ECLI:NL:RBNHO:2026:1871

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
11975567 \ AO VERZ 25-50
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 lid 1 BWArt. 7:611 BWArt. 7:673 lid 7 sub c BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtmatigheid ontslag op staande voet wegens machtsmisbruik en grensoverschrijdend gedrag

De werknemer, Commercial Director bij AAK Netherlands B.V., werd op staande voet ontslagen wegens machtsmisbruik en grensoverschrijdend gedrag, waaronder een geheime intieme relatie met een ondergeschikte, onrechtmatige declaratie van privé-uitgaven en misbruik van bedrijfseigendommen.

Na ontvangst van een claimbrief van de ondergeschikte startte AAK een onderzoek, waarbij de werknemer meerdere keren werd gehoord. Ondanks een aanvankelijk aanbod tot beëindiging via een vaststellingsovereenkomst, werd deze ontbonden waarna het onderzoek werd voortgezet en het ontslag op staande voet werd gegeven.

De kantonrechter oordeelde dat het ontslag onverwijld en zorgvuldig was gegeven, met voldoende hoor en wederhoor. De gedragingen van de werknemer vormden een dringende reden voor ontslag. De werknemer had een intieme relatie zonder melding, creëerde een onveilige werkomgeving, declareerde privé-uitgaven onrechtmatig en gebruikte bedrijfseigendommen voor privédoeleinden.

De verzoeken van de werknemer tot vernietiging van het ontslag, billijke vergoeding, onregelmatige opzegging en transitievergoeding werden afgewezen. De proceskosten werden aan de werknemer opgelegd vanwege ernstig verwijtbaar handelen.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig gegeven wegens machtsmisbruik, grensoverschrijdend gedrag en onrechtmatig handelen; verzoeken werknemer worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer / rekestnummer: 11975567 \ AO VERZ 25-50
Beschikking van 9 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. G.H. Teiken,
tegen
AAK NETHERLANDS B.V.,
te Zaandijk,
verwerende partij,
hierna te noemen: AAK,
gemachtigden: mr. R.D. Beudeker en mr. H.J. Steinvoort.
De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om een werknemer die op staande voet is ontslagen wegens machtsmisbruik en grensoverschrijdend handelen naar aanleiding van een geheime relatie met een ondergeschikte, het declareren van privé-uitgaven en het misbruiken van bedrijfseigendommen. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag rechtsgeldig is. De werkgever heeft het ontslag onverwijld gegeven, voldoende zorgvuldig gehandeld en de aangevoerde gronden vormen inderdaad een dringende reden voor ontslag. De verzoeken van de werknemer worden daarom afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 13 producties,
- het verweerschrift met 31 producties,
- de mondelinge behandeling van 12 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitaantekeningen van [verzoeker] ,
- de pleitaantekeningen van AAK.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
AAK is een internationaal bedrijf dat zich bezighoudt met vervaardiging van margarine en vergelijkbare eetbare vetten, met een vestiging in Zaandijk. [verzoeker] , geboren [geboortedatum] en dus [getal] jaar, is sinds 29 januari 2007 in dienst bij AAK. De functie van [verzoeker] is Commercial Director, een leidinggevende functie binnen het internationale Natural Emulsifiers Team (NE-team). Dit team bestaat uit 15 medewerkers, onderverdeeld in subteams, die tot en met februari 2025 (in)direct rapporteerden aan [verzoeker] . Een deel van dit team werkt in het Verenigd Koninkrijk (VK). Het loon van [verzoeker] bedraagt € 11.906,28 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en emolumenten.
2.2.
Op de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] zijn de Group Code of Conduct, de Arbeidsvoorwaardenregeling, de Business Travel & Expense Policy en de Information Security Policy van toepassing.
2.3.
In verband met een voorgenomen reorganisatie en het vervallen van de functie van [verzoeker] per 1 januari 2026 heeft AAK aan [verzoeker] op 28 juli 2025 een beëindigingsvoorstel gedaan.
2.4.
Op 29 juli 2025 heeft AAK een zogeheten claimbrief van de advocaat van een Engelse werkneemster (hierna: de ondergeschikte) ontvangen. De ondergeschikte werkte in de periode van februari 2022 tot 25 juli 2025 in het VK als Customer Service Co-Ordinator binnen het NE-team van [verzoeker] . In deze brief is [verzoeker] beschuldigd van - kort gezegd - (seksueel) grensoverschrijdend gedrag, stalking en (aanhoudende) intimidatie en wordt AAK oneerlijke behandeling en het nalaten om op te treden verweten. In deze brief is AAK daarom aansprakelijk gesteld voor door de ondergeschikte geleden schade.
2.5.
Naar aanleiding van deze brief heeft AAK het beëindigingsvoorstel aan [verzoeker] ingetrokken en besloten om onderzoek in te stellen naar het handelen van [verzoeker] . Het eerste deel van dit onderzoek is verricht in de periode van 31 juli 2025 tot 8 augustus 2025. Tijdens dit deel van het onderzoek is op 31 juli, 1 en 4 augustus 2025 met [verzoeker] gesproken. Daarbij heeft [verzoeker] onder meer een door hem opgestelde tijdlijn verstrekt.
2.6.
Op 8 augustus 2025 heeft AAK aan [verzoeker] een vaststellingsovereenkomst aangeboden ter beëindiging van het dienstverband. Deze overeenkomst heeft [verzoeker] , na onder meer een gesprek met AAK op 12 augustus 2025, op 13 augustus 2025 geaccepteerd. Het onderzoek naar het handelen van [verzoeker] is vervolgens gestaakt, maar het onderzoek naar de schadeclaim van de ondergeschikte is voortgezet. In verband daarmee is op 20 augustus 2025 opnieuw met [verzoeker] gesproken.
2.7.
Op 25 augustus 2025 heeft [verzoeker] met een beroep op de bedenktermijn de vaststellingsovereenkomst ontbonden. AAK heeft hierop het onderzoek naar het handelen van [verzoeker] hervat en voortgezet tot 19 september 2025. Naar aanleiding van de uitkomsten van dat onderzoek heeft AAK op 24 en 25 september 2025 wederom met [verzoeker] gesproken.
2.8.
Op 25 september 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. Bij brief van 26 september 2025 is het ontslag op staande voet schriftelijk bevestigd.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven en AAK te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding, een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, omdat het niet onverwijld is gegeven. AAK heeft daarmee ten onrechte gewacht tot een maand na de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst. Verder heeft AAK onzorgvuldig gehandeld onder meer door het onderzoeksrapport niet eerder dan bij het verweerschrift, en zonder nadere toelichting, aan [verzoeker] te verstrekken, waarmee AAK [verzoeker] de mogelijkheid heeft ontnomen om zich tijdig en effectief te verdedigen. Ook heeft AAK de beginselen van hoor en wederhoor onvoldoende in acht genomen. Tot slot is geen sprake van feiten en omstandigheden die een (objectief) dringende reden opleveren. Omdat het verwijt dat AAK aan [verzoeker] maakt terugkeer op de werkvloer onmogelijk maakt, berust [verzoeker] in het ontslag en maakt hij aanspraak om een billijke vergoeding.
3.2.
AAK voert verweer en stelt dat de verzoeken van [verzoeker] moeten worden afgewezen. AAK voert ‑ samengevat ‑ aan dat zij een doorwrocht, proportioneel en controleerbaar onderzoek heeft uitgevoerd, met hoor en wederhoor en uitdrukkelijke weging van de persoonlijke belangen van [verzoeker] . Het ontslag op staande voet is na afronding van dat onderzoek onverwijld gegeven en er was op het moment van de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst nog niet voldoende grond om al tot ontslag over te gaan. Daarvoor was meer onderzoek nodig. Uit het onderzoek bleek van een patroon van normoverschrijdend gedrag, bestaande uit machtsmisbruik en grensoverschrijdend gedrag, onrechtmatige besteding van bedrijfsgelden en misbruik van bedrijfseigendommen. Deze gedragingen leveren in samenhang en afzonderlijk een dringende reden voor ontslag op staande voet op. [verzoeker] heeft hiermee een onveilige werksfeer gecreëerd, het vertrouwen van AAK als werkgever aangetast en AAK blootgesteld aan juridische en reputatierisico’s. AAK rekent het [verzoeker] aan dat hij de ernst van zijn handelen bagatelliseert en geen verantwoordelijkheid neemt. Voortzetting van het dienstverband is voor AAK dan ook onhoudbaar.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [verzoeker] een billijke vergoeding moet worden toegekend, en of AAK moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding.
4.2.
Bij de beoordeling van de zaak is van belang of het ontslag op staande voet (rechts)geldig is of niet.
4.3.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet (rechts)geldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen. Daarbij zal achtereenvolgens worden ingegaan op de onverwijldheid, de zorgvuldigheid en de dringende reden.
het ontslag is onverwijld gegeven
4.4.
Voor de geldigheid van een ontslag op staande voet is vereist dat de arbeidsovereenkomst onverwijld wordt opgezegd, onder onverwijlde mededeling van de dringende reden daarvoor aan de werknemer [1] .
4.5.
[verzoeker] stelt dat AAK op 8 augustus 2025, en dus ook op 25 augustus 2025, beschikte over verklaringen [verzoeker] en enkele collega’s, de Whatsappgeschiedenis van [verzoeker] en een door [verzoeker] opgestelde tijdlijn. Daarmee had AAK voldoende zicht op de verhouding die [verzoeker] gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar met de ondergeschikte heeft gehad en was AAK dus ook op de hoogte van de feiten die volgens van AAK ernstig genoeg waren om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen. AAK koos er op dat moment voor om het dienstverband met [verzoeker] te willen beëindigen met een vaststellingsovereenkomst. Na ontbinding van deze vaststellingsovereenkomst op 25 augustus 2025 had AAK daarom alsnog onverwijld tot het geven van ontslag op staande voet moeten overgaan. Daarmee heeft AAK echter nog een maand gewacht. Dat tijdsverloop maakt dat niet is voldaan aan de eis van onverwijldheid.
4.6.
Anders dan [verzoeker] vindt de kantonrechter dat het ontslag onverwijld is gegeven, om de volgende reden.
4.7.
AAK heeft toegelicht dat op basis van de op 8 augustus 2025 beschikbare informatie sprake was van een sterk vermoeden van een geheime intieme relatie tussen [verzoeker] en de ondergeschikte. Dit vermoeden rechtvaardigde nader onderzoek, maar was op zichzelf genomen nog onvoldoende concreet voor een ontslag op staande voet. Vanwege de impact op onder meer de reputatie en het gezin van [verzoeker] is vroegtijdig besloten tot het aanbieden van een vaststellingsovereenkomst. Toen deze vaststellingsovereenkomst werd ontbonden diende het beoogde nader onderzoek alsnog te worden verricht. De aard, omvang en impact van de relatie stonden op dat moment nog onvoldoende vast, onder meer omdat (de advocaat van) de ondergeschikte in een reactie het bestaan van een affectieve relatie en/of seksueel contact tussen [verzoeker] en de ondergeschikte ontkende. Bovendien moest onderzocht worden of er sprake was geweest van wederzijdse instemming, omdat de ondergeschikte zich ook bij de politie had gemeld. Ook de tegenstrijdige en wisselende verklaringen die [verzoeker] zelf over de relatie had afgelegd (aanvankelijk een ontkenning, later geen, éénmaal en vier keer seksueel contact), maakten dat nader onderzoek nodig was. Dat geldt ook voor de verklaringen van enkele collega’s die spraken over een bijzondere, persoonlijke band tussen [verzoeker] en de ondergeschikte, maar ook over privileges, conflicten en aanhoudende pogingen tot contact door [verzoeker] na het einde van relatie, ondanks signalen van de ondergeschikte dat zij dit niet meer wilde. Ook de impact op het team en het werkklimaat behoefde daarom nader onderzoek.
4.8.
Hiermee heeft AAK adequaat en overtuigend toegelicht dat op 25 augustus 2025 nog onvoldoende duidelijkheid bestond over de relevante feiten, zodat nader onderzoek gerechtvaardigd was. Daarbij komt dat uit de beschikbare informatie, zoals AAK eveneens overtuigend heeft toegelicht, inmiddels was gebleken van nieuwe feiten die nader onderzoek vereisten. Zo had [verzoeker] op 20 augustus 2025 zelf een boekingsbevestiging van een hotel op naam van de ondergeschikte, maar die op zijn naam is gedeclareerd, verstrekt en sprak [verzoeker] over mogelijk drugsgebruik door de ondergeschikte. Ook riep de eerder verstrekte tijdlijn vragen op over onder meer het reis- en declaratiegedrag van [verzoeker] en bleek daaruit onder meer van het bezoek aan een stripclub met twee ondergeschikten. Er was dus sprake van mogelijk meer gronden voor ontslag en daarmee van een samenstel van gronden die samen een dringende reden zouden kunnen opleveren [2] . AAK mocht, gelet op de ernst daarvan in samenhang met de positie van [verzoeker] als leidinggevende, de keuze maken om deze gronden te willen onderzoeken alvorens over te gaan tot een ontslag op staande voet. AAK heeft dit onderzoek vervolgens in de periode vanaf 25 augustus 2025 met de benodigde voortvarendheid uitgevoerd. Dit heeft [verzoeker] niet weersproken. Zo heeft AAK in deze periode onder andere, na opnieuw toegang daartoe te hebben verkregen, de Whatsappgesprekken van [verzoeker] onderzocht, alsmede de communicatie via Teams. Ook heeft AAK het reisgedrag en de declaratieoverzichten van [verzoeker] over een periode van drie jaar onderzocht en vergeleken met de tijdlijn en de overzichten van collega’s, en informatie en nadere verklaringen bij collega’s opgevraagd. Nadat AAK zich van de bevindingen uit het onderzoek op de hoogte heeft gesteld is zij, na opnieuw met [verzoeker] te hebben gesproken en het inwinnen van juridisch advies, vervolgens voldoende voortvarend overgegaan tot het ontslag op staande voet. Ook dat staat niet ter discussie.
4.9.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat AAK ten aanzien van het samenstel van gronden voldoende voortvarend heeft gehandeld en dat het ontslag is onverwijld gegeven.
de werkgever heeft zorgvuldig gehandeld en onderzoek verricht
4.10.
Goed werkgeverschap [3] vereist dat de werkgever zorgvuldig onderzoek doet naar de feiten die aan een ontslag op staande voet ten grondslag worden gelegd. Een wezenlijk onderdeel van dit onderzoek is hoor en wederhoor.
4.11.
Uit de ontslagbrief en de toelichting in het verweerschrift blijkt dat AAK uitgebreid en op zorgvuldige wijze onderzoek heeft verricht naar de feiten die aan het ontslag ten grondslag liggen. Daarbij heeft er, anders dan [verzoeker] stelt, steeds en in voldoende mate wederhoor plaatsgevonden. [verzoeker] is in de loop van het onderzoek meermalen in de gelegenheid gesteld om te reageren (hij is in totaal vijf keer gehoord) en mocht daarbij ook eigen informatie en stukken aandragen. Van die gelegenheid heeft hij ook gebruik gemaakt. De door [verzoeker] aangedragen informatie en stukken, waaronder de tijdlijn en de boekingsbevestiging van het hotel, zijn vervolgens ook in het onderzoek meegenomen. AAK stelt dan ook terecht dat [verzoeker] juist een hoge mate van betrokkenheid bij het onderzoek had, waarbij zijn verklaringen zijn vastgelegd, geverifieerd en getoetst aan objectieve gegevens en verklaringen van collega’s. Ook zijn tijdens de gesprekken op 24 en 25 september 2025 (van ongeveer een half uur en drie uur) de onderzoeksbevindingen aan [verzoeker] voorgehouden en is hij ook toen in de gelegenheid geweest om daarop te reageren. Dat [verzoeker] in de mist zou hebben gekoerst, zoals in het verzoekschrift wordt betoogd, volgt de kantonrechter dan ook niet.
4.12.
In aansluiting daarop kan niet worden geconcludeerd dat het [verzoeker] onmogelijk is gemaakt om zichzelf te verdedigen of dat sprake is geweest van schending van het beginsel van equality of arms. Niet alleen moest het hem uit de diverse gesprekken duidelijk zijn waar het om ging en zijn hem de onderzoeksbevindingen mondeling voorgehouden, ook in de ontslagbrief zelf is uitvoerig en concreet omschreven wat [verzoeker] wordt verweten. [verzoeker] wist dus wel degelijk waartegen hij zich moest verweren. Dat het onderzoeksrapport niet direct aan [verzoeker] is verstrekt, maar eerst bij het verweerschrift, maakt dat niet anders. Het verstrekken van het rapport is geen voorwaarde voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet en [verzoeker] wist, gelet op de vijf gesprekken en de inhoud van de ontslagbrief, al wat er was onderzocht en wat hem werd verweten. Bovendien is [verzoeker] , nadat hem het rapport alsnog is verstrekt bij het verweerschrift, alsnog in de gelegenheid geweest om daarop te reageren. Ook ter zitting is hem die gelegenheid geboden. Van belang daarbij is dat in het verweerschrift zelf het verrichte onderzoek en de bevindingen daaruit uitvoerig zijn omschreven.
4.13.
Dat er op juiste wijze hoor en wederhoor is toegepast maakt al dat niet aannemelijk is dat AAK anders zou hebben besloten over het ontslag. Ook de aard, ernst en hoeveelheid van de aan [verzoeker] gemaakte verwijten maakt dat niet aannemelijk.
4.14.
De kantonrechter oordeelt dan ook dat AAK zorgvuldig heeft gehandeld en zich als een goed werkgever heeft gedragen.
er is sprake van een dringende reden
4.15.
Een ontslag op staande voet is op grond van de wet alleen geldig als daarvoor een dringende reden bestaat. Bij de beoordeling van het ontslag op staande voet worden (uitsluitend) de ontslaggronden betrokken die in de ontslagbrief worden genoemd; niet naderhand nog gebleken gedragingen van de werknemer. In dit geval zijn de ontslaggronden uit de brief van 26 september 2025 voldoende komen vast te staan, en deze leveren een dringende reden voor ontslag op staande voet op.
de werknemer heeft zich schuldig gemaakt aan machtsmisbruik en grensoverschrijdend handelen
4.16.
Vast staat dat [verzoeker] gedurende een periode van ongeveer één tot anderhalf jaar een intieme relatie heeft gehad met een ondergeschikte, zonder daarvan melding van te maken. Niet alleen op basis van de toepasselijke bedrijfs- en gedragsregels, maar juist ook vanwege zijn positie als leidinggevende had [verzoeker] kunnen en moeten weten dat het aangaan van een intieme relatie met een ondergeschikte niet acceptabel was, en had hij daar zonder meer en direct melding van moeten maken bij AAK en openheid van zaken moeten geven. Dat heeft hij niet gedaan. Ter zitting is gebleken dat dit een welbewuste keuze is geweest. Desgevraagd heeft hij verklaard dat hij zich enige tijd na aanvang van de relatie realiseerde dat dit zo niet kon, omdat hij getrouwd was en leidinggevende, maar daar heeft hij vervolgens niet naar gehandeld. Hij heeft de relatie niet bij AAK gemeld, gelet op de grote persoonlijke en zakelijke gevolgen die een melding voor hem zouden kunnen hebben. De relatie is daarna voortgezet. Dit kan [verzoeker] worden aangerekend. Hij heeft hiermee immers zijn persoonlijke belangen voor laten gaan op de belangen van zijn werkgever en alleen aan zichzelf gedacht. AAK stelt terecht dat [verzoeker] AAK hiermee heeft blootgesteld aan onder meer reputatie- en juridische risico’s. Dit risico heeft zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt doordat AAK nadien door de ondergeschikte aansprakelijk is gesteld voor schade. Toen pas heeft [verzoeker] , na een aanvankelijke ontkenning, (ten dele) openheid van zaken gegeven.
4.17.
AAK concludeert terecht dat [verzoeker] met deze relatie de interne gezagsverhoudingen en het teamevenwicht heeft verstoord. Hij heeft niet (gemotiveerd) ontkend dat hij de ondergeschikte gedurende de periode van hun relatie aanzienlijke vrijheden gaf: hij maakte structureel uitzonderingen op de normale bedrijfsregels en verleende haar privileges, wat door andere collega’s werd gesignaleerd en leidde tot een verslechterd werkklimaat. [verzoeker] is de ondergeschikte pas op de gewone bedrijfsregels gaan aanspreken (waaronder haar aan- en afwezigheid, het meebrengen van haar hond en haar gebrekkige functioneren) toen de relatie al was geëindigd. Dit leidde vervolgens tot conflicten en ziekmeldingen van de ondergeschikte rond de aanwezigheid van [verzoeker] , wat ook een nadelig effect had op het team en de werksfeer. Na het eindigen van de relatie is [verzoeker] de ondergeschikte bovendien herhaaldelijk blijven benaderen via Teams en Whatsapp, zonder directe zakelijke noodzaak. Dit gebeurde soms meerdere keren per dag, kort achter elkaar, en ook ’s avonds en in het weekend. Als zij niet reageerde, bleef [verzoeker] contact zoeken en zocht hij af en toe ook contact met haar collega’s om erachter te komen waar zij was. Zo zijn er dagen geweest waarop er (op initiatief van [verzoeker] ) zelfs zeven tot vijftien contactpogingen of -momenten zijn geweest [4] . [verzoeker] heeft hiervoor desgevraagd geen goede verklaring kunnen geven. Hij stelt weliswaar dat het altijd zijn intentie was om op een respectvolle, collegiale en transparante manier leiding te geven, maar de kantonrechter gaat hierin niet mee. Deze wijze van contact zoeken kan niet anders worden gekwalificeerd dan als intimidatie en het creëren van een onveilige werkomgeving.
4.18.
Aan de conclusie dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan machtsmisbruik en grensoverschrijdend handelen mocht AAK mede ten grondslag leggen dat [verzoeker] in 2022 tijdens een bezoek aan het VK met twee (vrouwelijke) ondergeschikten een stripclub heeft bezocht. Dat de betreffende collega’s behoorlijk aangeschoten waren en [verzoeker] naar eigen zeggen er alleen voor wilde zorgen dat zij veilig thuis kwamen, doet aan het verwijtbare karakter van dit handelen niet af. Hij had zich bewust moeten zijn van zijn verantwoordelijkheden en (voorbeeld)positie als leidinggevende en zich moeten onthouden van dit bezoek. Bovendien heeft AAK er terecht op gewezen dat de verklaring van [verzoeker] over het bezoek niet strookt met het betalen van het entreegeld van de stripclub voor de ondergeschikten en de genuttigde consumpties, alsmede de taxirit daarna naar het hotel waar [verzoeker] met de ondergeschikte verbleef. Dat [verzoeker] deze uitgaven ook nog eens voor rekening van AAK heeft laten komen door gebruikmaking van zijn zakelijke creditcard, draagt bij aan de ernst van het verwijt dat hem kan worden gemaakt.
4.19.
Dit alles tezamen maakt dat AAK wordt gevolgd in de conclusie dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan machtsmisbruik en grensoverschrijdend handelen. Dat [verzoeker] in strijd met de geldende bedrijfsregels bij AAK geen melding heeft gemaakt van een vermoeden van drugsgebruik, laat de kantonrechter daarbij buiten beschouwing. Het enkele feit dat de ondergeschikte bij een foto vertelde dat zij in verleden in privésfeer cocaïne heeft gebruikt, is niet genoeg om dit verwijt te kunnen dragen. Niet uit te sluiten valt dat dit inderdaad grootspraak van de ondergeschikte is geweest, ook bezien in het licht van de relatie die [verzoeker] op dat moment met haar had, en [verzoeker] heeft nooit werkelijk geconstateerd dat zij drugs heeft gebruikt. Van een concreet vermoeden van het gebruik van drugs onder werktijd was dus geen sprake.
de werknemer heeft bedrijfsgelden onrechtmatig besteed
4.20.
De kantonrechter onderschrijft de vaststelling van AAK dat [verzoeker] privé-uitgaven structureel heeft gedeclareerd alsof deze volledig zakelijk waren. Dit betreft allereerst de ten minste vijftien persoonlijke etentjes van [verzoeker] met de ondergeschikte. Dat het binnen AAK gebruikelijk was om met collega’s uit eten te gaan, maakt niet dat het ook geoorloofd was om zo vaak op kosten van AAK alleen met de ondergeschikte te dineren. AAK heeft toegelicht dat uit eten gaan met andere ondergeschikten hooguit één of twee keer per jaar gebeurde en uitsluitend in groepsverband. Dat was hier niet aan de orde. [verzoeker] ging ongebruikelijk vaak alleen met de ondergeschikte uit eten. Deze etentjes heeft hij als uitsluitend zakelijk gedeclareerd, terwijl hieraan geen uitsluitend zakelijke reden ten grondslag lag. [verzoeker] heeft hierover op de zitting verklaard dat hij onder meer vaak samen at met de ondergeschikte wanneer zij hem bij zijn hotel afzette en dat hij sowieso moest eten, zodat hij AAK hiermee geen extra kosten heeft bezorgd. [verzoeker] miskent met deze verklaring echter dat hij er ook voor had kunnen kiezen om alleen te eten in plaats van met de ondergeschikte, zodat er wel degelijk extra kosten zijn gemaakt. Dit handelen van [verzoeker] kan ook niet los worden gezien van de intieme relatie die [verzoeker] op dat moment met de ondergeschikte had. Dat er tijdens het eten niet alleen over persoonlijke zaken werd gesproken, maar ook over het werk, zoals [verzoeker] verder nog heeft aangevoerd, maakt niet dat er alsnog sprake was van een - uitsluitend - zakelijk motief.
4.21.
Verder heeft [verzoeker] in ieder geval twee keer extra kosten gemaakt vanwege hotelovernachtingen op verzoek van de ondergeschikte en op basis van haar voorkeuren. Hoewel [verzoeker] tijdens noodzakelijke verblijven in het VK meestal in een hotel op de luchthaven overnachtte, heeft de ondergeschikte voor 8 augustus 2022 een hotel daarbuiten geboekt voor hen beiden, met extra voorzieningen (voor onder meer spavoorzieningen en haar hond) die niets met de functie van [verzoeker] te maken hadden en leidden tot hogere kosten. Deze overnachting en kosten heeft [verzoeker] als uitsluitend zakelijk gedeclareerd. Dat geldt ook voor een overnachting die de ondergeschikte had in een ander hotel na het bezoek aan de stripclub op 21 september 2022, gelijktijdig met [verzoeker] .
4.22.
Ook heeft [verzoeker] geen toereikende verklaring kunnen geven voor de wezenlijke toename aan zakenreizen naar het VK gedurende de periode van de relatie. Uit onderzoek van AAK is gebleken dat [verzoeker] gedurende het eerste jaar van de verhouding met de ondergeschikte 26 keer het VK heeft bezocht en 23 keer in het jaar daarna, terwijl [verzoeker] in de jaren na het einde van de relatie het VK slechts vijftien en zes keer heeft bezocht. Hoewel [verzoeker] heeft toegelicht dat de noodzaak voor zijn aanwezigheid in het VK in de eerste periode groter was door de ontwikkelingen die in 2022 rond AAK plaatsvonden, vormt dat geen afdoende verklaring voor het substantiële verschil in reisfrequentie tijdens de relatie en daarna. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat deze reizen niet alleen een zakelijk oogmerk hadden, maar mede werden gepland om privéredenen, zoals bijvoorbeeld de verjaardag van de ondergeschikte. Uit een appwisseling tussen [verzoeker] en de ondergeschikte blijkt immers dat [verzoeker] haar vertelt wanneer hij naar het VK zal reizen en nadat zij aangeeft dat hij niet hoeft te komen, zegt:
ʺI definitely come over, need to toast on yr birthdayʺ. Van een uitsluitend zakelijke reden is hier dus geen sprake.
4.23.
Tot slot is gebleken dat [verzoeker] voor de reis die hij in juli 2025 in verband met een beurs in Chicago naar de Verenigde Staten en Canada maakte eveneens ten onrechte privé-uitgaven als uitsluitend zakelijk heeft gedeclareerd. Ter zitting heeft [verzoeker] alsnog de hotelkosten en de kosten van een boottocht die hij in de VS heeft gemaakt adequaat toegelicht, onder verwijzing naar de duur van de beurs en de verkregen toestemming om al eerder (op zaterdag) naar de VS te gaan. Daar heeft AAK onvoldoende tegenover gesteld. Dit geldt echter niet voor de vlucht die [verzoeker] vervolgens van Chicago naar Ottawa in Canada heeft gemaakt. [verzoeker] verbleef in zijn vrije tijd en om privéredenen in Canada en daarom was dit geen zakelijke vlucht. Deze mocht hij dan ook niet zonder voorafgaande toestemming als uitsluitend zakelijk declareren. Dat dit in het verleden altijd zo ging en [verzoeker] hiervoor al sinds 2011 toestemming had, heeft AAK weersproken en is door [verzoeker] eerst ter zitting naar voren gebracht en niet onderbouwd.
4.24.
Aldus is sprake van een patroon van herhaaldelijk onrechtmatige besteding van bedrijfsgelden, waarbij [verzoeker] zijn senior positie heeft gebruikt voor persoonlijk gewin en dat ten grondslag mocht worden gelegd aan het ontslag op staande voet. Van belang daarbij acht de kantonrechter dat [verzoeker] de ongeoorloofdheid van zijn handelen in dit verband niet lijkt in te zien en niet het besef toont dat de wijze waarop hij met de bedrijfsgelden is omgegaan onjuist en onrechtmatig is.
de werknemer heeft misbruik gemaakt van de bedrijfseigendommen van de werkgever
4.25.
Ook het verwijt dat [verzoeker] misbruik heeft gemaakt van bedrijfseigendommen van AAK kan stand houden. Vast staat dat [verzoeker] onder meer zijn werktelefoon heeft gebruik voor de uitwisseling van privéberichten via Whatsapp en Teams met de ondergeschikte tijdens en na hun relatie. Dat heeft [verzoeker] ook erkend. Eveneens staat vast dat op zijn werktelefoon expliciet seksueel dan wel pornografisch materiaal was opgeslagen en dat [verzoeker] , zo heeft hij ter zitting bevestigd, het bewuste materiaal zelf ook doorstuurde naar derden. Verder is een deel van dit materiaal op zijn telefoon tijdens een teamdiner zichtbaar geweest voor ondergeschikten doordat de ondergeschikte de telefoon van [verzoeker] pakte en dit liet zien. Ook dit kan [verzoeker] worden aangerekend. Als werknemer diende hij zich te houden aan de interne bedrijfsregels over onder meer het gebruik van bedrijfseigendommen en als leidinggevende rustte op hem een verhoogde verantwoordelijkheid om daarmee zorgvuldig om te gaan. Dit betekent dat [verzoeker] had moeten voorkomen dat dergelijk materiaal op zijn werktelefoon werd ontvangen, opgeslagen of gedeeld. Hij had zijn telefoon daarvoor niet moeten gebruiken. Eveneens had hij moeten voorkomen dat de ondergeschikte toegang had tot zijn telefoon en dat zij wist wat daarop stond. AAK kan dan ook worden gevolgd in de conclusie dat [verzoeker] bedrijfsapparatuur heeft gebruikt voor doeleinden die haaks staan op professionele standaard en integriteitsnormen en daarvan dus misbruik heeft gemaakt.
de conclusie en de billijke vergoeding
4.26.
De kantonrechter oordeelt dat de hiervoor beschreven gedragingen van [verzoeker] zodanig ernstig zijn dat deze een dringende reden opleveren. Hoewel de persoonlijke gevolgen voor [verzoeker] na een dienstverband van meer dan achttien jaar ingrijpend zijn, weegt het patroon van ernstig normoverschrijdend gedrag zwaarder. Dat [verzoeker] een fundamenteel gebrek aan normbesef toont, de ernst van zijn handelen bagatelliseert en zijn verantwoordelijkheid ontloopt, maakt dat van AAK in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Omdat het ontslag rechtsgeldig is, moeten de gevraagde verklaring voor recht en het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor het verzoek tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging.
4.27.
Het verzoek om AAK te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens afgewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [verzoeker] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarom is geen transitievergoeding verschuldigd [5] .
4.28.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . De proceskosten aan de zijde van AAK worden begroot op € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.29.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst het verzoek af,
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. [6]
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:677 lid 1 BW Pro.
3.Artikel 7:611 BW Pro.
4.Productie 24 bij verweerschrift: 28 maart 2024 en 4 juni 2024.
5.Artikel 7:673 lid 7 sub c BW Pro.
6.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.