Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2632

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
25/4508
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Wet BRVArt. 5d Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeerArt. 6.33 Wet inkomstenbelasting 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijstelling overdrachtsbelasting bij taakoverdracht tussen woningcorporaties toegekend

De zaak betreft een geschil over de toepassing van de vrijstelling overdrachtsbelasting bij de verkrijging van 509 woningen door een woningcorporatie van een andere woningcorporatie, op basis van een Overeenkomst Taakoverdracht. Belanghebbende had overdrachtsbelasting betaald over 314 woningen en maakte bezwaar tegen de weigering van de inspecteur om vrijstelling toe te kennen.

De rechtbank stelt vast dat de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV) en artikel 5d van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer van toepassing is bij taakoverdracht tussen algemeen nut beogende instellingen, mits aan voorwaarden wordt voldaan. De inspecteur betwistte dat sprake was van een overdracht van een zelfstandige taak of een voldoende substantieel deel daarvan.

De rechtbank oordeelt dat het begrip 'zelfstandig onderdeel' niet in de wet of toelichting voorkomt en dat de door de inspecteur gestelde beperkingen niet stroken met het doel van de vrijstelling. Uit de overeenkomst blijkt dat een deel van de volkshuisvestelijke taak inclusief activa en passiva is overgedragen, met voldoende substantie. De vrijstelling is daarom van toepassing.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar, en gelast restitutie van de betaalde overdrachtsbelasting met rente. Tevens veroordeelt zij de inspecteur in de proceskosten en het griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de vrijstelling overdrachtsbelasting wegens taakoverdracht van toepassing is en gelast restitutie van de betaalde belasting met rente.

Uitspraak

Rechtbank noord -holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/4508

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] te [vestigingsplaats] , belanghebbende

(gemachtigden: drs. G.J.W de Ruiter en S.J.M.J. Timmermans MSc),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder

Procesverloop

Op 29 januari 2025 heeft belanghebbende ter zake van de verkrijging van 314 woningen op aangifte overdrachtsbelasting voldaan.
Belanghebbende heeft op 10 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen deze voldoening op aangifte. Bij uitspraak van 6 september 2025 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Op 15 oktober 2025 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen die uitspraak op bezwaar. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de stukken die op het geding betrekking hebben aan de rechtbank toegezonden. Belanghebbende heeft zijn beroep aangevuld op 13 februari 2026.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Belanghebbende is daar vertegenwoordigd door haar gemachtigden, bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3] MA, mr. [naam 4] , en mr. [naam 5] .

Overwegingen

Feiten
1. [woningcorporatie] (hierna: de woningcorporatie) heeft op 3 januari 2025 aan belanghebbende, eveneens een woningcorporatie, 509 in [gemeente] gelegen woningen geleverd. Deze levering vindt haar oorzaak in de op 27 juni 2024 tussen deze twee woningcorporaties gesloten Overeenkomst Taakoverdracht.
2. Belanghebbende heeft vooraf aan verweerder gevraagd om vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de hiervoor bedoelde verkrijging van onroerende zaken en daarbij een beroep gedaan op de zogeheten ‘vrijstelling voor taakoverdracht’ van artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: Wet BRV), nader uitgewerkt in artikel 5d van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer 1971 (hierna: het Uitvoeringsbesluit).
3. Verweerder heeft daarop bij brief van 13 juni 2024 aan belanghebbende het volgende afwijzende standpunt overgebracht:
“(…) Er is sprake van een (deel) taakoverdracht wanneer door een [wooncorporatie, door verweerder steeds aangeduid als ‘woco’] alle onroerende zaken in een bepaald geografisch gebied (deel van het land, provincie, gemeente, wijk) worden overgedragen aan een andere woco, omdat eerstgenoemde woco die (deel) taak in dat geografisch gebied staakt en dat overdraagt aan de andere woco, omdat die woco die taak heeft in dat geografische gebied;
Tevens kan het overdragen van een (deel) taak gelegen zijn in het overdragen van onroerende zaken die gericht zijn op een bepaalde doelgroep (bijvoorbeeld
studentenhuisvesting, seniorenhuisvesting, zorgcomplexen); Wanneer een woco beslist om niet langer ook (bijvoorbeeld) studenthuisvesting tot hun taak te rekenen en vervolgens alle daartoe bestemde onroerende zaken overdraagt naar een woco die dat wel tot haar taak rekent, dan is er sprake van een taakoverdracht;
(…)
Uit de stukken is vast komen te staan dat [de woningcorporatie] maar een deel van haar portefeuille in de wijken [wijk 1] en [wijk 2] overdraagt aan [belanghebbende]. De taak wordt door [de woningcorporatie] (deels) voortgezet in beide wijken. Gegeven het standpunt van [verweerder] (…) wordt niet de gehele taak in het geografische gebied overgedragen. [Verweerder] is daarom van mening dat er geen beroep kan worden gedaan op de vrijstelling taakoverdracht. (…)”
4. Dit standpunt is bij brief van 4 juli 2024 als volgt bijgesteld:
“(…) Onlangs hebben wij elkaar telefonisch gesproken. In de wijk [wijk 2] wordt wél de gehele portefeuille woningen door [de woningcorporatie] overgedragen aan [belanghebbende]. (…) Inhakend op de opvatting van [verweerder], dat voor de overdracht van een (deel)taak (onder andere) alle onroerende zaken in een bepaald geografisch gebied (deel van het land, provincie, gemeente of wijk) overgedragen dienen te worden, blijkt dat in de buurt ‘ [straat] en omgeving’ binnen de wijk [wijk 2] 195 van de over te dragen 509 woningen gelegen zijn. Na overdracht van deze woningen bezit [de woningcorporatie] geen andere woningen meer in [wijk 2] , noch heeft zij voornemens om hier nog woningen te verkrijgen of nieuw te realiseren. (…)
Aangezien er dan sprake is van overdracht van een taak van alle woningen in een afgebakend geografisch gebied ( [wijk 2] ), bent u van mening dat de overdracht van deze 195 woningen wel vallen onder de taakoverdracht en dat een beroep kan worden gedaan op de vrijstelling overdrachtsbelasting ingevolge artikel 15, lid 1 onderdeel h WBR juncto 5d [Uitvoeringsbesluit]. (…)
Uitgaande van de opvatting van [verweerder] (…) ben ik van mening dat voor dit pakket van 195 woningen, gelegen in een specifiek geografisch gebied, de vrijstelling ingevolge taakoverdracht van toepassing is. Daarbij ga ik ervan uit dat er wordt voldaan aan alle voorwaarden gesteld in artikel 5d, zoals eerder vermeld in mijn brief van 13 juni 2024. (…)
Inzake de overdracht van de 195 woningen gelegen in de wijk [wijk 2] in [gemeente] kan een beroep worden gedaan op de vrijstelling overdrachtsbelasting ingevolge artikel 15, lid 1 onderdeel h WBR juncto artikel 5d [Uitvoeringsbesluit] (…)”
5. Op 29 januari 2025 heeft belanghebbende ter zake van de verkrijging van (509 -/- 195 =) 314 woningen (tegen een tarief van 10,4%) € 5.907.484 aan overdrachtsbelasting voldaan.
Geschil en standpunten van partijen
6. In geschil is of een vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing is op de verkrijging van alle woningen die bij akte van 3 januari 2025 aan belanghebbende zijn geleverd.
7. Belanghebbende voert aan dat de zogeheten ‘vrijstelling voor taakoverdracht’ van artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de Wet BRV van toepassing is. Verweerder betwist dat en voert aan dat niet is voldaan aan de in artikel 5d van het Uitvoeringsbesluit gestelde voorwaarde dat sprake moet zijn van de overdracht van een ‘taak’ of van ‘een zelfstandig onderdeel van een taak.’
8. Partijen zijn het erover eens dat wordt voldaan aan de voorwaarden dat (i) sprake moet zijn van een transactie tussen woningcorporaties die beschikken over de ANBI-status, en (ii) dat commerciële factoren bij de overdracht geen rol spelen. Indien sprake is van een taakoverdracht als bedoeld in de Wet BRV, is evenmin in geschil dat is voldaan aan de voorwaarde dat (iii) alle activa en passiva die betrekking hebben op de overgedragen taak aan de verkrijgende instelling worden overgedragen
Beoordeling van het geschil
9. Artikel 15 van Pro de Wet BRV luidt, voor zover hier van belang:
“1. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging:
(…)
h. bij (…) taakoverdracht tussen (…) algemeen nut beogende instellingen; (…)”
10. De bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden bij taakoverdracht zijn terug te vinden in artikel 5d van het Uitvoeringsbesluit, welk artikel voor zover hier van belang als volgt luidt:
“1. De in artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de wet bedoelde vrijstelling is op een verkrijging door een vereniging als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of een algemeen nut beogende instelling van toepassing: (…)
b. bij een taakoverdracht tussen twee of meer van deze verenigingen of instellingen, indien in het kader daarvan alle activa en passiva die betrekking hebben op de overgedragen taak aan de verkrijgende vereniging of instelling worden overgedragen, mits bij de overdracht commerciële factoren geen rol spelen.
2. De vrijstelling is niet van toepassing op de verkrijging indien de overdracht uitsluitend de exploitatie van onroerende zaken inhoudt of de afzonderlijke overdracht van onroerende zaken betreft of als de onroerende zaken niet worden aangewend voor de overgedragen taak. (…)”
11. De Nota van toelichting bij het Besluit van 23 december 2009 tot wijziging van
enige fiscale uitvoeringsbesluiten en enkele andere besluiten (Stb 2009 615, blz. 49) vermeldt:
“(…) In het ingevolge dit onderdeel per 1 januari 2010 in te voegen artikel 5d van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer is aangegeven onder welke voorwaarden de vrijstelling als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer van toepassing is bij een juridische fusie of taakoverdracht tussen twee of meer ANBI’s of verenigingen. De voorwaarden uit dit artikel zijn er op gericht dat het vermogen (inclusief eventuele reserves) beschikbaar blijft voor activiteiten in de sfeer van het algemeen nut of voor de verenigingsactiviteiten.
(…) De vrijstelling geldt uitsluitend voor de verkrijging van onroerende zaken in het kader van een juridische fusie of taakoverdracht en derhalve niet voor de verkrijging van «losse» onroerende zaken. Een dergelijke verkrijging verschilt immers feitelijk niet van een verkrijging van die onroerende zaken op grond van bijvoorbeeld een koopovereenkomst met een willekeurige derde.
Van een taakoverdracht in de zin van deze bepaling is slechts sprake als er een taak in de sfeer van het algemeen nut of in het kader van de verenigingsactiviteiten wordt overgedragen. De vrijstelling is derhalve niet van toepassing indien de overdracht uitsluitend de exploitatie van onroerende zaken inhoudt. Een dergelijke, al dan niet op winst gerichte, exploitatie van onroerende zaken, waaronder de terbeschikkingstelling bij overeenkomst van huur, is geen taak in de sfeer van het algemeen nut of in het kader van de verenigingsactiviteiten. De vrijstelling is eveneens niet van toepassing indien de onroerende zaken niet worden aangewend voor de overgedragen taak. (…)”
12. In de Nota van toelichting bij het Besluit van 7 juli 2021 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer in verband met verkrijgingen in
het kader van een taakoverdracht en de woningwaarderingsgrens voor toepassing van
de startersvrijstelling (Stb 2021, 357 blz. 5) valt te lezen:
“(…) Op grond van artikel 5d, tweede lid, UB BRV is de vrijstelling niet van toepassing op een verkrijging van afzonderlijke onroerende zaken. Dit geldt ongeacht of deze «losse» onroerende zaken binnen het kader van het algemeen nut of de verenigingsactiviteiten worden aangewend. Een dergelijke verkrijging verschilt feitelijk niet van een gewone verkrijging op grond van een koop en verkoop van die onroerende zaken tegen een koopsom. Een overdracht dient dus een bepaalde mate van substantie te hebben om als taakoverdracht te kunnen worden aangemerkt. Bij een taakoverdracht gaat het om de overheveling van (een deel van) de activiteiten, met alle daarbij behorende activa en passiva, van een Anbi of kwalificerende vereniging naar een andere Anbi of kwalificerende vereniging. (…)”
13. De rechtbank overweegt dat het doel van de vrijstelling die hier aan de orde is, erin bestaat om het vermogen van een algemeen nut beogende instelling bij een taakoverdracht beschikbaar te houden voor activiteiten in de sfeer van het algemeen nut. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de wetgever en de besluitgever het begrip ‘taakoverdracht’ niet hebben gedefinieerd. Wel geven de wetgever en de besluitgever aanwijzingen om dat begrip af te bakenen. Zo moet het gaan om de overdracht van een taak in de sfeer van het algemeen nut, mag het niet gaan om de verkrijging van losse onroerende zaken, is het van belang dat de overdracht een bepaalde mate van substantie heeft, en gaat het om overheveling van (een deel van) de activiteiten met alle daarbij behorende activa en passiva.
14. Volgens verweerder is er pas recht op de vrijstelling bij ‘overdracht van een taak of van een zelfstandig onderdeel van een taak.’ Verweerder wijst erop dat de wooncorporatie niet zijn gehele algemene volkshuisvestelijke taak in [gemeente] aan belanghebbende overdraagt want de corporatie blijft actief in [gemeente] . Voor verweerder is toepassing van de vrijstelling dan afhankelijk van het antwoord op de vraag of de wooncorporatie een ‘zelfstandig onderdeel’ van de volkshuisvestelijke taak van de wooncorporatie overdraagt. Daarvan is volgens verweerder met de overdracht van de 314 woningen geen sprake. Verweerder herhaalt zijn hiervoor onder 3. weergegeven standpunt, concludeert dat niet een gehele (deel)taak wordt overgedragen maar slechts een zestal complexen, en meent dat de vrijstelling niet van toepassing is.
15. De rechtbank overweegt dat het door verweerder gehanteerde begrip ‘zelfstandig onderdeel’ van de volkshuisvestelijke taak niet in de relevante bepalingen voorkomt en evenmin in de Nota van toelichting. Ook voor de beperking van het bereik van de vrijstelling tot een totaliteit van onroerende zaken in een bepaald geografisch gebied bieden wet, Uitvoeringsbesluit, en Nota van toelichting geen steun. Verweerder stelt eisen aan toepassing van de vrijstelling die de wet en het Uitvoeringsbesluit niet kennen. Deze beperkende voorwaarden druisen naar het oordeel van de rechtbank in tegen het doel van de vrijstelling. Verweerder heeft nog gewezen op een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2024:8079), maar daarmee brengt hij de rechtbank niet tot een ander oordeel.
16. Uit de Overeenkomst Taakoverdracht en de daarbij gevoegde bijlagen leidt de rechtbank af dat de wooncorporatie op 3 januari 2025 een deel van de volkshuisvestelijke activiteiten aan belanghebbende heeft overgeheveld, niet alleen ‘stenen’ maar ook bijbehorende passiva en verplichtingen. Deze overdracht vond plaats in de sfeer van het algemeen nut, tussen instellingen die het algemeen nut beogen. Met een totaal van 509 wooneenheden kan worden gezegd dat de overdracht een voldoende mate van substantie heeft. De rechtbank concludeert dat aan de toepassingsvoorwaarden van de vrijstelling is voldaan. Er is sprake van een taakoverdracht tussen algemeen nut beogende instellingen. Het beroep is gegrond.
Proceskosten
17. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van het hoorgesprek, met een waarde per punt van € 666; 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1 wegens het gewicht van de zaak). Ook dient verweerder het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- beslist dat de vrijstelling wegens taakoverdracht op de onderhavige verkrijging van onroerende zaken van toepassing is;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- gelast de inspecteur tot restitutie aan belanghebbende van de voldane overdrachtsbelasting vermeerderd met rente tot de dag waarop de voldane overdrachtsbelasting bij wijze van restitutie op de bankrekening van belanghebbende is bijgeschreven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.200;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 385 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Snitker, voorzitter, mr. A.A. Fase, en
mr. J.C. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. T. van Opzeeland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).