ECLI:NL:RBNHO:2026:2590

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
11924564 \ CV EXPL 25-3835
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing vordering wegens niet-naleving precontractuele informatieplicht en toetsing algemene voorwaarden

De eisende partij, Binka Handelsmij B.V. handelend onder Containerbox.nl, vordert betaling van €10.927,80 plus bijkomende kosten van de gedaagde partij die niet is verschenen, waardoor verstek is verleend.

De kantonrechter toetst ambtshalve of aan de precontractuele informatieplichten uit artikel 6:230l BW is voldaan. De eisende partij heeft nagelaten te onderbouwen dat zij de consument voldoende heeft geïnformeerd over de wijze van betaling en de opzeggingsmogelijkheden van de overeenkomst. Dit leidt tot een sanctie waarbij 20% van de hoofdsom wordt vernietigd.

Daarnaast onderzoekt de rechter de algemene voorwaarden op oneerlijke bedingen. Het huurprijswijzigingsbeding wordt niet getoetst omdat het niet relevant is, en het beding in artikel 7.1 wordt niet als oneerlijk beoordeeld.

De vordering wordt daarom gedeeltelijk toegewezen tot €8.742,24 plus wettelijke rente vanaf de dagvaarding en proceskosten. De vordering tot vergoeding van verschenen rente wordt afgewezen wegens te hoge berekening.

Uitkomst: De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen met een sanctie van 20% vernietiging van de hoofdsom wegens niet-naleving van precontractuele informatieplichten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 11924564 \ CV EXPL 25-3835
Uitspraakdatum: 11 maart 2026
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Binka Handelsmij B.V., handelende onder de naam
Containerbox.nl
te Heerhugowaard
de eisende partij
gemachtigde: Deurwaarderskantoor Van Lith B.V.
tegen
[gedaagde]
te gemeente [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De procedure

1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van
€ 10.927,80, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.2.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Boek 6, titel 5, afdeling 2B van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. [1]
2.3.
De eisende partij heeft niet gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten. De eisende partij heeft namelijk nagelaten een concrete toelichting te geven op de wijze van totstandkoming van de overeenkomst en hoe zij in die situatie heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten.
2.4.
Weliswaar heeft de eisende partij producties bij de dagvaarding overgelegd, maar zonder toe te lichten welke delen daarvan relevant zijn voor welk standpunt. Producties kunnen stellingen enkel ondersteunen en niet vervangen. Het is niet aan de kantonrechter om eigenhandig op zoek te gaan naar informatie. [2] Het is dus aan de eisende partij om concreet aan te geven welke informatie in welke productie te vinden is (bijvoorbeeld door de relevante onderdelen in de producties te onderstrepen of te arceren).
De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat het ontbreken van een dergelijke toelichting in eventuele vervolgzaken [3] kan leiden tot afwijzing van de vordering.
2.5.
Bij wijze van uitzondering heeft de kantonrechter in dit geval wel zelf in de producties gecontroleerd hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en of de eisende partij bij het sluiten van de overeenkomst aan de wettelijk voorgeschreven precontractuele informatieverplichtingen heeft voldaan. Daaruit blijkt dat de vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.6.
Uit de producties blijkt niet (voldoende) dat de eisende partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan de informatieplicht(en) als bedoeld in artikel 6:230l BW onder d en f BW heeft voldaan. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat de zij de gedaagde partij heeft geïnformeerd over de wijze van betaling (zoals bedoeld in artikel 6:230l onder d BW). Daarnaast wordt de overeenkomst automatisch verlengd of is deze van onbepaalde duur, maar is evenmin gesteld of gebleken dat de eisende partij de gedaagde partij heeft geïnformeerd over de wijze waarop de overeenkomst kan worden opgezegd. Voor deze schendingen zal een sanctie worden toegepast.
2.7.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie [4] en onder meer het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 [5] moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
2.8.
Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en de jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, zal de overeenkomst gedeeltelijk worden vernietigd, te weten voor 20% van de door de gedaagde partij oorspronkelijk verschuldigde hoofdsom.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.9.
De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest [6] , gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.10.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat op de overeenkomst(en) de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard: ‘Algemene voorwaarden’ van Containerbox.nl (hierna: de algemene voorwaarden).
2.11.
In artikel 7.4 van de algemene voorwaarden staat een huurprijswijzigingsbeding. Uit de stukken blijkt dat de eisende partij de huurprijs gedurende de looptijd van de huurovereenkomst niet heeft gewijzigd, zodat dit beding geen verband houdt met de onderhavige vordering. Daarom zal de kantonrechter dit beding niet toetsen op (on)eerlijkheid.
2.12.
Het beding uit de algemene voorwaarden dat verband houdt met de vordering, te weten artikel 7.1, is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Wat is toewijsbaar?
2.13.
Gelet op het voorgaande is een bedrag van € 8.742,24 aan hoofdsom toewijsbaar
(€ 10.927,80 x 0.8).
2.14.
De buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar over deze hoofdsom, tot een bedrag van € 812,11.
2.15.
De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.
Conclusie en proceskosten
2.16.
De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.
2.17.
De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 8.742,24, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 120,78;
griffierecht € 1.461,00;
salaris gemachtigde € 360,00;
3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677).
2.Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404.
3.Ingeleid met een dagvaarding vanaf 1 april 2026.
4.HvJ EU 23 januari 2019, zaak C-430/17, ECLI:EU:C:2019:47 (Walbusch Walter Busch), punt 41; HvJ EU 10 juli 2019, zaak C-649/17, ECLI:EU:C:2019:576 (Amazon EU), punt 44.
5.Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
6.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).