Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2410

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
12080956 \ KG EXPL 26-14
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610b BWArt. 7:629 BWArt. 7:629a BWArt. 6:96 BWArt. 6:228 lid 1 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling loon tijdens ziekte bij oproepovereenkomst ondanks verweer werkgever

Een werknemer trad in februari 2025 in dienst bij een werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd als horecamedewerker. De werknemer meldde zich in juli 2025 ziek en verrichtte sindsdien geen werkzaamheden meer. De werknemer vorderde in kort geding loonbetaling tijdens ziekte over de periode van juli 2025 tot het einde van het dienstverband in februari 2026, vermeerderd met wettelijke verhoging, rente en incassokosten.

De werkgever voerde meerdere verweren: vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens dwaling, opzegging door de werknemer, het ontbreken van een deskundigenverklaring van het UWV en dat de gehanteerde referteperiode voor de arbeidsomvang niet representatief zou zijn. De kantonrechter verwierp deze verweren. De vernietiging wegens dwaling faalde omdat de werknemer voorafgaand aan het dienstverband had verklaard dat haar reuma geen belemmering vormde, wat door de werkgever niet werd betwist. De opzegging werd niet aangenomen omdat de verklaring van de werknemer niet duidelijk en ondubbelzinnig was en de werkgever geen onderzoeksplicht had nageleefd.

De kantonrechter oordeelde dat in kort geding geen deskundigenverklaring vereist is, zeker nu de werkgever de arbeidsongeschiktheid niet eerder betwistte. Het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW dat de arbeidsomvang gelijk is aan het gemiddelde van de drie voorafgaande maanden werd niet weerlegd door de werkgever. De loonvordering werd daarom toegewezen, inclusief een gematigde wettelijke verhoging van 10%, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten. De werkgever werd tevens veroordeeld tot het verstrekken van bruto/netto specificaties onder dwangsom.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de loonvordering tijdens ziekte toe en veroordeelt de werkgever tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 12080956 \ KG EXPL 26-14 (BvdL)
Vonnis in kort geding van 3 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. C.T. Williams (ARAG SE),
tegen
[gedaagde] .,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M.H. Godthelp.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert een werknemer in kort geding betaling van loon tijdens ziekte. De werkgever vindt dat de vordering moet worden afgewezen omdat 1) zij de arbeidsovereenkomst vernietigt wegens dwaling, 2) de werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, 3) een deskundigenverklaring van het UWV ontbreekt en 4) de door de werknemer gehanteerde referteperiode van drie maanden voor de arbeidsomvang niet representatief is. Deze verweren van de werkgever slagen niet en de kantonrechter wijst de vordering toe.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 11
- de akte vermeerdering en correctie van eis met productie
- de producties 1 tot en met 9 van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 17 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [gedaagde] .

2.De feiten

2.1.
[eiser] , geboren [geboortedatum] , is op 15 februari 2025 in dienst getreden bij [gedaagde] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 14 februari 2026. De functie van [eiser] is Horecamedewerker met een loon van € 8,64 bruto per uur, te vermeerderen met 8,33% vakantietoeslag en 11,16% vergoeding voor vakantiedagen.
2.2.
[gedaagde] betaalt het loon iedere 25e van de maand over de daaraan voorafgaande periode van de 15e tot en met de 14e.
2.3.
Over de werktijden staat in artikel 4 van Pro de arbeidsovereenkomst dat de werkgever de werknemer zal oproepen indien en voor zover er naar het oordeel van de werkgever werkzaamheden zijn waarvoor de werknemer in aanmerking komt, en dat de werkgever een seizoensbedrijf is wat maakt dat de werktijden wisselend kunnen zijn en aldus kunnen plaatsvinden in de avonden en weekenden.
2.4.
Over de standplaats vermeldt artikel 3 onder Pro e van de arbeidsovereenkomst dat de werknemer werkzaam zal zijn in het bedrijf van de werkgever aan de [adres] te [plaats] , en in voorkomende gevallen in andere door de werkgever aan te wijzen vestigingen van [naam B.V.]
2.5.
Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Recreatie van toepassing. Artikel 29 lid 2 van Pro de CAO Recreatie bepaalt (onder meer) dat als de werknemer niet kan werken wegens ziekte, de eerste zes maanden van het eerste ziektejaar 95% van het loon wordt doorbetaald en de tweede zes maanden van het eerste ziektejaar 90% van het loon. Verder staat in artikel 29 lid 5 van Pro de CAO Recreatie:
“Als je flexitimer of hulpkracht bent
a. Om dan je loon te bepalen, geldt je gemiddelde maandloon over 13 weken direct voorafgaand aan de datum dat je arbeidsongeschikt werd. Dit is je maandloon inclusief vakantiegeld en vakantiedagen, als dit voor jou geldt.
b. Is je gemiddelde maandloon over deze 13 weken geen goede vergelijking met dat wat je gemiddeld over de 52 weken daarvoor kreeg? Dan geldt je gemiddelde jaarloon.”
2.6.
[eiser] heeft zich op 17 juli 2025 ziekgemeld bij [gedaagde] . Sindsdien heeft zij geen werkzaamheden meer voor [gedaagde] verricht.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert na wijziging van eis - samengevat - loon (tijdens ziekte) over de periode van 1 juli 2025 tot en met 14 februari 2026, te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging, de wettelijke rente en een bedrag van € 678,58 voor buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] om deugdelijke bruto/netto specificaties van de nog verschuldigde bedragen te verstrekken, op straffe van een dwangsom. De vordering tot afgifte van de urenadministratie met betrekking tot door [eiser] gewerkte uren over de periode van 1 tot en met 16 juli 2025 is op de zitting ingetrokken, omdat [gedaagde] dit urenoverzicht inmiddels heeft verstrekt.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vorderingen van [eiser] . [gedaagde] voert daarvoor aan primair dat zij de arbeidsovereenkomst vernietigt op grond van dwaling, subsidiair dat de arbeidsovereenkomst per 19 juli 2025 is geëindigd doordat [eiser] ontslag heeft genomen, meer subsidiair dat [eiser] een deskundigenverklaring van het UWV als bedoeld in artikel 7:629a lid 1 BW had moeten overleggen en uiterst subsidiair dat [eiser] tot 15 februari 2026 maximaal 127,62 uur gewerkt zou kunnen hebben, zodat een nabetaling van in totaal maximaal € 1.261,41 bruto zou kunnen plaatsvinden.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Beoordeeld moet worden of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Bij dit voorlopig oordeel is geen plaats voor een uitgebreid feitenonderzoek en het horen van getuigen.
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij haar vordering
4.2.
Het uitgangspunt is dat de spoedeisendheid van een vordering tot doorbetaling van loon tijdens ziekte voortvloeit uit de aard van die vordering. In deze zaak is geen reden om af te wijken van dit uitgangspunt. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat zij wegens het uitblijven van loonbetalingen niet meer kan voldoen aan haar financiële verplichtingen. [gedaagde] voert ook geen verweer op het punt van de spoedeisendheid.
Het beroep op dwaling van [gedaagde] slaagt niet
4.3.
[gedaagde] heeft op de zitting verklaard de arbeidsovereenkomst te vernietigen op grond van dwaling. Een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is vernietigbaar indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten. [1]
4.4.
[gedaagde] voert aan dat [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft gezegd dat zij reuma heeft en dat dit geen belemmering voor haar werkzaamheden zou zijn, terwijl vervolgens in de praktijk is gebleken dat de reuma van [eiser] de uitvoering van het werk wel belemmert. [gedaagde] stelt dat [eiser] daarmee een onjuiste mededeling heeft gedaan die tot een onjuiste voorstelling van zaken heeft geleid. De kantonrechter volgt [gedaagde] daarin niet en de kantonrechter legt hierna uit waarom niet.
4.5.
[eiser] heeft toegelicht dat zij in de vier zomerseizoenen voorafgaand aan haar sollicitatie bij [gedaagde] in de horeca heeft gewerkt en dat haar reuma daarbij nooit een belemmering is geweest. [gedaagde] betwist dit niet. De mededeling van [eiser] aan [gedaagde] was dus mede gebaseerd op die ervaring. Op dat moment was de reuma feitelijk ook geen belemmering voor het verrichten van de werkzaamheden. Dit vindt steun in het feit dat [eiser] vanaf februari 2025 maandenlang structureel veel uren voor [gedaagde] heeft gewerkt. Voor het eerst in juli 2025 kon [eiser] niet werken vanwege reumaklachten. Uit niets blijkt dat [eiser] in februari 2025 had behoren te weten dat de reuma het komende jaar een belemmering zou worden. Daarvoor is onvoldoende dat reuma in het algemeen een onvoorspelbare ziekte is. Op basis van de informatie die [eiser] ten tijde van haar sollicitatie had, heeft zij dus juist verklaard.
4.6.
Omdat naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen sprake is van een onjuiste mededeling van [eiser] , kan [gedaagde] geen geslaagd beroep doen op vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling.
[eiser] heeft de arbeidsovereenkomst niet opgezegd
4.7.
Als tweede verweer voert [gedaagde] aan dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd door een opzegging van [eiser] , hetgeen [eiser] gemotiveerd betwist. Ook dit verweer van [gedaagde] slaagt niet en de kantonrechter overweegt daarover het volgende.
4.8.
Naar vaste rechtspraak vereist de opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring, die erop is gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem of haar kan hebben, zoals het mogelijk verlies van aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving zoals een WW- of ZW-uitkering. In verband met die ernstige gevolgen mag de werkgever niet te snel aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking. Als er voor de werkgever reden is te betwijfelen of de verklaring van de werknemer overeenstemt met zijn of haar wil, rust op de werkgever een onderzoeksplicht, alsmede de verplichting om de werknemer over de mogelijke gevolgen van de opzegging voor te lichten.
4.9.
[gedaagde] baseert haar stelling dat [eiser] heeft opgezegd op een WhatsAppbericht van [eiser] van 26 juli 2025 aan een van de horecamanagers van [gedaagde] waarin [eiser] schrijft:
“Hebben jullie volgende week even tijd voor een gesprekje om te overleggen hoe en wat nu? Ik voel me gelukkig wat beter maar nog niet optimaal. Zit er erg mee met hoe ik nu wat dingen moet gaan invullen omdat ik het enorm naar me zin heb bij jullie en jullie niet wil laten zitten maar het blijkt toch dat het lichamelijk niet het beste is voor mij. Als jullie tijd hebben voor een gesprek zou ik graag even me moeder mee willen nemen want die is soms wat beter in dingen uitleggen”.
4.10.
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat dit bericht van [eiser] in geen enkel opzicht voldoet aan de eisen die gesteld worden aan een opzegging. Alleen al de in het WhatsAppbericht gebruikte bewoordingen maken dat niet kan worden gezegd dat sprake is van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring waaruit [gedaagde] kon en mocht afleiden dat [eiser] daarmee het dienstverband onvoorwaardelijk wilde beëindigen, met alle gevolgen van dien. Anders dan [gedaagde] stelt staat in het hiervoor geciteerde bericht niet dat [eiser] niet meer zou komen, en de vervolgstelling van [gedaagde] dat zij het bericht zo heeft
geïnterpreteerdduidt er juist op dat het bericht niet duidelijk en ondubbelzinnig is.
4.11.
Het ontbreken van een duidelijke en ondubbelzinnige, op beëindiging gerichte wilsverklaring van [eiser] leidt reeds tot het oordeel dat geen sprake is van een (rechtsgeldige) opzegging van de arbeidsovereenkomst. Bovendien lag het op de weg van [gedaagde] te onderzoeken of haar interpretatie juist was, te meer omdat in het bericht van [eiser] wel duidelijk staat dat zij een gesprek met [gedaagde] wil voor overleg hoe verder. Daarbij is ook de ziekte van [eiser] van belang. Die brengt mee dat van [gedaagde] extra zorgvuldigheid verwacht mocht worden vanwege de nadelige gevolgen die een vrijwillige beëindiging van het dienstverband zou kunnen hebben voor eventuele uitkeringsaanspraken van [eiser] . [gedaagde] had [eiser] hierover moeten inlichten. Partijen zijn het erover eens dat een afspraak is gemaakt voor een gesprek kort na 26 juli 2025, en dat deze afspraak is afgezegd door [gedaagde] wegens familieomstandigheden. Een nieuwe afspraak is niet gemaakt. Dat geen gesprek heeft plaatsgevonden komt onder de gegeven omstandigheden voor rekening en risico van [gedaagde] .
Een deskundigenverklaring is niet nodig
4.12.
Verder vindt [gedaagde] dat de loonvordering niet toewijsbaar is omdat [eiser] geen deskundigenverklaring van het UWV heeft overgelegd. [gedaagde] beroept zich daarvoor op artikel 7:629a BW, waarin is bepaald dat een loonvordering tijdens ziekte wordt afgewezen als een deskundigenverklaring van het UWV ontbreekt. In kort geding procedures geldt echter een uitzondering op deze regel. In verband met de aard van het kort geding als spoedprocedure, het doel van efficiënte geschilbeslechting en de omstandigheid dat het voorschrift niet is gegeven in het belang van de werkgever maar om de rechtsbescherming van de werknemer te versterken, is het in een kort geding aan de rechter overgelaten om te bepalen of het overleggen door de werknemer van een deskundigenverklaring wenselijk is. [2]
4.13.
[gedaagde] stelt dat [eiser] voldoende tijd heeft gehad om voor aanvang van de kortgedingprocedure een deskundigenoordeel aan te vragen en dat een begin van bewijs van de arbeidsongeschiktheid ontbreekt, zodat de uitzondering op artikel 7:629a BW in dit geval niet geldt. De kantonrechter volgt [gedaagde] hierin niet en licht dit als volgt toe.
4.14.
[gedaagde] heeft in eerste instantie de ziekmelding van [eiser] geaccepteerd. Toen voor [eiser] uit de loonbetaling eind augustus 2025 duidelijk werd dat zij over de periode vanaf de ziekmelding geen loon meer ontving heeft zij op 4 september 2025 een e-mail aan [gedaagde] gestuurd. Daarin schrijft [eiser] dat zij sinds 17 juli wegens ziekte niet in staat is haar werkzaamheden te verrichten, beroept zij zich op de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte en op verplichtingen van de werkgever rondom re-integratie. In reactie daarop schrijft [gedaagde] op 9 oktober 2025 aan [eiser] verrast te zijn door haar e-mail omdat [gedaagde] begrepen had dat alles al was afgerond. Vervolgens verzoekt [eiser] in een brief van 14 oktober 2025 aan [gedaagde] om alsnog vanaf 17 juli alsnog 95% van het loon door te betalen en om de bedrijfsarts in te schakelen. De gemachtigde van [eiser] heeft in een brief van 17 november 2025 het verzoek om inschakeling van de bedrijfsarts herhaald. Ondanks dit herhaald verzoek heeft [gedaagde] geen bedrijfsarts ingeschakeld en voorafgaand aan deze procedure de arbeidsongeschiktheid van [eiser] nooit betwist. Voor het eerst op de zitting heeft [gedaagde] de arbeidsongeschiktheid ter discussie gesteld. In die situatie kan in redelijkheid niet van [eiser] worden gevergd dat zij een deskundigenverklaring overlegt en vindt de kantonrechter dat in het kader van dit kort geding niet nodig. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat [gedaagde] zich er voor haar dwalingsverweer juist op beroept dat is gebleken dat de reuma van [eiser] de uitvoering van het werk belemmert.
Het rechtsvermoeden dat de arbeidsomvang 124,75 uur per maand bedraagt is niet weerlegd
4.15.
Gezien het voorgaande heeft [eiser] recht op doorbetaling van loon over de periode dat zij niet kon werken wegens ziekte, conform het bepaalde in artikel 7:629 BW Pro en de CAO Recreatie. [eiser] vordert 95% van het loon over de periode van 17 juli 2025 tot en met 16 januari 2026 en 90% van het loon vanaf 17 januari 2026 tot en met 14 februari 2026, waarna de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd. Over deze door [eiser] gestelde perioden en percentages bestaat tussen partijen geen discussie. Wat partijen verdeeld houdt is de hoogte van het in aanmerking te nemen loon.
4.16.
De arbeidsovereenkomst van partijen is een oproepovereenkomst waarin niets staat over de arbeidsduur. [eiser] beroept zich voor de omvang van haar loonvordering op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. Daarin is bepaald dat indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, de bedongen arbeid in enige maand vermoed wordt een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. [eiser] stelt dat zij in de maanden april, mei en juni 2025 gemiddeld 124,75 uur per maand heeft gewerkt, zodat de vordering berekend moet worden op basis van een (100%) salaris van € 1.287,91 bruto per maand (inclusief 8,33% vakantietoeslag en 11,16% vergoeding voor vakantiedagen).
4.17.
[gedaagde] betwist op zichzelf niet dat [eiser] in de drie maanden voorafgaand aan haar ziekmelding gemiddeld 124,75 per maand heeft gewerkt. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:610b BW, zodat het rechtsvermoeden in werking treedt en als uitgangspunt geldt dat de arbeidsomvang 124,75 uur per maand bedraagt. Maar dit rechtsvermoeden is weerlegbaar.
4.18.
[gedaagde] stelt dat de referteperiode van drie maanden niet representatief is. Ook het gemiddelde over 52 weken van artikel 29 lid 5 sub b van Pro de CAO Recreatie is in dit geval onjuist, nog los van het feit dat niet bij CAO kan worden afgeweken van artikel 7:610b BW, aldus [gedaagde] . Volgens [gedaagde] moet uitgegaan worden van het aantal uren dat collega’s van [eiser] gemiddeld per persoon hebben gewerkt in de maanden juli (58,38 uur), augustus (55,36 uur), september (24,28 uur) en oktober (30,10 uur), waarvan moet worden afgetrokken de 40,5 uur die [eiser] in juli heeft gewerkt, zodat een nabetaling zou kunnen plaatsvinden van in totaal maximaal 127,62 uur. [gedaagde] voert daarvoor aan - samengevat - dat haar restaurant dicht is van 1 november tot half maart, dat het hoogseizoen loopt van mei tot en met september, dat onzeker is of en hoeveel [eiser] zich beschikbaar zou hebben gesteld om te werken mede vanwege haar reuma, dat [eiser] in het begin van haar dienstverband veel uren heeft gewerkt bij zusteronderneming [naam] en dat de uren bij [naam] niet meetellen bij een referteperiode.
4.19.
[gedaagde] beoogt met het voorgaande het rechtsvermoeden te weerleggen, maar slaagt hierin niet. [eiser] wijst er terecht op dat de arbeidsovereenkomst is gesloten met ingang van 15 februari 2025 voor de duur van een jaar, hetgeen niet strookt met de stelling van [gedaagde] dat er van 1 november tot half maart geen werk zou zijn voor [eiser] . Dit staat ook niet in de arbeidsovereenkomst. Daarin staat over seizoenswerk alleen dat [gedaagde] een seizoensbedrijf is, wat maakt dat de werktijden wisselend kunnen zijn en aldus kunnen plaatsvinden in de avonden en weekenden. Verder staat in de arbeidsovereenkomst dat [eiser] ook kan worden ingezet in andere vestigingen. Dit is in de praktijk ook gebeurd, want partijen zijn het erover eens dat [eiser] tot en met april 2025 veel heeft gewerkt bij zusteronderneming [naam] . Waarom uren bij [naam] niet relevant zouden zijn en waarom [eiser] daar de rest van het jaar niet meer had kunnen werken heeft [gedaagde] niet duidelijk gemaakt. [gedaagde] meent dat uitgegaan moet worden van het aantal uren dat collega’s van [eiser] gemiddeld per persoon hebben gewerkt van juli tot en met oktober. Daarover zegt [eiser] terecht dat deze niet representatief zijn omdat het aantal uren dat die medewerkers (in het hoogseizoen) hebben gewerkt ver onder het gemiddeld aantal uren ligt dat [eiser] in april, mei en juni 2025 heeft gewerkt. Ook daarvoor heeft [gedaagde] geen verklaring gegeven.
4.20.
Gezien het voorgaande heeft [gedaagde] naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk gemaakt dat hantering van de wettelijke referteperiode van drie maanden geen representatief beeld geeft van de feitelijke omvang van de arbeidsduur. Het rechtsvermoeden dat de arbeidsomvang 124,75 uur per maand bedraagt is dus niet weerlegd.
Wat wordt toegewezen
4.21.
[eiser] berekent het 100% loon inclusief vakantietoeslag en vergoeding voor vakantiedagen over 124,75 uur per maand op € 1.287,91 bruto. Tegen dat bedrag en de berekening daarvan voert [gedaagde] geen verweer, zodat de kantonrechter dit voor juist houdt. Dit betekent dat [eiser] over de periode van 17 juli 2025 tot en met 16 januari 2026 recht heeft op doorbetaling van € 1.223,51 bruto per maand (95% van € 1.287,91) en over de periode van 17 januari 2026 tot en met 14 februari 2026 doorbetaling van € 1.159,12 bruto per maand (90% van € 1.287,91). De loonvordering over de periode vanaf de ziekmelding op 17 juli 2025 tot het einde van het dienstverband per 15 februari 2026 zal daarom worden toegewezen zoals onder de beslissing vermeld. Daarbij wordt het toe te wijzen salaris over 17 juli tot 1 augustus 2025 bepaald op € 590,09 minus € 10,40 (het salaris voor de in al uitbetaalde dag) dus € 579,69 bruto, overeenkomstig de berekening van [eiser] in de akte vermeerdering en correctie van eis.
4.22.
[eiser] vordert ook loon over de periode van 1 tot en met 16 juli 2025. Zij stelt over deze periode slechts één uur uitbetaald te hebben gekregen. Hierin kan [eiser] niet worden gevolgd. Op de zitting is namelijk vastgesteld dat [gedaagde] het loon iedere 25e van de maand uitbetaalt over de daaraan voorafgaande periode van de 15e tot en met de 14e. Op 25 augustus 2025 heeft [gedaagde] de laatste loonbetaling aan [eiser] gedaan, dus voor de periode van 15 juli tot en met 14 augustus 2025. Er is toen loon voor één uur uitbetaald. Met de salarisbetaling eind juli 2025 is dus het loon betaald over de uren die [eiser] van 15 juni tot en met 14 juli 2025 heeft gewerkt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan niet worden vastgesteld dat [eiser] nog loon te vorderen heeft over de dagen in juli voorafgaand aan haar ziekmelding, zodat dit deel van de vordering wordt afgewezen.
4.23.
Als loon te laat wordt betaald, heeft een werknemer in principe recht op een wettelijke verhoging die maximaal 50 % is. Het niet doorbetalen van het loon tijdens ziekte ligt binnen de risicosfeer van [gedaagde] als werkgever. In dit geval vindt de kantonrechter het redelijk de wettelijke verhoging te matigen tot 10 %.
4.24.
De wettelijke rente over het achterstallig loon en over de wettelijke verhoging wordt toegewezen zoals gevorderd.
4.25.
Ook zal [gedaagde] worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis deugdelijke bruto/netto specificaties te verstrekken. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt tot € 50,00 per dag met een maximum van € 2.000,00.
4.26.
Verder vordert [eiser] een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [gedaagde] betwist ook niet dat [eiser] buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt om haar loonvordering te incasseren. Het verweer van [gedaagde] dat die kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat deze vallen onder de rechtsbijstandverzekering van [eiser] slaagt niet. De gemachtigde van [eiser] stelt in de dagvaarding dat [eiser] op grond van de polisvoorwaarden niet is verzekerd voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Het gevorderde bedrag van € 678,58 is in overeenstemming met het wettelijk tarief, zodat dit worden toegewezen.
4.27.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
155,75
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.429,75

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 579,69 bruto voor loon inclusief vakantietoeslag en vergoeding voor vakantiedagen over de periode van 17 juli 2025 tot 1 augustus 2025,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.223,51 bruto per maand over de periode van 1 augustus 2025 tot en met 16 januari 2026 voor loon inclusief vakantietoeslag en vergoeding voor vakantiedagen,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.159,12 bruto per maand over de periode van 17 januari 2026 tot en met 14 februari 2026 voor loon inclusief vakantietoeslag en vergoeding voor vakantiedagen,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de wettelijke verhoging met een maximum van 10 % over het achterstallig loon,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente over het achterstallig loon en over de wettelijke verhoging vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van de betaling,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 678,58 aan buitengerechtelijke kosten,
5.7.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken deugdelijke bruto/netto specificaties van de toegewezen bedragen, op straffe van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.000,00 is bereikt,
5.8.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.429,75, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:228 lid Pro 1, sub a, BW.
2.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 14 september 2018, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2018:1673