ECLI:NL:RBNHO:2026:2287

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
HAA 25/3257
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd

Eiseres, werkzaam als schoonmaakster, vroeg een WIA-uitkering aan na langdurige ziekte. Het UWV wees de aanvraag af omdat zij volgens medisch en arbeidskundig onderzoek volledig inzetbaar was (0% arbeidsongeschiktheid). Eiseres voerde aan dat haar klachten aan bekken, nek, polsen, psychische gesteldheid en slaapproblemen onvoldoende waren meegewogen en dat zij een urenbeperking behoefde.

De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd door verzekeringsartsen, die de beperkingen adequaat hadden vastgesteld en gemotiveerd. De arbeidsdeskundige concludeerde dat de functies die aan eiseres werden voorgehouden binnen haar belastbaarheid vielen. De rechtbank verwierp het bezwaar tegen de geschiktheid van functies, behalve voor de functie productiemedewerker industrie vanwege taalbeheersing.

De arbeidsdeskundige stelde een alternatieve functie voor die geen taalvereisten kent, wat de rechtbank aanvaardde. De rechtbank concludeerde dat het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen omdat eiseres geen verlies van verdiencapaciteit heeft. Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht en proceskosten werden aan eiseres toegekend.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering door het UWV.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3257

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit Vijfhuizen, eiseres

(gemachtigde: M. R’Gui)
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. D. Brandt-van Es).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de aanvraag van eiseres op goede gronden heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 15 maart 2023 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het Uwv heeft deze aanvraag met het besluit van 16 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is het Uwv bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv.

Totstandkoming van het besluit

3. Eiseres was werkzaam als schoonmaakster voor 10 uur per week, 2 uur per dag. Op 8 februari 2021 is zij voor haar werkzaamheden uitgevallen. Het Uwv heeft vervolgens een Ziektewetuitkering aan eiseres toegekend. Op 15 maart 2023 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd. Met een beslissing van 22 maart 2023 heeft het Uwv de Ziektewetuitkering beëindigd, omdat eiseres meer dan 65% kan verdienen van het loon dat ze verdiende voordat eiseres ziek werd. Met een beslissing van 23 maart 2023 heeft het Uwv de WIA-aanvraag afgewezen omdat eiseres de wachttijd van 104 weken niet heeft doorlopen. De Ziektewetuitkering is voor het einde van deze periode beëindigd. Eiseres is in bezwaar gegaan tegen deze beschikkingen. In de beslissing op bezwaar van 6 maart 2024 is het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en heeft eiseres vanaf 23 april 2023 onveranderd recht op een Ziektewetuitkering. Naar aanleiding van het gegronde bezwaar heeft eiseres de wachttijd volgemaakt. Na einde wachttijd heeft een verzekeringsarts het dossier van eiseres bestudeerd. De verzekeringsarts heeft eiseres gezien op het spreekuur op 13 maart 2023 in het kader van de eerstejaars ziektewetbeoordeling. In bezwaar was geen nieuwe medische informatie ingebracht. Daarom heeft de verzekeringsarts de beperkingen geldig per 13 maart 2023 als ook aanwezig per einde wachttijd aangenomen. De verzekeringsarts heeft zijn bevindingen gerapporteerd op 26 maart 2024. Daarnaast heeft de verzekeringsarts de beperkingen van eiseres vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 26 maart 2024. Aan de hand van deze FML heeft de arbeidsdeskundige in de rapportage van 11 april 2024 een aantal geschikte functies voor eiseres geduid en het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 0,00 %. Hierna heeft het Uwv het besluit van 16 april 2024 genomen waarin de WIA-uitkering is afgewezen.
4. Eiseres is daartegen in bezwaar gegaan. In de bezwaarfase is medische informatie opgevraagd bij de huisarts. Op 23 januari 2025 is eiseres gezien door de verzekeringsarts op het medisch spreekuur. De verzekeringsarts heeft zijn bevindingen gerapporteerd op 25 maart 2025. Hij ziet geen reden voor aanvullende beperkingen bij de nieuwe einde wachttijd en ook niet voor wijzigingen nadien. Tevens ziet de verzekeringsarts geen mogelijkheid voor het toekennen van een urenbeperking conform de Standaard ‘Duurbelastbaarheid in Arbeid’ omdat er geen grond is op basis van preventie, een stoornis in de energiehuishouding of vanwege verminderde belastbaarheid met inachtneming van de overige beperkingen op de FML. De verzekeringsarts heeft de beperkingen die al golden opgenomen in de FML van 25 maart 2025. Aan de hand van deze FML heeft de arbeidsdeskundige in de rapportage van 11 april 2025 een aantal geschikte functies voor eiseres geduid en het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 0,00 %. Hierna heeft het Uwv op 23 april 2025 een voornemen tot wijziging van de beslissing gestuurd.
5. Eiseres heeft gereageerd op het voornemen. Op 28 mei 2025 heeft een hoorzitting in bezwaar plaatsgevonden, gevolgd door een medisch spreekuur. Dit heeft geleid tot een rapport van 12 juni 2025, waarin de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) heeft vermeld dat hij aanleiding ziet om de beperkingen van eiseres aan te passen. De verzekeringsarts b&b heeft beperkingen aangenomen ten aanzien van deadlines/productiepieken, geknield/gehurkt actief zijn, zitten en zitten tijdens werk. De beperking ten aanzien van afwisseling van houding is verwijderd uit de FML en de mogelijkheden ten aanzien van traplopen en knielen/hurken zijn verruimd. De verzekeringsarts b&b heeft geen reden gezien voor het stellen van extra beperkingen ten aanzien van hand- en polsbelasting naast beperkingen die al zijn opgenomen, waarbij is vermeld dat bij lichamelijk onderzoek er nauwelijks objectieve afwijkingen zijn. Vervolgens heeft de verzekeringsarts b&b op 12 juni 2025 een nieuwe FML opgesteld. Op basis daarvan heeft de arbeidsdeskundige b&b de verdiencapaciteit gebaseerd op de eerder geduide functies. Daarmee blijft het arbeidsongeschiktheidspercentage 0,00%. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 16 juni 2025 het bezwaar van eiseres gegrond verklaard ten aanzien van een wijziging van de eerste WIA-dag van 29 mei 2023 naar 23 oktober 2023. De afwijzing van de WIA-uitkering blijft in stand.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank dient te beoordelen of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres met ingang van 23 oktober 2023 terecht heeft vastgesteld op 0,00 %. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het Uwv de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiseres, rekening houdend met deze beperkingen, in staat is de aan haar voorgehouden functies te verrichten.
Medische gronden
7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij op een aantal punten meer beperkt is dan vastgesteld. Volgens eiseres is er te weinig rekening gehouden met de klachten aan bekken, nek en polsen, psychische klachten, slaapproblemen en pijn in de heupen die uitstraalt naar rug, benen en knieën. Door deze klachten heeft eiseres moeite met haar motoriek. Tevens is ten onrechte geen rekening gehouden met verlaagde psychische belastbaarheid. Vanwege haar psychische belastbaarheid hadden beperkingen moeten worden aangenomen op persoonlijk en sociaal functioneren, aldus eiseres. Ten slotte dient er volgens eiseres een urenbeperking te worden opgenomen in de FML. De pijnklachten die zij ervaart en de slaapproblemen die eiseres heeft kosten haar veel energie.
8. Om te kunnen beoordelen of het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres terecht heeft vastgesteld op 0,00% dient de rechtbank te beoordelen of het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig tot stand is gekomen, of aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van het medische oordeel van de verzekeringsartsen en of de arbeidsdeskundigen kunnen worden gevolgd in hun conclusie.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de rapportage van de verzekeringsarts b&b zorgvuldig tot stand is gekomen. Hij heeft kennisgenomen van de rapportage van de primaire (verzekerings-)arts, heeft dossieronderzoek verricht, eiseres gezien op spreekuur en medisch onderzoek verricht. Verder heeft de verzekeringsarts b&b alle voorhanden zijnde medische informatie bij zijn beoordeling betrokken. De verzekeringsarts b&b beschikte dan ook over voldoende gegevens om tot een afgewogen oordeel over de medische gesteldheid van eiseres te komen.
8.2.
De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het medisch onderzoek en/of de FML. De belastbaarheid van eiseres op de datum in geding is in de medische rapporten van de verzekeringsartsen inzichtelijk en op overtuigende wijze gemotiveerd. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts b&b heeft kennisgenomen van de genoemde klachten aan haar bekken, nek en polsen, psychische klachten, slaapproblemen, pijn in heupen en knieën. Vanwege de klachten die eiseres op deze punten ondervindt, heeft de verzekeringsarts b&b aanvullende beperkingen aangenomen. Eiseres is (licht) beperkt geacht ten aanzien van persoonlijk functioneren (1.8.: werk zonder veelvuldige deadlines en productiepieken), trillingsbelasting (3.7), buigen (4.9), frequent buigen tijdens werk (4,10), duwen en trekken (4.12), tillen tijdens werk (4.13), dragen tijdens werk (4.14), lopen (4.16), lopen tijdens het werk (4.17) traplopen, (4.18), klimmen (4.19), knielen of hurken (4.20), zitten (5.1), zitten tijdens werk (5.2), staan (5.3), staan tijdens werk (5.4), geknield of gehurkt actief zijn (5.5), gebogen en/of getordeerd actief zijn (5.6), overige beperkingen van statische houdingen (het staan en lopen mag totaal niet meer dan 3 uur op een werkdag zijn, 5.10) en werktijden (6.2 en 6.3). Uit de medische informatie van de behandelaars volgt niet dat de verzekeringsartsen de klachten van eiseres hebben onderschat.
Dat eiseres meer beperkingen stelt te hebben, betekent niet zonder meer dat ook meer beperkingen moeten worden aangenomen. Daarbij zit soms een groot verschil tussen de mate waarin iemand zichzelf beperkt acht en de beperkingen die vervolgens op basis van de objectieve medische maatstaven door de artsen aan die ziekte worden toegeschreven. Het is juist de specifieke deskundigheid van de verzekeringsartsen om op basis van medisch objectiveerbare klachten beperkingen vast te stellen. Eiseres heeft geen medische informatie overgelegd waaruit aanknopingspunten blijken voor twijfel aan de volledigheid en juistheid van de medische rapportages van de bezwaarverzekeringsarts. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
9. Eiseres voert tevens aan dat uit haar dagverhaal blijkt dat zij meer beperkt is nu zij iedere dag tijd nodig heeft om te recupereren. Er had volgens eiseres dan ook een urenbeperking geduid moeten worden.
9.1.
De verzekeringsarts b&b heeft in de rapportage van 12 juni 2025 als volgt gerapporteerd:
“de standaard duurbelastbaarheid in arbeid kent 3 indicatiegebieden op basis waarvan een urenbeperking kan worden aangenomen, te weten energetisch, preventief en qua beschikbaarheid. Bij betrokkene is er geen sprake van een aandoening die met belangrijke stoornis in de energiehuishouding gepaard gaat (zoals bijvoorbeeld wel het geval kan zijn bij ernstig hartinfarct of longemfyseem). (…) Evenmin is er sprake van een aandoening waarbij op voorhand moet worden gesteld dat betrokkene minder uren inzetbaar zou zijn (dit is bijvoorbeeld aan de orde bij recidiverende psychoses waarbij bekend is dat fulltime/te zware belasting een recidief in de hand kan worden). Ook is er hier door behandeling e.d. geen sprake van een verminderde beschikbaarheid.”
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b daarmee voldoende gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat voor een urenbeperking. Daarbij merkt de rechtbank op dat voor het aannemelijk maken dat een gegeven medische beoordeling onjuist is, in beginsel medisch objectiveerbare informatie, zoals een rapport van een arts, nodig is. Er zijn geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de medische conclusies. In verband met de aandoeningen van eiseres zijn door de verzekeringsarts b&b aanvullend beperkingen aangenomen. Eiseres heeft wel gesteld dat zij meer beperkt is, maar zij heeft daarvoor geen voldoende medische onderbouwing gegeven. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Arbeidskundige gronden
Functies textielproductenmaker en assemblagemedewerker
10. Eiseres stelt dat de functies van textielproductenmaker en assemblagemedewerker ongeschikt zijn, omdat er acht uur per dag gewerkt moet worden. Daarvoor wijst eiseres op het dagverhaal waaruit blijkt dat zij een verhoogde recuperatiebehoefte heeft waarbij ze ook slaapt. Daardoor is eiseres niet in staat om 8 uur per dag te werken, aldus eiseres. Tevens zijn de geduide functies ongeschikt omdat bij de werkzaamheden veel repetitief met de handen moet worden gewerkt. Eiseres heeft last van vingers en polsen waardoor zij geen repetitieve werkzaamheden kan verrichten.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres volgens de FML in staat wordt geacht om 8 uur per dag te werken. Voor wat betreft de klachten van eiseres ten aanzien van vingers en polsen, heeft de verzekeringsarts beperkingen aangenomen voor tillen, dragen en duwen/trekken. De geduide functies overschrijden niet de belastbaarheid van eiseres zoals die volgt uit de FML. Nu de rechtbank van oordeel is dat het Uwv uit mocht gaan van de opgestelde FML, zijn dus ook de functies geschikt. De arbeidsdeskundige b&b heeft genoegzaam gemotiveerd dat er geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid van eiseres. De rechtbank kan de arbeidsdeskundige b&b dan ook volgen in de conclusie dat geen sprake is van een overschrijding van de totale belasting in de geduide functies.
Functie productiemedewerker industrie
11. Eiseres stelt dat de functie van productiemedewerker industrie niet passend is, omdat zij de Engelse taal niet spreekt en daarom niet in staat is een interne opleiding te volgen.
11.1.
Volgens de arbeidsdeskundige b&b is de functie wel geschikt voor eiseres, omdat het voor haar wel haalbaar is om het Engelse vakjargon binnen afzienbare tijd te leren in de praktijk. Ook is eiseres wel in staat de interne opleiding te volgen, omdat de lessen voornamelijk bestaan uit een praktijkgedeelte. De lessen worden afwisselend in het Nederlands en in het Engels gegeven. In deze functie hoeft niet op een dusdanig niveau gelezen en gecommuniceerd te worden dat het niet voldoende Engels spreken een belemmering vormt voor de uitoefening van de functie. Mocht de taal toch een belemmering vormen, dan kan eiseres gebruik maken van een vertaalapp. De arbeidsdeskundige b&b verwijst in dit kader naar twee uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad). [1] Ook heeft de arbeidsdeskundige b&b in de rapportage van 13 juni 2025 opgemerkt dat in de geactualiseerde versie van 30 mei 2024 van het Claim beoordelingssysteem (CBBS) de eis van beheersing van de Engelse taal bij deze functie is komen te vervallen.
11.2.
De rechtbank kan de conclusie van de arbeidsdeskundige b&b om de volgende redenen niet volgen. Ten eerste is de uitspraak van de Raad van 22 januari 2025 [2] anders dan de arbeidsdeskundige b&b stelt, niet vergelijkbaar met de situatie van eiseres. In die zaak had appellante een beperkte beheersing van de Nederlandse taal, had appellante vanaf 2008 een Nederlands arbeidsverleden en werd het Nederlands taalniveau door de arbeidsdeskundige op A1 geschat. Voor de instructies van de jaarlijkse cursus was de beheersing van het Nederlands op A1 niveau daarom voldoende. Het gebruik van een vertaalapp zou dan gezien het bovenstaande nog een uitkomst kunnen bieden, mocht de beheersing van de Nederlandse taal toch onvoldoende blijken. Ten tweede is de uitspraak van de Raad van 18 juni 2024 [3] , anders dan de arbeidsdeskundige b&b stelt, evenmin vergelijkbaar met de situatie van eiseres. In die zaak had de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat appellant naast het Nederlands ook het Engels beheerst. Tevens had appellant op een intakeformulier van de WIA-aanvraag ingevuld de Engelse taal te beheersen en de directrice van het bedrijf waar appellant had gewerkt, had verklaard dat de voertaal op de werkvloer Engels is in taal en in geschrift en dat appellant het Engels beheerst. De arbeidsdeskundige b&b had op basis daarvan in dat geval volgens de Raad daarom terecht vastgesteld dat appellant de Engelse taal tenminste voldoende beheerst om de praktisch gerichte cursus voor de functie productiemedewerker industrie te volgen. Verder was erop gewezen dat een vertaalprogramma als adequate voorziening kon worden ingezet, voor het geval dat appellant desondanks niet in staat zou zijn de cursus te volgen.
In het onderhavige geval ontbreekt bij eiseres enige basiskennis van Engels. Ook heeft eiseres bij de aanvraag niet aangegeven dat zij de Engelse taal beheerst en heeft eiseres geen arbeidsverleden waar op de werkvloer Engels gesproken werd. Ten derde blijkt uit de stukken in het dossier niet dat de opleidingseis van de Engelse taal voor de betreffende functie is komen te vervallen, zoals de arbeidsdeskundige vermeld in haar rapportage van 13 juni 2025.
11.3.
De arbeidsdeskundige b&b heeft in de rapportage van 31 juli 2025 opgemerkt dat in het geval dat de rechtbank de geduide functie niet passend acht, bij raadpleging van het CBBS binnen dezelfde SBC-code (111180) productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) andere passende functies kunnen worden geduid, die geen aanvullende opleidingseisen stellen en eveneens aansluiten bij de belastbaarheid van eiseres. De functie bestukker wordt in plaats van de functie productiemedewerker industrie geschikt geacht voor eiseres en vermeld is dat met deze functie de belastbaarheid van eiseres niet wordt overschreden.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige b&b in het rapport van 31 juli 2025 gemotiveerd en inzichtelijk aangegeven dat het vervallen van de functie productiemedewerker industrie niet van invloed is op het arbeidsongeschiktheidspercentage. Uit rechtspraak van de Raad volgt dat een eerst in beroep geselecteerde functie aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd als de betrokken partij daardoor niet wordt benadeeld. Nu de nieuw geselecteerde functie leidt tot een ongewijzigd arbeidsongeschiktheidspercentage van 0% is van benadeling van eiseres geen sprake. Gelet hierop was het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd, maar is in de beroepsfase de toereikende motivering alsnog gegeven. Daarin ziet de rechtbank aanleiding het geconstateerde motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren.

Conclusie en gevolgen

13. Aangezien eiseres met het vervullen van de drie geduide functies een zodanig inkomen kan verwerven dat in vergelijking met het maatmanloon de verdiencapaciteit van eiseres een verlies van 0% oplevert, heeft verweerder terecht de aanvraag van eiseres voor een WIA-uitkering afgewezen. Dat leidt ertoe dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering.
14. De toepassing van artikel 6:22 Awb Pro geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de professionele gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend. Na het indienen van het beroepschrift, heeft de professionele gemachtigde van eiseres zich teruggetrokken. Op de zitting is de echtgenoot van eiseres verschenen met een machtiging. Aangezien hij geen professionele gemachtigde is, wordt er geen proceskostenvergoeding toegekend voor het verschijnen ter zitting. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Ook dient het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Boerrigter, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:131.
3.Centrale Raad van Beroep 18 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1242.