Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende
de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.
Procesverloop
[naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde en mr. [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [naam 4] .
Overwegingen
Geschil4. In geschil is of de aanslag reclamebelasting terecht en tot de juiste hoogte aan belanghebbende is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of het uiterlijk van het pand een openbare aankondiging is in de zin van artikel 2 van Pro de Verordening reclamebelasting [gemeente] 2024 (hierna: de Verordening). Voorts is in geschil of de Verordening onverbindend dient te worden verklaard, of er is geheven naar de juiste oppervlakte m² en of verweerder heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
20 februari 2025 waren niet onderbouwd met een berekening van de oppervlakte, alleen de omvang en het bedrag waren vermeld. Het was daardoor onduidelijk waarvoor de belastingaanslag werd opgelegd. Uit de rapportage blijkt niet hoe de afmetingen zijn vastgesteld. De omvang van 406,20 m² is onjuist.
Beslissing
€ 1.868, en
mr. M.M. van Wijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
26 februari 2026.