegenheid en laad- en losmogelijkheden overeenkomstig de 'Beleidsregels parkeernormen 2015'.
3.2.2
Beleidsregels
Het bevoegd gezag past de in sublid 3.2.1 genoemde regels toe met inachtneming van de 'Beleidsregels parkeernormen 2015' met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze beleidsregels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning.
3.2.3
Specifieke gebruiksregels
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt in elk geval gerekend het gebruiken of laten gebruiken van gronden of bouwwerken waarbij niet in voldoende mate ruimte is aangebracht en in stand wordt gehouden op eigen terrein voor het genoemde in sublid 3.2.1 overeenkomstig de beleidsregels als bedoeld in sublid 3.2.2.
3.2.4
Afwijken
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sublid 3.2.1 overeenkomstig de afwijkingsmogelijkheden die vastliggen in de beleidsregels als bedoeld in sublid 3.2.2.
Beleidsregel
Nota parkeernormen, versie geldend van 9 augustus 2023 tot en met 27 oktober 2025
te raadplegen via https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR695551/2#hoofdstuk_6._paragraaf_6.5