Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
“Naar aanleiding van ons telefoongesprek stuur ik je hierbij de concept huurovereenkomst. (…) Het te betalen bedrag bij aanvang van de huurovereenkomst bedraagt € 18.350,-Wij hebben gisteren de navolgende betaalmethode besproken:- Kale huur plus servicekosten: € 6.975 contant
3.Het geschil
€ 18.350,00 en tot betaling van immateriële schade van € 2.325,00. Subsidiair vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een schadevergoeding wegens de tekortkoming van [gedaagde] die heeft geleid tot verminderd huurgenot. Meer subsidiair vordert [eiser] terugbetaling van de (laatste) huurtermijn van juni en de waarborgsom en uiterst subsidiair tot terugbetaling van de huur vanaf 13 juni tot en met 30 juni 2025 en de waarborgsom. In alle gevallen vordert [eiser] rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
4.De beoordeling
Dat geldt echter niet voor de gestelde huurachterstand van € 7.267,50, waarvan [gedaagde] in deze procedure betaling vordert. [eiser] betwist de huurachterstand en beroept zich op een contante betaling van dat bedrag. De bewijslast daarvan ligt bij [eiser] . Omdat [gedaagde] de gestelde contante betaling gemotiveerd heeft betwist, is het aan [eiser] om dit met concrete feiten en stukken te onderbouwen. Dat heeft [eiser] onvoldoende gedaan. In de dagvaarding heeft [eiser] alleen een beroep gedaan op bankoverschrijvingen en heeft niets gesteld over een contante betaling. Pas tijdens de zitting komt [eiser] daarmee. [eiser] vertelt dat zij een kwitantie van de contante betaling heeft ontvangen van [gedaagde] , maar dat zij deze is kwijtgeraakt. Dat een kwitantie is verstrekt, blijkt volgens [eiser] uit een appwisseling tussen partijen, maar daarin wordt geen bedrag genoemd en volgens [gedaagde] gaat dit over een contante betaling van € 50,00. Ook verwijst [eiser] naar zijn exemplaar van de huurovereenkomst. Daarop staat een handgeschreven aantekening dat op 9 december 2024 € 6.975,00 contant is betaald met een paraaf erbij. De aantekening en paraaf zijn van de bestuurder van [eiser] . [gedaagde] betwist dat de aantekening en paraaf destijds en in zijn bijzijn zijn geplaatst op de huurovereenkomst en wijst erop dat deze op zijn exemplaar van de huurovereenkomst ontbreken. Op basis van de stukken waarnaar [eiser] verwijst, kan de kantonrechter daarom niet vaststellen dat [gedaagde] op 9 december 2024 een contante betaling van € 7.267,50 (of van € 6.975,00) heeft gedaan. [eiser] heeft verder haar verweer dat zij contant heeft betaald niet nader onderbouwd met bijvoorbeeld een bankafschrift van pinopnames, en heeft de omstandigheden waaronder de betaling heeft plaatsgevonden niet nader uitgewerkt, zoals hoe dit precies is gegaan en in welke coupures zij heeft betaald. Dat had gelet op de omvang en het specifieke - niet ronde - bedrag wel van haar mogen worden verwacht. Ook is geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat [eiser] niet heeft gereageerd op de in 2.5 en 2.6 vermelde aanmaningen van [gedaagde] tot betaling van de huurachterstand van
€ 7.267,50. Als [eiser] dit bedrag al in december contant had betaald, was het logisch geweest te reageren op deze aanmaningen en een beroep te doen op deze contante betaling. Dat is niet gebeurd. Dit betekent dat de gestelde contante betaling onvoldoende is onderbouwd. Daarmee komt in deze procedure vast te staan dat sprake is van een huurachterstand van € 7.267,50. Dit levert een tekortkoming op van [eiser] .